Zestiende Hoofdstuk
Ik ben betooverd door des schelms omgang. Zoo de schurk mij geene toovermiddelen gaf, dat ik hem genegen werd, laat ik mij hangen! Het kan wel niet anders; hij heeft toovermiddelen gebruikt!
Shakespeare’s Hendrik IV, 2de DL.
Veertien dagen lang ondervroeg de oudheidkenner geregeld den ouden Caxon, of hij niet gehoord had, waarmede de heer Lovel zich bezig hield? en geregeld gaf deze ten antwoord, „dat men in de stad niets hoegenaamd van hem [101]te weten kon krijgen, dan dat hij een stuk of wat dikke brieven uit het zuiden gekregen had, en dat men hem nooit op straat zag.”
„Hoe leeft hij, Caxon?”
„Wel, jufvrouw Hadoway zet hem een beefsteak voor, of eene lamskotelet, of een kip, of iets waarvan zij zelve houdt, en hij eet het in de kleine roode huiskamer naast zijne slaapplaats. Zij kan niet eens van hem te weten komen, waarvan hij het meest houdt; en ’s morgens zet zij thee voor hem, en hij rekent elke week trouw met haar af.”
„Maar gaat hij nooit uit?”
„Hij heeft het wandelen glad opgegeven, en hij brengt den dag door op zijne kamer met lezen en schrijven. Hij schreef ook een heel pak brieven; maar hij wilde die niet eens op ons postkantoor doen, ofschoon jufvrouw Hadoway aanbood, om ze zelve te brengen; maar zond ze onder couvert aan den Sheriff, en jufvrouw Mailsetter gelooft, dat deze zijn knecht stuurde, om ze op het postkantoor te Tannonburgh te bezorgen; het is mijn bescheiden meening, dat hij het doorsnuffelen van zijne brieven te Fairport vreesde; – en dat mocht wel; want mijne arme dochter Jenny, –”
„Plaag mij nu niet met uw vrouwvolkje Caxon! – Wat den armen jongen betreft; – schrijft hij niets anders dan brieven?”
„O ja! – heele vellen vol andere dingen, zegt jufvrouw Hadoway. Zij had zoo gaarne, dat men hem kon overhalen, om eens te gaan wandelen: zij vindt, dat hij er slecht uitziet, en zijn eetlust is glad weg; maar hij wil niet hooren van een voet over den drempel te zetten: – hij, die vroeger zoo veel placht te wandelen.”
„Dat is verkeerd, ik weet ten naaste bij, waar hij meê bezig is; maar hij moet ook niet te hard werken. Ik zal hem vandaag nog gaan bezoeken; – hij is zeker in de Caledoniade verdiept.”
Na het nemen van dit kloek besluit, rustte zich de heer Oldbuck tot den tocht uit; dat is, hij trok zijne dikke wandelschoenen aan, nam zijne rotting met gouden knop in de hand, en begaf zich op weg, onder het mompelen van Falstaff’s woorden, die wij tot motto van dit hoofdstuk verkozen hebben; want de oudheidkenner was zelf verwonderd, dat hij zich zoo sterk door dezen vreemdeling aangetrokken gevoelde.
Eene wandeling naar Fairport was voor den heer Oldbuck eene onderneming geworden, waartoe hij zelden geneigd was. Hij haatte het groeten op straat, en er waren over het algemeen lediggangers genoeg, die hem vervolgden, òf met het nieuws van den dag, òf met de eene of andere nietige zaak. Zoo had hij, bij deze gelegenheid, den voet nauwelijks in de straten van Fairport gezet, of het heette: „Goeden morgen, mijnheer Oldbuck, – het is een trefje, als men u te zien krijgt! – Wat denkt gij van het nieuws in de courant van vandaag? binnen veertien dagen, zegt men zal de inval plaats hebben.”
„Ik wenschte, bij God, dat die gedaan en voorbij was, en dat ik er niet meer van hoorde spreken.”
„Monkbarns, uw dienaar,” zei de bloemkweeker, „ik hoop, dat de planten voldaan hebben? en als gij eenige bloembollen, nieuwe uit Holland, of,” (dit zachter) „een anker of wat echt Keulsche jenever noodig hebt, een van onze brikken kwam gisteren binnen.”
„Dank je, dank je, – voor het oogenblik niets, mijnheer Crabtree!” antwoordde de oudheidkenner, fiks doorstappende.
