WeRead Powered by ReaderPub
De oudheidkenner cover

De oudheidkenner

Chapter 18: Zeventiende Hoofdstuk
Open in WeRead

About This Book

The narrative follows a young traveller who, while preparing for a short journey, becomes involved with an elderly, eccentric collector of historical curiosities and the colourful local people around him. Episodes combine gentle comedy of manners, vivid local portraiture, and a developing mystery about old papers and contested property that spurs inquiries, disputes, and probes into ruins and records. A romantic strand and several reconciliations are woven through debates over authenticity, heritage, and changing tastes, and the work shifts between satirical sketches and more sincere reflections on memory, learning, and community.

[Inhoud]

Zeventiende Hoofdstuk

Men spreekt van kloosters, waar bij ’t scheem’rend toortsenlicht,

Te midden van den nacht, de paters biddend zingen:

Hier vindt de bange ziel een schuilplaats, die haar sticht,

Waar ze eig’ne driften doodt, geene and’re komen dingen.

Der godsvrucht vrome plicht stilt de gewetenssmart,

En de gebogen trots boet tranen van het hart.

Crabbe’s Burg.

De Vrijdag morgen was helder en schoon, alsof geene buitenpartij ware bepaald geweest; wat iets zeldzaams is, zoo wel in het werkelijke leven als in de romans. Lovel, op wien het weder den natuurlijken invloed uitoefende, en die zich verheugde in het vooruitzicht van Isabella Wardour weder te ontmoeten, draafde naar de plaats der vereeniging, in eene veel opgeruimder stemming, dan hij sedert lang geweest was. De toekomst scheen, in vele opzichten, voor hem op te helderen, en de hoop, gelijk de morgenzon door wolken en slagregens heenbrekende, straalde vroolijk op zijn weg. Hij was, zoo als men uit deze gemoedsstemming begrijpen zal, de eerste op de plaats der bijeenkomst, en, als men ook begrijpen kan, zijne blikken waren uitsluitend [108]gericht op den weg van het kasteel van het Knockwinnock, zoodat hij de aankomst van de partij van Monkbarns slechts gewaar werd door het schreeuwen van den voerman, toen het zware rijtuig den berg achter hem oprolde. In dit rijtuig bevonden zich opgesloten: vooreerst, de deftige gestalte van den heer Oldbuck zelven; ten tweede, de weinig minder deftige persoon van den eerwaardigen heer Blattergowl, predikant te Trotcosey, tot welk kerspel Monkbarns en Knockwinnock behoorden. Zijn eerwaarde was uitgedoscht met eene kleine krulpruik, waarop een gelijkzijdige driekantige hoed prijkte. De zijne was de schoonste der drie pruiken, die zich nog in het kerspel bevonden, en welke, zoo als Monkbarns gewoonlijk aanmerkte, onderling verschilden als de drie trappen van vergelijking; zijnde die van Sir Arthur de stellige, zijne eigene de vergelijkende trap, terwijl de in het oog vallende grijze pruik van den eerwaarden geestelijke de overtreffende trap voorstelde. De oude Caxon, die belast was met de zorg voor deze ouderwetsche sieraden, begrijpende, of voorwendende te begrijpen, dat hij niet wel afwezig kon zijn bij eene gelegenheid, waarop alle drie vereenigd waren, had achter op het rijtuig plaats genomen, „om bij de hand te wezen, ingeval de heeren zijn bijstand behoefden, eer zij aan tafel gingen.” Tusschen de twee deftige figuren van Monkbarns en den geestelijken heer gedrongen, zat de tengere gestalte van Mary M’Intyre; daar hare tante een bezoek in de pastorie, en een gezellig praatje met Rebekka Blattergowl, boven het onderzoek der bouwvallen van het klooster van St. Ruth verkozen had.

