WeRead Powered by ReaderPub
De oudheidkenner cover

De oudheidkenner

Chapter 24: Drieëntwintigste Hoofdstuk
Open in WeRead

About This Book

The narrative follows a young traveller who, while preparing for a short journey, becomes involved with an elderly, eccentric collector of historical curiosities and the colourful local people around him. Episodes combine gentle comedy of manners, vivid local portraiture, and a developing mystery about old papers and contested property that spurs inquiries, disputes, and probes into ruins and records. A romantic strand and several reconciliations are woven through debates over authenticity, heritage, and changing tastes, and the work shifts between satirical sketches and more sincere reflections on memory, learning, and community.

[Inhoud]

Drieëntwintigste Hoofdstuk

– En deze doctor,

Uw vuile en berookte medgezel, hij

Zal u een’ pot vullen met goud,

En straks tegen het andere verwisselen,

Met vluchtig kwik, dat het in de hitte barsten zal

En verdwijnen in fumo.….

De alchimist.

„Hoe bevindt zich de goede heer Oldenbuck? en ik hoop dat Uwé’s jonge heer, de Kapitein M’Intyre, weder beter is? – Ach! het is geene goede zaak, als jonge heeren zich looden kogels in het lijf jagen!”

„Alle soorten van ondernemingen in lood zijn zeer gewaagd, mijnheer Dousterswivel! maar het is een geluk voor mij,” vervolgde de oudheidkenner, „van mijn vriend, Sir Arthur, te vernemen, dat gij een beter beroep bij de hand genomen hebt, en een goudontdekker geworden zijt.”

„Ach, mijnheer Oldenbuck! mijn goede en geëerde patroon moest van deze kleine zaak niet één woord gesproken hebben; want hoewel ik alle mogelijke vertrouwen op des goeden heeren Oldenbuck’s voorzichtigheid en discretie heb, en op zijne groote vriendschap voor Sir Arthur Wardour, toch, mijn hemel! het is een groot en zwaar geheim!”

„Zwaarder, dan één der metalen, die wij er door ontdekken zullen, vrees ik,” antwoordde Oldbuck.

„Dat hangt alleen af van Uwé’s geloof en geduld bij het groot experiment. – Als Uwé zich vereenigt met Sir Arthur, en als hij honderd en vijftig pond er aan waagt, – zie hier een ellendige Fairport banknoot, voor vijftig pond; – als Uwé, zeg ik nog honderdvijftig pond in ellendige banknoten er bij legt, zal Uwé zuiver goud en zilver hebben; – en hoeveel kan ik niet zeggen.”

„En niemand anders ook, geloof ik,” zei de oudheidkenner. „Maar hoor eens, mijnheer Dousterswivel, verondersteld, dat wij, zonder dien niezenden geest verder door eenige berookingen te storen, gezamenlijk, onder begunstiging van het helder daglicht en ons goed geweten, met geene andere werktuigen ter bezwering dan goede, stevige houweelen en schoppen, naar de bouwvallen van St. Ruth gingen, en de oppervlakte van het koor ter dege, van het eene einde tot het andere omspitten, en ons alzoo omtrent het bestaan van den veronderstelden schat verzekerden, zonder eenige verder onkosten te maken; – de bouwvallen behooren aan Sir Arthur zelven toe, dus kan dit geene zwarigheid opleveren: – wat dunkt u? Zouden wij slagen, als wij de zaak op die wijze behandelen?”

„Bah! geen koperen vingerhoed zal Uwé vinden! Maar Sir Arthur kan doen wat hem goed dunkt; – ik heb hem laten zien, hoe het mogelijk is een groot kapitaal te verkrijgen; – belieft het hem dat niet te gelooven, dat kan Herman Dousterswivel niet schelen; Sir Arthur verliest alleen het geld, en het goud en het zilver, – meer niet!”

