Achttiende Hoofdstuk
Als een Griffoen, die door de wildernis,
Gevleugeld snel, over berg, moeras en dal,
Den Armaspier najaagt, die ter sluiks
Aan zijn te waakzaam oog het goed bewaarde goud
Ontrooven wil: zoo woedend viel de Satan.….
Milton, Het verloren Paradijs.
Na het gebruik der ververschingen, hervatte Sir Arthur het gesprek over de geheimzinnige tooverroede, als een onderwerp, waarover hij reeds vroeger met Dousterswivel gesproken had. „Mijn vriend, de heer Oldbuck, zal nu voorbereid zijn, mijnheer Dousterswivel, om met meer ontzag het bericht aan te hooren, dat gij ons gegeven hebt van de laatste ontdekkingen, door de broeders van uw genootschap in Duitschland gedaan.”
„Och, Sir Arthur, het zijn slechts kleinigheden om deze heeren er over te spreken; want zij zijn niet lichtgeloovig; – das heisst, het ontbreekt hun, – zoo als men hier zegt, – aan geloof en dat verijdelt de grootste onderneming.”
„Laat dan ten minste mijne dochter u het verhaal voorlezen, dat zij van de geschiedenis van Marten Waldeck op het papier bracht.
„O! dat is eene ware historie; – maar Freule Wardour is zoo fijn en geestig, dat zij zeker wel een roman daarvan gemaakt heeft, – even goed als Goethe of Wieland het doen konden, op mijn woord van eer!”
„Om u de waarheid te zeggen, mijnheer Dousterswivel,” antwoordde Isabella Wardour, „het romaneske had zoo zeer de overhand boven het waarschijnlijke in de oude overlevering, dat eene liefhebster van het tooverland, zoo als ik, niet nalaten kon om ze hier en daar een weinig op te sieren, ten einde ze in hare soort te volmaken. – Maar hier is ze, en indien gij niet geneigd zijt, om dezen lommer te verlaten voor dat de hitte van den dag eenigszins verminderd is, en gij u tevreden wilt stellen met mijn slechten arbeid, zal wellicht Sir Arthur, of heer Oldbuck, ons het verhaal voorlezen.”
„Ik niet,” zeide Sir Arthur; „ik hield er nooit van, om hardop te lezen.”
„Ik ook niet,” zeide Oldbuck; „en ik heb mijn bril vergeten; – maar daar is Lovel, met scherpziende oogen en eene goede stem; want de heer Blattergowl, dat weet ik, leest nooit iets, uit vrees dat men denken mocht, dat hij ook zijne preeken leest!”
De taak werd dus aan Lovel opgedragen, die met eenige ontroering het manuscript aannam, dat Isabella Wardour hem eenigszins verlegen overhandigde: – het bevatte toch de regels door die schoone hand geschreven, [117]welker bezit hij heimelijk begeerde als den grootsten zegen, dien hem de aarde kon opleveren. Maar het was noodzakelijk deze gewaarwordingen te onderdrukken, en na het handschrift doorloopen te hebben, als om zich met het karakter er van bekend te maken, las hij het gezelschap het volgende verhaal voor:
De lotgevallen van Marten Waldeck.1
De eenzame oorden van het Hartzwoud in Duitschland, maar voornamelijk het gebergte, bekend onder den naam van Blocksberg, of liever de Brocken, zijn geliefkoosde tooneelen voor de verhalen van toovenaars en heksen, geesten en verschijningen. De leefwijze der landlieden, die òf mijnwerkers òf jagers zijn, is van dien aard, dat ze hen bijzonder bijgeloovig maakt; en dikwijls schrijven zij de natuurverschijnselen, die zij bij het beoefenen van hun eenzaam, of onderaardsch werk ontwaren, aan de tusschenkomst van eenigen geest, of aan bovennatuurlijke