Juist toen het gezelschap van Monkbarns en Lovel elkander welkom heetten, kwam des Baronets rijtuig, eene opene kales, aanstuiven, terwijl de dampende paarden, de vlugge postiljons, de met wapens prijkende paneelen, en een paar knechts te paard, een sterke tegenstelling opleverden met het gehavend rijtuig en de dampige huurpaarden, die den oudheidkenner en de zijnen vervoerden. De voornaamste plaatsen waren door Sir Arthur en zijne dochter bezet. Bij den eersten blik, welken Isabella Wardour en Lovel op elkander wierpen, verhoogde zich haar blos merkelijk; maar zij had zich waarschijnlijk voorgenomen, hem als een vriend, en slechts als zoodanig, te ontvangen, en zij beantwoordde zijn verlegen groet met evenveel beleefdheid als bedaardheid. Sir Arthur deed de kales stilstaan, om zijn redder vriendelijk de hand te drukken, en hem het genoegen te kennen te geven, dat hij nu in de gelegenheid was, om hem persoonlijk zijn dank te betuigen, en zeide daarop, als om hem eventjes voor te stellen: „Mijnheer Dousterswivel, mijnheer Lovel”

Lovel bewees daarop de noodige beleefdheid aan den Hoogduitschen goudzoeker, die gezeten was op de voorste bank van het rijtuig, waar men gewoonlijk de onderhoorigen of minderen plaatst. De onderdanige, gemaakt vriendelijke buiging, waarmede de vreemdeling Lovel’s vluchtigen groet beantwoordde, vermeerderde den inwendigen afkeer, welken deze reeds voor hem opgevat had: en het bleek duidelijk aan het fronsen van des oudheidkenners zware wenkbrauwen, dat ook hij deze vermeerdering van het gezelschap met misnoegen aanzag. Overigens was er geene gelegenheid tot iets meer dan eenige vriendschappelijke groeten onder de leden van het gezelschap, tot eindelijk de rijtuigen, ongeveer drie Engelsche mijlen verder dan de plaats der ontmoeting voortgerold waren en stil hielden voor eene kleine herberg, de Vier Hoefijzers, waar Caxon nederig het portier van de chais opende en de trede neêrliet, terwijl de reizigers in de kales door hunne meer deftige dienaren uit het rijtuig geholpen werden.

Hier werden de onderlinge begroetingen herhaald; de jonge dames gaven [109]elkander de hand, en Oldbuck, geheel en al in zijn element, plaatste zich als leidsman en cicerone aan het hoofd der partij, die zich nu naar het eigenlijke doel van den tocht begaf. Hij droeg zorg, om Lovel dicht aan zijne zijde te houden, als den besten toehoorder van het gezelschap, en wendde zich nu en dan met een paar woorden tot Isabella Wardour en Mary M’Intyre, die achter hem waren, om haar iets uit te leggen of te leeren. Den Baronet en den geestelijke vermeed hij eenigszins, daar hij wel wist, dat zij beiden dachten, niet minder, maar zelfs meer van de zaak te verstaan dan hij zelf; en Dousterswivel beschouwde hij niet alleen als een kwakzalver, maar ook geheel als de oorzaak van zijn gevreesd verlies in de fondsen van ’t mijngenootschap, zoodat hij hem niet verduren kon. Deze beide heeren werden dus trawanten van Sir Arthur, bij wien zij zich buitendien natuurlijk voegden, omdat hij de voornaamste persoon van het gezelschap was.

Niet zelden liggen de schoonste oorden van Schotland in eenig afgezonderd dal verborgen, zoodat men de geheele landstreek in alle richtingen zou kunnen doorkruisen, zonder te gissen, dat men zich in de nabijheid van iets merkwaardigs bevond, als men niet, voorbedachtelijk of bij toeval, op de plaats zelve gebracht werd. Dit is meer bepaald het geval met de landstreek rondom Fairport, die, over het algemeen, open, vlak en kaal is. Maar hier en daar vormen de beddingen van beken en kleine rivieren diepe valleien, in Schotland onder den naam van dens bekend, op welker steile en rotsachtige zijden boomen en struiken van allerlei aard eene schuilplaats vinden, en in weelderige pracht opgroeien; wat des te aangenamer is, daar het een onverwachte tegenstelling oplevert met de geheele landstreek. Vooral was dit het geval met den weg naar de bouwvallen van St. Ruth, die een tijdlang niets anders was, dan eene schapendrift langs een steilen en naakten heuvel. Langzamerhand zag men, naarmate het pad naar de laagte ging en langs den heuvel kronkelde, boomen verschijnen, eerst enkele, mismaakte en afgeknotte stammen, waaraan de wolvlokken der schapen nog hechtten, en welker wortels holten opleverden, schuilplaatsen, waarin de lammeren zich zoo gaarne neêrleggen, een gezicht overigens, aangenamer voor den beminnaar van het schilderachtige, dan voor den planter en boomkweeker. Langzamerhand vormden de boomen groepen met overhangende kruinen, en tusschen de stammen groeiden hazelnooten en doornstruiken; en eindelijk stonden deze groepen zoo dicht bij elkander, dat, ofschoon zich hier en daar eene open plaats onder de takken bevond, of eene kleine plek moeras of hei gezien werd, die onvruchtbaar gebleven was voor het zaad, dat ze in het rond verspreidden, men echter, over het geheel, de streek niet anders dan boschrijk noemen kon. De hellingen der vallei naderden elkander meer en meer; men hoorde het ruischen der beek in de diepte; en door de openingen, welke het bosch opleverde, zag men de wateren helder en snel vlieten onder de groene takken.

