WeRead Powered by ReaderPub
De oudheidkenner cover

De oudheidkenner

Chapter 10: Negende Hoofdstuk
Open in WeRead

About This Book

The narrative follows a young traveller who, while preparing for a short journey, becomes involved with an elderly, eccentric collector of historical curiosities and the colourful local people around him. Episodes combine gentle comedy of manners, vivid local portraiture, and a developing mystery about old papers and contested property that spurs inquiries, disputes, and probes into ruins and records. A romantic strand and several reconciliations are woven through debates over authenticity, heritage, and changing tastes, and the work shifts between satirical sketches and more sincere reflections on memory, learning, and community.

[Inhoud]

Negende Hoofdstuk

„Zijt ge onversaagd, sprak zij, zoo kunt gij hier vernachten:

Ons best vertrek was steeds het spookvertrek, helaas!

Maar kan uw wakk’re moed gerust het spel verwachten

Van rammelend gordijn- en ketenengeraas;

Behoudt uw kloeke tong dan nog de macht van spreken,

Als een ontzettend spook zich aan uw bed vertoont;

Vraagt gij ’t dan stout: waarom ’t is aan zijn graf ontweken,

Welaan, zoo wijs ik u de kamer, waar het woont!”

Eene ware geschiedenis.

Zij bereikten de kamer, waar zij gegeten hadden, en werden hartelijk door mejufvrouw Oldbuck verwelkomd.

„Waar is het jongere vrouwmensch?” vroeg de oudheidkenner.

„Inderdaad, broeder, te midden van de verwarring, wilde Mary niet naar mij luisteren; zij stoof weg naar het Halket-head –het is vreemd, dat gij haar dáár niet gezien hebt!”

„Hoe! – wat, – wat zegt gij, zuster? – is de deern in een nacht als [56]deze uitgeloopen naar de Halket-head rotsen? Goede Hemel! de ellende van dezen nacht is nog niet voorbij!”

„Maar gij wilt mij niet aanhooren, Monkbarns, gij zijt zoo driftig en ongeduldig?”

„Gekheid, vrouw!” hernam de onstuimige en ontroerde oudheidkenner „waar is mijne lieve Mary?”

„Juist, waar gij zelf moest zijn, Monkbarns! – boven, en in een warm bed.”

„Dat had ik willen zweren,” zeide Oldbuck lachende, maar merkelijk verlicht, „ik had het willen zweren; – de luie aap zou zich er niet om bekommeren, al waren wij allen verdronken! waarom zeidet gij, dat zij uitgegaan was?”

„Maar gij liet mij niet uitspreken, Monkbarns! Zij ging uit, en kwam terug met den tuinman, zoodra zij zag, dat niemand van de klip gestort, en Isabella Wardour behouden in het rijtuig was. Zij is nu een kwartier tehuis; want het slaat nu tien uur; – het arme kind was door en door nat, en ik deed een glas Xeres in haar gortnat.”

„Recht zoo, Grizel! recht zoo; – dat vrouwvolkje vertroetelt elkander altijd! Maar hoor, mijne eerwaardige zuster! – het woord eerwaardig verschrikke u niet: het geeft vele prijzenswaardige hoedanigheden te kennen, behalve die van den ouderdom; en ook deze is eervol, ofschoon het de laatste hoedanigheid is, waarmede de vrouwen zich gaarne gevleid zien! Maar overweeg mijne woorden: laat Lovel en mij dadelijk het overschot hebben van de kippenpastei en de rest van den portwijn.”

„De kippenpastei, – de portwijn, – wel, broeder! – er waren slechts een paar beentjes over, en nauwelijks een droppel wijn meer!”

Het gelaat van den oudheidkenner betrok, ofschoon hij te goed opgevoed was, om in tegenwoordigheid van een vreemdeling lucht te geven aan zijne ontevredenheid en verwondering over het verdwijnen van de spijzen, waarop hij zeker gerekend had. Maar zijne zuster kende deze teekens van gramschap. „O, lieve Monkbarns, is het de moeite waard, om daar zoo veel leven om te maken?”

„Ik maak geen leven, zoo als gij het noemt, vrouw!”

