[Inhoud]

Noten van den schrijver1

Noot A. Het verhaal van Grizelda Oldbuck.

De legende, door Grizelda Oldbuck verhaald, is gedeeltelijk ontleend aan de berichten van eene merkwaardige gebeurtenis, welke omstreeks zeventig jaren geleden in het zuiden van Schotland voorviel, en volgens welke zeker landeigenaar, in proces gewikkeld over het tiendrecht, ongeveer op dezelfde wijze, als in den tekst beschreven is, een gewichtig stuk terugvond, waarvan de beslissing van het rechtsgeding afhing.

Opmerkelijk is het, dat deze gebeurtenis ongelukkige gevolgen had voor den heer R–d, den persoon van wien sprake is; want hij gevoelde zich sedert dien tijd zoodanig verplicht, om altijd op zijne droomen te letten, dat zijne gezondheid en verstandelijke vermogens daardoor zeer verzwakt werden.

Noot B. Over de wijze om met de bakkers af te rekenen.

Oudtijds gebruikte men daartoe een stokje, waarop men telkens eene kleine insnijding maakte. Elke familie had een bijzonderen kerfstok, en bij de rekenkamer in Engeland werden zekere rekeningen op dezelfde wijze gehouden.

Noot C. De bezweringen van Dousterswivel.

Veel onzin van denzelfden aard als die, welke door den Hoogduitschen alchymist aan den dag gebracht werd, is te vinden bij Reginald Scott, in zijn werk Discovery of Witchcraft, 3de editie, Londen 1665.

Noot D. Over de vischrouwen.

In de visschersdorpen aan de Forth en de Tay, regeeren de vrouwen als in den tekst beschreven staat. Bij gelegenheid, dat de kusten van Schotland gedurende den laatsten oorlog met Frankrijk door de verschijning van eenige vreemde schepen verontrust werden, scheepten zich al de visschers onmiddellijk in aan boord van de kanonneersloepen, om den veronderstelden vijand tegen te gaan. De schepen bleken aan de Russen te behooren, en de schrik was onnoodig geweest; maar de landlieden van Mid-Lothian waren zoo tevreden over den ijver door de visschers aan den dag gelegd, dat zij hun een prachtigen zilveren Punch-bowl vereerden. [312]De vrouwen echter kwamen er tegen op, dat men vergeten had haar eenige eer aan te doen voor de toestemming, welke zij gegeven hadden, dat de mannen zich inschepen zouden, wat zonder hare goedkeuring niet zou gebeurd zijn. Deze eisch werd als geldig beschouwd en de dames ontvingen eene kostbare speld, om bij feestelijke gelegenheden door de koningin-vischvrouw te worden gedragen. Er heerscht ook eene strenge etikette onder deze zeenimfen, en men hoorde eene ervarene dame er onder over eene jongere klagen, „dat het een arm, onnoozel schepseltje was, dat nooit iets beters dan mossels te koop zou bieden.”

Noot E. Gevangenzetting voor schulden.

Hoe vreemd het ook klinke, is toch de theorie van Oldbuck over het gevangenzetten voor schulden juist die, welke bij het hoogste gerechtshof in Schotland in eene zaak, welke op 5 Dec. 1828 behandeld is, aangenomen werd.

Noot F. De slag bij Harlaw.

De groote slag bij Harlaw mag gezegd worden beslist te hebben, of het Gaëlische of het Saksische ras in Schotland de overhand zou behouden. De slag viel voor op 24 Julij 1411, tusschen Donald, Lord of the Isles, en zijne Hooglandsche troepen, en den graaf van Mar aan het hoofd der edellieden van Saksische en Normandische afkomst. Donald, die in de Laaglanden ingevallen was, werd genoodzaakt zich terug te trekken, en later zich aan den regent te onderwerpen.

Noot G. Over Elspeths dood.

Het sterven van een getrouwen knecht van den hertog van Roxburghe, heeft den schrijver de laatste woorden van Elspeth ingegeven. De arme man lag zieltogend aan eene leverkwaal, toen hij de bel hoorde, die hem vroeger naar de kamer van den pas overleden hertog riep. „Ik kom, ik kom!” stamelde hij, – en stierf.

Noot H. Schrik voor den inval der Franschen.

De omstandigheden van het valsch alarm, in den tekst beschreven, zijn naar daadzaken geschetst. Op den 2den Febr. 1804 viel eene dergelijke vergissing met een vuurbaak voor, en een gedeelte van het land werd in rep en roer gebracht.


1 In de eerste vertaling waren deze noten weggelaten: ik heb ze hier zeer verkort bijgevoegd, daar ze in het oorspronkelijke veel bevatten, dat van geen belang kon wezen voor den Hollandschen lezer. M. P. L. 

Inhoudsopgave

Eerste Hoofdstuk 1
Tweede Hoofdstuk 6
Derde Hoofdstuk 12
Vierde Hoofdstuk 20
Vijfde Hoofdstuk 26
Zesde Hoofdstuk 33
Zevende Hoofdstuk 43
Achtste Hoofdstuk 50
Negende Hoofdstuk 55
Tiende Hoofdstuk 62
Elfde Hoofdstuk 68
Twaalfde Hoofdstuk 76
Dertiende Hoofdstuk 80
Veertiende Hoofdstuk 87
Vijftiende Hoofdstuk 93
Zestiende Hoofdstuk 100
Zeventiende Hoofdstuk 107
Achttiende Hoofdstuk 116
Negentiende Hoofdstuk 124
Twintigste Hoofdstuk 132
Eenentwintigste Hoofdstuk 140
Tweeëntwintigste Hoofdstuk 152
Drieëntwintigste Hoofdstuk 160
Vierentwintigste Hoofdstuk 166
Vijfentwintigste Hoofdstuk 173
Zesentwintigste Hoofdstuk 180
Zevenentwintigste Hoofdstuk 187
Achtentwintigste Hoofdstuk 194
Negenentwintigste Hoofdstuk 198
Dertigste Hoofdstuk 202
Eenendertigste Hoofdstuk 211
Tweeëndertigste Hoofdstuk 217
Drieëndertigste Hoofdstuk 222
Vierendertigste Hoofdstuk 229
Vijfendertigste Hoofdstuk 236
Zesendertigste Hoofdstuk 244
Zevenendertigste Hoofdstuk 250
Achtendertigste Hoofdstuk 256
Negenendertigste Hoofdstuk 262
Veertigste Hoofdstuk 267
Eenenveertigste Hoofdstuk 275
Tweeënveertigste Hoofdstuk 283
Drieënveertigste Hoofdstuk 290
Vierenveertigste Hoofdstuk 296
Vijfenveertigste Hoofdstuk 302
Noten van den schrijver 309

Colofon

De nieuwe omslagillustratie van dit eboek is hiermee aan het publieke domein verleend.

Codering

Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.

Documentgeschiedenis