WeRead Powered by ReaderPub
De oudheidkenner cover

De oudheidkenner

Chapter 16: Vijftiende Hoofdstuk
Open in WeRead

About This Book

The narrative follows a young traveller who, while preparing for a short journey, becomes involved with an elderly, eccentric collector of historical curiosities and the colourful local people around him. Episodes combine gentle comedy of manners, vivid local portraiture, and a developing mystery about old papers and contested property that spurs inquiries, disputes, and probes into ruins and records. A romantic strand and several reconciliations are woven through debates over authenticity, heritage, and changing tastes, and the work shifts between satirical sketches and more sincere reflections on memory, learning, and community.

[Inhoud]

Vijftiende Hoofdstuk

Men bezorge dezen brief met spoed – spoed – spoed!

Rijd, rijd! – om uw leven! – om uw leven! – om uw leven!

Oud opschrift op brieven van gewicht.

Terwijl de heer Oldbuck en zijn vriend hun duur gekochten visch nuttigen, verplaatsen wij ons met den lezer in de achterkamer van den postmeester te Fairport, waar de vrouw, bij afwezigheid van haren man, bezig was met de brieven uit te zoeken, die de post uit Edinburg had gebracht. In kleine landsteden, is dit zeer dikwijls, het tijdstip van den dag, dat nieuwsgierige praatzusters het bijzonder aangenaam vinden, om den postmeester of zijne vrouw te bezoeken, om uit het buitenste der brieven, en, [94]zoo men haar niet belastert, bij gelegenheid ook het binnenste er van, berichten in te winnen, of gissingen te maken omtrent de briefwisselingen en zaken harer buren. Twee vrouwen van dezen aard hielpen, of belemmerden dan ook nu jufvrouw Mailsetter in hare ambtsverrichtingen.

„Wel hemel!” riep de slagers vrouw, „daar zijn tien, elf – twaalf brieven voor Tennant en Comp. – die menschen doen meer zaken, dan de geheele stad bij elkaâr!”

„Ja; maar zie je, mensch!” antwoordde de bakkersvrouw, „twee er van zijn heel vierkant en op de beide kanten toegelakt: – daar zullen wel geprotesteerde wissels in zitten!”

„Kwam er nog geen brief voor Jenny Caxon? – de luitenant is al drie weken weg.”

„Ja zij heeft er een gekregen Dinsdag voor acht dagen.”

„Met scheepsgelegenheid?”

„Wel zeker!”

„Dan is hij van den luitenant,” zei de bakkersvrouw eenigszins teleurgesteld; „ik had nooit gedacht, dat hij meer naar haar zou omzien.”

„Ei kijk, daar is er nog één,” zei jufvrouw Mailsetter, „ook een scheepsbrief, – postmerk Sunderland!” – Allen vlogen op, om hem te grijpen. – „Neen, neen, dames!” zei jufvrouw Mailsetter; „niets meer van dat werk! – Weet gij, dat Mailsetter een geduchte vermaning gekregen heeft van den secretaris te Edinburg, wegens een klacht over den brief aan Aily Bisset, dien gij opengemaakt hebt, jufvrouw Shortcake?”

„Ik!” schreeuwde de echtgenoote van den eersten bakker uit Fairport; „gij weet zelve, dat die open ging, toen ik hem in de handen kreeg; – ’t was mijne schuld niet; – de menschen moesten beter lak gebruiken.”

„Nou, dat is waar,” zei jufvrouw Mailsetter, die ook een komenijswinkel hield, „en wij hebben wat gekregen, dat ik als extra goed kan recommandeeren, als gij soms iemand kent, die lak noodig heeft. – Maar het einde van de grap zal zijn, dat wij onze broodwinning verliezen, als er ooit weêr dergelijke klachten komen.”

„Ei ja! dat zal de Provoost wel beletten.”

