WeRead Powered by ReaderPub
De oudheidkenner cover

De oudheidkenner

Chapter 21: Twintigste Hoofdstuk
Open in WeRead

About This Book

The narrative follows a young traveller who, while preparing for a short journey, becomes involved with an elderly, eccentric collector of historical curiosities and the colourful local people around him. Episodes combine gentle comedy of manners, vivid local portraiture, and a developing mystery about old papers and contested property that spurs inquiries, disputes, and probes into ruins and records. A romantic strand and several reconciliations are woven through debates over authenticity, heritage, and changing tastes, and the work shifts between satirical sketches and more sincere reflections on memory, learning, and community.

[Inhoud]

Twintigste Hoofdstuk

– Indien gij de eer veracht,

Vermeet u niet haar verder dan te dienen;

Roem niet meer op onbevlekte wapenen;

En de eervolle naam van wakker krijgsman

Ontvalt u, als der eere lauwerkrans,

Dond’rend van een onwaardig hoofd geslagen!

Een eerlijke twist.

In den vroegen morgen van den volgenden dag liet zich een heer aanmelden bij den heer Lovel, die op en gereed was, om hem te ontvangen. Het was een officier, een vriend van kapitein M’Intyre, voor het oogenblik te Fairport om rekruten te werven. Lovel kende hem eenigermate. „Ik veronderstel, mijnheer,” zei de heer Lesley, (want zoo heette zijn bezoeker), „dat gij de reden gissen zult, waarom ik u zoo vroeg kom lastig vallen.” [133]

„Eene boodschap, zoo als ik veronderstel, van kapitein M’Intyre?”

„Juist: – hij houdt zich beleedigd door de wijze, waarop gij gisteren geweigerd hebt eenige vragen te beantwoorden, tot welke hij zich gerechtigd oordeelt ten aanzien van iemand, dien hij in gezelschap met zijne naastbestaanden vond.”

„Mag ik u vragen, mijnheer Lesley, of gij u zoudt geneigd gevoeld hebben, om vragen te beantwoorden, die u op zulk een hoogen en onbeleefden toon gedaan werden?”

„Misschien niet; en daarom, daar ik de drift van mijn vriend M’Intyre bij dergelijke gelegenheden ken, wenschte ik zeer als vredestichter op te treden. Daar de heer Lovel alleszins het voorkomen heeft van een fatsoenlijk man, zou het iedereen natuurlijk alleraangenaamst zijn, als hij die soort van dubbelzinnigen schijn wilde vermijden, welke degene pleegt te volgen, van wien men niet volledig weet, wie hij is. Indien hij mij dus, als aan een gemeenschappelijken vriend wilde veroorloven, zijn wezenlijken naam aan kapitein M’Intyre mede te deelen; – want wij moeten opmaken, dat die van Lovel aangenomen is, –”

„Vergeef mij, mijnheer! ik kan die gevolgtrekking niet goedkeuren.”

„Of ten minste,” zeide Lesley voortgaande, „dat het niet de naam is, onder welken de heer Lovel zich altijd onderscheiden heeft. Als de heer Lovel de goedheid wilde hebben, om deze omstandigheid op te helderen, wat hij, ook naar mijn gevoelen, behoorde te doen ter rechtvaardiging van zijn eigen karakter, zoo neem ik de vereffening van deze onaangename zaak op mij.”

„Dat wil zeggen, mijnheer Lesley, dat, wanneer ik toestem, om op vragen te antwoorden, die men geen recht heeft mij te doen, en welke nu geopperd worden, op straf van kapitein M’Intyre’s ongenoegen, kapitein M’Intyre zoo goed zal zijn, om voldaan te zijn? – Mijnheer Lesley, ik heb maar één woord over dit onderwerp te zeggen: ik twijfel niet, of mijn geheim, indien ik er een had, zou veilig aan uwe eer kunnen toevertrouwd worden maar ik gevoel mij niet geneigd, om de nieuwsgierigheid te voldoen van wien het ook zij. Kapitein M’Intyre ontmoette mij in een gezelschap, dat reeds op zich zelf mij bij iedereen, en vooral bij hem, als fatsoenlijk man moest aanbevelen. Hij heeft, naar mijn begrip, geen recht, om verder te gaan, of naar den stamboom, den rang of de omstandigheden van een vreemdeling te vragen, die, zonder eenige nauwere betrekking tot hem of de zijnen te zoeken, toevallig bij zijn oom komt eten, of met zijne zuster gaat wandelen.”