Oldbuck matigde zich nu in alle opzichten het gezag van een cicerone aan, en waarschuwde het gezelschap zorgvuldig zich geen voet breed van het pad te verwijderen, dat hij aanwees, als men het volle genot wilde smaken van hetgeen men ging bezoeken. „Gij zijt gelukkig mij tot gids te hebben, Isabella,” riep de oude heer, en dreunde, – de versmaat met hand en hoofd aangevende, met geestdrift de volgende regels op:

„Ik ken elk pad, en elke groene laan,

Elke vallei, en fraai begroeide diepte,

Elke priëel in deze schuilplaats der Natuur.

[110]

„Och! de drommel haal ze! – die braamstruiken hebben al den arbeid van Caxon vernietigd, en mijne pruik bijna in de beek gewipt, – dat heeft men van aanhalingen hors de propos!

„Dat moet u niet verontrusten, waarde heer Oldbuck” zeide Isabella Wardour; „gij hebt uwen trouwen dienaar bij de hand, om dergelijke rampen te herstellen; en, als gij met uw hoofdsieraad weder in den vorigen luister verschijnt, zal ik u ook met eene aanhaling ontvangen:

„Zoo zinkt de zonneschijf in d’Oceaan ter neder,

En beurt zij ’t zinkend hoofd nog eens voor ’t laatst omhoog,

Dan prijkt met nieuwen gloed de gouden straalkrans weder,

Die om haar voorhoofd vlamt –”

„O genoeg, genoeg!” antwoordde Oldbuck; „ik had moeten weten, wat het is u eenig voordeel op mij te geven. – Maar hier is een voorwerp, dat uwe spotader stuiten zal, want ik weet, dat gij eene bewonderaarster der natuur zijt!” Inderdaad, toen het gezelschap hem door een gat in een ouden, vervallen muur gevolgd was, openbaarde zich een tooneel, dat even onverwacht als treffend was.

