WeRead Powered by ReaderPub
De oudheidkenner cover

De oudheidkenner

Chapter 11: Tiende Hoofdstuk
Open in WeRead

About This Book

The narrative follows a young traveller who, while preparing for a short journey, becomes involved with an elderly, eccentric collector of historical curiosities and the colourful local people around him. Episodes combine gentle comedy of manners, vivid local portraiture, and a developing mystery about old papers and contested property that spurs inquiries, disputes, and probes into ruins and records. A romantic strand and several reconciliations are woven through debates over authenticity, heritage, and changing tastes, and the work shifts between satirical sketches and more sincere reflections on memory, learning, and community.

[Inhoud]

Tiende Hoofdstuk

Wanneer de middernacht bij eene donk’re maan,

Het zwarte rouwkleed spreidt, en mensch en dieren zwijgen;

Wanneer de klokken ’t uur eentoonig langzaam slaan,

Waarop de dooden stil uit hunne graven stijgen;

Zoo zie ik wel geen schim mij volgen op den hiel,

Geen’ ontevred’nen geest mijn legerstede nad’ren;

Maar ak’lig spookt het dan in ’t diepste mijner ziel: –

Ik zie verdwenen hoop, en ’t bloed stolt in mijne ad’ren.

W. R. Spencer.

Toen zij in de zoogenaamde groene kamer gekomen waren, plaatste Oldbuck den kandelaar op eene toilettafel, vóor een zeer grooten spiegel met een zwart Chineesch verlakten rand, omgeven van toiletdoosjes in denzelfden smaak, en keek eenigszins ontroerd rond. „Zelden,” zeide hij, „kom ik in dit vertrek, en nooit, zonder mij aan eene sombere droefgeestigheid over te geven; – niet opgewekt door de kinderachtige ongerijmdheden, waarvan Grizel u vertelde; maar voortspruitende uit eene vroegere ongelukkige neiging. – Het is in oogenblikken als deze, mijnheer Lovel, dat wij de veranderingen, door den tijd veroorzaakt, gevoelen. Wij hebben dezelfde voorwerpen vóór ons; – deze onbezielde dingen, waarop wij als eigenzinnige kinderen, als onstuimige jongelingen, als nadenkende en bedaarde mannen staarden, zijn en waren onveranderlijk; maar, wanneer wij ze in onzen kouden, gevoelloozen ouderdom aanschouwen, kunnen wij dan, – veranderd in onzen gemoedsaard, in onze neigingen, en in onze gewaarwordingen, – veranderd in onze gestalte, in ons uiterlijk, in onze krachten, – kunnen wij dan nog wel dezelfden genoemd worden? Of zien wij niet eerder met een soort van verwondering op ons vorig bestaan terug, als op dat van een ander wezen, onderscheiden van hetgeen wij nu werkelijk zijn? De wijsgeer, die zich van den beschonken Filippus op den nuchteren Filippus beriep, koos geen zoo verschillenden rechter, als wanneer hij zich van Filippus den jongeling op Filippus den grijsaard beroepen had. Onwillekeurig overmeestert mij de gewaarwording, zoo heerlijk uitgedrukt in een dichtstuk, dat ik heb hooren voorlezen:1

„Een kindsche traan mijn oog bevocht,

Weemoedig wordt mijn hart;

Den klank toch, dien ’k toen hooren mocht,

Hoor ik nog onverward.

Zoo gaat het in den grijzen staat;

Nog treurt de wijze man

Meer om hetgeen de tijd hem laat,

Dan wat de tijd hem nam.”

[63]

„Wel nu, de tijd geneest iedere wonde, en ofschoon het litteeken overblijft en soms pijnigt, gevoelt men echter niet meer de smarte van het eerste oogenblik, toen ze ons toegebracht werd.” – Met deze woorden, drukte hij Lovel hartelijk de hand, wenschte hem goeden nacht, en vertrok.

