WeRead Powered by ReaderPub
De oudheidkenner cover

De oudheidkenner

Chapter 2: DE OUDHEIDKENNER Eerste Hoofdstuk
Open in WeRead

About This Book

The narrative follows a young traveller who, while preparing for a short journey, becomes involved with an elderly, eccentric collector of historical curiosities and the colourful local people around him. Episodes combine gentle comedy of manners, vivid local portraiture, and a developing mystery about old papers and contested property that spurs inquiries, disputes, and probes into ruins and records. A romantic strand and several reconciliations are woven through debates over authenticity, heritage, and changing tastes, and the work shifts between satirical sketches and more sincere reflections on memory, learning, and community.

[Inhoud]

DE OUDHEIDKENNER

Eerste Hoofdstuk

Bespreek een koets, men ga een koets bespreken,

En spreke, als spreker, aan hem die ze gaat bespreken,

Hij moge, in ’t bespreken, van en niets anders spreken,

Dan koets! koets! koets! Ach Goden! eene koets.

Chrononhotonthologos.

Op een vroegen morgen van een schoonen zomerdag, op het einde van de achttiende eeuw, besprak een jonkman van zeer fatsoenlijk voorkomen, die naar het noordoosten van Schotland reizen moest, een plaats in een dier postkoetsen, welke heen en terug rijden van Edinburg naar Queensferry, waar, zoo als de naam van deze plaats te kennen geeft, en alle Schotsche lezers weten, een veer is, om de Forth over te steken. De koets was berekend voor zes vaste plaatsen behalve de voetgangers, die de voerman onderweg mocht willen opnemen en aan de passagiers opdringen. De plaatsbriefjes voor dit weinig gemakkelijke rijtuig, werden uitgedeeld door een scherp uitziende oude vrouw, die op haar mageren, spitsen neus een grooten bril droeg. Zij bewoonde een soort van kelder, die met een steilen, smallen trap in de Hoogstraat uitkwam, en waarin zij lint, garen, naalden, wol, grof linnen, en andere vrouwelijke behoeften verkocht aan hen, die moed en behendigheid genoeg bezaten, om in de diepte van haar woning af te dalen, zonder hals over kop naar beneden te storten, of eenige der talrijke artikelen omver te werpen, die, aan beide zijden van den trap opgehoopt, het beroep van de kelderbewoonster aantoonden.

De geschreven aankondiging, die op een uithangbord aangeplakt was, en te kennen gaf, dat de Queensferry-postkoets, met klokslag twaalf, op Donderdag, den 15 Julij 17–, zou afrijden, om aan de reizigers de gelegenheid te geven met den vloed de Forth over te steken, loog ditmaal even erg als een dagblad want, ofschoon het twaalf uur op den Sint Aegidius kerktoren, en bij herhaling op de overige klokken, geslagen had, verscheen er toch geen postkoets. Er waren dan ook maar twee plaatsen besproken, en wellicht was het een afspraak tusschen de bewoonster van het onderaardsch verblijf en haar wagenmenner, om in dergelijke gevallen, een weinig te wachten in de hoop van [2]de ledige plaatsen aan te vullen: misschien ook had de man een lijkstatie moeten bijwonen, en was hij opgehouden door de noodzakelijkheid, om het rijtuig van zijn sombere bekleedselen te ontdoen; of vertoefde hij om nog een slokje met zijn ouden kennis den stalknecht te nemen, – of, – maar met een woord, hij verscheen niet.

De jonkman, die eenigzins ongeduldig werd, kreeg nu een deelgenoot in zijn ongeluk, een der kleine rampen van het menschelijk leven. Het was de bespreker van de tweede plaats. Gewoonlijk is de man die zich voor de reis uitgerust heeft zeer licht van zijne medeburgers te onderscheiden. De zware laarzen, de overrok, het regenscherm, het pakje in de hand, de diep in de oogen gedrukte hoed, de vaste stap, de haastige beantwoording van alle groetenden, zijn al de teekens, waaraan een ervaren reiziger met postwagen of diligence, op een afstand, zijn aanstaanden reisgenoot onderscheiden kan, als hij op de plaats van het vertrek komt aanstuiven. De eerstgekomene haast zich dan gewoonlijk, om, vóór de aankomst van zijn mededinger, de beste plaats in den wagen in bezit te nemen, en zijn goed zoo gemakkelijk mogelijk te bergen. Onze jongeling die over het algemeen weinig ondervinding had, en zich daarenboven, door het uitblijven der koets, buiten de mogelijkheid bevond om zijn voorrechten te doen gelden, vermaakte zich daarentegen met gissingen over het beroep en het karakter van den persoon, die nu aan het kantoor gekomen was.