Zij stonden vrij hoog op de helling der vallei, die zich eensklaps geopend had en eene soort van amphitheater vormde, en die ruimte verschafte aan een helder en diep meer van een paar bunders in oppervlak, omgeven door eene ruime vlakte. Daarachter verhieven zich de hoogten van alle kanten steil, op sommige plaatsen afgewisseld door rotsen, op andere bedekt met struiken, die de hellingen licht en onregelmatig stoffeerden, en het eentoonige van het groene weiland braken. Beneden ontlastte zich het meer in de ruischende beek, die hen vergezeld had van het oogenblik, dat zij de vallei binnen traden. Op het punt, waar deze uit het moedermeer stroomde, stonden de bouwvallen, die men ging bezoeken. Zij waren niet zeer uitgestrekt maar de bijzondere schoonheid er van, zoowel als de woestheid en de afgelegenheid der plaats, waar zij zich bevonden, gaven ze eene meerdere bekoorlijkheid dan de overblijfselen van een grootsch gebouw bezitten, die nabij gewone huizen geplaatst, en door minder romantische schoonheden omgeven zijn. De oostelijke vensters der kerk waren nog in hun geheel, met alle versierselen en beeldwerk, en de zijden, ondersteund door lichte bogen, die, van den muur, waartegen zij geplaatst waren, afgeweken, en met kroon en snijwerk versierd, afwisseling en licht in het gebouw brachten. Het dak en het westelijk gedeelte der kerk waren geheel vervallen; maar de laatste scheen ééne zijde te hebben daargesteld van een vierkant, waarvan de bouwvallen der kloostervertrekken de twee anderen, en de tuin de vierde uitmaakten. Die zijde van de gebouwen, welke over de beek hingen, was gedeeltelijk op eene steile rots opgericht; want de plaats was bij vroegere gelegenheden tot krijgshaftige doeleinden aangewend, en met veel bloedvergieten in den tijd van Montrose ingenomen. De grond, die eertijds tot tuin gediend had, onderscheidde zich nog door eenige weinige vruchtboomen. Op een grooteren afstand van de gebouwen, stonden enkele verspreide eiken-, olmen- en kastanjeboomen, die eene aanmerkelijke hoogte bereikt hadden. Het overige der ruimte tusschen de bouwvallen en den heuvel, bestond uit eene groene vlakte, met kort gras bedekt, welke de dagelijksche bezoeken der schapen in veel fraaier orde hielden, dan indien zij aan de zeis en den bezem ware onderworpen geweest. Het geheele tooneel had iets rustigs, dat bedarend [111]en treffend was, zonder eentonig te zijn. De donkere, diepe kom, waarin het helder blauwe meer rustte, dat de waterleliën terugkaatste, die op de oppervlakte van het water groeiden, en de boomen, die hier en daar hunne takken van de steile rotsen uitspreidden, dit alles leverde een schoon kontrast op met de onrust der woelende wateren van de beek, welke door de opening, als uit een kerker, losbrak, en verder door de vallei stroomde, rondom den voet der rotsen, waarop de bouwvallen stonden, kronkelende en tegen iedere hoogte of elken steen, die haren loop belemmerde, schuimend aanbruischende. Een even groot kontrast leverde de vlakke groene weide, waarin de bouwvallen gelegen waren, en de oude zware boomen, die er verspreid stonden, vergeleken met de steile hellingen, gedeeltelijk van onderen gestoffeerd met licht en luchtig struikgewas, gedeeltelijk zich verliezende in steile klippen, bekleed met purperen heideplanten, en gedeeltelijk afgebroken en breede kruinen van grauwe rots vertoonende, geschakeerd met klimop en die krachtige planten, welke zelfs in de dorste rotskloven wortel vatten.

„Hier was de wijkplaats der geleerdheid in de dagen der duisternis, mijnheer Lovel!” zeide Oldbuck, om wien zich het geheele gezelschap nu verzameld had, terwijl men het onverwachte gezicht van de romantische plek bewonderde; „daar plachten de wijzen uit te rusten die, deze wereld moede, zich toewijdden aan de toekomst en aan de welvaart der geslachten, die hen zouden opvolgen. – Ik zal u dadelijk de boekerij toonen. Ziet gij dien muur met vierkante, van boven spits toeloopende vensterramen? daar stond zij, gevuld, zoo als een oud handschrift, dat ik bezit, mij verzekert, met vijf duizend boekdeelen; – en hier mocht ik wel het klaaglied aanheffen van den geleerden Leland, die het tegrondgaan der kloosterboekerijen betreurende (even als Rachel, hare kinderen) uitroept: dat, bijaldien de pauselijke breven, decreten, decretalen, en andere dergelijke duivelsche uitvindingen, ja, indien de sophismen van Heytesburg, de Universaliën van Porphyrius, de logica van Aristoteles, er de godgeleerdheid van Dunce, en dergelijke (verschoon mij, Freule Wardour!) luizige listen en vruchten van den bodemloozen afgrond, uit onze boekerijen geroofd waren, ten gerieve der kruidenierswinkels, kaarsenmakers, zeepverkoopers en andere bezitters van het aardsche, wij ons daarover zouden hebben kunnen troosten; – maar om onze oude kronieken, onze edele historiën, onze geleerde commentariën en oorspronkelijke oorkonden tot zulke verachtelijke doeleinden te gebruiken, – dat heeft onze natie verlaagd, en moet ons onteeren in de oogen van het laatste nageslacht. O schandelijke onachtzaamheid, voor ons land!”