„In dat geval, verzoekt kapitein M’Intyre u in aanmerking te nemen, dat uwe verdere bezoeken op Monkbarns zoo wel als alle omgang met jufvrouw M’Intyre moeten gestaakt worden, daar die hem onaangenaam zijn.”

„Ik zal zeer zeker,” zeide Lovel, „mijnheer Oldbuck gaan bezoeken, zoo dikwerf het mij gelegen komt, zonder in het minst acht te slaan op de bedreigingen en de gevoeligheid van zijn neef. Ik eerbiedig den naam van de jonge dame te zeer (hoe weinig ik haar ook ken), om dien in een dergelijken twist te mengen.”

„In dat geval, verzoekt kapitein M’Intyre, dat de heer Lovel, als hij niet wenscht te worden bekend gemaakt als iemand op wien zeer ergerlijke verdenkingen rusten, hem te willen begunstigen met eene ontmoeting heden avond, tegen zeven ure, bij den doornboom in het kleine dal, dicht bij de bouwvallen van St. Ruth.”

„Ik zal hem zeker opwachten. Er is slechts ééne zwarigheid: – ik moet een vriend vinden, om mij te vergezellen, en waar er een te zoeken binnen deze [134]korte tijdruimte, daar ik geene kennissen te Fairport heb, weet ik niet; – ik zal mij echter op de plaats bevinden, kapitein M’Intyre kan er op rekenen.”

Lesley had den hoed genomen, en was reeds aan de deur van het vertrek, toen hij, als getroffen door de eigenaardigheid van Lovel’s toestand, terugkeerde, en hem weder aansprak: „mijnheer Lovel, er is in dit alles iets zoo zonderlings, dat ik niet over mij verkrijgen kan, niet nog ééns op de zaak terug te komen. Gij moet zelf op dit oogenblik gevoelen, hoe lastig het voor u is om uw incognito te bewaren, voor hetwelk ik overtuigd ben, dat geen onteerende reden bestaan kan. Intusschen maakt deze geheimzinnigheid het moeielijk voor u, den bijstand te verkrijgen van een vriend op een beslissend oogenblik, waarop die zoo noodzakelijk is; – ja, vergun mij er bij te voegen, dat zeer velen het zelfs als een blijk van overdreven eergevoel in M’Intyre zullen aanmerken, dat hij u eene ontmoeting geeft, terwijl uw karakter en uwe omstandigheden zoo raadselachtig schijnen.”

„Ik begrijp, waar gij heen wilt, mijnheer Lesley,” hervatte Lovel; „en ofschoon ik mij zou kunnen beleedigd achten door uwe veronderstellingen; ben ik het echter niet, omdat ze welgemeend zijn. Maar, naar mijn oordeel, kan diegene aanspraak maken op al de voorrechten van een fatsoenlijk man, wien men, zoolang men hem kent, niets onbetamelijks of onfatsoenlijks kan te laste leggen. Wat een vriend betreft, ik hoop, dat ik den een of ander vinden zal, om mij den gevorderden dienst te bewijzen; en indien hij al minder ondervinding van dergelijke zaken moge hebben, dan wenschelijk is, zoo ben ik altoos verzekerd, dat ik door die omstandigheid niet verliezen zal als gij u op de strijdplaats, al is het ook aan de zijde van mijn tegenstanders, bevindt.”

„Dat vertrouw ik ook,” zeide Lesley; „maar daar ik voor mij zelven wenschen moet, zulk eene zware verantwoordelijkheid met een anderen bekwamen vriend te deelen, zoo vergun mij te zeggen, dat de oorlogsbrik van den luitenant Taffril op de reede aangekomen is, en dat hij zelf zich bij den ouden Caxon bevindt, waar hij logeert. Ik geloof, dat gij hem ongeveer zoo veel kent, als mij; en daar ik ongetwijfeld u denzelfden dienst gaarne zou bewezen hebben, als ik niet voor de andere partij in de zaak betrokken was, ben ik zeker, dat ook hij op uw eerste verzoek gereed zal zijn.”

