WeRead Powered by ReaderPub
De oudheidkenner cover

De oudheidkenner

Chapter 23: Tweeëntwintigste Hoofdstuk
Open in WeRead

About This Book

The narrative follows a young traveller who, while preparing for a short journey, becomes involved with an elderly, eccentric collector of historical curiosities and the colourful local people around him. Episodes combine gentle comedy of manners, vivid local portraiture, and a developing mystery about old papers and contested property that spurs inquiries, disputes, and probes into ruins and records. A romantic strand and several reconciliations are woven through debates over authenticity, heritage, and changing tastes, and the work shifts between satirical sketches and more sincere reflections on memory, learning, and community.

[Inhoud]

Tweeëntwintigste Hoofdstuk

Raimond neemt proef op proef, en wijkt niet van ’t fornuis,

Lacht wat met het gevaar, dat ondermijnt zijn huis,

En ziet gerust zijn land in gulden rook verdwijnen.

Een tweede proef mislukt, toch raakt hij niet aan ’t kwijnen;

Een derde geeft nog hoop, die maakt hem moedig, stout,

En doet hem pot en pan toewijden aan het goud.1

Ongeveer eene week na de voorvallen, die wij in het laatste hoofdstuk mededeelden, merkte de heer Oldbuck, toen hij naar zijne ontbijtkamer beneden kwam, dat zijn vrouwvolkje haren plicht niet vervuld had: zijn geroosterd brood was niet gereed, en de zilveren kan, voor zijn bier bestemd, was niet behoorlijk verwarmd.

„Die verwenschte, heethoofdige jongen!” – zeide hij bij zich zelven, „nu dat hij buiten gevaar begint te zijn, kan ik deze wijze van leven niet langer verduren! – Hij brengt alles in de war! Het is, alsof de Saturnalia in mijne vreedzame en geregelde huishouding gevierd werden. – Ik vraag naar mijne zuster; – geen antwoord; ik roep, ik schreeuw, – ik bezweer mijne huisgenooten bij meer namen, dan de Romeinen aan hunne godheden gaven: – eindelijk verwaardigt zich Jenny, wier schelle stem ik reeds een half uur in het onderaardsch verblijf der keuken heb gehoord, om mij te woord te staan; maar zonder naar boven te komen, zoodat het gesprek ten koste van mijne longen moet worden voortgezet.” – Hier verhief hij de stem op nieuw: „Jenny! waar is jufvrouw Oldbuck?”

„De jufvrouw is in de kamer van den kapitein.”

„Dacht ik het niet! – en waar is mijne nicht?”

„Jufvrouw Mary zet thee voor den kapitein!”

„Zoo! ook dat kon ik raden; – en waar is Caxon?”

„Naar de stad, om mijnheers geweer en jachthond te halen!”

„En wie drommel zal mij de pruik opmaken, onnoozel schepsel? – gij weet wel, dat Sir Arthur en freule Wardour dadelijk na het ontbijt komen en hoe kondet gij Caxon op zulk eene dollemans boodschap zenden?”

„Ik! hoe zou ik het beletten? Mijnheer zou toch niet willen, dat ik juist nu den kapitein zou tegenspreken, en de oorzaak van zijn dood zijn?”

„Dood!” riep de verschrikte oudheidkenner, – „hoe – wat? is hij dan erger geworden?”

„Neen, erger is hij niet, dat ik weet!”2

„Dan moet hij beter zijn; – en waartoe zouden hier een hond en een [153]geweer dienen? – de een, om al mijn huisraad te vernielen, de vleeschkast te bestelen, en misschien de kat te plagen, en het ander, om dezen of genen ongelukkige door het hoofd te schieten? – Hij is reeds zóó door geweren en pistolen toegetakeld, dat hij, dunkt mij, het er een tijdlang meê doen kan!”