krachten toe. Onder de verschillende oude vertelsels, welke in die woeste landstreek in omloop zijn, is er één zeer algemeen, namelijk: dat de Hartz bewoond is door eene soort van beschermgeest, in de gedaante van een wilden man van reusachtige gestalte, het hoofd bekransd met eikenbladeren, en zijn midden op dezelfde wijze versierd, terwijl hij in de hand een omgekeerden denneboom, met de wortels naar boven, draagt. Het is zeker, dat zeer vele menschen verklaren hem in deze gestalte gezien te hebben, met verbazende schreden over den top van den tegenoverliggenden berg gaande, terwijl slechts eene smalle vallei die hoogten van diegene waarop de reiziger zich bevond, scheidde; en de echtheid der verschijning is inderdaad zoo algemeen erkend, dat de hedendaagsche vrijgeesten zich alleen hebben weten te redden, door ze toe te schrijven aan een optisch bedrog.2
In vroegere tijden was de omgang van den geest met de inwoners gemeenzamer, en volgens de overleveringen van den Hartz, placht hij, met de wispelturigheid, veelal aan dergelijke onderaardsche machten toegeschreven, zich met de zaken der stervelingen, dan eens tot hun welzijn, dan eens tot hun ongeluk, te bemoeien. Maar men had opgemerkt, dat op den langen duur zijne giften noodlottig werden voor hen, die ze ontvingen, en niet zelden hielden de geestelijke leeraars lange preeken aan hunne toehoorders, die neêrkwamen op eene waarschuwing, om geen gemeenschap te hebben met den geest van den Hartz. De ongelukkige lotgevallen van Marten Waldeck werden dikwijls door de ouders tot een voorbeeld aangehaald, wanneer zij hunne lichtzinnige kinderen hoorden lachen om een gevaar, dat zij voor denkbeeldig hielden.
Een reizende Kapucijner monnik had zich in het bezit van den preekstoel gesteld in de kerk van een klein gehucht, in het Hartzgebergte, Morgenbrodt genaamd, en voer hevig uit tegen de goddeloosheid der inwoners, hunne gemeenschap [118]met booze geesten, toovenaars en heksen, en, in het bijzonder, met den boozen geest van den Hartz. De leerstellingen van Luther hadden reeds begonnen zich te verspreiden onder de landlieden; – want ons verhaal speelt onder de regeering van Karel V, – en zij bespotten den ijver, waarmede de waardige man zijne leer verkondigde. Maar zijne hevigheid vermeerderde met de tegenkanting, en hunne tegenkanting nam in evenredigheid tot zijne hevigheid toe. De inwoners hoorden ongaarne een gemeenzaam geworden en rustigen geest, die den Brocken zoo vele eeuwen bewoond had, kortaf met Baalpeor, Astaroth en Beëlzebub zelven vergelijken en, rechtstreeks tot den bodemloozen Tophet veroordeelen. De vrees, dat de geest zich op hen, wegens het luisteren naar zulk een onmeêdoogend vonnis, wreken mocht, verhoogde het volksgevoel dat voor hem pleitte. Een reizende monnik, zeiden zij, die vandaag komt en morgen gaat, kan zeggen wat hem goeddunkt; maar wij zijn het, wij, de oude en vaste ingezetenen van de landstreek, die aan de willekeur van den beleedigden geest blijven overgelaten, en natuurlijk voor alles boeten moeten. – Aangevuurd door deze bedenkingen, gingen de boeren van scheldwoorden tot steenen over, en den priester vrij mild daarop onthaald hebbende, verdreven zij hem uit het dorp, om ergens anders tegen de geesten te gaan preken.