„En o, John Knox!” zei de Baronet, „door wiens invloed, en onder wiens opzicht, deze vaderlandslievende taak verricht werd!”

De oudheidkenner, eenigermate in den toestand van eene houtsnip, die in een strik gevangen is, draaide zich om en hoestte, om een lichten blos te verbergen, terwijl hij zich op een antwoord bedacht. – „Wat den Apostel der Schotsche Reformatie, –”

Maar Isabella Wardour viel hem in de rede, ten einde zulk een gevaarlijk gesprek af te breken. „Mag ik vragen, wie de schrijver was, dien gij aanhaaldet, mijnheer Oldbuck?”

„De geleerde Leland, die tot waanzin verviel door het vernielen der kloosterboekerijen in zijn tijd.”

„Nu, zijn ongeluk mag misschien het verstand gered hebben van menigen hedendaagschen oudheidkenner, die zeker zou verdronken zijn, als zulk eene uitgestrekte zee van geleerdheid niet door eenige afleiding ware verminderd geworden.” [112]

„Wel, dank zij den Hemel, dat gevaar is voorbij; – zij hebben ons nauwelijks een lepel vol overgelaten.”

Dit zeggende, bracht hij het gezelschap van de helling, langs een steil, maar veilig pad, dat op de groene weide leidde, waar de bouwvallen stonden. „Daar leefden zij,” vervolgde de oudheidkenner, „zonder iets te doen te hebben, dan hun tijd door te brengen met het nasporen van de geheimen der meest verwijderde oudheid, met het overschrijven van manuscripten, en het samenstellen van nieuwe werken ter onderrichting van het nageslacht.”

„En,” voegde de Baronet er bij, „met het uitoefenen hunner godsdienstplichten, op eene het priesterschap waardige, prachtige en plechtige wijze.”

„En met Sir Arthur’s verlof” zei de heer Dousterswivel met eene diepe buiging, en in zijn gebroken dialect: „die monniken kunnen ook zeer mooie proeven, in derzelver laboratoria, genomen hebben in de scheikunde en de magia naturalis

„Ik verbeeld mij,” zei de geestelijke, „dat zij genoeg te doen hadden met het inzamelen van de tienden voor de pastorie en voor den vicaris over drie rijke kerspelen.”

„En alles,” voegde Isabella Wardour er bij, terwijl zij den oudheidkenner toeknikte, „zonder eenige stoornis van den kant der vrouwen!”

„Juist zoo, mijne schoone vijandin!” antwoordde Oldbuck, „dit was een Paradijs, waar geen Eva toegelaten werd; en des te meer moeten wij ons verwonderen, dat de goede vaders het kwamen te verliezen.”

Met zulke aanmerkingen over de bezigheden van hen, die vroeger de bouwvallen bewoond hadden, wandelden zij een tijdlang van het eene met mos begroeide overblijfsel naar het andere, onder geleide van Oldbuck, die met veel genot den platten grond van het gebouw uitlegde, en het gezelschap de verscheidene vermolmde opschriften voorlas en verklaarde, welker sporen men nog kon nagaan op de grafsteenen der dooden, of onder de ledige nissen der heilige beelden. „Wat is de reden,” vroeg eindelijk Isabella Wardour den oudheidkenner, „dat de overlevering ons zulke schrale berichten bewaard heeft omtrent de bewoners van deze deftige gebouwen, met zoo veel moeite en met zoo veel smaak opgericht, en welker eigenaren in hun tijd zulk een groot gezag en algemeenen invloed bezaten? De minste toren van een roofzieken baron of landjonker, die van zijne lans en zijn breed zwaard leefde, heeft zijne eigene oude overlevering, en de schaapherder zal u nauwkeurig de namen en daden opnoemen van de bewoners; maar ondervraagt men een landman over deze schoone en uitgebreide overblijfsels, – deze torens, deze bogen en zuilen, en spitse vensterramen, met zulke kosten voltooid, dan luidt zijn antwoord in drie woorden: „Ze werden lang geleden door de monniken gebouwd.””