Stap voor stap kon Lovel zijn gastheer zich hooren verwijderen door de verschillende gangen van het huis, en elke deur, die deze achter zich toedeed, klonk al doffer en doffer. Lovel, thans van de wereld afgescheiden, nam den kandelaar op, en onderzocht zijn slaapvertrek. Het vuur brandde helder. Mejufvrouw Grizel had de oplettendheid gehad om er een voorraad hout bij te laten, als hij verkiezen mocht door te stoken, en het vertrek had een aangenaam, hoewel geen vroolijk voorkomen. Het was behangen met een tapijt uit de fabrieken van Arras, in de zestiende eeuw geweven, dat de geleerde boekdrukker, van wien wij zoo dikwijls gewaagden, mede gebracht had, als een kunstwerk van het vasteland. Het stelde eene jacht voor: en daar de takken der boomen zich over het behangsel verspreidden, en het groen dus de heerschende kleur was, had het vertrek de benaming van de groene kamer gekregen. Stijve figuren, in oude Vlaamsche kleederdracht, met bonte wambuizen, bezet met linten, korte manteltjes en wijde broeken, waren bezig met hunne verschillende soorten van hazewinden, of jachthonden, gekoppeld vast te houden, of dreven ze op het wild aan. Anderen vielen met hartsvangers, zwaarden en ouderwetsche snaphanen, herten en everzwijnen aan, die tot staan gebracht waren. Op de takken der geweven boomen zaten vogels van verschillenden aard, elk met zijne eigenaardige bonte vederen. Het scheen alsof de vruchtbare verbeelding van den ouden Chaucer den Vlaamschen kunstenaar bezield had; en Oldbuck had dan ook de volgende dichtregels van dien voortreffelijken ouden dichter, met Gothische letter, op een soort van rand doen borduren, en onder aan het tapijt laten zetten:

„Zie! hoe die groete eycken zich heffen in accoert,

Ende onder ’t malsche gras preyckt als koerenaeren,

Negen voet van elkaer ghene sin naebuer stoert,

Met breide tacken rick vol van nuewe blaeren,

Ontsproenghen in die sonne sein

Gulden roed ende glinstrend gruen.”

Op een ander vak bevond zich het volgende oude vers:

„Ende viele harten ende seer viele hinden,

Waeren voer mi ende achter mi te vinden;

Van paeuwen van cudden crioelde ’t wout,

Boucken ende geyten doorgraesden ’t hout;

Enbe hoeg in die boemen en Eyckhoerns zaeten,

Die sproenghen of cloemmen of noeten aeten.”

Het bekleedsel van het ledekant was verschoten donker groen, in overeenstemming met het behangsel, maar van latere dagteekening en van een minder bekwamen meester. De zware, breede stoelen met gevulde zittingen en zwart [64]ebbenhouten ruggen, waren in denzelfden smaak geborduurd, en boven den ouderwetschen schoorsteenmantel hing een groote spiegel, waarvan de lijst met de versiersels van de toilettafel overeenkwam.

„Ik heb wel eens gehoord,” mompelde Lovel, terwijl hij een vluchtiger blik wierp op de kamer en hare stoffering, „dat de spoken dikwijls het beste vertrek in het huis kiezen voor hun oponthoud, en ik kan den smaak van wijlen den drukker der Augsburgsche Geloofsbelijdenis niet afkeuren.” Maar hij vond het zoo moeielijk, om zijne gedachten te vestigen op de verhalen, die men hem gedaan had van een vertrek, dat er zoo bijzonder voor geschikt scheen, dat het hem bijna speet, de onrustige gewaarwordingen, gedeeltelijk van vrees, gedeeltelijk van nieuwsgierigheid, niet te gevoelen, die met de oude ontzag en verwondering verwekkende overleveringen strookten, en waarvan hem de droevige zekerheid van zijne eigene hopelooze liefde thans geheel bevrijdde. Want hij gevoelde alleen, wat de volgende regels uitdrukken:

„Ach, liefdeloos meisje! hoe deedt gij veranderen

De stemming van mijn hart!

Dat hart, onverschillig omtrent alle anderen,

Wordt als het uwe hard!”