„Maar is het de moeite waard, zoo zuur te kijken om een paar beentjes? – En gij zult de waarheid hooren: gij moet weten, de dominé kwam, de waardige man, – hij was geheel en al van streek, dat spreekt, over uw deerniswaardig lot, zoo als hij het noemde, (want gij weet, hoe keurig hij in zijne woorden is,) en hij wilde hier wachten, tot hij vernemen kon, hoe het waarschijnlijk met u allen zou afloopen. Veel heerlijks zeide hij van de verplichting, om zich aan den wil der Voorzienigheid te onderwerpen, de waardige man! – ja, dat deed hij!”

„De waardige man!” hervatte Oldbuck op denzelfden toon: „Het zou hem niet spijten als Monkbarns weldra aan eene vrouwelijke erfgename kwam, dat geloof ik – en, terwijl hij zich bezig hield met den Christenplicht van vertroosting tegen dreigend onheil, veronderstel ik dat de kippenpastei en mijn goede portwijn verdwenen!”

„Waarde broeder! hoe kunt gij van zulke kleinigheden spreken, na zoo gelukkig aan den dood ontsnapt te zijn?”

„Beter, dan mijn avondmaal aan den dominé ontsnapt is, Grizel! – Er is zeker niets meer van over, veronderstel ik?”

„Wel, Monkbarns! gij spreekt, alsof er geen ander vleesch in huis was! [57]Het zou u niet bevallen hebben, als ik den beleefden man niet eenige geringe verversching aangeboden had, nadat hij van de pastorie was komen wandelen.”

Oldbuck neuriede en bromde half en half het einde van het oude Schotsche liedje:

„Eerst aten zij de witte poddings,

En dan de zwarten, o!

Toen dacht de man zoo bij zich zelv’

De duivel huist daar, o!”

Zijne zuster haastte zich zijn misnoegen te doen bedaren, door hem eenige overblijfsels van het middagmaal voor te zetten. Hij sprak van eene andere flesch wijn; maar beval bij voorkeur een glas brandewijn aan, die inderdaad voortreffelijk was. Daar Lovel niet kon overgehaald worden, zich in de fluweelen slaapmuts en den gebloemden kamerjapon van zijn gastheer uit te dossen, drong Oldbuck, die vermeende eenige kennis van de geneeskunde te hebben, er op aan, dat hij zich zoodra mogelijk naar bed zou begeven, en sloeg voor ’s morgens vroeg een bode (den onvermoeiden Caxon) naar Fairport te zenden, om andere kleederen te halen.

Dit was de eerste wenk voor jufvrouw Oldbuck, dat de jonge vreemdeling dien nacht haar gast zou zijn; en zij ontstelde daarover zoo zeer, dat, als het bovenstuk van haar hoofdtooisel, dat wij reeds beschreven hebben, minder zwaar geweest ware, de grijze haarlokken overeind zouden gerezen zijn en het van zijne plaats verdrongen hebben.

„Heere beware ons!” riep de ontstelde dame uit.

„Wat is er, Grizel?”

„Als ik u eventjes spreken kon, Monkbarns!”

„Spreken! – Waarover? – Ik verlang naar bed; – en deze arme jongen ook; – laat maar dadelijk een bed voor hem gereed maken.”

„Een bed? – De hemel beware me!” steunde weder Grizelda.

„Wel, wat scheelt er aan? Zijn er geene bedden en kamers genoeg in huis? Was het niet vroeger een oud hospitium, waarin men, zoo als ik op goede gronden zeggen kan, alle nachten bedden spreidde voor een twintigtal pelgrims?”

„O, waarde Monkbarns, wie kan zeggen, wat men in die oude tijden deed? – maar in onzen tijd! – bedden! – ja wel, er zijn bedden genoeg en ook kamers genoeg, maar gij weet zelf, dat de bedden niet beslapen, en de kamers niet gelucht zijn, sedert de Hemel weet hoe lang. – Als ik het geweten had, hadden Mary en ik van nacht naar de pastorie kunnen gaan; Rebekka is zeer verlangend om ons te zien, (en de dominé ook, broeder!) maar nu, – wel! wel!”

„Hebben wij niet de groene kamer, Grizel?”

„Ja, die hebben wij, en die is behoorlijk in orde, ofschoon er niemand in sliep sedert Dr. Heavysterne, en –”

„En wat?”