„Neen – neen; ik vertrouw Provoost, noch baljuw: – maar ik wil wel beleefd en als goede buurvrouw met u handelen, en ik heb er niets tegen, dat gij het buitenste van een brief bekijkt. – Zie, er staat een anker op het lak; – hij zal, een van zijne knoopen gebruikt hebben!”

„Laat zien! laat zien!” riepen de vrouwen van den slager en den bakker, terwijl zij zich met dezelfde nieuwsgierige drift, en weinig minder kwaadwilligheid, op den veronderstelden minnebrief wierpen, als de zuster-heksen in Macbeth op den duim van den stuurman. Jufvrouw Heukbane was eene lange vrouw, en hield den brief tusschen hare oogen en het licht. Jufvrouw Shortcake, eene kleine dikke vrouw, rekte zich uit en stond op de teenen om ook deel aan het onderzoek te hebben.

„’t Is van hem, dat is zeker! – ik zie duidelijk Richard Taffril onder in den hoek; het is aan alle kanten vol geschreven.”

„Houd het papier wat lager!” riep jufvrouw Shortcake, op een toon, die veel hooger was, dan de voorzichtigheid bij hare bezigheid eischte – „houd het wat lager; – denkt gij, dat niemand schrift kan lezen, dan gij alleen?”

„Stil, stil, dames! in ’s hemels naam!” zei jufvrouw Mailsetter; „er is iemand in den winkel.” – toen overluid: „Zie eens wie er is, Baby!” [95]

Baby antwoordde van buiten op een gillenden toon: „Er is niemand, dan Jenny Caxon, juffer, om te vragen, of er ook een brief voor haar is?”

„Zeg haar,” zei de eerlijke postmeesteres, tegen hare vriendinnen knipoogende, „dat zij morgen om tien uur weêrkomen moet, dan zal ik het haar zeggen. Wij hebben nog geen tijd gehad, om de brieven uit te zoeken; – zij heeft altijd zoo veel haast, alsof aan hare brieven meer gelegen was, dan aan die van de eerste kooplieden der stad.”

De arme Jenny, een buitengewoon schoon en bescheiden meisje, trok haren mantel om zich heen, zocht den zucht te smoren, dien de teleurstelling haar afperste, en ging stil naar huis, om nog één nacht het leed te verduren, door de onzekerheid veroorzaakt.

„Daar staat iets in van eene naald en eene pool!” zei jufvrouw Shortcake, aan wie hare langere mededingster eindelijk ook een kijkje vergund had naar het voorwerp harer nieuwsgierigheid.

„Nu, dat is door het onbeschaamde heen!” zeide jufvrouw Heukbane; „een arme onnoozele deern voor den gek te houden, na er zoo lang meê verkeerd en haar ongelukkig te hebben gemaakt, zoo als ik niet twijfel, dat hij gedaan heeft!”

„Dat is maar al te waarschijnlijk,” steunde jufvrouw Shortcake; – „haar te verwijten, dat haar vader een barbier is, en hij een pruikestok voor de deur heeft, en dat zij zelve slechts eene naaister is! Foei, dat is schandelijk!”

„Bedaard, – bedaard, dames!” riep jufvrouw Mailsetter, „gij hebt het glad mis; – het is een regel uit een van zijne zeemansliedjes, die ik hem heb hooren zingen; – iets over „getrouw zijn, als de naald aan de pool.””

„Wel, wel, we willen hopen, dat het zoo is! Maar het staat eene jonge deern als haar slecht, om briefwisseling te houden met een van ’s Konings officieren!”

„Dat ontken ik niet,” zei jufvrouw Mailsetter; „Maar die minnebrieven brengen een boel op bij het postkantoor. – Zie hier! vijf of zes brieven aan Sir Arthur Wardour; – velen er van zijn met ouwels toegemaakt en niet ééns niet lak! het gaat hem niet best, gelooft mij!”

„Ei ja, dat zullen brieven over zaken zijn, en niet van zijne groote vrienden, die ze met hunne wapens toelakken, zoo als ze die dingen noemen,” zei jufvrouw Heukbane: „Hoogmoed komt voor den val! Hij heeft al in geen jaar met mijn man afgerekend: – het is een wrakke boel, geloof ik!”