Hij poogde evenwel eenigszins de gewaarwordingen bij zich op te wekken, welke, onder andere omstandigheden, eigen aan zijn toestand zouden geweest zijn; maar hij was te zeer met andere gedachten vervuld, om aan zijne verbeeldingskracht vrij spel te laten. De herinnering, dat Isabella Wardour hem niet had willen herkennen, toen zij genoodzaakt geweest was zijn gezelschap te dulden, terwijl zij duidelijk deed blijken, dat zij hem opzettelijk vermeden had, zou reeds alleen genoeg zijn geweest om hem geheel bezig te houden. Maar hierbij voegden zich nog andere herinneringen, die, hoewel ze hare aangename zijde hadden, hem evenwel meer ontroerden, – hare redding van den rand des afgronds, – de gelukkige bijstand, dien hij haar had kunnen verleenen, – en, – wat was zijne belooning? – Zij verliet de klip, terwijl zijn lot nog onbeslist was, – terwijl het nog onzeker was, of haar redder, die zijn leven zoo roekeloos voor haar gewaagd had, dat leven er niet bij had ingeschoten. De dankbaarheid vorderde ten minste eenige belangstelling in zijn lot. – Maar neen! zij kon niet zelfzuchtig en onrechtvaardig zijn; – dit kon niet met haren aard strooken. Zij wilde slechts de hoop voor altijd uitblusschen en dat juist uit medelijden met hem, om eene neiging te smoren, waaraan zij niet beantwoorden kon.

Maar ook deze verliefde redenering scheen niet geschikt, om hem met zijn lot te verzoenen; hoe beminnelijker toch hij zich Isabella Wardour voorstelde, des te ongelukkiger was het voor hem, als hij alle hoop moest opgeven. Hij was zich wel bewust hare vooroordeelen over eenige punten uit den weg te kunnen ruimen; maar, ook in het uiterste besloot hij, bij zijn eerst opgevatte voornemen te volharden, om zich te overtuigen, dat zij opheldering wenschte, eer hij die opdrong. En hoe hij ook de zaak beschouwde, hij vond volstrekt geene reden, om ze als hopeloos te beschouwen. Zij scheen eenigzins verlegen, zoowel als zeer verwonderd, toen Oldbuck hem aan haar voorstelde, en wellicht diende haar ernst alleen om hare verlegenheid te verbergen. Dus wilde hij geene uitzichten opgeven, die hem reeds zoo veel smart veroorzaakt hadden. Ontwerpen, avontuurlijk als het brein, dat ze [65]smeedde, vervingen elkander, en zweefden door elkaâr in zijn hoofd, verward, als de stofdeeltjes in den zonneschijn, en bleven hem, lang nadat hij zich neêrgelegd had, de rust benemen, die hij zoo zeer behoefde. Eindelijk, mismoedig over de onzekerheid en moeielijkheden, die elk plan schenen te belemmeren, bepaalde hij zich tot het voornemen eener krachtige poging, om zijne liefde „als dauwdroppels van ’s leeuwen manen” af te schudden, en daartoe die studiën en den levensloop te hervatten, welke zijne onvergolden liefde zoo lang gestoord had. In dit besluit trachtte hij zich nu te versterken, door alles wat hem de trots zoowel als de rede kon ingeven. „Zij moet zich niet verbeelden,” zeide hij, „dat ik van een toevalliger dienst, aan haar of haren vader bewezen, misbruik wil maken, om mij aan haar op te dringen, terwijl zij mij, buiten dat, geen recht daartoe toekent. Ik wil haar niet meer zien. Ik wil naar een land terug keeren, waar, zoo geene schoonere, althans menige even schoone en minder hoogmoedige vrouwen zijn dan Isabella Wardour. Morgen neem ik van deze noordsche kusten afscheid, en tevens van haar, die even koud en ondankbaar is, als de luchtstreek.” – Na zich eenigen tijd in deze bittere overpeinzingen verdiept te hebben, kreeg de natuur eindelijk de overhand, en hij viel, in weêrwil van zijn toorn, zijne twijfeling en zijne gejaagdheid, in den slaap.