Drie jonge lieden, die hierbij tegenwoordig en werkzaam geweest waren, keerden naar de hut terug, waar zij, met den vermoeienden arbeid van houtskolen voor de smeltovens te bereiden, den schralen kost verdienden. Onderweg kwam het gesprek natuurlijk op den geest van het Hartzgebergte, en de leer van den Kapucijner. Max en George Waldeck, de twee oudste broeders, stemden toe, dat de taal van den Kapucijner onbescheiden en berispenswaardig geweest was, daar hij zoo vermetel over het eigenlijk karakter en het verblijf van den geest gesproken had, maar zij begrepen nochtans, dat het in den hoogsten graad gevaarlijk was, om geschenken van hem aan te nemen, of eenige gemeenschap met hem te hebben. Hij was, wel is waar, zeer machtig, zeiden zij, maar ongemakkelijk en luimig, en hun, die zich met hem afgaven, ging het zelden goed. Gaf hij niet den dapperen ridder, Egbert van Rabenwald, het beroemde zwarte ros, waarmede hij al de ridders op het groote steekspel te Bremen overwon? En stortte daarna niet hetzelfde ros met zijn ruiter in zulk een diepen en verschrikkelijken afgrond, dat man en paard voor altijd verdwenen? Gaf hij ook niet aan vrouw Truitje Trodden een toovermiddel om boter te maken? en werd zij niet, bij vonnis van het keurvorstelijk crimineel-gerecht, wegens tooverij verbrand, omdat zij zich op deze gift beroemd had? – Maar deze en vele andere voorbeelden, die zij aanhaalden van ongelukken en wederwaardigheden, welke eindelijk met de veelbelovende giften van den Hartzgeest gepaard gingen, maakten geen indruk op Marten Waldeck, den jongsten der broeders.
Marten was jeugdig, voortvarend en driftig; hij muntte uit in alle oefeningen, die de bergbewoners onderscheiden, en was dapper en onverschrokken geworden door dagelijksche gemeenzaamheid met de gevaren, welke hem omringden. Hij lachte om de schroomvalligheid van zijne broeders. „Spreekt mij niet van dergelijke gekheden,” zeide hij; „de geest is een goede geest; – hij leeft onder ons, alsof hij een boer was, gelijk wij zijn; – hij bezoekt de eenzame kloven en schuilplaatsen der bergen, als een jager en geitenherder, – en hij, die het Hartzwoud en zijne woeste tooneelen bemint, kan niet onverschillig zijn omtrent het lot der wakkere kinderen van het land. Maar zelfs, indien ook de geest zoo kwaadaardig was, als gij zegt, [119]hoe zou hij dan nog macht kunnen uitoefenen over stervelingen, die zich slechts van zijne geschenken bedienen, zonder zich aan zijn wil te onderwerpen? Wanneer gij uwe houtskool naar den smeltoven brengt, is dan het geld, dat u de godslasteraar Blaize, de oude, rampzalige opzichter betaalt, niet even gangbaar, alsof gij het van den pastoor zelven ontvingt? Het zijn dus niet de geschenken van den geest, die gevaarlijk zijn; het gevaar hangt alleen af van het gebruik, dat men er van maakt. En zoo mij de geest op dit oogenblik verscheen, en mij eene goud- of zilvermijn aanwees, ik zou aan het delven gaan, zelfs eer hij mij den rug toegekeerd had, en ik zou mij onder de bescherming achten van een veel Grootere dan hij, zoolang ik een goed gebruik maakte van den rijkdom, dien hij mij aanwees.”
Hierop antwoordde de oudste broeder, dat slecht verkregen rijkdom zelden goed besteed werd; terwijl Marten stoutweg hernam, dat al de schatten van den Hartz niet de minste verandering zouden brengen in zijne gewoonten en grondbeginselen, of in zijn karakter.
Zijne broeders verzochten Marten minder roekeloos hierover te spreken, en slaagden met moeite, om zijne gedachten af te leiden, door ze op eene op handen zijnde everzwijnenjacht te vestigen. Dit gesprek bracht hen aan hunne hut, een ellendig verblijf, gelegen op den rand van eene woeste, romantische vallei in eene der eenzaamste schuilhoeken van den Brocken. Zij losten hunne zuster af bij het passen op de verbranding van de houtskool, wat aanhoudende oplettendheid vereischt, en verdeelden de nachtwacht onderling, overeenkomstig hunne gewoonte, volgens welke altijd één der broeders waakte, terwijl de anderen sliepen.