Hier trad jufvrouw Oldbuck in de kamer, aan welker deur Oldbuck het gesprek voerde, – hij brullende naar de diepte toe, en Jenny hare antwoorden opwaarts krijschende. „Waarde broeder!” zei de oude dame, „gij zult u zoo schor maken als een raaf! – schreeuwt men ook zóó, als er een, zieke in huis is!”

„Op mijn woord, de zieke schijnt het geheele huis in bezit te hebben. Ik heb geen ontbijt gehad, en het laat zich aanzien, dat ik ook zonder pruik moet blijven; en ik durf niet zeggen, dat ik honger en koude voel, uit vrees van den zieken jongen heer te storen, die zich toch wel genoeg bevindt, om zijn hond en zijn geweer te laten halen, ofschoon hij weet, dat ik zulke dingen altijd verfoeid heb, sedert onze oudste broeder, de arme Williewald, deze aarde verliet met een paar natte voeten, die hij in de Kittlefitting-moeras haalde. Maar dat beteekent alles niets; – men verwacht, naar ik veronderstel, dat ik straks de hand zal leenen, om den heer Hector op een draagstoel naar buiten te helpen dragen, om hem in de gelegenheid te stellen, zijne liefde voor de jacht bot te vieren, met mijne duiven en kalkoenen dood te schieten; – de ferae naturae zullen, denk ik, een tijdlang van hem bevrijd blijven.”

Mary M’Intyre trad nu binnen, en begon hare gewone morgentaak, het ontbijt voor haren oom in orde te brengen, met de vlugheid van iemand, die te laat aan het werk gaat en zich spoedt, om den verloren tijd in te halen. Maar dit hielp haar niet. „Wees voorzichtig, onnoozele deern! – het bier is te dicht bij het vuur; – de flesch zal springen, – en ik veronderstel, dat gij het geroosterd brood tot eene kool wilt laten verbranden, als een zoenoffer voor Juno, – of met welken heidenschen naam gij die teef daar noemt, – welke uw wijze broeder, in zijne eerste oogenblikken van rijp nadenken, laat halen als een geschikt lid van mijn huisgezin, (ik bedank hem zeer!) en een geschikt gezelschap, voor het overige vrouwvolkje hier, in het dagelijksch gesprek en den omgang met hem!”

„Lieve oom, wees niet knorrig op het arme dier; het lag geketend in mijn broeders kamer te Fairport, en is tweemaal losgebroken, en hier naar toe komen loopen, om hem op te zoeken; en gij zoudt toch niet willen dat wij het trouwe beest wegjoegen; – het jankt, alsof het eenig besef van Hectors ongeluk had, en is nauwelijks van zijne kamerdeur weg te krijgen.”

„Wel! zij zeiden, dat Caxon naar Fairport gegaan was om den hond en het geweer te halen!”

„O neen, waarde oom, het was om een nieuw verband te halen, en Hector verlangde alleen, dat, nu hij toch ging, hij zijn geweer mede zou brengen.”

„Wel, dan is, alles samengenomen, de boodschap zoo ongerijmd niet, aangezien een pak vrouwen zich daarmede bemoeid hebben; verband, zegt gij? – en wie zal mijne pruik opmaken? – maar ik veronderstel, dat Jenny dat ondernemen zal,” vervolgde de oude heer, terwijl hij zich in den spiegel bekeek. – „En nu laat ons ontbijten, zoo goed wij kunnen. – Wel mag ik tot Hector zeggen, wat Sir Isaäk Newton tegen zijn hond Diamant zeide toen het dier (ik heb een afkeer van honden), het licht omver wierp op berekeningen, die den wijsgeer twintig jaren arbeids gekost hadden, en ze allen [154]verbrandde: „Diamant, Diamant! gij beseft weinig de schade, die gij veroorzaakt hebt!””

„Ik verzeker u, oom, dat het mijn broeder zeer spijt zoo driftig te zijn geweest, en hij bekent, dat de heer Lovel zich zeer goed gedragen heeft.”