Het was een man van zestig, of misschien meer jaren, die er zeer goed uitzag, en wiens gezonde kleur en vaste gang duidelijk bewezen, dat zijn krachten of gezondheid niets door den ouderdom geleden hadden. Hij had een echt Schotsch gezicht, sterk geteekende, en bijna harde gelaatstrekken, met een slim, doordringend oog, en een uitdrukking van ernst, verlevendigd door een trek van spotachtigen luim. Zijn kleeding was eenvoudig en van een kleur, die aan zijn jaren en zijn deftigheid paste; de net opgemaakte en gepoederde pruik en de breedgerande hoed, die ze bedekte, schenen een man uit den geleerden stand aan te duiden. Wellicht was hij een geestelijke; maar hij had in zijn voorkomen meer van een wereldman dan men bij de Schotsche predikanten placht aan te treffen, en zijn eerste uitroep deed hieromtrent allen twijfel ophouden.

Hij kwam met een verhaasten stap, wierp een onrustigen blik op den uur-wijzer van den kerktoren, en toen, terwijl hij naar de plaats zag, waar de koets staan moest, riep hij uit: „De drommel is in het spel! – Ik kom te laat!”

De jonge man stelde hem gerust door de verzekering, dat de koets nog niet verschenen was, en de oude heer, bewust dat hij zelf niet al te nauwkeurig op den tijd gelet had, gevoelde in den beginne geen moed, om op het verzuim van den voerman te schimpen. Hij nam van een kleinen jongen, die hem volgde, een pak, dat een grooten foliant scheen te bevatten, tikte hem vriendelijk op het hoofd, en beval hem terug te gaan bij den heer B–, en hem te zeggen, dat, als hij geweten had, dat hem nog zooveel tijd overbleef, hij den koop niet zoo spoedig zou gesloten hebben; – voorts beval hij den jongen goed op te passen, en voorspelde hem dat hij de knapste kerel zou worden, die ooit het stof van een duodecimo uitgeslagen had. De jongen draalde, wellicht in de hoop van een stuiver, om knikkers te koopen; maar daarvan kwam niets. De reiziger legde nu zijn pakje op een der palen boven aan den trap, en wachtte, terwijl hij den eerstgekomen reiziger aanbleefzien, vijf minuten lang de koets in stilte af. [3]

Eindelijk, na een paar ongeduldige blikken op de vorderingen van den minuutwijzer der klok geworpen, en dien met zijn eigen uurwerk, een groot ouderwetsch repetitiehorlogie vergeleken en eenige scheeve gezichten getrokken te hebben, om zijn misnoegde uitvallen behoorlijken nadruk bij te zetten, riep hij de oude spelonkbewoonster toe: „Vrouwtje! – hoe d–l heet ze? vrouw Macleuchar!”

Jufvrouw Macleuchar, bevreesd, dat ze zich tegen een aanval zou te verdedigen hebben, was geenszins verlangend, om, door dadelijk een antwoord te geven, den strijd te bespoedigen.

„Vrouw Macleuchar!” riep hij, de stem verheffende, „oude heks!” mompelde hij, „zij is doof als een kwartel! Vrouw Macleuchar, zeg ik!”

„Ik ben juist bezig met een klant te helpen,” klonk het nu van onder uit den kelder: „Waarlijk kind! het kan geen duit minder dan ik u zeg!”

„Vrouw,” hernam de reiziger, „denkt gij, dat wij hier den ganschen dag kunnen blijven staan tot gij die arme dienstmeid van haar halfjaars loon en fooien beroofd hebt?”

„Beroofd!” antwoordde vrouw Macleuchar, die gretig de gelegenheid aangreep, om met grond te kunnen twisten; „ik veracht uw woorden, mijnheer! gij zijt zeer onbeleefd, en ik verzoek u mij daar niet langer op mijn eigen trap te staan uitschelden!”