Max Waldeck, de oudste, waakte gedurende de twee eerste uren van den nacht, en schrikte zeer toen hij, op de tegenovergelegene helling der vallei, een ontzachlijk groot vuur zag, omgeven door eenige gedaanten, die met wonderlijke gebaren daarom heen schenen te dansen. Max kwam aanvankelijk in verzoeking, om zijne broeders op te roepen; maar zich den roekeloozen aard van den jongsten herinnerende, en het onmogelijk achtende, om den oudsten te wekken, zonder den eerstgenoemde te storen, – en tevens denkende, dat, hetgeen hij zag, eene begoocheling was van den geest, uitgelokt misschien, door de gewaagde uitdrukkingen, door Marten den avond te voren gebezigd, oordeelde hij het best, om zich toe te vertrouwen aan de bescherming der gebeden, die hij van buiten kende, en sloeg verder in grooten schrik en angst deze vreemde en treffende verschijning gade. Nadat het vuur eenigen tijd gevlamd had, verdween het, langzamerhand verflauwend, in de duisternis, en het overige gedeelte van de nachtwacht van Max werd slechts verontrust door de herinnering aan den doorgestanen schrik.
George trad nu in de plaats van Max, die zich ter rust begeven had. Het verschijnsel van een verbazend groot vlammend vuur, op den top van de tegenovergelegene helling, vertoonde zich op nieuw aan het oog van den waker. Het was, als te voren, omgeven door donkere gestalten, tusschen den waarnemer en het heldere licht van het vuur te onderscheiden, die er om heen dansten en zweefden, alsof zij bezig waren met het verrichten van eenige geheimzinnige plechtigheid. George, ofschoon even voorzichtig als Max, was van ondernemender aard. Hij besloot het voorwerp zijner verwondering meer van nabij te beschouwen, en beklom dus, na het riviertje, dat door de diepe vallei vloeide, overgestoken te zijn, de tegenoverliggende hoogte, en naderde tot binnen een korten afstand het vuur, dat klaarblijkelijk met dezelfde woede brandde, als toen hij het uit de verte had gadegeslagen. [120]
Het voorkomen van hen, die het omgaven, geleek naar dat der spoken, welke men in akelige droomen ziet, en bevestigde hem dadelijk in zijn eerste denkbeeld, dat zij niet tot deze wereld behoorden. Onder deze bovennatuurlijke gedaanten, onderscheidde Waldeck die van een verbazenden reus, in zijne hand, met den wortel naar boven, een denneboom houdende, waarmede hij van tijd tot tijd het vlammende vuur scheen aan te stoken, en met geene andere kleeding, dan een krans van eikenloof om hoofd en lendenen. George ontzonk de moed, toen hij in deze verschijning den Hartzgeest herkende, zoo als die hem dikwijls beschreven was geworden door de oude schaapherders en jagers, die hem over de bergen hadden zien stappen. Hij keerde zich om, en was op het punt van te vluchten; maar, bij nadere overweging, schaamde hij zich over zijne angst, zeide in zich zelven het vers van den gewijden zanger: „Alle goede geesten loven den Heere!” wat in dat land voor een krachtig formulier gehouden wordt om geesten te bezweren, en wendde zich nog eenmaal om naar de plaats, waar hij het vuur gezien had. Maar het was niet meer zichtbaar.
Slechts de bleeke maan verlichte de helling der vallei, en toen George met bevende schreden, met angstzweet op het voorhoofd, en haren, die onder zijne kolenbrandersmuts overeind rezen, op de plaats kwam, waar het vuur nog onlangs zichtbaar was, en die hij aan een ouden, verwelkten eikenboom herkennen kon, vond hij op de hoogte geen spoor meer van al wat hij gezien had. Het mos en de wilde bloemen waren onverzengd, en de takken van den ouden eik, die zoo straks nog door vlammen en rook omhuld scheen, waren met den zwaren middernachtsdauw bedekt.
George keerde met bevende schreden terug naar zijne hut, en in den geest van zijn oudsten broeder, besloot hij, niets te zeggen van hetgeen hem overkomen was, uit vrees van bij Marten die roekelooze nieuwsgierigheid op te wekken, welke hij bijna als goddeloos beschouwde.