„Met ons ook, in geen zes maanden!” zuchtte jufvrouw Shortcake; – „het is mis met hem: daar kunt ge staat op maken!”

„Dáár is een brief,” viel de getrouwe postmeesteres in de rede, „van zijn zoon den kapitein, denk ik; – op het zegel staan dezelfde dingen als op het rijtuig van Knockwinnock. Hij zal wel te huis komen, om te zien wat hij uit den brand redden kan!”

Op den Baronet volgde de heer Oldbuck. – „Twee brieven voor Monkbarns: – die komen van eenige zijner geleerde vrienden; zie, hoe dicht ineen gekrabbeld tot aan het lak toe; – om de dubbele vracht te vermijden: dat is naar Monkbarns zijn zin. Als hij een brief franco afzendt, vult hij hem juist op tot het gewicht van één ons, zoodat één korreltje de schaal zou doen overhellen: – maar ze zijn ook nooit een korrel te zwaar. Wel, ik zou bankroet gaan, als ik hun, die peper en zwavel en dergelijke dingen koopen, zulk gewicht gaf.”

„Het is een schriel heer, die Monkbarns,” zei jufvrouw Heukbane. „In Augustus zal hij weêr meer drukte maken over het koopen van een vierendeeltje [96]lam, dan een ander over een halve os! – Laat ons nog een glaasje kaneelwater proeven, jufvrouw Mailsetter, mijne lieve! – Och, menschen! als gij zijn broeder gekend hadt, zoo als ik! – menigmaal kwam hij hier inloopen, om mij te zien, met een paar wilde eendvogels in zijn zak, als mijn eerste man naar Falkirk was. – Wel, wel, – ik zou u daarvan het een en ander kunnen vertellen!”

„Ik zal niets ten nadeele van dezen Monkbarns zeggen,” zei jufvrouw Shortcake; „zijn broeder heeft mij nooit wilde eendvogels gebracht, en deze is een vriendelijk, braaf mensch. Hij neemt het brood voor zijn geheele huisgezin van ons, en hij rekent elke week met ons af; – eens echter was hij erg in de weer, toen wij hem een boekje, in plaats van den kerfstok zonden1, wat, zeide hij, de echte, ouderwetsche wijze was om af te rekenen, tusschen de winkeliers en hunne klanten; en dat is waar ook!”

„Maar zie eens hier!” riep jufvrouw Mailsetter, „hier is iets, om zich blind op te kijken! – Wat zoudt gij niet geven, om het binnenste van dien brief te zien? – dat is wat nieuws; – nooit zag ik iets dergelijks: „Aan den heer William Lovel, ten huize van Mejufvrouw Hadoway, Hoogstraat, Fairport, bij Edinburg.” Dit is de tweede brief, dien hij gehad heeft, sedert hij hier is.”

„In vredes naam, laat zien! In ’s Hemels naam, laat zien! – dat is hij, van wien de geheele stad niets weet, – het is een flinke jongen; – laat – laat zien!” riepen de twee waardige dochters van moeder Eva.

„Neen, neen, dames!” riep jufvrouw Mailsetter; „blijft er af, – blijft er af, zeg ik! – dit is geene van uwe vierstuivers waar, waarvan wij het bedrag voor het postkantoor onder ons kunnen vergoeden, als er een ongeluk aan komt. De vracht is vijfentwintig shillings, – en hier is de orde, om den brief aan den heer met eene expresse te verzenden, in geval hij niet te huis is! Neen, neen, hiermeê valt niet te spotten!”

„Maar laat het ons dan eventjes van buiten zien, mensch!”