Zelden is, na hevige ontroeringen, de slaap gezond of verkwikkelijk. Die van Lovel werd gestoord door eene menigte zonderling verwarde droombeelden. Hij was een vogel, – hij was een visch, – of hij vloog als de een, en zwom als de ander, – hoedanigheden, die hem weinige uren te voren zeer te pas zouden gekomen zijn. Dan was Isabella Wardour eene Sireen of een paradijsvogel, haar vader een Triton of eene zeemeeuw, en Oldbuck beurtelings een bruinvisch of eene waterraaf. Deze aangename verbeeldingen gingen afwisselend gepaard met al de gewone verwarde voorstellingen van een koortsachtigen droom: de lucht wilde hem niet dragen; het water scheen hem te branden; – de rotsen waren zacht als donzen kussens, zoodra hij er tegen geslingerd werd; – wat hij ook ondernam, mislukte op eene wonderbare en onverwachte wijze, – en wat hij ook zag, verdween als hij het nader wilde gadeslaan of aanraken, soms onder de wonderlijkste gedaanteverwisselingen; terwijl hij gedurende al dien tijd eenigszins bewust bleef van de begoocheling, en er zich te vergeefs van poogde te bevrijden door wakker te willen worden. Dit zijn alle koortsachtige kenteekens, maar al te goed bekend aan hen die met de nachtmerrie, door de geleerden Ephialtis genoemd, vervolgd worden. Ten laatste schikten zich deze dolle droombeelden tot een eenigszins meer geregeld geheel, zoo inderdaad niet Lovel’s verbeeldingskracht; (eene der levendigste zijner gaven), hem langzamerhand op eene meer geregelde wijze het tooneel voorstelde, dat de slaap hem minder duidelijk geschetst had. Ook kan het wezen, dat zijn koortsachtige toestand iets bijdroeg tot de schepping der verschijning.

Dit mogen de geleerden beslissen; wij zullen alleen zeggen, dat, na eene reeks van de verwarde droombeelden, welke wij beschreven hebben, onze held, – want voor zoodanig moeten wij hem erkennen, – in zoo verre zijne bewustheid terugkreeg, dat hij zich kon herinneren waar hij was, en dat de geheele stoffeering der groene kamer zich aan zijne sluimerende oogen vertoonde. – En hier zij het mij vergund, nog eenmaal op het plechtigste te betuigen, dat, als er nog ouderwetsch geloof genoeg onder het tegenwoordig spotachtig en twijfelziek geslacht mocht bestaan, om te veronderstellen dat hetgeen volgt veeleer de indruk was door de oogen, dan door [66]de verbeeldingskracht ontvangen, wij die leer niet bestrijden. Lovel was dan, – of verbeeldde zich te zijn, – geheel wakker in de groene kamer, starende op de flikkerende vlammen, welke de nog onverbrande overblijfsels der takkebossen opzonden, als ze éen voor éen in de gloeiende kolen vielen, waarin het voornaamste gedeelte van den stapel, waartoe ze behoord hadden, reeds veranderd was. Onwillekeurig verrees het oude vertelsel van Odobrand Oldenbuck, en zijne geheimzinnige bezoeken aan de bewoners der groene kamer voor zijn geest, en ter zelfder tijd, zoo als wij dikwijls in droomen ontwaren, gevoelde hij eene angstige en benauwde verwachting, die zelden mist om ons dadelijk de denkbeeldige voorwerpen onzer vrees duidelijk voor te stellen. De vlammen in den schoorsteen werden hoe langer hoe helderder, en zoo schitterend, dat ze de geheele kamer verlichtten. Het tapijt golfde onstuimig aan den wand, tot de donkere gestalten er op begonnen te leven. De jagers stieten in den horen; – het hert scheen te vluchten, het everzwijn zich te verweren, en de honden het eene te vervolgen en het andere aan te vallen: het gebrul der dieren, door de honden verscheurd, het geschreeuw der jagers, en het gekletter van de hoefslagen der paarden werd van alle kanten gehoord; terwijl iedere groep, in de volle drift der jacht, de bezigheden verrichtte, die de kunstenaar afgebeeld had.