„Die vrouw,” zei de oude heer, met een spottenden glimlach, tegen zijn aanstaanden reisgenoot, „verstaat niet de woorden der drift! – vrouw,” riep hij nu weder naar den kelder gewend, „ik laster uw karakter niet; maar ik wensch te weten, wat er van uw koets geworden is?”

„Wat belieft?” antwoordde vrouw Macleuchar, die nu weêr doof geworden was.

„Jufvrouw!” zei de jongere vreemdeling, „wij hebben plaatsen genomen in uw wagen naar Queensferry.”

„En konden reeds half weg zijn,” vervolgde de oudere, maar minder geduldige reiziger, met steeds toenemende gramschap; „en nu zullen wij naar alle waarschijnlijkheid den vloed missen, en ik heb gewichtige zaken aan de overzijde, – en uw verwenschte koets –”

„De koets? God bewaar ons, mijn heeren! is die er dan nog niet?” antwoordde de oude vrouw, terwijl de scherpe toon van haar stem in een soort van verontschuldigend jammeren overging: „is het op de koets, dat gij hebt staan wachten?”

„Waarom anders zouden wij ons hier naast den goot in de zon laten branden, bedriegelijk wijf? Hé!”

Vrouw Macleuchar klom nu den steenen trap op, tot haar neus zich op gelijke hoogte bevond met de straat; waarop zij haar brilglazen afveegde, om te zoeken naar hetgeen zij wel wist, dat niet te vinden was, en met goed geveinsde verwondering uitriep: „Mijn hemel! – zag men ooit iets dergelijks!”

„Ja, oude heks!” riep de reiziger uit, „velen hebben iets dergelijks gezien, en allen zullen iets dergelijks zien, die iets te maken hebben met uw lichtzinnig geslacht!” en hij stapte met groote verontwaardiging op en neder voor de deur van den kelderwinkel, en loste, gelijk een oorlogsschip, dat bij het voorbijzeilen van een vijandelijke verschansing de volle laag geeft, telkens in het voorbijgaan zijn klachten, bedreigingen en verwijtingen op de verlegene jufvrouw Macleuchar. Hij zou een postrijtuig nemen, – hij zou een huurkoets ontbieden; – hij zou vier paarden nemen, – hij moest, – hij wilde vandaag aan den noordkant van de rivier zijn, – en al de onkosten van de [4]reis, met al de schade, rechtstreeks uit het oponthoud ontstaande, zouden gezamenlijk op het verwenschte hoofd van jufvrouw Macleuchar nederkomen.

Er was iets zoo grappigs in de wijze, waarop hij zijn grillig misnoegen uitte, dat de jonge reiziger, die niet zulk een dringende haast had, niet nalaten kon zich daarover te verlustigen, voornamelijk omdat het duidelijk bleek, dat de oude heer zelf, ofschoon zeer verstoord, nu en dan lachen moest over zijn eigene drift. Maar, zoodra jufvrouw Macleuchar ook mede begon te lachen, maakte hij een einde aan haar ontijdige vroolijkheid.

„Vrouw!” zei hij, terwijl hij haar een gekneuterd stuk gedrukt papier voorhield; „staat hierop niet aangekondigd, dat, zoo het God behaagt, gelijk gij u huichelend uitdrukt, de Queensferry koets heden te twaalf uur zou afrijden? en is het, schepsel! nu niet reeds kwart over twaalf, en is er iets van de koets te zien? Weet gij welke gevolgen het heeft, als men de menschen door valsche berichten misleid? Kent gij de wet, die op deze misdaad toe te passen is? Antwoord! en antwoord éénmaal in uw lang, nutteloos en slecht leven, oprecht en naar waarheid; – hebt gij zulk een koets? Is ze in rerum natura? Of is deze ellendige aankondiging slechts een aanslag op den onvoorzichtige, om hem van zijn tijd, zijn geduld, en drie Engelsche schellingen baar geld te berooven? Hebt gij, zeg ik, zulk een koets? Ja, dan heen?”

„O ja, best heer! de buren kennen de koets zeer goed, groen met rood, drie gele wielen en één zwart!”

„Vrouw! uw nauwkeurige beschrijving zal u niet helpen; – het kan best een leugen zijn, met een bijkomende gelogen omstandigheid!”

„Och, mensch, mensch!” riep de wanhopige jufvrouw Macleuchar, geheel van haar stuk gebracht door de onophoudelijke aanvallen van zijn welsprekendheid, „neem uw drie schellingen terug, als ik u maar kwijt raak!”