„Dus bij den doornboom, mijnheer Lesley, heden avond te zeven ure: – de wapens, veronderstel ik, zijn pistolen?”

„Juist! M’Intyre heeft dit uur verkozen, omdat hij dan het best van Monkbarns ontsnappen kan. Hij was heden morgen om vijf uur bij mij, om terug te keeren en tegenwoordig te zijn eer zijn oom opstond. Ik wensch u goeden morgen, mijnheer Lovel” – en Lesley verliet het vertrek.

Lovel was zoo moedig als een mensch maar zijn kan; maar niemand kan bij zich zelven over zulk een beslissend oogenblik, als thans op handen was, nadenken, zonder een gevoel van ontzagwekkenden ernst. Binnen weinige uren kon hij in eene andere wereld zijn, om rekenschap te geven van eene daad, welke, bij bedaard nadenken, uit een godsdienstig oogpunt niet te rechtvaardigen was; of hij kon op aarde ronddolen als een Kaïn, met het teeken van den broedermoord op het voorhoofd. En dit alles kon hij voorkomen door het spreken van één enkel woord. Maar dan fluisterde de trots hem in, dat men, als hij dit woord nu uitsprak, dat aan eene beweegreden zou toeschrijven, die hem meer zou verlagen, dan de meest beleedigende verdenking, tot welke zijn stilzwijgen aanleiding kon geven. Iedereen, Isabella Wardour zelve, moest hem dan ook, dacht hij, voor een lagen en onteerden lafaard [135]houden, die, door de vrees voor eene ontmoeting met kapitein M’Intyre gedreven, de opheldering gaf, welke hij aan de bedaarde en beleefde verzoeken van den heer Lesley geweigerd had. M’Intyre’s onbeschoft gedrag tegen hemzelven, de aanmatigende manieren, die hij zich omtrent Isabella Wardour veroorloofd had, en de alles te bovengaande onbillijkheid en onbeleefdheid zijner vragen omtrent iemand, die hem geheel vreemd was, schenen Lovel te rechtvaardigen in zijne weigering om aan zijne onrechtvaardige eischen te voldoen. In ’t kort, hij nam het besluit, dat men van zulk een jongen man kon verwachten, om, namelijk, de oogen zijner meer bedaarde rede te sluiten, en de ingeving van zijn beleedigden trots te volgen. Met dit voornemen zocht hij den luitenant Taffril op.

De luitenant ontving hem met al de beleefdheid van een fatsoenlijk man een al de rondborstigheid van den zeeman, en hoorde, niet zonder verwondering, de bijzonderheden aan, welke Lovels verzoek voorafgingen, dat hij hem bijstaan wilde bij zijne ontmoeting met kapitein M’Intyre. Toen hij geëindigd had, stond Taffril op; en wandelde een paar maal in het vertrek op en neêr.

„Dit is eene zonderlinge zaak,” zeide hij, „en inderdaad, –”

„Ik begrijp, mijnheer Taffril, hoe weinig ik gerechtigd ben tot het doen van mijn tegenwoordig verzoek; maar de drang der omstandigheden laat mij bijna geene keuze over.”

„Sta mij eene vraag toe,” zeide de zeeman; „is er iets, waarover gij u schaamt, in de omstandigheden, welke gij weigert mede te deelen?”

„Op mijn woord van eer, neen! er is niets in, dan wat ik vertrouw, dat ik binnen zeer korten tijd aan de geheele wereld zal kunnen openbaren.”

„Ik hoop, dat uwe geheimhouding niet ontstaat uit valsche schaamte over den nederigen stand van uwe vrienden, of betrekkingen?”

„Neen, op mijn woord!” hernam Lovel.

„Ik kan mij in zulke dwaasheden niet wel voegen,” zeide Taffril „inderdaad, men zou die bij mij niet veronderstellen kunnen, want ik ben, wat mijne afkomst betreft, zoo te spreken, van vóór den mast gekomen, en denk weldra eene verbintenis aan te gaan, die de wereld vernederend genoeg vinden zal, met een zeer beminnelijk meisje, dat ik leerde kennen toen wij buren waren, op een tijdstip, dat ik weinig dacht aan het geluk, dat mij in den dienst voorthielp.”