De vraag was eenigszins lastig. Sir Arthur keek opwaarts, als hoopte hij, dat hem eenig antwoord mocht worden ingegeven; – Oldbuck schoof ongeduldig zijne pruik naar achteren; – de geestelijke was van gevoelen, dat de leden zijner gemeente te diep doordrongen waren van de rechtzinnige leer der Presbyteriaansche kerk, om eenige overleveringen te bewaren van de Paapsche puinhoopen van het land, welke takken waren van den alles overschaduwenden boom der ongerechtigheid, welks wortels in de ingewanden stonden van de zeven heuvelen der zonde. – Lovel dacht, dat zich de vraag het best liet oplossen door in aanmerking te nemen, welke voorvallen de diepste indrukken nalaten in de gemoederen van het volk. „Dit,” beweerde hij, „zijn niet zulke gebeurtenissen, welke op de trapsgewijze vorderingen [113]van eene vruchtbaar makende rivier gelijken, maar de zoodanige, die de toomelooze woede eener overstrooming in hare werking evenaren. De tijdstippen, volgens welke het volk den tijd berekent, zijn altijd die van vrees en ontroering, en het begint te rekenen na een storm, of na eene aardbeving, of na het uitbarsten van een burgeroorlog. En als dit de daadzaken zijn, die het meest in het geheugen van het gemeen bewaard worden, kunnen wij ons niet verwonderen,” eindigde hij, „dat de woeste krijgsman in de herinnering blijft, terwijl de vreedzame kloosterling aan de vergetelheid overgeleverd wordt.”

„Met uw verlof, mijne Herren en Damen, en met de uwe, Sir Arthur en ook met de uwe, Freule Wardour, en met goedvinden van den eerwaarden heer prediker, en van mijn goeden vriend den heer Oldenbuck, die mijn landsman is, en van den goeden jongen heer Lovel ook, ik denke, het komt alles van de hand der eere.”

„Wat voor eene hand?” riep Oldbuck.

„De – eerehand, mijn goede heer Oldenbuck! dat is een zeer groot en verschrikkelijk geheim, – dat de monniken gebruikten, om hunne schatten te verbergen, als ze uit hun klooster verdreven werden, door hetgeen gij de Reformation noemt.”

„Zoo, waarlijk! geef ons daar eenige beschrijving van,” zeide Oldbuck; „want dat is iets, dat men wel zou willen weten.”

„Wel, mijn goede heer Oldenbuck! Gij zult zeker gelieven mij uit te lachen. – Maar die eerehand is zeer wel bekend in die landstreken, waar Uwé’s voorouders woonden, – en het is die hand, die men van een dood mensch, die wegens moord gehangen is, heeft afgesneden en zuiver in den rook van jeneverhout heeft drogen laten, en als Uwé een beetje van wat men taxis noemt daarbij voegt, zoo is het niet beter, – dat is, het zal geen kwaad, – dan neemt Uwé een weinig vet van een beer, en van een das, en van een wild zwijn, en van een zuigend kind, dat echter nog niet gedoopt is (want dat is eene hoofdzaak), en Uwé maakt van dat alles eene kaars, en steekt die in de hand der eere op het juiste uur en de minuut, en met de daarbij behoorende ceremoniën, en hij die naar schatten zoekt, zal er geene vinden, wie hij ook zijn moge.”

„Dit resultaat zou ik gerust durven bezweren,” zei de oudheidkenner; „en placht men, mijnheer Dousterswivel, zich in Westfalen van dit elegant candelabrum te bedienen?”

„Gewis, heer Oldenbuck! zoodra men niet gaarne had, dat van wat men deed gesproken werd; – en de monniken plachten het te doen, als zij het zilver en de groote kelken, en de ringen met zeer precieuse steenen en juweelen verbergen wilden.”

„En toch hebt gij, heeren ridders van het Rozenkruis, zonder twijfel, middelen om het tooverspel te breken, en datgene te ontdekken, hetwelk de arme monniken zich zoo vele moeite gaven, om te verbergen?”

