WeRead Powered by ReaderPub
De Hoovenier cover

De Hoovenier

Chapter 84: LXXXIV.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A sequence of lyrical-dramatic poems and dialogues that dwell on longing, love, memory, and the tension between inward desire and everyday duty. Intimate scenes set in gardens, rooms, and along roads use images of flowers, birds, lamps, and travel to evoke yearning, renunciation, and the passage of time. Speakers vary from attendants and solitary poets to lovers, shifting between tenderness, regret, and contemplative solitude. Recurring motifs of gardens and cages contrast freedom and constraint, while small domestic rituals and gestures disclose unspoken affection, loss, and the persistent ache of separation.

LXXXIV.

Oover de groen-en-geele rijstvelden slieren de schaduwen van de herfstwolken, gevolgd door de snel-jagende zonneschijn.

De bijen vergeeten hun hoonig te nippen; verdwaasd zweeven en zoemen ze, dronken van licht.

De eenden, op de eilanden in de rivier, tieren van plezier om louter niets.

Laat niemand naar huis teruggaan deezen morgen, broeders, laat niemand aan ’t werk gaan.

Laat ons den blaauwen heemel stormender hand neemen, en de ruimte plunderen bij ’t loopen.

Lachen drijft in de lucht, als schuim op den vloed.

Broeders, laat ons onzen morgen verspillen in nuttelooze liederen.