WeRead Powered by ReaderPub
De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders cover

De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

Chapter 66: LXII.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

This work presents the legendary tales of Uilenspiegel and Lamme Goedzak, two characters who embody the spirit of the Flemish people during a tumultuous period in history. Through a blend of humor and adventure, the narrative explores themes of resistance against oppression, the celebration of folk culture, and the joys and struggles of everyday life. The characters navigate various challenges, showcasing their wit and resilience. The text is rich with vivid imagery and is interspersed with songs and folklore, reflecting the cultural heritage of Flanders. The storytelling style combines elements of prose and poetry, creating a lively and engaging reading experience.

LXII.

Als Uilenspiegel te Neurenberg kwam, gaf hij zich uit voor grootmeester in de medicijnen, overwinnaar van alle kwalen, wereldberoemd lichaamzuiveraar, die pest, koorts en alle ziekten verdreef.

In het gasthuis van die stad lagen zooveel zieken dat men ten einde raad was. De overste had de komst van Uilenspiegel vernomen; hij ging hem bezoeken en vroeg of hij werkelijk allerlei ziekten genezen kon?

—Uitgenomen de laatste, antwoordde Uilenspiegel; maar beloof mij tweehonderd gulden voor genezing der overigen; doch ik wil geen duit, als al uwe zieken niet zeggen, dat zij genezen zijn en het gasthuis kunnen verlaten.

’s Anderen daags trad hij, met doctorale waardigheid de ziekenzaal binnen. Hij ging overal rond, bezocht elken zieke afzonderlijk en zei:

—Zweer mij dat gij aan niemand zult zeggen wat ik u in het oor ga vertellen. Welke ziekte hebt gij?

De kranke zei het hem, en zwoer bij hoog en leeg te zullen zwijgen.

—Weet, sprak Uilenspiegel, dat ik morgen een uwer tot asch moet verbranden, om daarmede een wonderbaar geneesmiddel te bereiden, dat alle zieken zullen te drinken krijgen. Hij, die niet gaan kan, wordt tot pulver verbrand. Morgen kom ik terug met de overste, en ik zal roepen: „Dat al degenen die niet ziek zijn, hun pak maken en heengaan.”

Den volgenden morgen kwam Uilenspiegel en riep gelijk hij gezegd had. Al de zieken, kreupelen, jichtlijders, koortslijders, wilden om ’t zeerste buiten. En zelfs zij die in geen tien jaar uit hun bedde waren gekomen, liepen de straat op.

De overste vroeg of zij genezen waren en of zij gaan konden.

—Ja, antwoordden zij, in ’t gedacht dat er één op de binnenplaats tot assche verbrand werd.

Toen sprak Uilenspiegel tot den overste:

—Betaal mij; gij ziet, allen zijn buiten en verklaren dat zij genezen zijn.

De overste betaalde hem tweehonderd gulden, en Uilenspiegel spoedde zich buiten de stad.

Maar twee dagen nadien zag de overste alle zijne zieken zieker terugkomen, behalve één dien de frissche lucht genezen had, en die nu dronken door de straten liep, al zingende: „Hoezee voor den grooten dokter Uilenspiegel!”