„Ach! lieve heer Oldenbuck!” hernam de goudzoeker met een veelbeteekenend hoofdschudden, „Uwé is zwaar van geloof; doch als Uwé die groote stukken gezien hadt, zoo massief, Sir Arthur! – zoo curieus fatsoeneert, Freule Wardour! – en het zilveren kruis dat wij, (Schroepfer1 en ik,) [114]voor den heer Freigraaf, das heisst, den Baron van Blunderhausen, vonden, dan geloof ik, heer Oldenbuck, zou Uwé ook wel geloofd hebben.”

„Voorwaar zien, is gelooven. – Maar waarin bestond uwe kunst; – wat was uw geheim, Mijnheer Dousterswivel?”

„Aha! dat is ja mijn klein geheim, mijn goede heer Oldenbuck! – Uwé excuseert, dat ik dat voor mij houd; – doch wil ik Uwé wel zeggen, dat er vele middelen toe zijn, – als bij voorbeeld de droom, welken men driemaal gehad heeft, dat is een zeer goed middel.”

„Dat verheugt mij,” zeide Oldbuck; „ik heb een vriend,” (van ter zijde een blik op Lovel werpende) „die bijzonder begunstigd is met de bezoeken van de koningin Mab2.”

„Dan hebben wij nog de sympathiën, en de antipathiën, en de vreemde eigenschappen en natuurlijke krachten van verscheidene kruiden, en de kleine tooverroede.”

„Ik zou veel liever eenige van die wonderen zien, dan er van hooren, zeide Isabella Wardour.”

„Maar zeer vereerde jonge dame, om dat groote wonder te doen, en om al het zilver en de schatten te vinden, daartoe ontbreekt het ons aan de benoodigdheden in dit oogenblik; toch om Uwé te obligeeren en Sir Arthur, mijn genadigen patroon, en den eerwaarden geestelijken heer, en den goeden heer Oldenbuck, en den jongen heer Lovel, die ook een zeer goede jonge heer is, wil ik Uwé zien laten, dat het mogelijk, zeer mogelijk is, de wellen en de kleine beekjes, die in den grond verborgen zijn, zonder eenige schop of spade te ontdekken.”

„Hm!” zeide de oudheidkenner, „ik heb van dat raadseltje gehoord. In ons land zal het niet veel opbrengen; – gij moest er meê naar Spanje en Portugal gaan, en er partij van trekken.”

„Ja toch, mijn beste heer Oldenbuck, daar is de Inquisition, en het Auto-da-fé; – daar kon ik, die slechts een filosoof ben, als een toovenaar verbrand worden!”

„Dan zouden zij altoos nog hunne kolen verspillen,” zeide Oldbuck. – „Maar,” vervolgde hij fluisterend tegen Lovel, „indien zij hem te pronk stelden als den meest onbeschaamden schurk, die ooit de tong roerde, zouden zij hem meer naar verdienste straffen. – Ik geloof waarachtig, dat hij ons een van zijne goochelkunstjes gaat vertoonen!”

De goudzoeker had zich werkelijk naar een klein bosch kreupelhout, op eenigen afstand van de bouwvallen begeven, waar hij zich druk bezig hield met te zoeken naar hetgeen hij tot zijn geheimzinnig oogmerk behoefde; en, na verscheidene takjes afgesneden, onderzocht en verworpen te hebben, koos hij eindelijk een hazeltakje met eene vork aan het einde, hetwelk hij verklaarde, dat de vereischte kracht bezat, om er de proef, die hij voorhad, mede te doen. En nu, met de twee einden van de vork, elk tusschen den vinger en duim, en dus den stok overeind houdende, trok hij, stapvoets, door de vervallen gangen der kloostergebouwen, door de overige nieuwsgierige leden van het gezelschap gevolgd.

„Ik geloof werkelijk, dat er hier geen water was,” zei de goudzoeker, na verscheidene gedeelten van het gebouw te hebben rondgewandeld, zonder [115]eenige van die teekens op te merken, welke hij voorgaf te wachten. „Ik geloof, dat deze Schotsche monniken het water te koud vonden voor het klimaat, en dronken altijd den goeden Rhein-wein; – maar, aha! – zie daar!” – De oogen der omstanders vestigden zich nu allen op de roede, en zij zagen, dat die tusschen zijne vingers draaide, ofschoon hij verzekerde, dat hij die zeer stevig vasthield. – „Hier in den omtrek is water,” – en zich heen en weêr wendende, zoo als de bewegingen der tooverroede schenen te eischen, trad hij eindelijk in eene ledige ruimte der bouwvallen, waar de keuken van het klooster geweest was, toen de roede zich zoodanig keerde, dat ze bijna loodrecht naar den grond wees. „Hier is de plek,” zei de goudzoeker, „en als Uwé hier geen water vindt, zoo mag Uwé mij vrij een onbeschaamden bedrieger noemen!”

