WeRead Powered by ReaderPub
De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders cover

De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

Chapter 135: XXIV.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

This work presents the legendary tales of Uilenspiegel and Lamme Goedzak, two characters who embody the spirit of the Flemish people during a tumultuous period in history. Through a blend of humor and adventure, the narrative explores themes of resistance against oppression, the celebration of folk culture, and the joys and struggles of everyday life. The characters navigate various challenges, showcasing their wit and resilience. The text is rich with vivid imagery and is interspersed with songs and folklore, reflecting the cultural heritage of Flanders. The storytelling style combines elements of prose and poetry, creating a lively and engaging reading experience.

XXIV.

Afgunst verteerde koning Philippus. In zijn hoogmoed bad hij jammerend God, dat hij hem de macht zou geven Engeland te overwinnen, Frankrijk te veroveren, Milaan, Genua en Venetië in te nemen en, meester der zeeën, heel Europa te gebieden.

Hij dacht aan die zegepraal, maar hij lachte niet.

Gedurig was hij huiverig; de wijn verwarmde hem niet, noch het vuur van het welriekend hout, dat altijd brandde in de zaal waar hij verbleef. Daar zat hij te midden van zoovele brieven, dat men er wel honderd tonnen mede had kunnen vullen; hij dacht aan de alleen-heerschappij over gansch de aarde, zooals die uitgeoefend werd door de Roomsche keizers, en aan den naijver en den haat die hij zijnen zoon don Carlos toedroeg, sedert deze de plaats van den hertog van Alva in de Nederlanden had willen innemen. En als hij hem zag, mismaakt, zot en boosaardig, kwam er een nog grootere haat over hem. Maar niemand sprak hij er over.

Zij, die den koning en zijnen zoon dienden, wisten niet wien zij ’t meest moesten vreezen, óf den moordzieken kroonprins, die zijn dienaren in ’t gezicht krabde, òf den gluiperigen koning, die zich van anderen bediende als hij iemand wilde treffen, en die als eene hyena leefde van lijken.

De dienaren waren verschrikt als ze den een achter den anderen zagen sluipen, en zeiden, dat men, in ’t Escuriaal, weldra van dooden zou hooren.

Weldra vernamen zij, dat don Carlos gevangen gezet was, wegens hoogverraad. En zij wisten dat verdriet hem verteerde; dat hij door de staven van zijn kerker had willen kruipen om te vluchten, en zich aldus het aangezicht had gekwetst.

Ook wist men, dat mevrouwe Isabella van Frankrijk, zijne moeder, gedurig weende.

Maar koning Philippus weende niet.

Ze kregen mare, dat men don Carlos versche vijgen gegeven had, en dat hij ’s anderen daags zoo zacht gestorven was alsof hij ingesluimerd was.

De dokters zeiden: Zoodra hij de vijgen gegeten had, hield zijn hert op met kloppen en werden de natuurlijke levensverrichtingen afgebroken; zijn buik zwol op en zoo gaf hij den geest.

Koning Philippus woonde de uitvaart van don Carlos bij, deed hem begraven in de kapel zijner koninklijke verblijfplaats en eenen steen op zijn graf leggen, maar hij weende niet.

En spottend met het vorstelijk grafschrift, dat in dien steen was gebeiteld, zeiden de dienaren tot elkander:

HIER LIGT BEGRAVEN DEGENE DIE VERSCHE

VIJGEN AT EN STIERF ZONDER ZIEK TE ZIJN.

A qui jace qui en para desit verdad,

Morio s’in infirmidad.

En koning Philippus bezag met ontuchtige blikken de prinses van Eboli, die getrouwd was. Door drift verteerd, smeekte hij heur en zij weerstond niet....

Mevrouwe Isabella van Frankrijk, die, naar men zeide, don Carlos’ inzichten op de Nederlanden begunstigd had, werd droef en mager. Heur haar viel uit, met dikke lokken te gelijk. En dikwerf braakte zij, en de nagelen heurer teenen en vingeren vielen uit. En zij stierf.

En koning Philippus weende niet.

Het haar van den prins van Eboli viel insgelijks uit. Hij werd droef en klaagde gedurig. Dan vielen ook zijne nagelen van teenen en vingeren uit. En hij stierf.

En de koning deed hem begraven.

En hij betaalde den rouw der weduwe, en weende niet.