WeRead Powered by ReaderPub
De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders cover

De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

Chapter 12: VIII.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

This work presents the legendary tales of Uilenspiegel and Lamme Goedzak, two characters who embody the spirit of the Flemish people during a tumultuous period in history. Through a blend of humor and adventure, the narrative explores themes of resistance against oppression, the celebration of folk culture, and the joys and struggles of everyday life. The characters navigate various challenges, showcasing their wit and resilience. The text is rich with vivid imagery and is interspersed with songs and folklore, reflecting the cultural heritage of Flanders. The storytelling style combines elements of prose and poetry, creating a lively and engaging reading experience.

VIII.

Klaas had een grooten zalm gevangen, die op een Zondag gegeten werd door hem en ook door Soetkin, Katelijne en den kleinen Uilenspiegel; doch Katelijne at niet meer dan een vogelken.

—Maar, zei Klaas tot haar, is Vlaanderens lucht tegenwoordig zoo voedzaam, dat gij maar moet ademhalen om gespijsd te wezen als met een teil vleesch? Wanneer zal men kunnen leven zonder eten? De regen moest goede soep zijn, de hagelsteenen erwten en de sneeuw stoverije; dat zou den armen pelgrims versterking geven.

Katelijne schudde zwijgend het hoofd.

—Maar, moet gij daar zoo jammerend zitten? zei Klaas. Wat scheelt er aan?

Toen sprak Katelijne met eene stem, zacht als een ademtocht:

—De booze geest, de zwarte nacht valt neer.—Daar meldt hij zijne komst, met het geschreeuw van den nachtuil.—Rillend aanroep ik—te vergeefs—de Heilige Maagd.—Voor hem, muren noch hagen, deuren noch vensters.—Licht als een geest, dringt hij overal binnen.—Krakende ladder.—Hij is bij mij, op den zolder waar mijne legerstee staat.—Hij grijpt mij in zijn koude armen, als marmer zoo hard.—IJskoud is zijn gelaat, en zijn kussen vochtig als de sneeuw.—De stroohut schudt en slingert als een schuitje op de woelige zee....

—Elken morgen, zei Klaas, moet gij ter misse gaan, opdat de Heer Jezus U de kracht geve dat helsche spook te verjagen.

—Hij is zoo schoon! sprak zij.