„Die vrijheid zal ik toch nemen,” fluisterde de oudheidkenner Lovel toe, „of wij water vinden, of niet.”

Een knecht, die met eene mand vol ververschingen gekomen was, werd nu naar de hut van een naburiger boschwachter gezonden, om eene spade en een houweel te halen. Nadat de steenen en het puin van de plaats, door den heer Dousterswivel aangewezen, opgeruimd waren, kwam men weldra tot de zijden van een gemetselden put; en toen men verder, met behulp van den boschwachter en zijn zoon, eenige voet puin opgeruimd had, begon het water snel op te borrelen, tot groot genoegen van den wijsgeer, tot verwondering van de dames, van den heer Blattergowl en van Sir Arthur, tot verrassing van Lovel, en tot beschaming van den ongeloovigen oudheidkenner. Hij liet echter niet na, om Lovel zijn protest tegen het wonderwerk in het oor te blazen. „Dit is slechts eene list, en anders niets,” zeide hij; „de schurk heeft door het een of ander toeval geweten, dat deze oude put hier was, eer hij met zijn goochelkunstje voor den dag kwam. Let op hetgene hij er van zal opsnijden! Ik vergis mij zeer, zoo dit stukje niet op erger bedrog doelt. Zie, hoe de schurk pocht op het gelukken zijner proef, en hoe de arme Sir Arthur zich laat overstelpen door den vloed van wartaal, die hij staat uit te kramen, als de grondbeginselen zijner geheime wetenschappen!”

„Uwé ziet, mijn goede patroon! Uwé ziet, mijne schoone dames, Uwé ziet, eerwaarde heer Blattergowl, en zelfs heer Lovel en heer Oldenbuck kunnen zien, als zij gelieven willen te zien, dat de kunst geen anderen vijand heeft dan de onwetendheid. Bezie dit stokje van eene hazelstruik; – het is tot niets goed, dan om een klein kind te straffen, – („Daartoe is ’t slechts te misbruiken; maar voor u wenschte ik eene fiksche geesel,” mompelde Oldbuck), – „en neemt het een filosoof in de hand – paf! zoo maakt het de grootste ontdekking. Maar dat is niets Sir Arthur! – niets, – in het geheel niets, eerwaarde heer Blattergowl! niets, dames! – volstrekt niets, jonge heer Lovel en goede heer Oldenbuck, bij wat de kunst doen kan. Ah! als iemand hoofd en hart had, ik zou hem wel andere dingen, dan de waterbronnen zien laten – ik zou hem –”

„En er zou maar weinig geld daartoe noodig zijn, niet waar?” vroeg de oudheidkenner.

„Bah! eene kleinigheid, dat niet waard is over te spreken,” antwoordde de goudzoeker.

„Dat dacht ik wel!” hernam de oudheidkenner; „en ik zal u intusschen, zonder eenige tooverroede, eene heerlijke pastei van wildbraad, en eene flesch echte Madera toonen, en ik geloof, dat dit ruim opwegen zal tegen alles, wat de kunst van mijnheer Dousterswivel in staat is te doen verschijnen!” [116]

Het maal werd, naar de uitdrukking van den heer Oldbuck, aangericht fronde super viridi, onder een zwaren ouden boom, „des abts eik” genaamd, en het gezelschap, in het rond plaats nemende, bewees alle eer aan den inhoud van de mand.


1 Deze befaamde geestenbezweerder moet zich in 1774 in het Rozendal, bij Leipzig, hebben van kant gemaakt. 

2 Eene toovergodin, ook uit Spenser’s Fairy queen, – bij Shakespeare; zie zijn Romeo en Juliet, I. 4. Tooneel.