Niets kon men daaruit opmaken, dan eenige aanmerkingen over de bijzondere eigenschappen, die de wijsgeeren aan de stof toeschrijven: lengte, breedte, diepte en zwaarte. Het couvert bestond uit sterk, dik papier, ondoordringbaar voor de nieuwsgierige oogen, welke er op staarden, als of ze uit hunne holen springen wilden. Het zegel toonde een afdruk van een wapen, en trotseerde alle pogingen om den inhoud in te zien, zonder het open te breken.

„Jongens!” zei jufvrouw Shortcake, terwijl zij het pakje in de hand woog, en, zeer waarschijnlijk, hoopte dat het al te sterke lak van zelf smelten en zich ontbinden zou; „ik zou wel eens willen weten, wat er in zit; want die Lovel is de vreemdste mensch, die ooit te Fairport geweest is. Niemand weet wat van hem te maken!”

„Wel, wel, dames!” hernam de postmeesteres, „wij zullen gaan zitten, en er eens over keuvelen. Baby, breng theewater binnen! – Zeer verplicht voor uwe koekjes, mejufvrouw Shortcake! – en dan zullen wij den winkel sluiten, en Baby binnen roepen, en een partijtje maken, tot de man te huis komt, – en dan zullen wij de heerlijke kalfszwezerikken proeven, die gij zoo goed geweest zijt mij te zenden, jufvrouw Heukbane!”

„Maar wilt gij niet eerst den brief aan den heer Lovel verzenden?” vroeg jufvrouw Heukbane. [97]

„Waarlijk, ik weet niet wien er meê te sturen eer mijn man te huis komt; want de oude Caxon vertelde mij, dat de heer Lovel den geheelen dag op Monkbarns bleef; – hij heeft er de koorts gekregen door dien heer en Sir Arthur uit zee te halen.”

„Die malle, oude kerels!” zei jufvrouw Shortcake; „wat bewoog hen, om in een nacht, als dien van gisteren uit te gaan.”

„Men had mij gezegd, dat het de oude Adam was, die hen redde,” zeide jufvrouw Heukbane, „Adam Ochiltree, de Blauwrok, weet ge, – en dat hij hen alle drie uit het water haalde; want Monkbarns had hen bepraat, om er in te gaan, om de werken van de oude monniken te zoeken.”

„Wel neen, – gekheid!” antwoordde de postmeesteres; „ik zal het u vertellen zoo als Caxon het mij verteld heeft. Zie je, Sir Arthur en zijne dochter en de heer Lovel hadden op Monkbarns zullen eten.”

„Maar, jufvrouw Mailsetter!” viel haar jufvrouw Heukbane op nieuw in de rede, „zult gij niet trachten, dezen brief met eene expresse te verzenden? – Onze hit en onze jongen, hebben al vroeger depèches voor het postkantoor overgebracht, en de hit heeft heden nog geene dertig mijlen afgelegd; – Jan was bezig met hem te poetsen, toen ik hier naar toe kwam.”

„Wel, jufvrouw Heukbane!” zei de brievenvrouw, op de lippen bijtende, „gij weet, dat mijn man zelf gaarne als expresse rijdt. Wij moeten onzen afval aan onze eigene honden geven; – het brengt hem telkens eene halve guinje in den zak, zoo dikwijls, hij zijne merrie bestijgt; en hij zal weldra hier zijn, – of het zal er wel niet veel toe doen, of die heer den brief heden nacht, of morgen vroeg krijgt.”

„Alleen maar dat de heer Lovel te huis zal zijn, eer de expresse vertrokken is,” zeide jufvrouw Heukbane, „en wat dan? – maar gij weet zelve het best wat te doen!”

„Wel, wel, jufvrouw Heukbane!” antwoordde hare vriendin, eenigszins verdrietig en zelfs verlegen; „ik ben gaarne wèl met mijne buren; – leven en laten leven, zoo als men zegt, is mijn grondbeginsel, – en daar ik zoo mal was van de order te laten zien, – moet men zeker daaraan gehoorzamen; – maar ik heb uw knecht niet noodig; – hartelijk dank; – ik zal den kleinen David op uw hit zenden, en dat zal juist vijf shillings en drie stuivers voor ieder van ons zijn.”