Het was nu de beurt van Marten, om te waken. De haan had reeds gekraaid, en de nacht liep ten einde. Toen hij naar den toestand van het vuur keek, waarin het hout lag, dat tot kolen moest verbrand worden, was hij verwonderd te zien, dat men den brand niet goed onderhouden had; want George had, bij zijn uitstapje en de gevolgen er van, het hoofddoel van zijn waken vergeten. Martens eerste gedachte was, om zijne broeders op te roepen; maar ontwarende, dat zij buitengemeen vast en zwaar sliepen, eerbiedigde hij hunne rust, en begon zelf het vuur van het noodige brandhout te voorzien. Hetgeen hij er op legde, scheen nat en niet goed te zijn; want het vuur verflauwde eerder, dan dat het weder opflikkerde. Marten ging dus eenige takken van een houtstapel halen, zorgvuldig tot dat doel gehakt en gedroogd; maar bij zijne terugkomst, vond hij het vuur geheel uitgebluscht. Dit was een ernstig ongeluk, en dreigde hun, voor meer dan één dag, hun onderhoud te kosten. De geplaagde en verdrietige kolenbrander wilde nu vuur slaan, om het hout weêr aan te steken; maar het tondel was nat, en ook hierin slaagde hij niet. Hij wilde nu zijne broeders gaan roepen, – want de omstandigheden schenen dringend, – toen op eenmaal de flikkeringen van een glinsterend licht, dat niet alleen door het venster, maar ook door elke opening van de ruwe hut schitterde, hem op dezelfde verschijning opmerkzaam maakte, die te voren de nachtwaken van zijne beide broeders verontrust had. Zijne eerste gedachte was, dat de Muhlhausers, hunne mededingers in den handel, en met wie zij menigen twist hadden gehad, zich over de grenzen gewaagd hadden, om in hun bosch te stroopen, en hij besloot, [121]zijne broeders te wekken, en de stoutmoedigheid der roovers te bestraffen. Maar, na een oogenblik nagedacht, en de gebaren en bewegingen van hen, die bij het vuur waren, gadegeslagen te hebben, veranderde hij van gevoelen, en, hoewel anders een twijfelaar aan dergelijke zaken, besloot hij nu, dat hij eene bovennatuurlijke verschijning zag. „Maar het mogen menschen of booze geesten zijn,” zei de onverschrokken kolenbrander, „die ginds met zulke vreemde gebaren rondspringen, ik zal naar hen toegaan, en een licht vragen, om mijn vuur weêr aan te steken.” Hij gaf terzelfder tijd het denkbeeld op, van zijne broeders te wekken; want er heerschte een bijgeloovig begrip, dat dergelijke ondernemingen, als hij voorhad, slechts door één persoon volbracht konden worden. Hij vreesde ook, dat zijne broeders, met hunne angstige schroomvalligheid, hem verhinderen mochten de navorschingen te doen, waartoe hij besloten had. Dus greep hij zijne jachtspies van den muur, en de onverschrokken Marten Waldeck ging alleen op zijn gewaagden tocht uit.
Met geen minder voorspoed dan zijn broeder George, maar met vrij wat meer moed, trok Marten over het riviertje, beklom den berg, en naderde de geesten zoo dicht, dat hij de gedaante en het uiterlijk van den Hartzgeest dadelijk herkende. Eene koude rilling overviel hem voor het eerst van zijn leven; maar de herinnering, dat hij op een afstand de ontmoeting, welke hij nu had, niet gevreesd, maar zelfs gewenscht had, versterkte zijnen wankelenden moed, en zijn trots hem verder aanprikkelend, ging hij tamelijk bedaard naar het vuur, terwijl de gedaanten, die het omgaven, hoe langer hoe wilder, spookachtiger en bovennatuurlijk schenen, naarmate hij naderde. Hij werd met een luiden, wanklinkenden, onnatuurlijken lach ontvangen, wat in zijne verbaasde ooren ontzettender luidde dan het noodlottigste en droefgeestigste gehuil, dat men zich verbeelden kan. „Wie zijt gij?” vroeg de reus, met eene soort van gemaakte deftigheid op zijne woeste gelaatstrekken, die tusschenbeide stuipachtig vertrokken door den lach, welken hij scheen te onderdrukken.