„Mijnheer Oldbuck,” zei de stadsschrijver, (een gewichtige persoon, die [102]op hem aankwam, en het waagde den ouden heer staande te houden.) „De burgemeester, vernomen hebbende dat gij in de stad waart, verzoekt u haar in geen geval te verlaten, zonder hem bezocht te hebben; hij moet u noodzakelijk spreken over een ontwerp, om het water van de Fairwell-bronnen door een gedeelte van uwe landerijen te brengen.”
„Wat drommel! – hebben zij geen ander land dan het mijne, om er aan te knoeien en te kerven? – ik geef mijne toestemming niet; – zeg hun dat! –”
„En de burgemeester en de raad,” vervolgde de stadsschrijver, „hebben er niet tegen, dat gij de oude steenen van de Donagild’s kapel, om welke gij gevraagd hebt, wegneemt.”
„Ei? – zoo! zoo! dat is wat anders. – Wel, ik zal bij den burgemeester aankomen, en wij zullen er over spreken.”
„Maar gij moet u dadelijk verklaren, Monkbarns, als gij de steenen noodig hebt; want de Deken Harlewalls oordeelt, dat men de gebeeldhouwde steenen zeer goed in den gevel van het nieuwe stadhuis zou kunnen te pas brengen; – dat is, de twee figuren, met gekruiste beenen, die de menschen in de wandeling Robin en Bobbin noemen; aan weerskanten van de deur, en den anderen steen, dien zij Ailie Dalie noemen, boven de deur. Het zal zeer netjes zijn, zegt de Deken; en juist in den nieuw-Gothischen stijl.”
„De Heer verlosse ons van dit Gothisch geslacht! – Een gedenkteeken van een tempelridder aan weerskanten van eene Grieksche poort, en eene Madonna er boven! – O crimini! – Wel, zeg den burgemeester, dat ik de steenen hebben wil, en wij geen geschil zullen hebben over den waterloop. Het is gelukkig, dat ik juist vandaag dezen kant uitkwam.”
Zij scheidden over en weêr tevreden; maar de slimme schrijver had groote reden, om zich over zijne behendigheid te verheugen; want het geheele voorstel eener ruiling van de gedenkteekens, (die de raad besloten had, als onnut puin te laten opruimen, omdat ze drie voet van het wandelpad innamen,) tegen het voorrecht, om het water naar de stad over het erf van Monkbarns te leiden, was een denkbeeld, dat bij hem zelven in den drang van het oogenblik ontstaan was.
Door deze verschillende beletselen baande zich Monkbarns (om den titel te bezigen, waarbij hij in de landstreek bekend was), eindelijk den weg naar het huis van jufvrouw Hadoway. Deze goede vrouw was de weduwe van een der geestelijken te Fairport, en verkeerde, door het vroegtijdig afsterven van haren man, in die bekrompen en benauwde omstandigheden, waarin men de weduwen der geestelijken in Schotland zoo dikwijls aantreft. De woning, die zij gehuurd had, en de meubels, welke zij bezat, verschaften haar de middelen, om een gedeelte van haar huis te verhuren; en daar Lovel een rustig, geregeld en voordeelig inwoner was, en den onderlingen, onvermijdelijken omgang met zeer veel beleefdheid en hoffelijkheid paarde, had dit jufvrouw Hadoway, die wellicht niet gewoon was aan zulk eene vriendelijke bejegening, eene zeer groote genegenheid voor haren huurder doen opvatten, zoodat zij geene van die kleine oplettendheden verzuimde, welke de omstandigheden haar toelieten hem te bewijzen. Iets beters dan gewoonlijk voor „het middagmaal van den armen jongen heer” te bereiden; zich te beijveren, om bij hen die zich haren echtgenoot nog herinnerden, of haar om haar eigen wil liefhadden, eenige schaarsche groenten te krijgen, of iets anders, hetwelk zij in hare eenvoudigheid veronderstelde, dat den eetlust van haren kamerbewoner kon opwekken, was een werk, waarin zij vermaak schepte, [103]ofschoon zij het zorgvuldig verborg voor den persoon, die er het voorwerp van was. Zij hield hare welwillendheid echter niet geheim, om den spot te ontgaan van hen, die zouden kunnen veronderstellen, dat een rond gezichtje niet donkere oogen en eene gezonde gelaatskleur, ook zelfs bij eene vrouw van vijfenveertig jaren, en daarbij in de nauw sluitende weduwenmuts gehuld, streven kon naar het maken van overwinningen; want, om de waarheid te zeggen, daar zulk eene belachelijke gedachte nooit bij haar zelve opkwam, kon zij ook niet denken, dat die bij anderen zou ontstaan. Maar zij verborg hare oplettendheden slechts uit kieschheid voor haren gast, aan wiens vermogen, om ze te vergelden, zij evenzeer twijfelde, als zij geloofde, dat hij er toe geneigd was en pijnlijk gegriefd zou zijn, als hij de geringste van hare beleefdheden onbeloond moest laten. – Nu opende zij de deur voor den heer Oldbuck, en de verrassing van hem te zien, bracht haar tranen in de oogen, die zij nauwelijks weêrhouden kon.