„En dat zal veel helpen, nadat hij den jongen van schrik het land heeft doen ruimen! – Ik zeg u, Mary, Hector’s verstand, en veel minder nog dat van eenig vrouwelijk wezen, is in staat om de grootte van het verlies te beseffen, dat hij het tegenwoordige geslacht en de geheele nakomelingschap heeft toegebracht; – aureum quidem opus, – een dichtstuk over zulk een onderwerp! – met ophelderende noten betreffende alles wat klaar en alles wat duister, en alles wat noch duister noch klaar is, maar in de donkere schemering der Caledonische oudheden zweeft! Ik zou de Celtische lofredenaars voorzichtigheid geleerd hebben! – Fingal, zoo als zij stijfhoofdig Fin-Mac-Coul noemen, zou voor mijne navorschingen verdwenen zijn, en zich, als de geest van Loda3, in zijne wolk gehuld hebben. Zulk eene gelegenheid biedt zich zelden ten tweeden male aan een ouden man aan, – en die te verliezen door de dollemans drift van een heethoofdigen jongen! – maar ik onderwerp mij; – ’s Hemels wil geschiede!”

Dus ging de oudheidkenner onder het ontbijt steeds voort met pruttelen, zoo als zijne zuster het noemde; terwijl zijne aanmerkingen, in weêrwil van de suiker en den honig en al de konfijten van eene Schotsche ontbijttafel, het genot daarvan voor al de aanwezigen verbitterde. Maar zij kenden zijn hart. „Monkbarns,” zeide Grizelda Oldbuck, in een vertrouwelijk gesprek met jufvrouw Rebekka Blattergowl, „blaft vinniger, dan hij bijt.”

Hij had zeer veel geleden, zoolang zijn neef zich werkelijk in gevaar bevond, en nu, dat deze begon te herstellen, gevoelde hij zich in staat, om lucht aan zijne klachten te geven over de onrust, die men hem veroorzaakt had, en het storen zijner oudheidkundige bezigheden. Met een eerbiedig stilzwijgen door zijne nicht en zuster aangehoord, uitte hij dan ook zijn misnoegen, knorrende en morrende, zoo als wij beschreven hebben, met menige steek tegen de vrouwen, soldaten, honden en geweren, welke geraasmakende werktuigen van tweedracht en oproer, zoo als hij die noemde, hij verklaarde zoo veel mogelijk te verfoeien.

Het rollen van een rijtuig vóór de deur maakte plotseling een einde aan deze uitboezemingen, en Oldbuck vergat zijne kwade luim, om vlug trap af trap op te loopen, want beide was noodig, eer hij Isabella Wardour en haren vader aan de voordeur kon ontvangen.

Men begroette elkander over en weêr hartelijk; en Sir Arthur, sprekende van de vorige berichten, die hij schriftelijk en mondelings omtrent de gezondheid van Kapitein M’Intyre ingewonnen had, verzocht nader te mogen vernemen, hoe deze zich bevond.

„Beter, dan hij verdient,” was het antwoord; „beter, dan hij verdient, na ons verontrust te hebben met zijne krakeelen en de wetten van God en den koning geschonden te hebben.”

„De jonge man,” zeide Sir Arthur, „is onvoorzichtig geweest; maar wij zijn hem, naar ik verneem, dank schuldig, omdat hij het verdachte karakter van den jongen Lovel ontdekt heeft.” [155]

„Niet meer verdacht, dan het zijne; – de jonge heer was een weinig dwaas en stijfhoofdig, en weigerde op de beleedigende vragen van Hector te antwoorden; – dat is alles! Lovel, Sir Arthur, weet zijne vertrouwelingen beter te kiezen; – ja, freule Wardour, gij poogt mij aankijken zooveel gij wilt, – het is nochtans de zuivere waarheid! Aan mij vertrouwde hij de geheime reden van zijn verblijf te Fairport, en van mijne zijde zal ik niets onbeproefd laten om hem in de onderneming, waaraan hij zich toewijdde, te ondersteunen.”