„En wat? Gij weet zelf zeer goed, hoe hij den nacht daar doorbracht. Gij zult den jongen heer aan zoo iets niet willen blootstellen, niet waar?”

Lovel, dezen woordentwist aanhoorende, kwam tusschenbeide, en betuigde, dat hij veel liever naar huis wilde wandelen, dan hun de minste ongelegenheid veroorzaken, – dat de beweging hem goed zoude doen, – dat hij, [58]even goed ’s nachts, als over dag, den weg naar Fairport vinden kon, – dat de storm bedaard was, en zoo voorts; terwijl hij er bijvoegde al wat de beleefdheid aan de hand kon geven als aanleiding, om van eene gastvrijheid ontslagen te worden, die de lieden van het huis veel lastiger scheen te wezen, dan hij bij mogelijkheid had kunnen veronderstellen. Maar het gehuil van den wind en het kletteren van den regen tegen de vensters, gevoegd bij de herinnering aan de doorgestane vermoeienissen, zouden Oldbuck, ook wanneer hij minder achting voor zijn jongen vriend had gevoeld dan wezenlijk het geval was, belet hebben zijn vertrek te gedoogen. Daarbij was zijne eer er mede gemoeid, dat hij zich vrij en onafhankelijk van het vrouwvolkje toonde. – „Neem plaats, ga zitten; – ga zitten, man!” herhaalde hij: „en gij zoudt zoo vertrekken? Veel liever ontkurkte ik nooit van mijn leven eene enkele flesch meer, en hier komt er eene puik puik, met sterke ale – geen namaaksels, afkooksels, – maar gebrouwd van Monkbarnsche gerst. Jan van Girnell trok er nooit eene betere open, om een zwervenden minnezanger, of pelgrim, over het laatste nieuws uit Palestina uit te vragen. En om u den lust te benemen van te vertrekken, weet, dat bijaldien gij het doet, uw roem als wakkere ridder voor altijd verloren is. Wel, man, het is een avontuur, in de groene kamer te Monkbarns te slapen! – Zuster, ik verzoek u te zorgen, dat die in orde komt! En, ofschoon de dappere Heavysterne veel leed en angst doorstond in dat bekoorlijk vertrek, is dit geen reden, waarom een moedige ridder als gij, bijna tweemaal zoo lang, en minder dan half zoo zwaar als hij, de betoovering niet zou te gemoet gaan en verijdelen!”

„Hoe? een spook, veronderstel ik?”

„Wel zeker, wel zeker; – ieder huis in dit land, dat eenigzins oud is, heeft zijne geesten en zijne spookkamer, en gij moet onze woning voor niet minder aanzien, dan die van onze buren. De spoken zijn wel wat uit de mode geraakt; maar ik heb den tijd gekend, dat gij, met het aanwezen van den geest in eenig heerenhuis te betwijfelen, gevaar zoudt geloopen hebben om zelf tot een geest gemaakt te worden, zoo als Hamlet zegt. Ja, als gij aan het bestaan van Roodkapje in het kasteel van Glenstryrim getwijfeld hadt, zou de oude Sir Peter Pepperbrand u op zijn kasteelplein hebben uitgedaagd, en indien gij uw wapen niet zeer behendig wist te voeren, zou hij u als een kikkert op zijn eigen erf aangeregen hebben. Ik zelf ontsnapte eens ter nauwernood aan zulk een gevecht; maar ik verontschuldigde mij ootmoedig, en erkende Roodkapje; want zelfs in mijne jeugd was ik geen vriend van de monomachia, of tweestrijd, en ging liever met den geleerde, dan met den krijgsman om, – en het kan mij weinig schelen wie daarom mijn moed betwijfelt. God dank! nu ben ik oud, en kan mijne drift bot vieren, zonder in de noodzakelijkheid te zijn, om die met het blanke staal te verdedigen.”

Hier trad Mejufvrouw Oldbuck weder in de kamer met een bijzonder deftig gelaat. „Mijnheer Lovel’s bed is gereed, broeder! Schoone lakens, – goed gelucht, – wat vuur in den haard, – zeker, mijnheer Lovel, het was niet om de moeite, – en ik wensch u wel te rusten; maar, –”

„Gij hebt besloten, om dat zoo veel mogelijk te beletten.”