„David! Wel Heere! die jongen is nog geen tien jaar oud: en, om rond met u te werk te gaan, onze hit is koppig, en de weg is niet best, en niemand kan hem rijden, dan onze Jan.”

„Dat spijt mij,” antwoordde de postmeesteres deftig; „dan moeten wij maar wachten, tot de man te huis komt, – want ik zou niet gaarne de verantwoordelijkheid op mij nemen van den brief aan zulk een klant als uw Jan te hebben toevertrouwd; – onze David behoort zoowat tot de posterijen.”

„Wel, wel, jufvrouw Mailsetter, ik zie, waar gij heen wilt; – maar hebt gij lust, om er den jongen aan te wagen, ik waag er het beest aan!”

Men gaf dus de noodige bevelen. Het onwillige paard werd van zijn bos stroo afgenomen, en op nieuw voor den dienst uitgerust. David, een lederen brievenzak dwars over zijne schouders, werd in den zadel geplaatst, met een traan in het oog en een zweep in de hand. Jan leidde vriendelijk het dier tot buiten de stad, en dwong het door het klappen van zijn zweep en het geschreeuw zijner welbekende stem, om den weg naar Monkbarns in te slaan.

De buurjufvrouwen maakten intusschen, even als de Sybillen, nadat zij hare tafels geraadpleegd hadden, het nieuws van den avond op, dat den volgenden [98]morgen, langs honderden kanalen en met even zoo vele veranderingen, door de wereld van Fairport verspreid werd. Talrijk, vreemd en onzamenhangend waren de geruchten, die hare berichten en gissingen deden ontstaan. Eenigen zeiden, dat Tennant en Comp. bankroet waren, en dat al hunne wissels met protest terug gekomen waren; – anderen, dat zij eene groote bestelling voor het Gouvernement gekregen hadden, en brieven van de voornaamste kooplieden te Glasgow, die er, tegen eene premie, aandeelen in verlangden. Het eene bericht meldde, dat de Luitenant Taffril bekend had, in het geheim met Jenny Caxon getrouwd te zijn, – een ander, dat hij haar een brief gezonden had, vol verwijtingen over hare lage geboorte en slechte opvoeding en waarin hij haar voor eeuwig vaarwel zeide. Algemeen verhaalde men, dat de zaken van Sir Arthur hopeloos verward waren; en dit gerucht werd door de verstandigen slechts betwijfeld; omdat men nagaan kon, dat het uit den winkel van jufvrouw Mailsetter kwam, en deze bron meer beroemd was wegens het veelvuldige, dan wel wegens het nauwkeurige nieuws, dat zij opleverde. Maar allen kwamen overeen, dat er een pakje van het ministerie gekomen was aan het adres van den heer Lovel, en dat het uit het hoofdkwartier te Edinburg gezonden werd door een ordonans-dragonder, die Fairport door gegaloppeerd was, zonder zich op te houden, dan alleen om naar den weg naar Monkbarns te vragen. Men legde de reden tot zulk eene buitengewone zending aan een zeer stil en afgezonderd levend man verschillend uit. Eenigen zeiden, dat Lovel een geëmigreerd edelman was, die opgeroepen werd, om zich aan het hoofd van een opstand te plaatsen, die in de Vendée uitgebroken was, – anderen, dat men hem voor een spion hield, – anderen, dat hij een generaal was, die in het geheim de kusten opnam; – anderen, dat hij een prins was, die incognito reisde.