„Ik verzeker u, mijnheer Taffril, dat, welke ook de stand mijner ouders ware, ik nimmer er aan denken zou, om dien uit kleingeestigen trots te verbergen. Maar mijn toestand is van dien aard, dat ik de vrijheid niet heb, vooralsnog van mijne familie te spreken.”

„Dat is meer dan genoeg,” zei de eerlijke zeeman; „geef mij de hand; ik zal trachten u door deze zaak te helpen, zoo goed ik kan, ofschoon het altijd een zeer onaangenaam iets is – maar wat doet dat er toe? Onze eigen eer is ons, na die van ons land, het naaste; – gij zijt een flinke jongen, en ik beken, dat de heer Hector M’Intyre, met zijn langen stamboom en zijn familietrots, mij voorkomt zeer veel van een kwast te hebben. Zijn vader was een arme krijgsman, even als ik; – hij zelf, geloof ik, is weinig meer, als zijn oom hem niet voort helpt, – en of iemand het geluk ter zee of te land volgt, daarin, zou ik denken, is weinig onderscheid!”

„Volstrekt geen!” antwoordde Lovel.

„Kom,” zei zijn nieuwe bondgenoot, „wij zullen samen eten en het noodige voor de ontmoeting beramen. Ik hoop, dat gij u goed van het pistool weet te bedienen?” [136]

„Niet bijzonder,” antwoordde Lovel.

„Dat doet mij leed, – M’Intyre, zegt men, schiet scherp.”

„Dat spijt mij,” zeide Lovel, „zoowel voor hem, als voor mij; – ik moet dus uit zelfverdediging mijn best doen.”

„Wel,” voegde er Taffril bij, „ik zal onzen chirurgijn medenemen; – het is een goede, knappe jongen om eene wond te kalefateren. Ik zal Lesley, die voor een soldaat een ronde vent is, doen weten, dat de dokter beide partijen ten dienste staat. – Is er nog iets, dat ik voor u doen kan, in geval van een ongeluk?”

„Ik heb slechts weinig, waarmede ik u lastig zal vallen,” zeide Lovel; „dit kleine briefje bevat den sleutel van mijne schrijftafel, en van mijn geheim; – er is één brief in de schrijftafel,” eene onwillekeurige opwelling onderdrukkende, „dien ik u verzoek de goedheid te willen hebben, eigenhandig af te geven.”

„Ik begrijp u,” zei de zeeman; „neen, vriend, schaam u daarover niet – een liefderijk hart mag voor een oogenblik overloopen, als het schip voor den slag gereed is; – en verlaat u op mij, wat ook uw wensch zijn moge, Taffril zal dien beschouwen als den laatsten wil van een stervenden broeder. Maar dit is alles onzin: – wij zullen de wapens behoorlijk in orde brengen en gij eet om vier uur met mij en mijn kleinen chirurgijn in de herberg hier over de deur.”

„Afgesproken!” zeide Lovel.

„Afgesproken!” zeide Taffril; en de zaak was afgedaan.

Het was een schoone zomeravond, en de schaduw van den eenzamen doornboom verlengde zich op de groene oppervlakte der smalle vallei, die door de wouden omgeven was, waar binnen zich de bouwvallen van St. Ruth bevonden.

Lovel en de luitenant Taffril, met den wondarts, betraden de plaats met een doel, welks aard zeer in strijd was met de rust en den vrede, die er, vooral op dezen tijd van den dag, heerschte. De schapen, welke, gedurende de brandende hitte, in de kloven en diepten der rotsachtige hoogten, of onder de wortels der oude holle bomen, geschuild hadden, waren nu verspreid op de hellingen der bergen, om hun avondvoedsel te zoeken, en blaatten elkander toe met dat eentonig treurig geluid, dat te gelijk aan het landschap leven geeft, en de eenzaamheid doet gevoelen. Taffril en Lovel vervolgden, in een ernstig gesprek gewikkeld, hun weg, daar zij, uit vrees van ontdekt te worden, hunne paarden, met den knecht van den luitenant, naar de stad terug gezonden hadden. Hunne tegenpartij was nog niet op de kampplaats verschenen. Maar, toen zij er kwamen, zat er, op den wortel van den ouden boom, een man, zoo krachtig in zijne grijsheid, als de met mos begroeide, maar sterke en knoestige takken, die zich boven hem uitstrekten. Het was de oude Ochiltree. „Dit is lastig genoeg,” zeide Lovel „hoe komen wij van den ouden man af?”

