WeRead Powered by ReaderPub
De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders cover

De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

Chapter 51: XLVII.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

This work presents the legendary tales of Uilenspiegel and Lamme Goedzak, two characters who embody the spirit of the Flemish people during a tumultuous period in history. Through a blend of humor and adventure, the narrative explores themes of resistance against oppression, the celebration of folk culture, and the joys and struggles of everyday life. The characters navigate various challenges, showcasing their wit and resilience. The text is rich with vivid imagery and is interspersed with songs and folklore, reflecting the cultural heritage of Flanders. The storytelling style combines elements of prose and poetry, creating a lively and engaging reading experience.

XLVII.

En Katelijne, die Borgerhout niet verlaten had, dwaalde steeds door de velden en herhaalde gedurig: „Hansken, mijn man, zij hebben vuur op mijn hoofd gelegd; maak er een gat in, dat mijne ziel er uit kome. Helaas! zij klopt altijd en elke klop doet zeer als een hamerslag.”

En Nele verzorgde de arme uitzinnige, en treurig dacht zij aan heuren vriend Uilenspiegel.

En te Damme bond Klaas zijne mutsaards en verkocht zijne kolen; en menigwerf werd hij droefgeestig als hij dacht aan Uilenspiegel, den banneling, die nog in langen tijd niet zou mogen terugkeeren naar de ouderlijke stulp.

Soetkin zat heele dagen aan het venster te kijken of zij heuren zoon niet zag aankomen.

Deze was nu bij Keulen en kreeg lust in ’t hovenieren.

Hij ging zich als knecht verhuren bij Jan van Zuursmoel, die, ten tijde dat hij kapitein der landsknechten was, wegens wanbetaling van soldij bijna gehangen geweest was, weshalve hij een grooten afkeer had van hennep, door de boeren kennep genoemd.

Op zekeren dag nam Jan van Zuursmoel Uilenspiegel mede naar zijn akker, waarnaast een dagwand, geheel met kennep beplant.

Jan van Zuursmoel sprak tot Uilenspiegel:

—Telkenmale dat gij die leelijke plant ziet, moet gij ze met zooveel verachting bejegenen als gij maar kunt, want zij dient tot rad en tot galg.

—Ik zal het onthouden, antwoordde Uilenspiegel.

Eens nu dat Jan van Zuursmoel met eenige vrienden aan tafel zat, zei de keukenmeid tot Uilenspiegel:

—Ga naar den kelder en haal er den zennep, wat toen mosterd bediedde.

Uilenspiegel opzettelijk kennep in plaats van zennep verstaande, bejegende den mosterdpot met de meest mogelijke verachting en kwam hem vervolgens op de tafel stellen, heimelijk lachend.

—Waarom lacht gij? vroeg Jan van Zuursmoel. Meent gij dat onze neuzen van koper zijn? Eet zelf dien zennep, mits gij hem zelven gereedgemaakt hebt.

—Ik eet liever kaneelkoekjes, antwoordde Uilenspiegel.

Jan van Zuursmoel stond recht om hem te slaan.

—Wat hebt gij in dien mosterdpot gedaan? sprak hij.

—Wel baas, antwoordde Uilenspiegel, herinnert gij u niet den dag, toen ik u moest volgen naar den akker en gij mij, den zennep aanwijzende, zegdet: „Overal waar gij die leelijke plant ziet, moet gij ze met zooveel verachting bejegenen als gij maar kunt, want zij dient tot rad en tot galg.” En ik heb het gedaan, baas, ik heb ze al mijne verachting uitgedrukt; gaat ge mij nu slaan omdat ik gehoorzaam was?

—Ik heb kennep gezeid en niet zennep, riep Jan van Zuursmoel.

—Baas, ge hebt zennep gezeid en niet kennep, antwoordde Uilenspiegel.

Nog langen tijd twistten zij aldus voort, Uilenspiegel op nederigen toon, Jan van Zuursmoel met een woedend geschreeuw, waarin hij de woorden hennep, zennep, kemp-zemp, zemp-kemp ondereen mengde als een verwarde streng zijde.

En de gasten lachten als duivels, die zich goed doen aan preekheerenribben en kettermeestersnieren.

Maar Uilenspiegel moest de deur uit.