„Ik? – Dat heb ik zeker niet gezegd, Monkbarns!”

„Mijne lieve jufvrouw,” zeide Lovel; „vergun mij te vragen, wat toch die vleiende ongerustheid omtrent mijn welzijn beteekent?”

„Monkbarns hoort er niet gaarne van spreken; maar hij weet zelf, dat de kamer een slechten naam heeft. Men weet zeer goed dat het dáár was, dat [59]de oude Robert Tull, de stadsschrijver sliep, toen hij die wonderbaarlijke inlichtingen kreeg omtrent het groote proces tusschen ons en de heeren van Mosselklip. Het heeft honderden gekost, mijnheer Lovel, want de processen werden lang geleden, evenmin als tegenwoordig, zonder geld gevoerd, – en de Monkbarns van dien tijd, onze grootvader, mijnheer Lovel, zoo als ik te voren zeide, – stond op het punt, om veroordeeld te worden, bij gebrek van één papier. Monkbarns weet wel, wat voor een papier het was: maar ik ben zeker, dat hij mij niet zal helpen met mijne historie; – maar het was een papier van groot belang bij het proces, en wij moesten het verliezen, omdat wij het stuk niet hadden. Welnu, – de zaak moest dienen voor de zitting van het hof op een bepaalden dag, en de oude Robert Tull, de stadsschrijver kwam over, om nog een laatst onderzoek te doen naar het stuk, dat ontbrak, eer onze grootvader naar Edinburg ging, om bij de behandeling van de zaak tegenwoordig te zijn: dus was er niet veel tijd te verliezen. Het was maar een onwetende suffert, die Robert, zoo als ik gehoord heb; maar hij was toen stadsschrijver te Fairport, en de Monkbarns gebruikten hem in hunne rechtszaken, wegens hunne betrekking tot de stad, zoo als gij weet, –”

„Zuster Grizel, dit is onuitstaanbaar!” viel Oldbuck haar in de rede. „Bij den Hemel! gij zoudt de geesten van alle abten van Trotcosey sedert de dagen van Waldemar uit hunne graven hebben kunnen doen verrijzen, in den tijd, dien gij tot de bezwering van één enkel spook besteed hebt. Leer beknopt te zijn in uwe verhalen. Volg den korten stijl na van den ouden Aubrey, een ervaren geestbezweerder, die zijne aanteekeningen over deze onderwerpen op eene korte, zaakrijke wijze maakte; exempli gratia: „Te Cirencester, 5 Maart 1670, was er eene verschijning; – gevraagd zijnde, of een goede, of een kwade geest? antwoordde hij niet, maar verdween oogenblikkelijk, met een zonderlingen geur en een welluidenden klank.” Vide zijne Mengelschriften, blz. achttien, en, zoo veel ik mij herinneren kan, omtrent het midden van de pagina.”

„O, Monkbarns, mensch! denkt gij, dat iedereen zoo geleerd is als gij? – maar gij houdt er van de menschen voor den gek te houden; – gij doet dat met Sir Arthur, ja zelfs met den dominé!”

„De natuur is mij vóor geweest, Grizel, ten opzichte van deze beiden, en nog in éen ander geval, waarvan ik niet spreken zal; – maar neem een glas ale, Grizel, en ga voort met uw verhaal; want het wordt laat.”