„Hier, vader Adam!” riep Taffril, die den bedelaar van ouds herkende; „hier is een daalder voor u; – gij moet ginds naar de Vier Hoefijzers gaan, – de kleine herberg, die gij kent, en vragen naar den knecht met blauw en gele liverei. Als hij nog niet gekomen is, moet gij op hem wachten en hem zeggen, dat wij binnen een uur bij zijn meester zullen zijn. In elk geval blijft gij daar, tot wij terug zijn, – en nu pak op! – Kom, kom ligt je anker!”

„Dank voor uwe aalmoes,” zeide Ochiltree, het geldstuk in den zak [137]stekende; „maar vergeef het mij, mijnheer Taffril, ik kan op dit oogenblik uwe boodschap niet doen.”

„Waarom niet man? Wat zou u beletten?”

„Ik wilde een woord met den jongen heer Lovel spreken.”

„Met mij?” vroeg Lovel; „wat hebt gij mij te zeggen. Kom, spreek maar op, en maak het kort!”

De bedelaar leidde hem eenige weinige schreden ter zijde. „Zijt gij aan Monkbarns iets schuldig?”

„Schuldig! – Wel neen! – Wat beteekent dat? – hoe komt gij op die gedachte?”

„Gij moet weten, dat ik vandaag aan het huis van den Sheriff was; want, de hemel helpe mij! ik dwaal langs den weg als een onrustige geest, – en wie denkt gij, dat daar aan kwam rijden in een wagen? Wel, Monkbarns geheel alleen! nu is het geene kleinigheid, die mijnheer Oldbuck een wagen en postpaarden doet nemen, twee dagen achter elkander!”

„Goed, goed; maar wat gaat mij dat alles aan?”

„O, gij zult het hooren, dadelijk hooren. – Wel, Monkbarns ging afzonderlijk met den Sheriff; al wat arm volk was, moest buiten blijven; – gij weet toch, hoe beleefd de groote heeren altijd onder elkander zijn –”

„Om ’s Hemels wil, mijn oude vriend!”

„Waarom zegt gij niet liever ronduit loop naar den drommel! mijnheer Lovel. Dat zou meer gepast zijn, dan op die ongeduldige wijze van den hemel te spreken.”

„Maar ik heb hier dringende zaken met den luitenant Taffril af te doen.”

„Wel, wel, alles op zijn tijd, – ik mag een weinig vrijheid nemen met mijnheer Daniel Taffril; ik heb lang geleden veel houten dingen voor hem gemaakt; want ik arbeidde in hout en was ook ketellapper er bij.”

„Gij zijt gek, Adam, of zoekt mij dol te maken.”

„Geen van beide,” zeide Adam, eensklaps zijne slepende bedelaars dreun in een korten en beslissenden toon veranderende; „de Sheriff zond om zijn klerk, en daar de jongen vrij los van tong is, vernam ik, dat het was ter uitvaardiging van een bevelschrift, om u te vatten; – ik dacht wegens schulden; want iedereen weet, die heer laat niemand gaarne de hand in zijn zak steken. – Maar nu mag ik wel zwijgen; want ik zie den jongen M’Intyre en mijnheer Lesley aankomen, en ik gis, dat Monkbarns oogmerk goed was, en dat het uwe veel slechter is, dan het behoorde te zijn.”

De partijen naderden thans, en groetten elkander met de ernstige beleefdheid, die de omstandigheden eischten. „Wat doet deze oude knaap hier?” vroeg M’Intyre.

„Ik ben wel een oude knaap,” antwoordde Adam; „maar ik ben ook een oud soldaat van uw vader; – want ik diende met hem bij het 42ste regiment.”

„Gij moogt gediend hebben waar gij wilt, gij hebt geen recht om u hier op te dringen,” hernam M’Intyre, „of” – en hij hief den stok op om hem te verschrikken, ofschoon zonder het oogmerk, om den ouden man aan te raken. Maar Ochiltree’s moed was door de beleediging gaande gemaakt. „Houd uw stokje maar voor u, kapitein M’Intyre! Ik ben een oud soldaat, zoo als ik u zeide, en ik zal veel van uw vaders zoon verdragen; maar raak mij niet aan met uw rotting zoo lang mijn eigen stok heel is!”