„Ik ben blij u te zien, mijnheer! – ik ben zeer blij u te zien! Mijn arme jonge heer is, vrees ik, niet wel; en o, mijnheer Oldbuck, hij wil noch dokter, noch dominé, noch notaris spreken! en hoe zou het gaan, indien, zoo als mijn arme man placht te zeggen, iemand kwam te sterven, zonder den bijstand der drie geleerde faculteiten?”
„Veel beter dan met haar bijstand,” bromde de cynische oudheidkenner, „Ik zeg u, jufvrouw Hadoway! de geestelijken leven van onze zonden, de dokters van onze ziekten, en de rechtsgeleerden van onze rampen.”
„O foei, Monkbarns, zoo iets van u te hooren! – Maar wilt gij naar boven gaan en den armen jongen zien? – och, mijnheer, zoo jong en krachtig – en dagelijks eet hij al minder en minder, en nu raakt hij bijna niets meer aan; voor het fatsoen, neemt hij slechts één hapje uit den schotel, en zijne arme wangen worden bij den dag magerder en bleeker, zoodat hij er nu wezenlijk zoo oud uitziet, als ik, die zijne moeder kon zijn, – niet dat ik juist zóó oud ben, maar toch nagenoeg!”
„Waarom neemt hij niet wat beweging?” vroeg Oldbuck.
„Ik geloof dat wij hem daartoe overgehaald hebben; want hij heeft een paard gekocht van Gibbie Golightly, den stalknecht. Gibbie zeide, dat mijnheer een paardenkenner was; want hij bood hem een paard aan, dat hij dacht, hem lijken zou, omdat hij maar een geleerde is; maar mijnheer Lovel wilde het niet eens aankijken, en nam er een, dat een vliegenden dragonder zou kunnen dienen; – het staat op stal in de herberg aan den overkant van de straat, en hij ging gisteren en heden morgen vóor het ontbijt uit. – Maar wilt gij niet naar boven gaan?”
„Dadelijk, dadelijk; – is er ook iemand bij hem?”
„O, mijn lieve mijnheer Oldbuck! geen mensch; hij wilde niemand ontvangen, toen hij frisch en gezond was, hoe zou het dus mogelijk zijn, dat iemand uit Fairport, nu naar hem om zou zien?”
„Ja, ja, zeer waar! Het zou vreemd zijn, als het anders ware. – Kom, wijs mij den weg jufvrouw Hadoway, opdat ik mij niet vergis, en ergens heen kom, waar ik niet wezen moet.”
De goede jufvrouw wees den heer Oldbuck den smallen trap, geleidde en waarschuwde hem voor elke wending, terwijl zij hem aanhoudend beklaagde, dat hij genoodzaakt was, om zoo hoog te klimmen. Eindelijk tikte zij zachtjes aan de deur van Lovel’s zitkamer. „Binnen!” riep deze, en jufvrouw Hadoway liet den heer van Monkbarns binnen.
De kleine kamer was net en zindelijk en betamelijk gestoffeerd, en daarbij [104]versierd met die overblijfsels van mejufvrouw Hadoway’s jeugdig borduurwerk, welke zij nog bewaard had, maar het vertrek was klein en benauwd, en, zoo als het den heer Oldbuck toescheen, een zeer ongezond verblijf voor een jong mensch, wiens gezondheid verzwakt was, eene opmerking, die hem in een ontwerp versterkte, dat reeds lang ten opzichte van Lovel bij hem opgekomen was. Deze zat aan eene schrijftafel met eene menigte boeken en papieren, op eene sofa, in zijne kamerjapon en muilen. Oldbuck schrikte over de verandering, die hij in hem opmerkte. Wangen en voorhoofd waren doodsbleek, uitgezonderd daar, waar eene schitterende roode plek sterk en pijnlijk in het oog viel, als zeer verschillend van de gezonde, heldere kleur, die vroeger zijn gelaat overdekte en eenigszins blozend maakte. Oldbuck merkte op, dat de kleeding, die hij aanhad, zoo wel als de rok, die naast hem over een stoel hing, zwaren rouw aanwezen. Zoodra de oudheidkenner binnentrad, stond Lovel van de sofa op en kwam hem te gemoet, om hem te verwelkomen.