„Jenny is bezig met uw bed te warmen, Monkbarns, en gij moet toch wachten totdat zij klaar is. – Wel, ik was juist tot het onderzoek gekomen, door onzen grootvader Monkbarns met den ouden Robert Tull ingesteld; maar wat zij deden, zij konden niets vinden, om hen te helpen; en zie, – nadat zij eene menigte lederen zakken met papieren leêg geschud en doorsnuffeld hadden, kreeg de stadsschrijver zijn glaasje punch; – maar niet meer dan noodig was, om de stof uit zijne keel te spoelen: want wij waren hier nooit groote drinkers, mijnheer Lovel; – maar die man had zich zoo gewend aan het drinken en klinken met de schouten en schepenen, als zij over de gemeente zaken vergaderden, (en dat was bijna alle avonden,) dat hij zonder dat niet slapen kon. Nu, hij kreeg dan zijn glaasje punch en ging naar bed – maar midden in den nacht werd hij verschrikt wakker! – na dien tijd is hij nooit meer recht bij zijn stuk geweest, en juist vier jaren daarna, kreeg hij op denzelfden datum eene beroerte. Het kwam hem voor, mijnheer Lovel, alsof hij de gordijnen van het bed hoorde rammelen, en hij [60]stak er het hoofd uit, denkende, die goede man! dat het de kat was; – maar hij zag, – de Hemel sta ons bij! – ik ril er van, ofschoon ik de historie wel twintigmaal verhaald heb, – hij zag een welvarenden ouden heer, in den maneschijn, naast zijn bed staan, met een ouderwetschen rok vol knoopen en lissen, en dat gedeelte van zijne kleeding, waarover het eene dame niet past te spreken, was heel breed en wijd, met vele plooien, als dat van een Hamburgschen schipper; – daarbij had hij een baard, en op de bovenlip een ontzettend langen knevel, die opwaarts krulde; en er waren nog vele andere bijzonderheden, daar Robert Tull van vertelde, maar die nu vergeten zijn: want het is eene oude historie. Wel nu, Robert was een eerlijk man voor een stadsschrijver, en was minder bang, dan men had mogen verwachten. Hij vroeg den geest, wat hij in vredes naam wilde? – En de geest antwoordde in eene onbekende taal. Toen, zeide Robert, beproefde hij ’t met het Celtisch; want hij kwam, in zijne jeugd, uit de Hooglanden van Glenlivat, maar dat wilde niet lukken. Wel nu, in zijne vrees, vielen hem een paar woorden Latijn te binnen, die hij in zijne stukken placht te gebruiken, – en nauwelijks had hij den geest daarmede aangesproken, of deze wierp hem zooveel Latijn naar het hoofd, dat de arme Robert Tull, die volstrekt geen geleerde was, er geheel van verpletterd stond. Hij vatte nochtans moed en herinnerde zich den Latijnschen naam van het stuk, dat hij zocht. Het was eene soort van kaart, naar ik mij verbeeld; want de geest schreeuwde maar: Carter, Carter!”.

Carta, gij taalschendster!” riep Oldbuck; „als mijn voorvader geene betere taal geleerd had in de andere wereld, zal hij toch ook niet zijn Latijn vergeten hebben, dat hem zoo beroemd op deze aarde maakte.”

„Wel, wel, zoo zij het; Carta dan; maar zij, die mij de historie vertelden, zeiden Carter; – hij schreeuwde dus Carta, als het Carta wezen moet, en gaf aan Robert een teeken om hem te volgen. Tull vatte moed als een Hooglander, sprong uit het bed, nam van zijne kleederen meê, wat hem het eerste voor de hand kwam, en volgde het spook, trap op, trap af, naar de plaats, die wij de hooge duiventil noemen, – een kleine toren aan den hoek van het huis, waar een stapel oude kisten en koffers stonden, – en daar gaf de geest Robert met één voet een stoot, en schopte hem met den anderen tegen dat oude, Oostindische gevaarte van een kabinet, dat mijn broeder nu naast zijne schrijftafel heeft staan; waarna hij als een tabakswolkje verdween, en Robert in een zeer beklagenswaardigen toestand achterliet.”

Tenues secessit in auras, zeide Oldbuck, „et mansit odor, – mijnheer! Maar zeker is het, dat het stuk gevonden werd in eene lade van dit vergeten repositorium, hetwelk vele andere belangrijke papieren bevatte, die nu behoorlijk schoon gemaakt en geschikt zijn, en welke aan mijne voorzaten, de eerste bezitters van Monkbarns, schijnen te hebben toebehoord. Hetgeen men dus op eene vreemde wijze terugvond, was het oorspronkelijke Charter, de Abdij, met de daarbij behoorende landen van Trotcosey, Monkbarns en anderen, tot eene leenheerlijkheid verheffende, ten behoeve van den eersten Graaf van Glengibber, een gunsteling van Jakob VI. Het is door den Koning onderteekend te Westminster, den zeventienden Januari van het jaar onzes Heeren duizend zes honderd en twaalf – dertien. Overigens is het de moeite niet waard om de namen der getuigen te noemen.”