„Wel, wel, ik had ongelijk; – ik had ongelijk,” zeide M’Intyre; „hier is een daalder voor u, ga maar weg – maar wat is er nu te doen?” [138]

De oude man verhief zich tot zijne volle buitengewone lengte, en geleek, in weêrwil van zijne kleeding, die inderdaad meer had van die eens pelgrims, dan van een gewonen bedelaar, door zijne gestalte, manieren, en de waardigheid zijner stem en gebaren, veeleer op een grijzen monnik, of preekenden kluizenaar en raadgever der jonge lieden, die in het rond stonden, dan wel op een voorwerp van hunne liefdadigheid. Zijne taal was, wel is waar, ongekunsteld en eenvoudig als zijne kleeding; maar even stout en vrijmoedig, als zijne houding deftig en vol waardigheid was. „Jongelingen! waarom kwaamt hij hier?” sprak hij, zich tot de verwonderde toehoorders wendende; „zijt gij gekomen te midden van de liefelijkste werken van God, om daar zijne wetten te schenden? – Hebt gij daarom de werken der menschen verlaten, de huizen en steden, die slechts klei en stof zijn, gelijk zij, die ze oprichtten; en zijt gij hier gekomen te midden der vreedzame bergen, en bij de rustige wateren, – die duren zullen zoo lang het aardsche bestaat, – om elkander het leven te benemen, dat in den loop der natuur toch zoo kort duurt, om er eene lange rekenschap van te geven, als het eenmaal uitgebluscht is?”

„O, heeren! hebt gij broeders, zusters, vaders, die u verzorgden, en moeders, die voor u hebben geleden, – vrienden, die u als een stuk van hun eigen hart beschouwen? En is dit de weg, dien gij inslaat, om hen kinderloos en broederloos te maken, en hen van hunne vrienden te berooven? – Och! het is een slechte strijd, waarin hij, die overwint, de ongelukkigste is. Bedenkt dit, kinderen! – Ik ben een arme man; – maar ik ben ook een oud man, en wat mijne armoede aan het gewicht van mijn raad beneemt, wordt twintigmaal vergoed door grijze haren en een oprecht u toegenegen hart. – Gaat naar huis, gaat naar huis! – De Franschen zullen eerstdaags komen, om ons uit te plunderen, en gij zult genoeg te vechten hebben; en misschien sukkelt de oude Adam zelf nog meê, als hij eenig geschikt steunpunt kan vinden, om er zijn geweerloop over te leggen, – en moge hij het dan nog beleven, te verhalen, wie van u zich het best gekweten heeft, als het eene goede zaak gold.”

Er was iets in de onverschrokken en onafhankelijke wijze van handelen, in de stoute gevoelens en manhaftige, ruwe welbespraaktheid van den grijsaard, dat diepen indruk op de partijen maakte, en voornamelijk op de secondanten, die niet door hun trots aangespoord waren, om den twist tot eene bloedige beslissing te brengen, en die integendeel, hartelijk naar eene gelegenheid verlangden, om op eene verzoening aan te dringen.

„Op mijn woord, mijnheer Lesley,” zeide Taffril, „de oude Adam spreekt als een orakel. – Onze vrienden hier waren gisteren zeer driftig, en dus natuurlijk zeer dwaas. – Vandaag behoorden zij koelbloedig te wezen, of wij, ten minste, moesten het voor hen zijn. Mij dunkt, alles moest van weêrszijden vergeven en vergeten wezen; wij zullen elkander allen de hand geven, onze schoten in de lucht doen, en naar huis gaan, om samen in de herberg te soupeeren.”

„Dat raad ik ook aan,” zeide Lesley; „want, met zeer veel drift en knorrigheid van weerskanten, beken ik mij niet in staat, eenigen redelijken grond van twist te ontdekken.”

