WeRead Powered by ReaderPub
De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders cover

De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

Chapter 178: XXII.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

This work presents the legendary tales of Uilenspiegel and Lamme Goedzak, two characters who embody the spirit of the Flemish people during a tumultuous period in history. Through a blend of humor and adventure, the narrative explores themes of resistance against oppression, the celebration of folk culture, and the joys and struggles of everyday life. The characters navigate various challenges, showcasing their wit and resilience. The text is rich with vivid imagery and is interspersed with songs and folklore, reflecting the cultural heritage of Flanders. The storytelling style combines elements of prose and poetry, creating a lively and engaging reading experience.

XXII.

Dien dag was ’t kermis op de vloot van de Geuzen. Niettegenstaande het gure weder der Wintermaand, niettegenstaande regen en sneeuw, waren al de Geuzen op het dek van de schepen. De zilveren halvemanen flikkerden op de Zeeuwsche hoedekens.

En Uilenspiegel zong:

Leiden is ontzet, de bloedhertog

Wijkt uit de Nederlanden;

Klare klokken, klinkt,

Beiaards, schatert uw deuntjes uit;

Rinkelt, roomers en bottels.

Kreeg de doghond slaag,

Staartneder, met bloedend oog,

Loopt hij de stokken weer in.

Zijn gescheurde muil

Hijgt en huivert.

Weg is de bloedhertog:

Rinkelt, roomers en bottels. Leve de Geus!

Bijten wou hij zijn eigen.

De stokken brijzelden zijn gebit.

Met hangenden suffen kop,

Denkt hij aan dagen van moord en vraatlust.

Weg is de bloedhertog:

Slaat op de glorietrom,

Slaat op de krijgstrom!

Leve de Geus!

Thans schreeuwt hij den duivel toe: „Koop

Mijn hondsche ziel voor één uur kracht”.

„Uw ziel, roept de duivel,

Uw ziel of een boestring, dat ’s eender.”

Geen tand past op een tand.

De harde brokken moest ge maar laten.

Weg is de bloedhertog:

Leve de Geus!

De straathondjes, scheef, scheel, schurftig,

Die leven en krepeeren op vuilnishoopen,

Heffen hun poot op, beurt om beurt,

Naar hem, die doodde uit moordzucht....

Leve de Geus!

„Hij hield van vrouw noch vriend,

Van vreugd, noch zon, noch meester,

Slechts van de Dood, zijn bruid,

Die hem de pooten knakte,

Tot blijdans vóór de bruiloft;

Want heele menschen lust ze niet.

Slaat op de vreugdtrom.

Leve de Geus!”

En de straathondjes mank,

Scheef, schurftig en scheel,

Heffen nog eens den poot op

Dat het ziedt en zout,

En met hen brakken en winden,

Rekels van Hongarije,

Van Brabant, Namen en Luxemburg.

Leve de Geus!

En triestig, met schuimmuil,

Krepeert hij vóór zijn meester,

Die hem schopt met den voet,

Wijl hij te weinig beet.

Ter helle huwt hij Dood.

Hem heet zij: Mijn hertog;

Hij haar: Mijn inquisitie.

Leve de Geus!

Klare klokken, klinkt,

Beiaard, schater uw deuntjes uit;

Rinkelt, roomers en bottels:

Leve de Geus!