WeRead Powered by ReaderPub
De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders cover

De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

Chapter 103: XIII.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

This work presents the legendary tales of Uilenspiegel and Lamme Goedzak, two characters who embody the spirit of the Flemish people during a tumultuous period in history. Through a blend of humor and adventure, the narrative explores themes of resistance against oppression, the celebration of folk culture, and the joys and struggles of everyday life. The characters navigate various challenges, showcasing their wit and resilience. The text is rich with vivid imagery and is interspersed with songs and folklore, reflecting the cultural heritage of Flanders. The storytelling style combines elements of prose and poetry, creating a lively and engaging reading experience.

XIII.

Daar zocht hij zijne vrouw in al de kaberdoeskens, danszalen en taveernen. ’s Avonds vond hij Uilenspiegel terug in den Zingenden Zwaan. Uilenspiegel ging overal rond om het volk tot opstand te wekken, tegen de beulen van den vaderlandschen bodem.

Op de Vrijdagsmarkt, omtrent de Dulle Griet, ging Uilenspiegel plat op zijn buik ten gronde liggen.

Een kooldrager kwam voorbij en sprak:

—Wat doet gij daar?

—Ik maak mijnen neus nat om te zien van waar de wind komt, antwoordde Uilenspiegel.

Een timmerman kwam.

—Neemt gij den grond voor een bedde? vroeg hij.

—Er zijn er, die hem weldra voor een deken zullen nemen antwoordde Uilenspiegel.

Een monnik bleef staan.

—Wat doet dat kalf daar? vroeg hij.

—Het kalf vraagt plat op zijn buik uwen zegen, mijn vader, antwoordde Uilenspiegel.

De monnik gaf hem dien en toog henen.

Toen legde Uilenspiegel zijn oor tegen den grond; een boer kwam voorbij.

—Hoort gij daar iets? vroeg hij.

—Ja, sprak Uilenspiegel, ik hoor het hout groeien, hetwelk zal dienen om de arme ketteren te verbranden.

—Hoort gij niets anders? vroeg een stadsserjant.

—Ik hoor, sprak Uilenspiegel, de Spaansche soldaten aandraven; als gij iets hebt, dat dierbaar is, begraaf het dan, want weldra zijn de steden niet meer veilig tegen de roovers.

—Hij is zot, zei de serjant.

—Hij is zot, herhaalden de poorters.