WeRead Powered by ReaderPub
De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders cover

De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

Chapter 81: LXXVII.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

This work presents the legendary tales of Uilenspiegel and Lamme Goedzak, two characters who embody the spirit of the Flemish people during a tumultuous period in history. Through a blend of humor and adventure, the narrative explores themes of resistance against oppression, the celebration of folk culture, and the joys and struggles of everyday life. The characters navigate various challenges, showcasing their wit and resilience. The text is rich with vivid imagery and is interspersed with songs and folklore, reflecting the cultural heritage of Flanders. The storytelling style combines elements of prose and poetry, creating a lively and engaging reading experience.

LXXVII.

De vischverkooper moest maar de helft van de koopsom betalen, mits de andere helft hem als aanbrenger toekwam, tot dat men de zevenhonderd gouden karolussen vond, die hem tot zijn eerlooze daad aangezet hadden.

Soetkin weende ’s nachts en werkte ’s daags in het huishouden. Dikwijls hoorde Uilenspiegel haar in zich zelve zeggen:

—Als hij erft, laat ik mij dooden.

Nele en hij, wisten dat zij doen zou wat zij zeide; zij deden hun best om Soetkin te bewegen naar Walcheren te trekken, alwaar zij magen had. Soetkin wilde niet, zeggende dat zij zich niet verwijderen wilde van den bodem, die weldra heur gebeente zou ontvangen.

Ondertusschen ging de vischverkooper opnieuw tot den baljuw en zegde, dat de aflijvige voor eenige maanden zevenhonderd karolussen geërfd had, dat Klaas een spaarzam man was en dat hij dus die groote som niet verteerd had, maar dat ze ergens verborgen moest zijn.

De baljuw vroeg hem wat kwaad Uilenspiegel en Soetkin hem hadden gedaan om, na den eenen zijn vader en de andere heuren man te hebben ontnomen, hen nu nog zoo wreedelijk te vervolgen.

De vischverkooper antwoordde dat hij, als hoogpoorter van Damme, de wetten van den lande wilde doen eerbiedigen om ’s keizers goedertierenheid te verwerven.

Daarop liet hij in handen van den baljuw een geschrevene aanklacht en hij bracht getuigen, die, in volle waarheid sprekende, huns ondanks moesten bevestigen, dat de vischverkooper niet loog.

Op die getuigenissen verklaarden de heeren van de Schepenkamer, dat de vermoedens van plichtigheid voldoende waren om de torture toe te passen. Dienvolgens lieten zij het huis opnieuw afzoeken door de serjanten, die last hadden moeder en zoon naar het Steen te brengen, alwaar zij zouden opgesloten blijven, tot dat de scherprechter van Brugge kwam, die men op staanden voet had ontboden.

Toen Soetkin en Uilenspiegel gekoord en gebonden door de straat kwamen, stond de vischverkooper aan zijne deur naar hen te kijken.

En de poorters en poorteressen van Damme stonden ook aan hunne deur. Mathijssen, de naaste gebuur van den vischverkooper, hoorde Uilenspiegel tot den lafaard zeggen:

—Gij, die eene weduwe martelt, wordt gedoemd door den Heere!

En ook Soetkin, die zei:

—Gij, die eenen wees vervolgt, zult een kwaden dood sterven!

Toen die van Damme aldus vernomen hadden dat het op een tweede aanklacht van Grijpstuiver was, dat men moeder en zoon naar ’t gevang bracht, jouwden zij den vischverkooper uit en smeten ’s avonds steenen in zijne ruiten. En zijne deur werd vol vuiligheid bestreken.

En hij dorst niet meer buitenkomen.