„Niet zoo gauw, niet zoo gauw, vrouw! – Zullen drie schellingen mij, overeenkomstig uw verraderlijke aankondiging, naar Queensferry brengen? Of zullen ze de schade vergoeden, die ik bij het verzuim mijner zaken lijden zal, of de onkosten betalen, die ik maken moet, als het missen van den vloed mij noodzaakt één geheelen dag aan de South Ferry te vertoeven? – Kan ik, vraag ik, er een boot voor huren, die alleen vijf schellingen kost, – wat de vaste prijs is!”

Hier werden zijn redeneeringen afgebroken door een rammelend geluid dat het naderen van het verwachte rijtuig aankondigde, en dat dan ook kwam opdagen met al den spoed, waartoe de dampige knollen, die het trokken, bij mogelijkheid konden aangedreven worden. – Met onuitsprekelijk genoegen zag jufvrouw Macleuchar den brompot op de lederen kussens der koets plaats nemen; maar ook nog toen die afreed, stak hij het hoofd uit het portier, en herinnerde haar, met woorden, die onder het gerammel der wielen verloren gingen, dat, wanneer de koets niet tijdig genoeg den Ferry bereikte om gebruik van den vloed te kunnen maken, zij, jufvrouw Macleuchar, verantwoordelijk bleef voor al de gevolgen, die er uit ontstaan konden.

De koets was reeds een paar mijlen verder gekomen, eer de oude heer geheel en al tot bedaren kwam, zoo als bleek uit de klachten, die hem van tijd tot tijd ontvielen over de al te groote waarschijnlijkheid, ja zelfs de zekerheid, dat hij het getij missen zou. Langzamerhand verminderde echter zijn gramschap; hij wreef zich het voorhoofd, ontfronsde de wenkbrauwen, en, na het pak dat hij in de hand hield geopend te hebben, bracht hij zijn foliant te voorschijn, waarop hij van tijd tot tijd met den ervaren blik van [5]een kenner staarde. Hij bewonderde de grootte en den goeden staat van het exemplaar, en verzekerde zich, door het nauwkeurig van blad tot blad na te zien, dat het boekdeel ongeschonden en compleet was, van het titelblad tot aan het einde.

De jonge man nam de vrijheid, naar het onderwerp der studiën van zijn medereiziger te vragen. Deze keek hem eenigszins spotachtig aan, alsof hij veronderstelde, dat zijn antwoord den jeugdigen vrager niet bevallen, althans dat hij het niet verstaan zou, en verklaarde dat het boek was Alexander Gordon’s Intinerarium Septentrionale, een boek ter opheldering van de Romeinsche oudheden in Schotland. De vrager schrikte niet op het hooren van dezen geleerden titel, en voegde er nog verscheidene andere vragen bij, die bewezen, dat hij een goed gebruik van een goede opvoeding gemaakt had, en dat hij, hoewel onervaren in de bijzonderheden der oudheidkunde, nochtans genoeg met de klassieke schrijvers bekend was, om een belangstellende en verstandige toehoorder te zijn en daarover te kunnen spreken. Met genoegen merkte de oude heer op, dat zijn reisgenoot in staat was hem te verstaan en te antwoorden, en verdiepte zich in een zee van verhandelingen over lijkbussen, vazen, wijaltaren, Romeinsche legerplaatsen, en de regels waarnaar men kampen aanlegde.

Dit aangenaam gesprek werkte zoo bedarend op hem, dat, ofschoon er tweemaal een oponthoud voorviel, dat veel langer duurde dan dat, hetwelk zijn toorn tegen de ongelukkige jufvrouw Macleuchar opgewekt had, onze Oudheidkenner nochtans het eerste slechts met een teeken van misnoegen vereerde, die eerder nog het afbreken van zijn betoogen, dan de vertraging der reis schenen te gelden.

De eerstemaal werd het oponthoud veroorzaakt door het breken van een veêr, die een half uur arbeids ter nauwernood herstelde. Tot de laatste vertraging werkte de oudheidkenner zelf mede, of liever, hij was er de voornaamste oorzaak van; want toen hij bespeurde, dat een der paarden een voorhoefsijzer verloren had, deed hij den voerman dit gewichtig gebrek opmerken.