Toen Isabella Wardour deze stoute verklaring van den oudheidkenner hoorde, veranderde zij meer dan eens van kleur en kon nauwelijks hare ooren gelooven; want van alle menschen, die men tot vertrouweling in eene liefdezaak zoude kunnen kiezen, – en zij moest natuurlijk veronderstellen, dat het medegedeelde van dezen aard geweest was, – scheen haar (na Adam Ochiltree) Oldbuck de minst kiesche en de meest zonderlinge. Ook was zij evenzeer verwonderd en gekweld door den vreemden samenloop van omstandigheden, die dus een geheim van zoo teederen aard in de macht van menschen brachten, zoo weinig geschikt, om er mede bekend te wezen. Zij had daarbij de wijze te duchten, waarop Oldbuck de zaak aan haren vader zou openbaren; want zij twijfelde geenszins, of dit was zijn voornemen. Zij wist zeer goed, dat de eerlijke oude heer, ofschoon bijzonder ingenomen met zijne eigene begrippen, nochtans weinig toegeeflijk was omtrent die van anderen; en zij voorzag een zeer onaangenaam tooneel, als het tusschen de beide heeren tot eene verklaring kwam. Het was dus niet zonder grooten angst, dat zij haren vader om een afzonderlijk gesprek hoorde verzoeken, en Oldbuck vlug zag opstaan en hem den weg naar zijn studeervertrek wijzen. Zij bleef achter en trachtte zich met de dames van Monkbarns te onderhouden; maar met de verstrooide, gejaagde gewaarwordingen van Shakespeare’s Macbeth, als hij, om zijn boos geweten te verbergen, genoodzaakt is, naar de aanwezige hovelingen te luisteren, en hunne aanmerkingen over den storm van den vorigen nacht aan te hooren, terwijl hij met zijne gansche ziel aan den moordkreet hangt, welken hij weet, dat oogenblikkelijk aangeheven zal worden door hen, die zich naar het slaapvertrek van Duncan begeven. – Maar het gesprek van de twee geleerde heeren bepaalde zich tot een geheel ander onderwerp, dan Isabella Wardour gevreesd had.

„Mijnheer Oldbuck,” zeide Sir Arthur, zoodra zij, na behoorlijke weêrkeerige plichtplegingen, deftig in het sanctum sanctorum van den oudheidkenner plaats genomen hadden, – „gij weet zoo veel van mijne huiselijke aangelegenheden, dat gij waarschijnlijk verwonderd zult zijn over de vraag, die ik ga doen.”

„Inderdaad, Sir Arthur, indien het geldzaken betreft, doet het mij zeer veel leed; maar, –”

„Het betreft geldzaken, mijnheer Oldbuck!”

„Waarlijk dan, Sir Arthur,” vervolgde de oudheidkenner, „in den tegenwoordigen staat van de geldmarkt, en daar de fondsen zoo laag staan, –”

„Gij begrijpt mij verkeerd, mijnheer Oldbuck,” zeide de Baronet; „ik wenschte raad, hoe eene groote som gelds op voordeelige wijze te beleggen.”

„De drommel!” riep de oudheidkenner uit; maar tevens gevoelende, dat dit onwillekeurig blijk van verwondering niet al te beleefd was, rechtvaardigde hij het, door zijne vreugde te kennen te geven, dat Sir Arthur eene som gelds te beleggen had op een oogenblik, dat het geld zoo schaarsch was. „En wat de wijze betreft, hoe het te besteden,” vervolgde hij, een [156]oogenblik zwijgende, „de fondsen zijn tegenwoordig laag, zoo als ik reeds zeide, en men kan zeer goede koopjes in landerijen doen. Maar deedt gij niet beter, Sir Arthur, als gij begont met hetgeen gij opgenomen hebt, af te doen? – Daar is eerst uwe schuldbekentenis, – en dan de drie uitgestelde wissels,” – vervolgde hij, terwijl hij uit de lade, aan de rechterhand van zijn kabinet, zekeren rooden portefeuille nam, welks gezicht Sir Arthur, door de ondervinding van vroegere veelvuldige beroepen er op, niet meer verdragen kon, „met de interesten, bedragende te zamen, – laat zien, –”

„Ongeveer duizend pond,” zeide Sir Arthur haastig; „gij gaaft mij onlangs het bedrag op.”

