WeRead Powered by ReaderPub
De oudheidkenner cover

De oudheidkenner

Chapter 15: Veertiende Hoofdstuk
Open in WeRead

About This Book

The narrative follows a young traveller who, while preparing for a short journey, becomes involved with an elderly, eccentric collector of historical curiosities and the colourful local people around him. Episodes combine gentle comedy of manners, vivid local portraiture, and a developing mystery about old papers and contested property that spurs inquiries, disputes, and probes into ruins and records. A romantic strand and several reconciliations are woven through debates over authenticity, heritage, and changing tastes, and the work shifts between satirical sketches and more sincere reflections on memory, learning, and community.

[Inhoud]

Veertiende Hoofdstuk

Als ik het sluim’rend oog vertrouwen mag,

Dan duidt mijn droom eenig vreugdevol nieuws:

Mijn hart zit zacht op zijnen troon,

En den geheelen dag voerde een luchtige geest

Mij boven de aarde met blijde gedachten.

Shakespeare’s Romeo en Julia.

Het verhaal van Sir Arthur’s ongelukkige omstandigheden had Oldbuck eenigszins afgeleid van zijn voornemen, om Lovel te ondervragen over de oorzaak van zijn verblijf te Fairport. Nu echter besloot hij, om een begin te maken. „Gij waart reeds vroeger met Isabella Wardour bekend, vertelde zij mij, mijnheer Lovel!”

„Ik had het genoegen gehad,” antwoordde Lovel, „om haar bij mevrouw Wilmot, in Yorkshire, te ontmoeten.” [88]

„Zoo! dat hebt gij mij nooit gezegd; en gij spraakt haar niet aan als eene oude kennis?”

„Ik, – ik wist niet, dat het dezelfde dame was eer wij elkander ontmoetten,” zei Lovel, zeer verlegen, „en toen was het mijn plicht te wachten, tot zij mij verkoos te herkennen.”

„Ik begrijp uwe kieschheid. De Baronet is een kleingeestige, eigenzinnige, oude gek; maar zijne dochter, – deze, beloof ik u, is boven alle ongerijmde plichtplegingen en vooroordeelen verheven. En nu, daar gij hier een nieuw stel vrienden gevonden hebt, mag ik vragen, of gij Fairport nog zoo spoedig denkt te verlaten, als gij voornemens waart?”

„En als ik uwe vraag door eene andere beantwoordde,” hernam Lovel, „en vroeg, wat gij van droomen denkt?”

„Droomen, malle jongen! – wel, waar voor zou ik die anders houden, dan voor de begoocheling der verbeelding, als de rede de teugels laat vallen? – Ik ken tusschen droomen en de hallucinatiën van den waanzin geen verschil. De woeste paarden slepen het rijtuig in beide gevallen, waarheen ze willen; in het eene geval is echter de voerman dronken, en in het andere slaapt hij. Wat zegt ons Marcus Tullius; – „Si insanorum visis fides non est habenda, cur credatur somnientium visis, quae multa etiam perturbatiora sunt non intelligo.” Indien men aan de verbeeldingen der waanzinnigen geen geloof moet hechten, begrijp ik niet, waarom men de verbeeldingen der droomenden gelooven zou, die nog veel verwarder zijn.”

„Juist, mijnheer; maar Cicero doet ons ook opmerken, dat, even als iemand, die den ganschen dag de werpspies slingert, soms het doel treft, er evenzoo tusschen de menigte nachtelijke droomen één kan voorkomen, welke met toekomstige gebeurtenissen overeenstemt.”

„Ei, – dat wil zeggen, dat gij, naar uw wijs oordeel, het wit getroffen hebt? Goede hemel! wat zijn de menschen toch dwaas! Wel nu, ik wil voor dezen keer de wetenschap der droomuitlegging niet verwerpen; – ik zal gelooven, dat ze te verklaren zijn, en zeggen, dat er een Daniël verrezen is, om ze uit te leggen, als gij mij bewijzen kunt, dat uw droom u eene wijze gedragslijn aangewezen heeft.”