„Ik wenschte liever,” zeide Lovel, „uw gevoelen te vernemen over de wijze, hoe men die ontdekking deed.”

„Had ik eene autoriteit noodig, om de overlevering omtrent het oude huis [61]Monkbarns te staven, ik zou u niemand minder dan den heiligen Augustinus noemen kunnen, die ons de geschiedenis verhaalt van een afgestorvene, die aan zijn zoon verscheen, dien men wegens eene reeds betaalde schuld vervolgde, en hem de plaats aanwees, waar de kwitantie te vinden was1. Maar ik kleef veeleer het gevoelen aan van Lord Bacon, die zegt, dat de verbeeldingskracht in een zeer nauw verband staat met het geloof aan wonderwerken. Van oudsher bestond er een ongerijmd verhaal, dat in die kamer de geest spookte van mijn voorvader Oldobrand Oldenbuck; – hij was een vreemdeling, en droeg zijne volkskleeding, waarvan men bij overlevering eene nauwkeurige beschrijving heeft; en er bestaat inderdaad een portret van hem, – naar men veronderstelt door Reginald Elstracke, – en waarop hij voorgesteld wordt op de drukkerij, met eigen hand aan de pers werkende, bij het afdrukken van zijne zeldzaam gewordene uitgave der Augsburgsche Geloofsbelijdenis. Hij was een even goed schei- als werktuigkundige, en eene van deze twee hoedanigheden was te dien tijd in dit land genoeg, om er ten minste een tooversprookje van te maken. De bijgeloovige oude schrijver Robert had dit alles gehoord, en geloofde het zeer waarschijnlijk, en in den slaap brachten hem de plaats en de herinnering aan mijn voorvader op dat van zijn kabinet terug, dat met de dankbare oplettendheid, die de oudheden en de nagedachtenis onzer voorouders veelal ten deel valt, in het duivenhok geduwd was, om het uit den weg te hebben. – Voeg er nu eene genoegzame hoeveelheid overdrijving bij, dan hebt gij den sleutel tot het geheim.”

„O, broêr, broêr! Maar Dr. Heavysterne, broêr! – wiens slaap zoo akelig gestoord werd, – die verklaarde, voor geheel, Monkbarns, geen tweeden nacht in de groene kamer te willen doorbrengen, zoodat Mary en ik genoodzaakt waren, de onze af te staan.”

„Nu ja, Grizel, de dokter is een goede eerlijke Duitscher, die vele verdiensten heeft, op zijne wijze; maar, even als velen zijner landslieden, is hij een liefhebber van het geheimzinnige. Den geheelen avond bracht gij te zamen over spoken sprekende door, terwijl hij u vertelsels opdischte van Mesmer, Shröpfer, Cagliostro en andere hedendaagsche voorstanders van de kunst, om geesten te doen verrijzen, schatten te ontdekken, en zoo voorts, in ruil tegen uwe vertelsels van de groene slaapkamer. En daarbij overwegende, dat de Illustrissimus anderhalf pond Schotsche schapenribbetjes gebruikte voor zijn avondmaal, zes pijpen rookte, en ale en brandewijn naar verhouding dronk, dan verwondert het mij niet, dat hij een aanval van nachtmerrie kreeg. – Vergun mij nu, mijnheer Lovel, u vóor te lichten naar uw vertrek. Gij hebt zeker rust noodig, – en ik vertrouw, dat mijn voorzaat te veel besef zal hebben van de plichten der gastvrijheid, om u in eene nachtrust te storen, die gij door uw manhaftig en ridderlijk gedrag zoo goed verdiend hebt.”

Met deze woorden nam de oudheidkenner een grooten kandelaar op van zwaar zilver en ouderwetschen vorm, waarvan hij deed opmerken, dat die gemaakt was van zilver in het Hartzgebergte gevonden, en het eigendom was geweest van den persoon zelven, die dezen avond de stof tot het gesprek geleverd had. En nu wees hij den weg door eene menigte donkere en tochtige gangen, nu eens klimmende, dan weêr dalende, tot zij het vertrek bereikten, dat voor zijn jongen gast bestemd was. [62]


1 Zie noot A aan het einde van het werk.