„Maar er is sedert dien tijd een nieuw termijn van de interesten verschenen, Sir Arthur, en het bedraagt (abuizen uitgezonderd), elf honderd en dertig pond, zeven schellingen, en drie vierde stuivers sterling; – maar, zie zelf de optelling na!”

„Ik geloof wel, dat gij volkomen gelijk hebt, waarde heer!” zei de Baronet het boek met de hand wegschuivende, zoo als iemand de ouderwetsche beleefdheid afwijst, die hem iets blijft opdringen, nadat hij meer dan genoeg gebruikt heeft; – „volmaakt gelijk en na verloop van drie dagen, of eerder, zult gij de volle som hebben; – dat is, indien gij die verkiest aan te nemen in ongemunt metaal.”

„Ongemunt metaal! ik veronderstel, dat gij lood bedoelt. Wat drommel! hebben wij dan eindelijk de aâr getroffen? – Maar wat zou ik met duizend pond waarde, en meer, aan lood doen? De voormalige abten van Trotcosey hadden er wellicht hunne kerk en klooster meê belegd; – maar voor mij, –”

„Door metaal” – viel hem de Baronet in de rede, „bedoel ik de edele metalen: – goud en zilver.”

„Zoo waarlijk? – En welk Eldorado zal die schatten opleveren?”

„Een, dat niet ver van hier is,” antwoordde Sir Arthur met veel beteekenis, „en nu ik er aan denk, zult gij de gansche toedracht der zaak vernemen, onder ééne geringe voorwaarde.”

„En die is?” vroeg de oudheidkenner.

„Wel, gij zult mij uw vriendelijken bijstand verleenen, door één honderd pond, of daaromtrent, voor te schieten.”

De heer Oldbuck, die reeds meende het geld in handen te hebben, hoofdsom en al renten van eene schuld, die hij meer dan half opgegeven had, was zoo zeer verwonderd om de kaart dus onverwacht tegen hem gekeerd te zien, dat hij slechts op een toon van teleurstelling en verwondering de woorden herhalen kon: „Honderd pond voorschieten!”

„Ja, mijn waarde heer!” vervolgde Sir Arthur; „maar met de stellige verzekering van binnen twee of drie dagen uw geld terug te ontvangen!”

Er heerschte een oogenblik van stilzwijgen, – hetzij dat Oldbuck nog niet genoegzaam hersteld was om een weigerend antwoord uit te brengen, of dat hem de nieuwsgierigheid deed zwijgen.

„Ik zou u niet voorslaan,” vervolgde Sir Arthur, „om mij dus te verplichten, indien ik niet werkelijk de bewijzen in handen had van de vervulling der verwachtingen, die ik u thans mededeel. En ik verzeker u, mijnheer Oldbuck, dat ik u die alleen mededeel als een bewijs van mijn vertrouwen, en om u te toonen hoe diep ik de goedheid besef, die gij bij zoo vele vroegere gelegenheden gehad hebt.”

De heer Oldbuck gaf zijne verplichting te kennen; maar vermeed zorgvuldig, zich door eenige belofte tot verderen bijstand te verbinden. [157]

„De heer Dousterswivel,” ging sir Arthur voort, „ontdekt hebbende, –”

Hier viel Oldbuck hem in de rede, terwijl zijne oogen van verontwaardiging fonkelden. „Sir Arthur, ik heb u zoo dikwijls voor dien bedriegelijken kwakzalver gewaarschuwd, dat ik waarlijk verwonderd ben, u hem in mijn bijzijn te hooren noemen.”