„Zeg mij dan,” antwoordde Lovel, „waarom ik, terwijl ik in twijfel stond, of ik eene onderneming op zou geven, waartoe ik misschien te voorbarig besloot, gisteren nacht in mijn droom uw voorzaat zien moest, die mij, op eene spreuk wees, welke mij tot volharding aanmoedigde? – Waarom moest ik aan woorden denken, die ik mij niet herinneren kon ooit te voren gehoord te hebben, die in eene mij onbekende taal dáár stonden, en die ik echter, toen ze mij vertaald werden, zoo volmaakt goed op mijne eigene omstandigheden kon toepassen?”

De oudheidkenner barstte uit in een schaterenden lach. „Verschoon mij, mijn jonge vriend, maar zoo is het, dat wij onnoozele stervelingen ons zelven bedriegen, en buiten ons om naar beweeggronden zoeken, die in onze eigene grillen te vinden zijn. Ik geloof, dat ik u uit de verlegenheid helpen kan, ten aanzien van uw vizioen. Gij waart gisteren na tafel zoo verdiept in gepeins, dat gij weinig acht gaaft op het gesprek tusschen Sir Arthur en mij, tot wij op het geschilpunt kwamen betreffende de Picten, dat zoo onverwacht afgebroken werd; maar ik herinner mij, dat ik aan Sir Arthur een boek toonde, door mijn voorzaat gedrukt, en hem het motto liet zien; uwe gedachten waren elders, maar uw oor heeft werktuigelijk de klanken opgevangen en behouden, en uwe levendige verbeelding, aangezet door Grizels [89]sprookje, heeft, naar ik veronderstel, u in den droom deze Hoogduitsche woorden weder voorgesteld. Wat de wakende wijsheid betreft, die zich van zulk eene beuzelachtige omstandigheid gretig bedient, om haar volharden in eenigen maatregel te verschoonen, voor welken zij geene betere rechtvaardiging vinden kan, – dat is juist eene dier looze streken, die de wijsten van ons zich nu en dan zelven spelen, om hunne neiging, ten koste van hun verstand, te volgen.”

„Ik beken het,” zei Lovel, blozende, – „ik geloof, mijnheer Oldbuck, dat gij gelijk hebt; en ik moet, vrees ik, in uwe achting dalen, daar ik een oogenblik gewicht aan zulke nietigheden heb kunnen hechten; maar ik werd geslingerd door tegenstrijdige wenschen en besluiten, en gij weet, welk een dun lijntje men noodig heeft, om de boot te slepen, wanneer ze vlot op de baren is, ofschoon een kabeltouw haar nauwelijks in beweging zou brengen, als ze hoog en droog op het strand ligt.”

„Goed zoo, goed zoo!” – riep de oudheidkenner: „In mijne achting dalen? Waarachtig niet? Ik houd te meer van u, man! wel, wij hebben over en weêr historie tegen historie, en ik kan, nu zonder beschaamd te zijn, er over nadenken, hoe ik mij zelven blootgesteld heb met dat vervloekte Praetorium; ofschoon ik nog altijd overtuigd ben, dat Agricola’s kamp ergens in dezen omtrek moet geweest zijn. – En nu, Lovel, mijn goede jongen, wees oprecht met mij. – Wat doet gij uit Wittemberg? – zoo als Hamlet zegt; – waarom verliet gij uw vaderland en uw beroep, om u te Fairport met niets doen op te houden? Uit lust tot lediggang, vrees ik?”

„Juist,” antwoordde Lovel, zich aan eene onvermijdelijke ondervraging onderwerpende, – „nu ben ik van alle menschen los, en ik heb er zoo weinigen, in wie ik belang stel, of die zich aan mij laten gelegen liggen, dat het verzaken van mijn beroep mij onafhankelijk maakt. De man, wiens voor- of tegenspoed niemand aangaat, is het best bevoegd, om zijn geluk op zijne eigene wijze te zoeken.”