„Jakob Martingale,” antwoordde deze, „heeft het leveren der paarden en het onderhoud er van op zich genomen, en ik ben niet bevoegd mij op te houden of bij dergelijke toevallen eenige schade te lijden.”

„En, als gij gaat naar de, – ik meen, schelm, naar de plaats waar gij verdient heen te komen, – wie denkt gij, zal het aannemen u te onderhouden? Als gij niet dadelijk stilhoudt, en het arme dier naar de naaste smederij brengt, zal ik u doen straffen, zoo er een vrederechter in geheel Mid-Lothian te vinden is!” Terzelfder tijd opende hij het portier van de koets en sprong er uit, terwijl de voerman gehoorzaamde; in zich zelf mompelende dat, „als de heeren nu te laat kwamen, ze niets anders zouden kunnen zeggen, dan dat het hun eigen schuld was; hij was bereid om door te rijden.”

Ik ben zoo weinig geneigd, om de ingewikkelde oorzaken van onze handelingen te ontleden, dat ik het niet wagen zal te beslissen, of het mededoogen van den oudheidkenner met het arme paard niet eenigermate vermeerderd werd door het verlangen, om zijn reismakker een legerplaats der Picten te laten zien; een onderwerp, waarover hij breedvoerig uitgeweid had, en er bestond, zoo als hij zei, „een voorwaar zeer belangrijk en volmaakt specimen van” op ongeveer tien roeden afstands van de plaats, waar het oponthoud voorviel. Maar werd ik gedwongen, om de beweegredenen na te sporen van mijn waardigen vriend, (want dat was de oude heer met de donkere kleeding en de gepoederde pruik,) dan zou ik zeggen, dat ofschoon hij zeker in geen [6]geval den voerman veroorloofd zou hebben, zijn weg te vervolgen; zoo lang het paard kreupel liep en waarschijnlijk nog meer zou lijden door het voortdrijven, de voerman nochtans aan eenige vervaarlijke scheldwoorden en verwijtingen ontkwam door de aangename wijze, waarop de reiziger hoopte den tijd van het oponthoud door te brengen.

Intusschen werd er door deze vertragingen zoo veel tijd verspild, dat, toen onze reizigers van den heuvel aan dezen kant der Hawes (zoo heet de herberg ten zuiden van Queensferry), nederdaalden, het ervaren oog van den oudheidkenner, aan de uitgestrektheid van het natte zand, en de menigte van zwarte met zeegras bedekte steenen en rotsen, die langs het strand zichtbaar waren, dadelijk merkte, dat de vloed voorbij was. De jonge reiziger verwachtte een uitval van verontwaardiging; maar, het zij dat, zoo als Croaker in het Blijspel: „de goedaardige man,” zegt, onze held uitgeput was door het klagen over te wachten wederwaardigheden, zoodat hij ze niet gevoelde wanneer ze wezenlijk bestonden; het zij, dat hij het gezelschap, waarin hij zich bevond, te zeer naar zijn smaak vond, om over iets te klagen dat zijn reis vertraagde; althans hij onderwierp zich vrij gelaten aan zijn lot.

„De duivel hale den snelwagen en de oude heks er bij!” barstte hij eindelijk los. „Snelwagen, zeg ik? men moest lui-wagen zeggen. „De vlieg!” noemt zij het ding? ja, omdat het zich beweegt als een vlieg in een strooppot, zooals de Ier zegt. Maar tijd en getij wachten op niemand; en dus, mijn jonge vriend, zullen wij hier aan de Hawes iets gebruiken; het is een zeer ordentlijke herberg, en ik zal het geluk hebben, het verhaal te eindigen, dat ik u deed van het onderscheid tusschen de wijzen van zich te verschansen in castra stativa en castra aestiva, die door zoo vele van onze historieschrijvers verward worden. Gelukkig ware het geweest als zij de moeite genomen hadden, uit eigen oogen te zien, in plaats van elkaar blindelings na te volgen! – Intusschen zullen wij het vrij goed in de Hawes hebben; in elk geval moeten wij toch ook ergens het middagmaal gebruiken, en het zal nog aangenamer zijn met de eb en in de avondkoelte over te varen.”

In deze Christelijke gemoedsstemming, die alle zaken van de beste zijde beschouwt, stapten onze reizigers aan de Hawes af.