„Maar luister eens, – luister eens,” riep Sir Arthur op zijne beurt, „dat kan u geen kwaad! Met één woord: Dousterswivel overreedde mij, eene proef bij te wonen, die hij nemen wilde in de bouwvallen van St. Ruth, – een wat denkt gij, dat wij vonden?”

„Een anderen waterput, veronderstel ik, van welks ligging de schurk zich te voren zorgvuldig verzekerd had.”

„Neen, neen! – een kistje met gouden en zilveren munten! – hier zijn ze!”

Ter zelfder tijd haalde Sir Arthur een grooten ramshoren met koperen deksel uit zijn zak, dat een aanmerkelijk aantal muntstukken bevatte, vooral zilveren, maar ook eenige gouden. De oogen van den oudheidkenner glinsterden, terwijl hij ze ongeduldig over de tafel verspreidden.

„Op mijn woord, – Schotsche, Engelsche en vreemde munten van de vijftiende en zestiende eeuw, en eenige er van rari, – et rariores, – etiam rarissimi – Hier is een stuk van Jakob V, – de eenhoren van Jakob II, – ei! en de gouden penning van Koningin Maria, met haar hoofd en dat van den Dauphin. – En deze werden in de bouwvallen van St. Ruth gevonden?”

„Wel zeker! – ik heb het met eigen oogen gezien.”

„Wel,” hernam Oldbuck, „maar gij moet mij mededeelen het wanneer, het wáár, – het hoe, –”

„Het wanneer –” antwoordde Sir Arthur – „was te middernacht bij de laatste volle maan; – het wáár, zoo als ik u gezegd heb, in de bouwvallen van St. Ruth, – het hoe, was door eene nachtelijke proef van Dousterswivel, alleen door mij bijgewoond.”

„Inderdaad!” riep Oldbuck, „en welke middelen ter ontdekking hebt gij gebezigd?”

„Slechts eene eenvoudige berooking,” zeide de Baronet, „die van kracht was, omdat wij ons van het juiste planeetuur bedienden.”

„Eenvoudige berooking? eenvoudige ongerijmdheid! – planeetuur? planeetonzin! – sapiens dominabitur astris. – Mijn waarde Sir Arthur, die vent heeft een uil van u gemaakt boven den grond en onder den grond, en hij zou ook nog een uil van u gemaakt hebben in de lucht, als hij er bij geweest ware, toen gij opgeheeschen werd te Halket-head; – toen ware de verandering bijzonder à propos geweest!”

„Wel, mijnheer Oldbuck, ik ben u zeer verplicht voor de vleiende gedachte, die gij van mijn doorzicht hebt; maar gij zult, denk ik, gelooven dat ik gezien heb, wat ik beweer dat ik zag!”

„Zonder twijfel, Sir Arthur!” zei de oudheidkenner, „in zoo verre ten minste, dat ik zeer wel weet, dat Sir Arthur Wardour niet zal zeggen iets gezien te hebben, dat hij zich niet verbeeld heeft te zien.”

„Nu dan,” antwoordde de Baronet, „zoo zeker, als er een hemel boven ons is, mijnheer Oldbuck, zag ik met eigen oogen deze munten opdelven te middernacht, in het koor van St. Ruths kerk. – En wat Dousterswivel betreft, ofschoon de ontdekking aan zijne wetenschap te danken is, zoo geloof ik echter, om u de waarheid te zeggen, dat hij den moed niet zou gehad hebben, om ze door te zetten, als ik niet bij hem geweest ware!” [158]

„Zoo! inderdaad!” zeide Oldbuck, op den toon van iemand, die het einde van een verhaal wenscht te hooren, eer hij eenige aanmerking daarover maakt.