Intusschen was de tocht van het pakje, dat tot zoo vele gissingen aanleiding gegeven had, op weg naar den eigenaar, te Monkbarns, gevaarlijk en niet onafgebroken geweest. De overbrenger, David Mailsetter, geleek, zoo als men zich verbeelden kan, weinig op een moedigen dragonder, en werd alleen verder naar zijne bestemming gevoerd, zoolang het dier zich het geklap der zweep en het geschreeuw van den slagersknecht herinnerde. Maar zoodra het gevoelde, hoe David, wiens beentjes niet lang genoeg waren, om hem in evenwicht te houden, op zijn rug heen en weêr zwaaide, begon het paard de ontvangen aanwijzingen te verachten. Eerst zette de hit zich langzamerhand in den stap. Dit maakte geen punt van twist uit tusschen hem en zijn ruiter, die zeer onthutst was geweest door de snelheid der eerste beweging, en nu de gelegenheid van den langzamen gang waarnam, om op een stuk peperkoek te kauwen, dat hem zijne moeder in de hand gestopt had, om den jeugdigen zendeling van het postkantoor tevreden te stellen en tot het kwijten van zijn plicht aan te moedigen. Langzamerhand maakte het paard gebruik van dit gebrek aan kracht, om de teugels uit Davids handen te rukken, en zich langs de laan aan het grazen te zetten. Zeer verschrikt door deze teekens van koppigen weêrstand, en even bevreesd, om te blijven zitten, als te vallen, verhief de arme David de stem en begon bitter te weenen. De hit, dit gedruisch boven zijn kop hoorende, begon waarschijnlijk te denken, dat het beter voor hem en voor David ware, terug te keeren vanwaar zij kwamen, en maakte dus ook rechtsomkeerd naar Fairport. Maar, even als de meeste terugtochten in eene vlucht ontaarden, begon ook het ros, – verschrikt door het schreeuwen van het knaapje, en het slaan der teugels, die langs zijne beenen slingerden, – daar het toch eenmaal in de [99]richting naar Fairport was, – zoo door te draven dat, indien ten minste David in den zadel gebleven ware (wat zeer te betwijfelen stond), het hem weldra voor Heukbane’s staldeur zou gebracht hebben; toen, op een draai van den weg, een bondgenoot in de gestalte van Adam Ochiltree, tusschenbeide kwam, die den toom greep en het paard tegenhield.

„Wat scheelt er aan kleine? wat! is dat een jongen om te rijden?”

„Ik kan ’t niet helpen! – zij heeten mij kleinen David.”

„En waar ga je naar toe?”

„Ik ga naar Monkbarns.”

„Wel! dit is de weg niet naar Monkbarns.”

Maar David kon slechts met snikken en tranen antwoorden.

De oude Adam was gauw tot medelijden bewogen, als het kinderen gold. „Ik ging dien kant niet uit,” dacht hij; „maar dat is het voordeel van mijne levenswijze, dat ik nooit verkeerd kan gaan. Zij zullen mij wel te Monkbarns laten overnachten, en ik zal met het kind daarheen sukkelen; want het paard zal hem de hersens nog inslaan, als er niemand bij is, om het te leiden. – Dus hebt gij een brief, kind? – Wilt gij mij dien laten zien?”

„Ik mag den brief aan niemand laten zien,” stamelde de jongen, „tot ik hem aan den heer Lovel gegeven heb; want ik ben een trouwe dienaar van het postkantoor, als het maar niet om den hit ware.”

„Goed zoo, kleine man!” zei Ochiltree, den kop van het weêrspannige paard naar Monkbarns wendende; „maar wij zullen den hit met ons beiden den weg wijzen, als hij niet al te halsstarrig is.”

Juist op de hoogte van Kinprunes, waar Monkbarns Lovel na tafel uitgenoodigd had, was de oudheidkenner (weder verzoend met de vroeger in waarde gedaalde plek), bezig met de plaats op te nemen, die een geschikt tooneel opleverde voor eene beschrijving van Agricola’s kamp bij het aanbreken van den dag, toen zijn blik getroffen werd door de verschijning van den bedelaar met zijn beschermeling.

„Wat drommel! – daar komt, geloof ik, de oude Adam aan met pak en zak.”