„Marten Waldeck, de kolenbrander,” antwoordde de stoutmoedige jongeling; „en wie zijt gij?”
„De Koning van de Woestenij en van de Mijn,” antwoordde het spook. – „En waarom waagt gij het, mijne geheimen te bespieden?”
„Ik kom een kool halen, om mijn vuur weêr aan te maken,” antwoordde Marten stout, en vroeg daarop vrijmoedig: „Wat zijn dat voor geheimen, die gij hier viert?”
„Wij vieren,” antwoordde de beleefde geest, „het huwelijk van Hermes met den Zwarten Draak. – Maar neem het vuur, dat gij kwaamt zoeken, en vertrek! – Geen sterveling kan ons lang aanschouwen en blijven leven.”
De boer stak de punt van zijne speer in een groot stuk vlammend hout, dat hij slechts met eenige moeite oplichten kon, en keerde daarop naar zijne hut terug, terwijl de lachende stemmen met driedubbeld geweld door de smalle vallei weêrklonken. Toen Marten zijne hut weêr bereikt had, legde hij, hoezeer ook verwonderd over hetgeen hij gezien had, dadelijk zorgvuldig de gloeiende kool tusschen het hout, op eene wijze, die het best geschikt was, om het vuur spoedig te doen branden; maar, na menige poging en het vergeefsche gebruik van blaasbalk en vuurtang, doofde de kool, die hij van het vuur van den geest gekregen had, geheel en al uit. Hij keerde zich om, en zag het vuur steeds nog op den berg vlammen, hoewel zij, welke het omgeven hadden, verdwenen waren. Daar hij begreep, dat het spook [122]den spot met hem gedreven had, prikkelde dit zijn ondernemenden geest, en hij besloot dus de zaak door te zetten, en begaf zich andermaal naar het vuur, vanwaar hij, ongedeerd door den geest, op dezelfde wijze een vlammend stuk houtskool medebracht; maar steeds zonder te slagen in het aanmaken van zijn vuur. Zijne ongestrafte poging vermeerderde zijne roekeloosheid; hij ondernam eene derde reis, en bereikte als te voren het vuur; maar toen hij zich op nieuw van een brandend stuk hout voorzien had, en zich omkeerde om te vertrekken, hoorde hij de schorre en bovennatuurlijke stem, die hem vroeger toegesproken had, deze woorden uiten: „Waag het niet ten vierdemaal terug te keeren!”
Daar de poging, om het vuur met deze laatste kool aan te maken, even vruchteloos als de vorige bleef, gaf Marten wanhopig de onderneming op, en wierp zich op een stapel drooge bladeren, besloten, om de mededeeling van zijn vreemd avontuur aan zijne broeders tot den volgenden morgen uit te stellen. Hij werd uit een diepen slaap, waarin de vermoeienis van zijn lichaam en de ontroering van zijn geest hem dompelden, gewekt door luide kreten van verrassing en vreugde. Zijne broeders, verwonderd dat zij bij hun ontwaken het vuur uitgebluscht vonden, hadden het willen opstoken, en toen zij het brandhout verschikken wilden, vonden zij in de asch drie zeer zware stukken metaal, welke zij, met die mineralogische kennis, die de meeste boeren uit den Hartz bezitten, dadelijk voor zuiver goud herkenden.