Lovel beschouwde deze vreemde vertooning zonder verwondering, – waaraan de verbeeldingskracht in den slaap zelden onderhevig is; – maar met een benauwd gevoel van huivering en schrik. Eindelijk verliet een der geweven jagers, terwijl Lovel meer bepaaldelijk op hem staarde, het tapijt en naderde het bed van den slaper. Nader gekomen, scheen de gestalte te veranderen. Zijn jachthoren werd een groot boek met bronzen sloten, zijn jachtmes veranderde in een van die bonten barets, welke de Burgemeesters van Rembrandt dragen; zijne kleeding bleef onveranderd, maar zijne gelaatstrekken, niet langer bewogen door de drift der jacht, werden ontzagwekkend en streng, zoo als best voegde aan den eersten bezitter van Monkbarns, volgens de beschrijving die zijne afstammelingen den vorigen avond van hem gegeven hadden.

Met deze gedaanteverandering bedaarde het gejoel en rumoer onder de overige personages op het tapijt, en de verbeelding van den droomende werd nu uitsluitend gevestigd op de ééne gestalte, welke voor hem stond. Lovel poogde dezen ontzagwekkenden persoon met eene soort van bezwering, naar den aard der omstandigheden, aan te spreken; maar zijne tong, zoo als bij de meeste verschrikkelijke droomen plaats heeft, weigerde haren dienst, kleefde aan zijn verhemelte. Aldobrand hield den vinger omhoog, als om den gast, die zich in zijn vertrek bevond, het stilzwijgen op te leggen, en ving toen bedaard aan het oude boek, dat hij in de linkerhand hield, te ontsluiten. Toen het opengeslagen was, doorbladerde hij het een oogenblik haastig, en zich daarna oprichtende, en het boek in de linkerhand opgeheven houdende, wees hij op de bladzijde, welke hij opgeslagen had. Ofschoon onze droomer de taal niet verstond, werden nochtans zijne oogen en aandacht sterk getroffen door den regel, welken de gedaante hem scheen te willen inprenten; de woorden er van vlamden als met een bovennatuurlijk licht, en bleven diep in zijn geheugen gegrift. Het spook sloeg nu het boek dicht, en oogenblikkelijk werd de kamer vervuld met de klanken eener bekoorlijke muziek. – Lovel sprong in zijn bed op, en ontwaakte thans geheel en al. De muziek bleef echter steeds nog in zijne ooren, en hield niet op, voordat hij duidelijk de wijs van eene oude Schotsche ballade onderscheiden kon.

Hij zat overeind in zijn bed, en trachtte zich van de droombeelden te bevrijden, [67]die den geheelen nacht door zijne hersens vervuld, en zijne rust zoo zeer gestoord hadden. De stralen der morgenzon vielen door de half geslotene blinden, en verlichtten het vertrek. Hij keek rond naar het behangsel; maar de bonte groepen van zijden en geweven jagers stonden vast aan de muren gehaakt; slechts de morgenkoelte, die zich een weg door het eventjes openstaande vensterraam had gebaand en over het behangsel streek, deed het zacht trillen. Lovel sprong uit het bed, en eene kamerjapon omwerpende, die men met de meeste oplettendheid voor hem klaar gelegd had, begaf hij zich naar het venster, dat het uitzicht over de zee had, die nog steeds, zoo als het geloei der baren aankondigde, ontroerd bleef door den storm van den vorigen avond, hoewel de morgen schoon en helder straalde. Het venster van een toren, die in een rechten hoek met den kamermuur vooruitstak, en dus zeer nabij Lovels vertrek was, stond half open, en van daar hoorde hij nu weêr dezelfde muziek, waardoor zeer waarschijnlijk zijn droom gestoord werd. De klanken hadden tegelijk met het bovennatuurlijke tevens veel van hunne bekoorlijkheid verloren; – thans hoorde hij niets meer dan eene wijs, vrij goed op de klavecimbel uitgevoerd; zoo sterk werkt de verbeelding ten opzichte der kunstwerken. Eene vrouwenstem zong, niet zonder smaak en met groote eenvoudigheid, eene soort van lied of lofzang, van den volgenden inhoud:

„Wat zit gij, grijsaard, droef en stom,

Bij dien bemosten bouwval neêr?