„Dit is zeer vriendelijk,” zeide hij, terwijl hij hem de hand drukte en hartelijk dankte voor zijn bezoek; „dit is zeer vriendelijk, – en daarbij voorkomt gij mij, daar ik voornemens was u eerstdaags te komen zien; – gij moet weten, ik heb mij onlangs een paard aangeschaft.”
„Dat hoor ik van jufvrouw Hadoway: – ik hoop maar, mijn goede jonge vriend, dat gij gelukkig geslaagd zijt met een mak paard te vinden. Ik had ook eens de onvoorzichtigheid een paard van denzelfden Gibbie Golightly te koopen; dat dier rende met mij op zijn rug twee mijlen de jachthonden achter na, waarmeê ik zoo weinig te maken had, als met de sneeuw van laatstleden winter, en, nadat ik, zoo als ik veronderstel, veel toegebracht had tot het vermaak der jachtpartij, was het vriendelijk genoeg, mij in eene drooge sloot er af te smijten. Het uwe, hoop ik, zal een vreedzamer beest zijn?”
„Ik hoop ten minste, dat wij meer eensgezind zullen zijn op onze tochten.”
„Dat is te zeggen, gij verbeeldt u een goed ruiter te zijn?”
„Ik zou mij niet gaarne voor een zeer slecht ruiter houden.”
„Neen, gij jonge lieden gelooft u dadelijk meesters in de kunst te moeten noemen. Maar, hebt gij er ooit ondervinding van gehad? Want, crede experto, met een driftig paard is geen gekscheren!”
„Wel, ik zou het niet wagen mij een groot ruiter te noemen; maar toen ik, verleden jaar, in het gevecht te .… als adjudant van Sir .… dienst deed, zag ik menigen beteren ruiter dan ik uit den zadel gelicht!”
„O! gij hebt den verschrikkelijken God des oorlogs in de oogen gezien; – gij zijt bekend met de vertoornde blikken van den krijgshaftigen Mars? – Die ondervinding volmaakt uwe bekwaamheden voor het heldendicht! – Maar de Britten, zult gij u herinneren, vochten in wagens, – covinarii zegt Tacitus; – gij herinnert u de schoone beschrijving van de slachting daardoor onder het Romeinsche voetvolk aangericht, ofschoon de geschiedschrijver ons verhaalt, dat de ruwe, ongelijke bodem weinig geschikt was voor paarden. En waarlijk, over het geheel, welke soort van wagens men ergens anders in Schotland heeft kunnen gebruiken dan op de straatwegen, is altijd voor mij een raadsel geweest. – En nu, – heeft de Zanggodin u bezocht? – Hebt gij iets afgemaakt om mij te laten zien?”
„De tijd,” zeide Lovel, een blik op zijne zwarte kleeding werpende, „is minder aangenaam door mij besteed geworden.”
„De dood van een vriend?” [105]
„Ja, mijnheer Oldbuck, van bijna den eenigen vriend, dien ik mij ooit beroemen kon te bezitten.
„Inderdaad? – Wel, jonkman wees getroost,” zei de oudheidkenner op een ernstigen toon, die zeer verschilde van zijne gewone, gemaakte deftigheid. „Een vriend door den dood verloren te hebben, terwijl de onderlinge achting nog warm en onverkoeld was, – terwijl de traan nog vloeien kan, onverbitterd door eenige pijnlijke herinnering aan verkoeling, of wantrouwen, of verraad, is misschien een gelukkig ontsnappen aan eene zwaardere bezoeking. Zie rond, – hoe weinigen ziet gij oud worden, omringd door hen, die hunne eerste vrienden waren! – Onze bronnen van gemeenschappelijk genoegen drogen langzamerhand op, naarmate wij voorttrekken door het dal van Bacha, en wij graven ons nieuwe putten, van welke de eerste deelgenooten van onzen tocht verstooten blijven. Afgunst, naijver, nijd komen tusschenbeide, en verwijderen anderen van onze zijde, tot ons niemand meer overblijft, dan diegenen, met welke wij eerder door gewoonte, dan door voorkeur verbonden zijn, of die, nader in bloedverwantschap dan in neigingen, den ouden man bij zijn leven gezelschap houden, om niet vergeten te worden bij zijn dood – Haec data poena diu viventibus! – O, Lovel, als het uw lot wordt, om den kouden, nevelachtigen, eenzamen avond van het leven te bereiken, zult gij aan de smarten uwer jeugd terugdenken, als aan de lichte wolkjes, die voor een oogenblik de stralen van de nog opkomende zon verduisteren. – Maar mijne woorden dringen in uwe ooren door, zonder uw hart te bereiken.”