„Vergeef mij, longman!” zei Oldbuck, hem de hand vriendelijk op den schouder leggende, en plotseling blijvende stilstaan, – „sufflamina: – een oogenblik geduld, als ’t u belieft; – ik wil veronderstellen, dat gij geene vrienden hebt, die in uw voorspoed deelen, of er zich over verheugen, – dat gij zelfs niet terug kunt zien op iemand, wien gij dankbaarheid verschuldigd zijt, of hopen op hen, die van u afhangen moesten; het is echter niet minder uw plicht, om rustig het pad der deugd te blijven bewandelen: want uw werkzaam streven behoort niet slechts aan de samenleving, maar in nederige dankbaarheid aan het Opperwezen, dat er u een lid van maakte, en met voldoende krachten uitrustte, om u zelven en anderen van nut te zijn.”

„Maar ik weet niet, dat ik zulke krachten bezit,” hernam Lovel, eenigszins ongeduldig; „ik vraag niets van de samenleving, dan de vergunning, om ongestoord mijn levensweg te bewandelen, zonder anderen te hinderen, of te moeten dulden, dat ik door anderen gehinderd worde; – ik ben niemand iets schuldig; – ik heb de middelen, om geheel onafhankelijk te leven, en mijne wenschen zijn te dien opzichte zoo matig, dat die middelen, hoe beperkt ook; eerder overvloedig dan ontoereikende zijn.”

„Dan voorwaar,” zei Oldbuck, de hand terug trekkende en weêr voortwandelende, „als gij zulk een echte wijsgeer zijt, dat gij gelooft geld genoeg te hebben, valt er niets meer te zeggen. – Ik heb geen recht om u raad te geven; – gij hebt de akmé – het toppunt der volmaaktheid bereikt. En waarom is Fairport de uitverkoren verblijfplaats geworden van zulk eene verhevene [90]wijsbegeerte? – het is, alsof een vereerder van den waren Godsdienst zich bij voorkeur vestigde te midden der afgodendienaren in het land van Egypte. Er is geen mensch in Fairport, of hij aanbidt het gouden kalf, – den mammon der ongerechtigheid; – wel, ik zelf ben zoo besmet met hunne ondeugd, dat ik soms geneigd ben, een afgodendienaar te worden.”

„Daar mijn lievelingsvak de letterkunde is, en omstandigheden, die ik niet wel mededeelen kan, mij, ten minste voor een tijd, den krijgsdienst deden verlaten, heb ik Fairport uitgezocht, als eene plaats, waar ik mij aan mijne bezigheden kon overgeven, zonder eenige dier verzoekingen tot afleiding, welke een meer deftige kring mij wellicht zou hebben aangeboden.”

„Zoo! zoo!” zei Oldbuck, met een veelbeteekenenden blik. – „Ik begin uwe toepassing van de spreuk van mijn voorvader te begrijpen; gij dingt naar de gunst van het publiek, ofschoon niet langs den weg, dien ik eerst vermoedde. – Gij wenscht als schrijver bekend te worden, en gij hoopt de volksgunst door vlijt en volharding te verwerven.”

Lovel, die eenigszins door het scherp ondervragen van den ouden heer in het nauw gebracht was, begreep, dat hij niet beter kon doen, dan hem in het denkbeeld te laten, dat hij zelf had gelieven op te vatten.

„Ik ben wel eens,” antwoordde hij, „dwaas genoeg geweest aan zoo iets te denken.”

„Och, mijn arme jongen, niets kan treuriger zijn; of gij moest, zoo als jonge lieden wel eens zijn, verliefd zijn op eenig nietig vrouwelijk schepseltje, wat zoo als Shakespeare naar waarheid zegt, zoo veel is, als terzelfder tijd dood gedrukt, gegeeseld en gehangen te worden.”

Hij ging nu met zijne vragen voort, die hij soms vriendelijk genoeg was van zelf te beantwoorden. Want deze goede oude heer had, bij zijne oudheidkundige navorschingen, langzamerhand smaak gekregen in het opmaken van besluiten uit veronderstellingen, die dikwijls zeer ver waren van gegrond te zijn; en daar hij, zoo als de lezer reeds zal hebben opgemerkt, vrij stijfhoofdig was, liet hij zich niet licht afleiden, of te recht wijzen, omtrent daadzaken of meeningen, – zelfs niet door diegenen, welke het grootste belang hadden bij de onderwerpen, waarover hij redeneerde. Hij ging dus voort met Lovel’s letterkundige loopbaan voor hem te schetsen.