De onderlinge vreugde en gelukwenschingen werden eenigszins verminderd, toen zij van Marten de wijze vernamen, waarop zich de zaak toegedragen had, waaraan zij, na de ondervinding, die zij zelve van de nachtelijke verschijning hadden, volledig geloof sloegen. Maar zij konden de verzoeking niet weêrstaan om zijne schatten met hem te deelen. Marten Waldeck begon nu, als hoofd van het huis, den grooten heer te spelen: hij kocht landerijen en bosschen, bouwde een kasteel, verkreeg een adelbrief, en werd, tot groote verontwaardiging van de aanzienlijken uit de buurt, met al de voorrechten van een man van hooge afkomst bekleed. Zijn moed in den oorlog, zoowel als in bijzondere veten, gevoegd bij het groot aantal onderhoorigen, die hij bezoldigde, hielden hem een tijdlang staande tegen den haat, welken zijne plotselinge verheffing, zijn overmoed en zijne aanmatigingen verwekten. En nu zag men, in het voorbeeld van Marten Waldeck, wat men bij zoo veel anderen heeft opgemerkt; hoe weinig de stervelingen de uitwerking voorzien kunnen, welke onverwachte voorspoed op hun karakter hebben zal. De booze driften, welke de armoede onderdrukt en verborgen had, werden nu rijp, en droegen heillooze vruchten onder den invloed der verzoeking en der macht om daaraan te voldoen. Even als de eene golf de andere opvolgt, zoo verwekt de eene slechte drift de andere; – de booze geest der gierigheid wekte dien van den trots op, en de trots werd ondersteund door wreedheid en onderdrukking. Waldeck’s karakter, – altijd stout en ondernemend, – hard en aanmatigend geworden door den voorspoed, maakte hem niet slechts gehaat bij den adel, maar evenzeer bij de lagere standen, die met dubbele ontevredenheid de drukkende macht van den leenheer zoo gewetenloos uitgeoefend zagen door iemand zelf uit den laagsten stand van het volk verrezen. Zijn avontuur, hoe zorgvuldig ook geheim gehouden, begon insgelijks onder de menschen bekend te worden, en de geestelijken brandmerkten reeds als een toovenaar en medeplichtige van booze geesten den vrek, die na op zulk eene vreemde wijze een ontelbaren schat verkregen te hebben, dien niet had zoeken te heiligen, door er een aanmerkelijk gedeelte van aan de kerk te schenken. [123]Omringd door openbare en geheime vijanden, door duizenderlei hatelijkheden getergd, en door de kerk met een banvloek bedreigd, betreurde Marten Waldeck, of, zoo als wij hem nu noemen moeten, de Baron van Waldeck, dikwijls oprecht het harde werk en de onschuldige genoegens van zijne vroegere onbenijde armoede. Maar zijn moed begaf hem niet onder al deze kwellingen, en scheen eerder toe te nemen met de gevaren, die hem als dreigende onweêrswolken omgaven, totdat ééne omstandigheid zijn val verhaastte.
De regeerende Hertog van Brunswijk had al de Duitsche edellieden van hooge en roemrijke afkomst openlijk doen uitnoodigen op een plechtig steekspel; en Marten Waldeck had de onbeschaamdheid, om, schitterend gewapend, vergezeld door zijne twee broeders en een prachtig uitgerust gevolg, onder de ridderschap der provincie te verschijnen, en te vragen om tot het strijdperk toegelaten te worden. Dit beschouwde men als het toppunt van verwaandheid. Duizend stemmen deden zich hooren: „Wij willen geen kolenbrander in onze ridderspelen!” Razend geworden, ontblootte Marten het zwaard, en velde den wapenheraut ter neder, die, aan het algemeen verlangen toegevende, hem het binnentreden in het strijdperk beletten wilde. Dadelijk zag men een honderdtal zwaarden ontbloot, om eene misdaad te wreken, die men te dien tijde slechts als iets minder dan heiligschennis en koningsmoord beschouwde. Waldeck, na zich als een leeuw verdedigd te hebben, werd gegrepen, staandsvoets door de scheidsrechters ondervraagd, en veroordeeld, omdat hij den landvrede van zijn vorst verbroken en geweld gepleegd had aan de heilige persoon van een wapenheraut, de rechterhand te verliezen, voorts uit den adelstand, dien hij onwaardig was, ontzet en uit de stad verdreven te worden. Nadat men hem zijne wapenrusting afgerukt, en hij de verminking volgens het wreede vonnis ondergaan had, gaf men het ongelukkig slachtoffer der eerzucht aan het gemeen prijs, dat hem met bedreigingen en scheldwoorden vervolgde, – beurtelings tegen den heksenmeester en onderdrukker, zoo als men hem noemde, uitvoer, tot men eindelijk tot gewelddadigheden overging. Zijne broeders (want zijn gevolg was gevlucht en verstrooid), slaagden ten laatste, om hem uit de handen van het gemeen te redden, toen het, na zijne wreedheid verzadigd te hebben, hem half dood door bloedverlies en de geleden mishandelingen had laten liggen. Het werd hun nochtans niet vergund, zoo groot was de wreedheid van hunne vijanden, om zich van eenig ander vervoermiddel voor den ongelukkige te bedienen, dan juist van eene van die kolenbranderskarren, welke zij vroeger zelven plachten te gebruiken: daarin plaatsten zij dus hun broeder op een bos stroo, nauwelijks hopende dat zij eenige schuilplaats vinden zouden, eer de dood hem van zijne ellende bevrijd had.