Wenscht gij die vroegre pracht weêrom,

Denkt ge aan dien luister van weleer?

„Kent gij mij niet,” zoo vangt hij aan,

„Zoo vaak misbruikt, zoo vaak belacht,

En beurtelings in trotschen waan

Begeerd, beschuldigd en veracht?

„Ik blaas als over brandend vlas

Mijn adem over ’t menschdom heen.

Wat gistren rijk en bloeiend was,

Stort morgen als dit puin ineen.

De tijd is kort, zie in dit glas,

Hoe ’t zand zich spoedt met snellen val;

Denk dat er eens – wie weet hoe ras! –

Voor u geen tijd meer wezen zal.”

Terwijl het gezang voortduurde, had Lovel zich weêr naar bed begeven. De denkbeelden, die het opwekte, waren aangenaam en romantisch, zoodat hij er een groot behagen in schepte, en thans zeer gaarne de moeielijke taak, om zijn toekomstig gedrag te bepalen tot later op den dag uitstelde, en zich overgevende aan den zoeten sluimer, waarin hem de muziek wiegde; viel hij in een gezonden en verkwikkelijken slaap, waaruit hij eerst laat door den ouden Caxon gewekt werd, die in zijne kamer sloop, om bij hem de diensten van kamerdienaar te verrichten.

„Ik heb uw rok uitgeborsteld, mijnheer,” zei de oude man, toen hij bemerkte, dat Lovel wakker was, „de knecht bracht hem heden morgen van [68]Fairport; want die, welken gij gisteren aanhad, is nog niet droog, hoewel hij den geheelen nacht in de keuken bij het vuur gehangen heeft; – en ik heb uwe schoenen gepoetst. Ik geloof niet, dat gij mij noodig zult hebben, om uwe haren op te binden; want” (met eene kleine zucht) „al de jonge heeren dragen ze tegenwoordig kort; – maar ik heb de krultang meêgebracht, om ze, als gij het goedvindt, een beetje om het voorhoofd te krullen, eer gij naar beneden gaat bij de dames.”

Lovel, die intusschen weêr opgestaan was, wees de dienst van den ouden man van de hand, maar vergezelde de weigering met een douceur, welke Caxon’s teleurstelling geheel en al vergoedde.

„Het is jammer, dat hij de haren niet opgebonden en gepoederd draagt,” zei de oude kapper, toen hij in de keuken kwam, waar hij, onder het een of ander voorwendsel, driekwart van zijn ledigen tijd, dat wil zeggen den geheelen dag doorbracht; – „het is wel jammer van zulk een schoon jong mensch.”

„Loop heen, oude gek!” antwoordde Jenny Rintherout, „wildet ge dat mooie bruine haar met uw vet insmeren, en het dan met meel poeieren, als de oude pruik van den dominé? – Ge komt om je ontbijt, veronderstel ik? – hier, daar is soep, – het zal beter zijn, dat ge daaraan en aan de karnemelk slobbert, dan je met het hoofd van mijnheer Lovel te bemoeien; – ge zoudt het mooiste en heerlijkste haar bederven, dat er in geheel Fairport, stad en graafschap, te vinden is.”

De arme barbier zuchtte over de minachting, waarin zijne kunst zoo algemeen gevallen was; maar Jenny was eene te gewichtige persoon, om haar door tegenspreken te beleedigen. Vreedzaam alzoo in de keuken gezeten, slikte hij terzelfder tijd zijne vernedering, en den inhoud van eene schaal, die eene Schotsche kan krachtige havermeelsoep bevatte.


1 Uit de Lyrische Gedichten van Wordsworth.