„En waarmede denkt gij uwe loopbaan als man van letteren te openen? – Maar ik kan het gissen; – de poëzie, – de poëzie, – de geliefde verleidster der jeugd! Ja! ik merk een zedige, verlegene toestemming in uwe oogen en manieren. – En van welken aard is uwe dichterlijke ader? – Zijt gij geneigd naar de hoogere streken van den Parnassus te streven, of zult gij slechts beneden om den voet van den berg heen fladderen?”

„Tot dus ver ondernam ik niets dan eenige kleine lierdichten.”

„Juist zoo als ik dacht! – Uwe vleugels beproefd, van tak tot tak gehuppeld! Maar ik vertrouw, dat gij eene stoutere vlucht zult nemen. – Merk wel op, dat ik u in geenen deele aanraad, om op deze onvoordeelige loopbaan te volharden; – maar gij beweert geheel en al onafhankelijk te zijn van het publiek?”

„Geheel en al,” hernam Lovel.

„En dat gij besloten hebt, geene andere loopbaan voor het oogenblik te kiezen?”

„Voor het oogenblik is dat mijn besluit,” antwoordde Lovel.

„Wel, dan blijft er niets ander voor mij over, dan dat ik u in uw voornemen raad geef. Ik heb zelf twee Verhandelingen in het Magazijn der [91]Oudheidkunde uitgegeven, en ben dus een schrijver van ondervinding. Het waren mijne Aanmerkingen over Hearne’s uitgave van Robert van Gloucester, geteekend Scrutator; en de andere, geteekend Indagator, was over eene plaats in Tacitus. – Ik zou er iets kunnen bijvoegen, dat, in zijn tijd, veel opgang maakte, namelijk mijn stuk, in het Heeren-Magazijn, over de inscriptie van Oelia Lelia, hetwelk ik Oedipus onderteekende. – Dus ziet gij, dat ik geen nieuweling ben in de geheimen van den schrijver, en noodzakelijk bekend moet wezen met den smaak en den geest des tijds. – En nu nog eens, waarmede denkt gij te beginnen?”

„Ik ben niet van voornemen, om dadelijk iets uit te geven.”

„O! dat gaat nooit; in al uwe ondernemingen moet gij de vrees voor het publiek voor oogen hebben. Laat ons eens zien. – Eene verzameling van vluchtige stukken; – maar neen, – uwe vluchtige poëzie zou wellicht paalvast bij den boekverkooper blijven. – Het moet iets zijn, dat tevens degelijk en aantrekkelijk is. – Geene romances of bespottelijke vertelseltjes. – Ik wilde dat gij terstond eene hoogere vlucht naamt. – Laat zien – wat dunkt u van een echt heldendicht? – in den grootschen ouderwetschen, geschiedkundigen trant, – behoorlijk en deftig in twaalf, of vierentwintig boeken? Zie zoo! – ik zal u het onderwerp aan de hand geven: de Slag tusschen de Caledoniërs en de Romeinen. De Caledoniade, of de verijdelde inval, – zoo moet het heeten! Dat zal met den hedendaagschen smaak overeenkomen, en gij kunt er hier en daar iets toepasselijk op deze tijden invlechten.”

„Maar de inval van Agricola werd niet afgeweerd.”

„Neen; maar gij zijt een dichter; – een vrij man, en even zoo weinig aan waarheid, of waarschijnlijkheid gebonden, als Virgilius zelf. – Gij moogt de Romeinen verslaan, ondanks Tacitus.”

„En Agricola’s kamp verplaatsen naar het kamp van – hoe noemt gij het, in weêrwil van Adam Ochiltree?”