„Heeren!” zeide M’Intyre, zeer koel, „dit alles had men van te voren moeten bedenken. Naar mijn begrip, zouden menschen, die eene zaak van dezen aard zoo ver doorgedreven hebben als wij, en dan uit elkander gingen zonder ze verder door te zetten, zeer vroolijk in de herberg kunnen gaan [139]eten; maar den volgenden morgen zouden zij met een naam opstaan, even gehavend als de kleeding van onzen vriend hier, die ons verplicht heeft met eene vrij onnoodige tentoonspreiding van zijne welsprekendheid. Ik spreek voor mij zelven, maar ik gevoel mij gedrongen, u te verzoeken, zonder langer verwijl een einde aan de zaak te maken.”

„En,” zeide Lovel, „daar ik nooit eenig uitstel gewenscht heb, moet ik ook deze heeren verzoeken, de noodige schikkingen zoodra mogelijk te maken.”

„Kinderen, kinderen!” riep de oude Ochiltree; maar merkende, dat men niet langer naar hem luisterde, – „dolkoppen, moest ik zeggen, – maar uw bloed kome op uwe eigene hoofden!” – En de oude man verwijderde zich van den grond, die nu door de secondanten afgemeten werd, en ging voort bij zich zelven te pruttelen en zijne verontwaardiging en angst te uiten, die met een diep gevoel van pijnlijke nieuwsgierigheid vermengd waren. Zonder verder op zijne tegenwoordigheid en vertoogen acht te slaan, maakten de heer Lesley en de Luitenant de noodige beschikkingen voor het tweegevecht, en men kwam overeen, dat beide partijen vuur zouden geven, zoodra de heer Lesley zijn zakdoek liet vallen.

Het noodlottige teeken werd gegeven, en beide vuurden bijna op hetzelfde oogenblik. De kogel van den kapitein M’Intyre vloog dicht langs de zijde van zijne tegenpartij, maar zonder hem te raken. Die van Lovel ging juister naar het doel; M’Intyre wankelde en viel. Terwijl hij zich op den arm verhief, was zijn eerste uitroep: „Het is niets; – het is niets; – geeft ons de andere pistolen!” Maar op hetzelfde oogenblik zeide hij op zachteren toon „Ik geloof dat ik genoeg heb, en wat nog erger is, ik vrees dat ik het verdien. Mijnheer Lovel, of hoe uw naam ook zij, vlucht, en red u; – getuigt gij allen, dat ik de aanleiding gaf tot alles.” Toen op nieuw op zijn arm steunende, voegde hij er bij: „Geef mij de hand, Lovel! – ik houd u voor een fatsoenlijk man, – vergeef mijne lompheid, en ik vergeef u mijn dood. – Mijne arme zuster!”

De wondarts kwam, om zijne rol in het treurspel te verrichten, en Lovel stond met een ontroerd en verwilderd oog te staren op de ellende, waarvan hij de werkdadige, hoewel de onwillige oorzaak geweest was. Eindelijk werd hij uit zijne verbijstering gerukt door den bedelaar, die hem bij den arm pakte. – „Waarom staat gij te gapen op hetgeen gedaan is? – Wat beslist is, is beslist! – Gedane zaken hebben geen keer! Maar weg, weg met u, indien gij uw jong bloed van een schandelijken dood wilt redden. – Ik zie de lieden ginds, die te laat komen, om u te scheiden; – maar toch, meer dan vroeg genoeg, om u in de gevangenis te sleepen!”

„Hij heeft gelijk! – hij heeft gelijk!” riep Taffril; „gij moet niet beproeven den straatweg te houden; – blijf tot van nacht in het bosch. Mijn brik zal tegen dien tijd onder zeil zijn, en om drie uren in den morgenstond, als het getij gunstig is, zal ik de boot bij de Mosselklip zenden, om u te wachten.”

„O ja, vlucht, vlucht!” herhaalde de gewonde, terwijl stuipachtige snikken zijne woorden belemmerden.

„Kom met mij,” zei de bedelaar, Lovel meêsleepende; „het plan van den kapitein is het beste; – ik zal u naar eene plaats brengen, waar gij inmiddels veilig zoudt zijn, al zochten zij u met speurhonden.”

„Ga, ga!” herhaalde de luitenant Taffril dringend; „hier te blijven zou loutere dwaasheid zijn.” [140]

„Het was erger dan dwaasheid, hier te komen,” zeide Lovel, hem de hand drukkende. – „Maar vaarwel!” en hij volgde Ochiltree in het dichtste van het bosch.