„Ja, waarlijk,” vervolgde Sir Arthur, „ik verzeker u, dat ik op mijne hoede was; – wij hoorden ook eenige zeer vreemde geluiden van tusschen de bouwvallen.”

„O, zoo?” zeide Oldbuck, „zeker een van zijne makkers daaronder verstopt?”

„Volstrekt niet,” zei de Baronet; „de klanken, ofschoon van schrikbarenden en bovennatuurlijken aard, geleken veeleer op het geluid van iemand, die hard niest, dan op iets anders; – daarbij hoorde ik nog duidelijk een diepen zucht, – en Dousterswivel verzekerde mij, dat hij den geest Peolphan, den grooten jager van het Noorden, zag, (sla over hem uw Nicolaus Remigius, of uw Petrus Thyracus na, mijnheer Oldbuck), die deed alsof hij een snuifje nam, en toen niesde.”

„Deze geluiden, hoe zonderling ook, bij zulk een wezen, schijnen zeer á propos geweest te zijn,” zei de oudheidkenner; „want gij ziet, dat het kistje, waarin zich de munten bevinden, het voorkomen heeft van eene oude Schotsche snuifdoos. Maar gij hield vol, in weêrwil van de verschrikkelijkheden van dit niezend spook?”

„Wel, ik geloof dat iemand van minder verstand of karakter zich zou hebben laten afschrikken; maar ik wilde mij niet laten bedriegen; ik ben het aan mijn naam verschuldigd, om in alle omstandigheden moed te behouden, en dus noodzaakte ik Dousterswivel wel, door ernstige en hevige bedreigingen, om voort te gaan met hetgeen hij verrichtte; en, mijnheer, hij gaf blijken van zijne bekwaamheid en eerlijkheid door het ontdekken van deze gouden en zilveren stukken, waaruit ik u verzoek die munten te kiezen, welke u het best in uwe verzameling te pas komen.”

„Wel, Sir Arthur, daar gij zoo goed zijt, en onder voorwaarde, dat gij mij vergunt, er de waarde van, volgens Pinkerton’s opgave en waardeering, tegen uwe rekening in mijn rood boekje aan te teekenen, zal ik gaarne, –”

„Neen!” zeide Sir Arthur Wardour, „ik wenschte, dat gij ze niet anders beschouwdet, dan als een blijk mijner vriendschap, en het minst van alles zou ik mij willen houden aan de waardeering van uw vriend Pinkerton, die het gezag bestreden heeft der oudste en geloofwaardigste schrijvers, op wie, als op eerbiedwaardige en met mos begroeide zuilen, het aanzien van onze Schotsche oudheden rust.”

„Zoo, zoo,” hernam Oldbuck, „gij bedoelt waarschijnlijk Maire en Boece, den Jachin en den Boas, niet der geschiedenis, maar van de vervalsching en van het bedrog. En niettegenstaande al wat gij mij verhaald hebt, beschouw ik uw vriend Dousterswivel als even weinig geloofwaardig als één van hen.”

„Wel nu, mijnheer Oldbuck,” zeide Sir Arthur, „om geene oude twisten op te rakelen, gij denkt, naar ik veronderstellen moet, dat het mij, dewijl ik aan de oude geschiedenis van mijn vaderland geloof, aan oogen en ooren ontbreekt, om zeker te zijn van de gebeurtenissen, die onder mijne oogen voorvallen?”

„Vergeef, mij, Sir Arthur!” antwoordde de oudheidkenner; „maar ik beschouw al de blijken van schrik, welke deze waardige heer, uw collaborator, verkoos voor te wenden, slechts als een gedeelte van zijne rol. En, wat de gouden en zilveren munten betreft, deze leveren zulk een mengelmoes op van verschillende landen en dagteekening, dat ik die onmogelijk voor een verborgen schat houden kan, maar veeleer veronderstel, dat ze gelijk zijn aan de beurzen op de tafel van Hudibras’ pleitbezorger: [159]

„Geld ten toon gespreid, als eieren in een nest,

Om cliënten aan te halen

En valschen raad te doen betalen.”