„Niets meer daarvan, als gij mij liefhebt! – En toch geloof ik wel, dat gij, zonder het te willen, in beide gevallen de juiste waarheid vertellen zoudt, in weêrwil van de toga van den geschiedschrijver, en van den blauwen kiel van den bedelaar.”

„Dat is eene stoute bewering! – Wel, ik zal mijn best doen; – gij zult mij wel bijstaan met plaatselijke ophelderingen?”

„Zou ik niet, man? – wel, ik zal de historische en kritische aanmerkingen bij ieder gezang voegen, en het plan van het gedicht zelf ontwerpen. Ik maak aanspraak op eenig dichterlijk genie, mijnheer Lovel, hoewel ik nooit verzen maken kon.”

„Het is jammer, mijnheer, dat gij te kort moest komen in eene hoedanigheid, die eenigszins een hoofdvereischte van de kunst genoemd mag worden.”

„Eene hoofdvereischte? – volstrekt niet; – het is slechts het werktuigelijke gedeelte! – Een mensch kan dichter zijn, zonder spondeën en dactylen te tellen als de ouden, of de einden der verzen in rijm te doen klinken, gelijk de hedendaagschen, – even als men een bekwaam bouwmeester zijn kan, zonder als een metselaar te kunnen werken. Gelooft gij, dat Palladius of Vitruvius ooit een kalkbak, hebben gedragen?”

„Dan moesten er twee schrijvers voor elk dichtstuk zijn; de ééne om het plan te ontwerpen, en de andere om het uit te voeren.”

„Wel, dat zou zoo kwaad niet zijn; in elk geval zullen wij dat beproeven; niet dat ik met mijn naam wenschte te prijken voor het publiek; gij zoudt in de voorrede van den bijstand van een geleerden vriend kunnen [92]spreken, met zoo veel ophef als gij verkiest. – De ijdelheid van den schrijver is mij geheel vreemd!”

Lovel vermaakte zich zeer over eene verklaring, zoo weinig strokende met de gretigheid, waarmede zijn vriend de gelegenheid scheen aan te grijpen, om voor het publiek op te treden, hoewel op eene wijze, meer gelijkende naar het klimmen achter op een rijtuig, dan het daarin plaats nemen. De oudheidkenner was inderdaad buitengemeen verheugd; want hij had, even als vele andere mannen, die hun leven in onbekende letterkundige navorschingen doorbrengen, eene geheime zucht, om in druk te verschijnen, die door vlagen van huiverigen angst, van vrees voor de kritiek, en door de gewoonten van traagheid en uitstel tegengehouden werd. „Maar,” dacht hij, „ik kan, als een tweede Trojaan, mijne pijlen slingeren van achter het schild van een vriend; en verondersteld, dat hij geen dichter van den eersten rang bleek te zijn, zoo ben ik in geenen deele verantwoordelijk voor zijne gebreken, en de degelijke aanteekeningen zullen waarschijnlijk den zwakken tekst verhelpen! – Maar hij is, – hij moet een goed dichter zijn; – hij heeft al de afgetrokkenheid van den bezoeker van den Parnassus; – hij beantwoordt zelden eene vraag eer men die tweemaal herhaald heeft; hij drinkt zijn thee kokend heet, en eet, zonder te weten wat hij in den mond steekt. Dit is de eigenlijke aestus, de divinus afflatus, de goddelijke adem, waardoor de dichter boven dit ondermaansche verheven is. – Ook zijne visioenen hebben vele kenmerken van dichterlijke razernij. – Ik moet niet vergeten Caxon heden avond naar zijne kamer te zenden, om te zien, of hij het licht uitdoet. Dichters en geestenzieners zijn daaromtrent soms wat nalatig.” Toen zich naar Lovel wendende, en zijne verdere gedachten hardop uitdrukkende, zeide hij:

„Ja, mijn waarde Lovel, gij zult noten in overvloed hebben, en ik geloof, wezenlijk, dat wij de geheele Verhandeling over de kunst van kampen aan te leggen in het aanhangsel opnemen kunnen; – dat zou het werk eene groote waarde bijzetten! Daarenboven zullen wij de goede oude vormen weêr invoeren, die men in de hedendaagsche tijden zoo zeer verwaarloost. Gij zult de Zanggodin inroepen, – en zeker moet zij een schrijver gunstig zijn, die in eene eeuw van algemeenen afval, met het geloof van een Abdiel, den ouden vorm van aanbidding getrouw blijft! – Dan moeten wij ook eene verschijning hebben, waarin de Genius van Caledonië zich aan Galgacus vertoont, en hem de deftige reeks der echt Schotsche Koningen laat zien; – en over Boethius zal ik loskomen in de noten; – neen, ik moet dat punt niet aanraken, nu Sir Arthur waarschijnlijk buitendien ergernissen genoeg zal hebben; – maar Ossian, Macpherson en Mac-Cribb zal ik vernielen!”

„Maar wij moeten aan de kosten van het drukken denken,” zeide Lovel, die beproeven wilde of deze wenk ook als koud water vallen zou op den blakenden ijver van zijn zelfbenoemden medewerker.

„Kosten!” zei de heer Oldbuck, terwijl hij werktuigelijk in den zak tastte, – „dat is zoo! – ik zou gaarne iets doen! – Maar zoudt gij het werk niet bij inteekening willen uitgeven?”

„Volstrekt niet!” antwoordde Lovel.

„Neen! neen!” hernam de oudheidkenner, blijmoedig toestemmende, „dat is niet fatsoenlijk. – Wil ik u wat zeggen; ik ken een boekverkooper, die eenig vertrouwen in mijn oordeel stelt, en het papier en drukwerk er aan wagen zal, en ik zal zoo vele exemplaren voor u zoeken te plaatsen, als ik maar kan.” [93]

„O, ik ben geen broodschrijver! ik wenschte slechts geen nadeel te lijden.”

„Stil! stil! – ik zal er wel voor zorgen: – het alles op de uitgevers schuiven. Ik ben verlangend, u aan het werk te zien. Gij zult ongetwijfeld rijmlooze verzen kiezen? – Die zijn grootscher en deftiger voor een geschiedkundig onderwerp; en, voor wat u betreft, mijn vriend, laten die zich, geloof ik, gemakkelijker schrijven.”

Dit gesprek bracht hen op Monkbarns, waar de oudheidkenner een scherpen uitval van zijne zuster verduren moest, die, zonder tot de wijsgeeren te behooren, in het voorportaal stond te wachten, om hem de les te lezen. „Bewaar ons, Monkbarns, is alles niet reeds duur genoeg, dat gij tot den visch toe moet opjagen, door aan dat oude wijf, Luckie Mucklebackit, juist te geven, wat zij goedvindt te vragen?”

„Wel, Grizel, ik dacht, dat ik een koopje had!”

„Een mooi koopje, als gij haar ruim de helft geeft van hetgeen zij vraagt! – Als gij u met de huishouding bemoeien wilt, en visch koopen op uwe eigene hand, moet gij nooit veel meer bieden, dan een vierde! En de onbeschaamde slet durfde nog een borrel komen vragen; – maar wij hebben haar de waarheid gezegd, Jenny en ik.”

„Waarlijk,” zei Oldbuck met een schelmschen blik tot zijn metgezel, „ons geluk, dunkt mij, was groot, dat ons buiten het gehoor van dien twist hield! – Wel, wel, Grizel! eens in mijn leven was ik dan ultra crepidam, – buiten mijn beroep – dat stem ik gaarne toe! Maar wat de kosten aangaat, – de zorg is doodelijk! – en wij zullen den visch eten, wat het ook koste! En nu, Lovel, moet gij weten dat ik te eerder aanhield, dat gij vandaag zoudt blijven, omdat onze maaltijd beter zal zijn, dan naar gewoonte; – de overblijfsels van een feest zijn mij aangenamer nog, dan het feest zelf! Ik vind smaak in de analecta, de collectanea, zoo als men die zou kunnen noemen, van den vorigen dag, die bij zulke gelegenheden op tafel gezet worden. En zie, daar gaat Jenny de etensklok luiden!”