De bedelaar verklaarde de reden van zijne komst, en David, die er op stond, om zijn last letterlijk uit te voeren en tot het huis van Monkbarns te gaan, werd met moeite overgehaald om het pakje aan den eigenaar zelven af te staan, hoezeer hij hem eene mijl dichterbij aantrof, dan de plaats, waarheen hij gezonden was. – „Maar moeder zei, ik moest vijfentwintig shillings port ontvangen, en tien shillings en zes stuivers voor de expresse: – daar is het papiertje.”

„Laat zien, – laat zien!” zei Oldbuck, den bril opzettende en het gekneuterde afschrift der post-reglementen onderzoekende, waarop David zich beriep. „Expresse, één dag met man en paard, niet boven de tien shillings en zes stuivers. – Een dag? wel, het is nog geen uur; – man en paard? wel, het is een aap op eene half doode kat!”

„Vader zou zelf gekomen zijn,” zeide David, „op de groote bruine merrie, als gij tot morgen avond hadt willen wachten.”

„Vierentwintig uur na den bepaalden tijd der bestelling! – Gij schelm! begint gij zoo vroeg met bedriegen?”

„Wel, Monkbarns, vaar niet uit tegen een kind,” zei de bedelaar; „denk er aan, dat de slager zijn beest, en de moeder haar zoontje er aan waagde, en ik ben zeker, dat tien shillings en zes stuivers niet te veel is. Gij hebt het ook zoo nauw niet genomen met Jan Howie, toen –” [100]

Lovel, die, op het veronderstelde praetorium gezeten, den inhoud van het pakje doorloopen had, maakte een einde aan den twist, door aan Davids eisch te voldoen; keerde zich daarop zeer ontroerd naar den heer Oldbuck, en verschoonde zich, dat hij dien avond niet niet hem naar Monkbarns kon terugkeeren. „Ik moet dadelijk naar Fairport, en misschien die stad op het eerste bericht, dat elk oogenblik komen kan, verlaten. Ik zal nooit uwe goedheid vergeten, mijnheer Oldbuck.”

„Geen slecht nieuws, hoop ik?” zei de oudheidkenner.

„Van zeer gemengden aard,” antwoordde zijn vriend. „Vaarwel! in voor of tegenspoed, zal ik nooit uwe vriendschap vergeten.”

„Neen, neen, – blijf, blijf nog één oogenblik. Indien, – indien, –” (met veel inspanning) „indien gij wat geld noodig hebt, – ik heb vijftig, – of honderd guinjes tot uwe beschikking – tot – tot Pinksteren, – of inderdaad, zoolang gij verkiest.”

„Ik ben u zeer verplicht, mijnheer Oldbuck, maar ik ben van geld voorzien,” zeide zijn geheimzinnige jonge vriend. „Verschoon mij; – ik kan wezenlijk nu niets verder zeggen! Ik schrijf, of zie u, eer ik Fairport verlaat, – dat is, als ik genoodzaakt word, die plaats te verlaten.” Dit zeggende drukte hij den oudheidkenner hartelijk de hand, wendde zich van hem af, en ging snel stadwaarts, zonder op verdere vragen te wachten.

„Vreemd, zeer vreemd, voorwaar!” zeide Oldbuck; „maar er is iets aan dien jongen, dat ik niet doorgronden kan; en toch kan ik geen kwaad van hem denken. Ik moet naar huis gaan, en het vuur in de groene kamer uitdoen; want geene van mijn vrouwvolkje zou zich er na de schemering in wagen!”

„En hoe zal ik weêr naar huis komen?” stamelde de ongelukkige expresse.

„Het is een mooie avond,” zei de blauwrok, naar den hemel ziende; „ik kan even goed naar de stad gaan, en voor het kind zorgen.”

„Doe dat, doe dat, Adam, en,” voegde de oudheidkenner er bij, terwijl hij een oogenblik in zijn grooten vestzak schommelde, tot hij het voorwerp, dat hij zocht, gevonden had, „daar heb je een shilling, om snuif te koopen!”


1 Zie noot B aan het einde van het werk.