„Dergelijke kunstjes zijn in ieder beroep bekend, waarde Sir Arthur! Maar, mag ik u vragen, hoeveel kost deze ontdekking?”

„Ongeveer tien guinjes.”

„En gij hebt de wezenlijke waarde gekregen van twintig guinjes in ongangbare munten, en zoo veel meer nog, als ze daarenboven waard mogen zijn voor zulke dwazen als wij, die de zeldzaamheid er van betalen. Dit, moet ik veronderstellen, was een lokaas, om er bij de eerste gelegenheid partij van te trekken. En wat stelt hij u nu voor te wagen?”

„Honderdenvijftig pond; ik heb hem een derde gedeelte van het geld gegeven, en met het overige, dacht ik, zoudt gij mij kunnen bijstaan.”

„Dit dunkt mij kan de laatste slag niet wezen; – het is te weinig en niet beduidend genoeg; waarschijnlijk laat hij ons ook nog dezen keer winnen, zoo als fijne spelers soms met een onervarene doen. – Sir Arthur, gij gelooft, hoop ik, dat ik u gaarne van dienst zou zijn?”

„Zeker, mijnheer Oldbuck, ik verbeeld mij, dat mijn vertrouwen in u bij deze gelegenheid daaromtrent geen twijfel over laat.”

„Nu dan, sta mij toe, dat ik met Dousterswivel spreek. Indien het geld tot uw nut en voordeel kan worden voorgeschoten, zult gij er als oude buurman, niet om verlegen blijven; maar indien ik, zoo als ik me verbeeld, den schat voor u ontdekken kan zonder een dergelijk voorschot, zult gij, veronderstel ik, er niets tegen hebben?”

„Dat is aan geen bedenking onderhevig; ik kan er niets hoegenaamd tegen hebben!”

„Nu dan! Waar is Dousterswivel?” vervolgde de oudheidkenner.

„Om u de waarheid te zeggen, hij is in mijn rijtuig, voor de deur; maar daar ik wist, dat gij tegen hem ingenomen waart, –”

„Dank zij den Hemel! ik ben tegen niemand ingenomen, Sir Arthur! Stelsels, en geene bijzondere personen zijn het, die ik bestrijd.”

Hij schelde. „Jenny, Sir Arthur en ik zenden onze complimenten aan mijnheer Dousterswivel, den heer in Sir Arthur’s rijtuig, en verzoeken om het genoegen van zijn gezelschap.”

Jenny vertrok en bracht de boodschap over. Het was geenszins het plan van Dousterswivel geweest den heer Oldbuck tot deelgenoot van zijn voorgewend geheim te maken. Hij had gerekend, dat Sir Arthur de noodige bijdrage zou kunnen krijgen, zonder eenigen uitleg over de wijze, waarop die besteed zou worden, en hij wachtte beneden slechts met het oogmerk, om zich zoodra mogelijk in het bezit van geld te stellen, daar hij wel voorzag, dat zijne rol ten einde liep. Nu echter uitgenoodigd, om in de tegenwoordigheid van Sir Arthur en van den heer Oldbuck te verschijnen, besloot hij kloekmoedig zich op de kracht zijner onbeschaamdheid te verlaten, waarmede de lezer zal hebben opgemerkt, dat hem de natuur zeer mild bedeeld had. [160]


1 De schrijver herinnert zich niet meer waar hij deze regels gelezen heeft; misschien in de satiren van Bisschop Hall. W. S. 

2 Het schijnt eene gewetenszaak onder de lagere standen in Schotland, om ooit te bekennen, dat een patiënt beter wordt. Het meeste, dat zij ooit toegeven, is, dat „hij niet erger is!” W. S. 

3 Loda (Odin), onder de eerstgemelde benaming dikwijls voorkomende in de gedichten van Fingal en Ossian.