„Ik ben zeer gevoelig voor uwe deelneming,” antwoordde de jongeling; „maar de pas toegebrachte wond moet altijd hevig pijn doen, en – houd het mij ten goede, – het zou mij weinig troosten in mijne tegenwoordige droefheid om overtuigd te zijn, dat het leven mij verder niets opleveren zou, dan eene reeks van teleurstellingen. En vergun mij er bij te voegen: gij, mijnheer Oldbuck, hebt minder redenen, dan vele andere menschen, om het leven uit zulk een somber oogpunt te beschouwen. Gij bezit een voldoend en zelfs ruim vermogen, – zijt algemeen geacht en geëerd, – kunt, naar uwe eigene uitdrukking, vacare musis, en in uwe studiën uw smaak vrij volgen; – buiten ’s huis kunt gij uw eigen vriendenkring vormen, en daar binnen geniet gij de liefderijkste en onvermoeidste verpleging uwer dierbare naastbestaanden.”
„Wel ja! mijn vrouwvolkje is voor vrouwen, – dank zij mijne strenge tucht, – nog al beleefd en handelbaar; zij storen mijne morgenstudiën niet, – sluipen langs den vloer met den stillen tred eener kat, als ik lust heb, na tafel, of na de thee, in mijn leuningstoel een dutje te doen. Dat is alles goed en wel; maar ik mis iemand, aan wien ik mijne gedachten kan meêdeelen, – iemand om meê te praten!”
„Waarom verzoekt gij dan niet uw neef, den kapitein M’Intyre, om bij u te komen? Hij staat voor een geestig jong mensch bekend.”
„Hoe! mijn neef Hector? – dien heethoofd? – Hoe! – De hemel beware mij; ik zou even graag eene brandende toorts op mijne hooizolders brengen. – Hij is een Almanzor, een Chamont, – heeft een Hooglandschen stamboom even lang als zijn zwaard, en een zwaard zoo lang als de Hoogstraat te Fairport, dat hij tegen den heelmeester aldaar trok, toen hij er de laatste maal was. Ik verwacht hem eerstdaags hier; maar ik zal hem op een afstand houden, dat beloof ik u! – Hij, een vaste bewoner van mijn huis! om mijne stoelen en tafels van zijne drift te zien beven! – Neen! [106]neen! ik wil geen Hector M’Intyre. – Maar hoor, Lovel, gij zijt een stil, zachtaardig jong mensch; zoudt gij niet goed doen met u een paar maanden te Monkbarns te vestigen; want ik begrijp, dat gij niet dadelijk voornemens zijt deze streek te verlaten? – Ik zal eene deur uit uwe kamer naar den tuin laten maken; – dat zou slechts eene kleinigheid kosten, – er is al eene oude deur daar, die lang geleden toegemetseld werd; door deze deur kunt gij de groene kamer uit- en ingaan naar verkiezing, zoodat gij niets met den ouden man, noch hij met u, zal te doen hebben. Wat den kost betreft, jufvrouw Hadoway zegt me, dat gij, zoo als zij het noemt, zeer matig in het eten zijt: dus zult gij u met mijn eenvoudigen disch wel vergenoegen. Uw linnen, –”
„Ik bid u, waarde heer Oldbuck,” viel hem Lovel, met een glimlach in de rede, welken hij niet bedwingen kon; „eer uwe gastvrijheid mijne leefwijze regelt, vergun mij u welmeenend te danken voor zulk een vriendelijk aanbod. Thans is het mij onmogelijk, er gebruik van te maken; maar zeer waarschijnlijk zal ik, eer ik Schotland vaarwel zeg, gelegenheid vinden om u een bezoek van eenigen duur te geven.”
