WeRead Powered by ReaderPub
De Hoovenier cover

De Hoovenier

Chapter 85: LXXXV.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A sequence of lyrical-dramatic poems and dialogues that dwell on longing, love, memory, and the tension between inward desire and everyday duty. Intimate scenes set in gardens, rooms, and along roads use images of flowers, birds, lamps, and travel to evoke yearning, renunciation, and the passage of time. Speakers vary from attendants and solitary poets to lovers, shifting between tenderness, regret, and contemplative solitude. Recurring motifs of gardens and cages contrast freedom and constraint, while small domestic rituals and gestures disclose unspoken affection, loss, and the persistent ache of separation.

LXXXV.

Wie zijt gij, leezer, die mijn gedichten leest oover honderd jaar?

Ik kan u geen enkele bloem zenden van deeze lente-weelde, geen enkele gouden stréép van gindsche wolken.

Oopen uw deuren en zie naar buiten.

Verzamel uit uw bloeyende hof geurige herinneringen, van de verdweenen bloemen van voor honderd jaar.

Moogt gij in de vreugde uws harten de leevende vreugde voelen, die op een lentemorgen zong, en haar blijde stem heen zond oover honderd jaren.