Toen de Waldeck’s op deze rampzalige wijze voorttrekkende, hun geboorteland genaderd waren, zagen zij, in een hollen weg tusschen twee bergen, eene gestalte op hen toekomen, die op het eerste gezicht op een ouden man geleek. Maar, naar mate de gedaante naderde, werden de ledematen en de gestalte grooter, de mantel viel van de schouders, de pelgrimsstaf werd een omgekeerde pijnboom, en de reusachtige gestalte van den Hartzgeest vertoonde zich in al zijne verschrikkelijkheden. Tegenover de kar gekomen, waarop zich de ongelukkige Waldeck bevond, vertrokken zich zijne ontzagwekkende gelaatstrekken tot eene grijns van onbeschrijfelijke verachting en boosaardigheid, terwijl hij den lijder vroeg: „Hoe vindt gij het vuur, dat mijne kolen aangestookt hebben?” De geestkracht, die met den schrik zijne twee broeders verlaten had, scheen Marten zelven op nieuw te bezielen. Hij verhief zich [124]op de kar, fronste de wenkbrauwen, en, de vuist ballende, schudde hij die tegen het spook, met een afzichtelijken blik van haat en tergende bedreiging. Het spook verdween, naar zijne gewoonte, met een ijselijken en minachtender lach, en liet Waldeck uitgeput door de laatste poging der bezwijkende natuur.
De verschrikte broeders wendden de kar naar de torens van een klooster, dat in een dennebosch naast den weg verrees. Zij werden liefderijk door een barrevoetschen, langgebaarden kapucijner ontvangen, en Marten leefde slechts lang genoeg, om zijne eerste biecht te doen sedert den dag van zijnen onverwachten voorspoed, en absolutie te bekomen van denzelfden priester, dien hij, juist op dien dag drie jaren te voren, uit het gehucht Morgenbrodt had helpen verdrijven. De drie jaren van zijn schijnbaren voorspoed beschouwde men als in geheimzinnig verband met het getal zijner gangen naar het vuur op den heuvel.
Het lichaam van Marten Waldeck werd in het klooster ter aarde besteld, waar hij den geest had gegeven, en in hetwelk zijne broeders, na het ordekleed aangenomen te hebben, leefden en stierven, onder het uitoefenen van liefdadige en vrome plichten. Zijne landerijen, waarop niemand eenige aanspraak maakte, bleven onbebouwd liggen, tot zij door den Keizer, als een vervallen leen, opgeëischt werden; en de bouwvallen van het kasteel, dat Waldeck naar zijn eigen naam genoemd had, worden nog steeds door de mijnwerkers en kolenbranders gemeden, als de woonplaats van booze geesten. Aldus zag men de ellende, welke plotseling verkregen en slecht besteede rijkdommen aankleeft, levendig voor oogen gesteld in de lotgevallen van Marten Waldeck.