De heer Oldbuck was eenigszins uit het veld geslagen. „Wel, ik dacht iets gevonden te hebben, dat ons beiden lijken zou; en wie weet, wat er met den tijd gebeurde, en of wij ooit weder scheiden zouden? Wel ik ben heer en meester over mijne landerijen! – dat is het voordeel van af te stammen van een mensch, die meer gezond verstand dan hoogmoed had. Men kan mij niet noodzaken, mijne landerijen, have en goed aan iemand anders te vermaken, dan ik wil. Er bestaat geen band, om menschen tot erfgenamen te benoemen, die zoo onbeduidend en nietig zijn als de papiertjes onder aan den staart van een vlieger, om de vlucht van mijne neigingen te belemmeren! – Wel, ik zie, dat u dit voor het oogenblik niet verleidt; – maar de Caledoniade gaat toch door, hoop ik?”
„O zeker,” zeide Lovel; „ik kan er niet aan denken, om een plan te laten varen, dat zoo veel belooft!”
„Dat doet het wezenlijk,” zei de oudheidkenner met een plechtigen blik; want ofschoon hij verstand en doorzicht genoeg bezat, om de plannen te beoordeelen, die door anderen ontworpen werden, was hij nochtans, natuurlijk, overdreven ingenomen met degenen, welke hij zelf gesmeed had. – „Het is wezenlijk een ontwerp dat, indien volbracht in den geest waarin het gevormd werd, de letterkunde van het tegenwoordige geslacht zal helpen zuiveren van den blaam van lichtzinnigheid!”
Hier werden zij gestoord door een tikken aan de kamerdeur, en een briefje voor den heer Lovel werd binnengebracht. De knecht wachtte, op antwoord, zei jufvrouw Hadoway. – „Dit betreft u mede, mijnheer Oldbuck,” zeide Lovel, het briefje, na het eventjes ingezien te hebben, aan den oudheidkenner overhandigende.
Het was een schrijven van Sir Arthur Wardour, in de beleefdste bewoordingen, waarmede hij zijn leedwezen te kennen gaf, dat een aanval van jicht hem tot nog toe belet had den heer Lovel de beleefdheden te bewijzen, waarop hem zijn gedrag in een oogenblik van groot gevaar zoo zeer het recht gaf, – en zich verontschuldigende, dat hij niet in persoon zijne opwachting kwam maken, (in de hoop, dat de heer Lovel hem van deze plechtigheid wel zou willen verschoonen), noodigde hij hem uit om deel te nemen aan eene kleine partij, welke hij tegen den volgenden dag voorsloeg naar de bouwvallen van het klooster van St. Ruth, om daarna op het kasteel Knockwinnock [107]het middagmaal te gebruiken en den avond door te brengen. Sir Arthur eindigde met te zeggen, dat hij insgelijks de familie Monkbarns verzocht had. De plaats van vereeniging was bepaald bij een slagboom, die zich ongeveer op een gelijken afstand bevond van de onderscheidene punten, van welke het gezelschap samen moest komen.
„Wat zullen wij doen?” vroeg Lovel, den oudheidkenner aanziende: maar tamelijk vast bepaald omtrent hetgene hij zelf voornemens was.
„Gaan, man! – gaan in elk geval, ofschoon het mij ook een wagen kosten zal, die u en mij en Mary Mac Intyre zeer goed bevatten zal; en het andere vrouwelijk schepsel kan naar de pastorie gaan, en gij kunt met den wagen naar Monkbarns komen, daar ik hem voor den ganschen dag nemen zal.”
„Maar mij dunkt, dat ik beter deed van te paard te gaan.”
„Juist! ik vergat uw Bucephaal. Maar gij zijt, in het voorbijgaan gezegd, een malle jongen; gij zoudt beter gedaan hebben met achttien stuivers per rid voor het beest te betalen, dan het dier te koopen, – als gij toch meer vertrouwen in zijne beenen, dan in uwe eigen ledematen hebt.”
„Wel, daar de paarden het voordeel opleveren van hunne beenen veel sneller te bewegen, en, behalve dat, vier beenen in plaats van twee hebben, beken ik over te hellen –”
„Genoeg –genoeg! – volg uw eigen zin! Dan zal ik Grizel of den dominé meêbrengen; want ik geniet gaarne de volle waarde voor mijn geld, – en wij ontmoeten elkander aan den Tirlingen-slagboom, Vrijdag, klokslag twaalf.” – En met deze afspraak scheidden de vrienden.