Sir Arthur wierp een benauwden blik op Oldbuck, die, als hij tegenwoordig [161]was, een meer dan gewonen invloed op hem uitoefende, hoe dikwijls beiden ook van gevoelen verschilden. De Baronet wist inderdaad, wat hij echter niet gaarne zou hebben toegestemd, dat zijn verstand te kort schoot bij dat van den oudheidkenner. Hij had ontzag voor diens redelijken, scherpen, spotachtigen geest; hij vreesde zijn bijtenden scherts, en had ook vertrouwen op zijn algemeen gezond oordeel. Hij keek hem dus aan, als om zijne toestemming te vragen, om aan zijne eigene lichtgeloovigheid gehoor te geven. Dousterswivel ontwaarde, dat de onnoozele Baronet op het punt stond van hem te ontsnappen, en trachtte dus op zijn raadsman te werken.

„Ik weet, mijn goede heer Oldenbuck, dat het te vergeefsch is, met Uwé over geesten en spoken te redeneeren. Doch bezie slechts dezen curieuzen horen; ik weet, dat Uwé die curiositeiten van alle landen kent, en u herinnert hoe de groote Oldenburgsche horen, die nog in het Museum te Kopenhagen bewaard wordt, aan den Hertog van Oldenburg door een vrouwelijken geest gegeven werd; zoodat ik, zelfs als ik het wilde, Uwé niet zou bedriegen kunnen, – Uwé, die alle curiositeiten zoo wel kent; en daar is het horen vol munten; – ware het eene doos, een kistje, ik had geen woord meer daarover te zeggen.”

„Dat het een horen is,” zeide Oldbuck, „zet voorwaar uw gezegde kracht bij. Hij was reeds door de natuur gefatsoeneerd, en daarom zeer veel in gebruik bij onbeschaafde volkeren, ofschoon misschien de horen in een overdrachtelijken zin meer in de mode kwam, naarmate de beschaving vorderingen maakte. En deze horen hier,” vervolgde hij, terwijl hij dien op zijne mouw wreef, „is een zeldzaam en eerbiedwaardig overblijfsel der oudheid, en zonder twijfel bestemd, voor den een of ander een cornu-copia, of horen van overvloed te worden; maar, òf voor den goudzoeker, òf voor zijn patroon, daaromtrent mag men recht twijfelen.”

„Wel, mijnheer Oldenbuck! ik vind Uwé nog immer zwaar van geloof. – Doch die monniken, dat kan ik Uwé verzekeren, kenden het Magisterium.”

„Laat ons van het Magisterium liever zwijgen, mijnheer Dousterswivel, en een weinig aan den Magistraat denken. Weet gij, dat deze uwe bezigheid strijdig is met de wetten van Schotland, en dat wij beiden, Sir Arthur en ik, vrederechters zijn?”

„Mijn hemel! en wat doet dat er toe, als ik de heeren alleen van dienst wil wezen?”

„Hoe! gij moet weten, dat, toen de wetgeving de wreede wetten tegen de tooverij afschafte, zij zich geenszins vleide met de hoop om de bijgeloovige gevoelens der menschheid te vernietigen, waarop dergelijke hersenschimmen gegrond waren! – en om te voorkomen, dat listige bedriegers misbruik van dergelijke gevoelens zouden maken, is er, in het negende jaar van de regeering van George II, Hoofdst. 5 zijner wetten, bepaald, dat al wie voorgeven zal, door zijne bedrevenheid in eenige geheime wetenschap, verloren, gestolen, of verborgen goed te ontdekken, met tepronkstelling en gevangenis, als een gemeene oplichter en bedrieger, zal gestraft worden.”

„En spreekt zóó de wet?” vroeg Dousterswivel met eenige ontroering.

„Gij zult die zelf zien!” antwoordde de oudheidkenner.

„Dan, mijne heeren, wil ik afscheid van u nemen; ik verlang niet te pronken zoo als Uwé het bedoelt, – dat is eene zeer onaangename wijze om een luchtje te scheppen, naar ik mij verbeeld; en in Uwé’s gevangenis heb ik nog veel minder zin; want daarin kan men in het geheel geene lucht krijgen.” [162]

„Als gij dat gevoelt, mijnheer Dousterswivel, raad ik u te blijven, waar gij zijt; want ik kan u niet laten gaan, dan in het gezelschap van een agent van policie; en, daarenboven, verwacht ik, dat gij ons nu zult vergezellen naar de bouwvallen van St. Ruth, en ons de plaats aanwijzen, waar gij u verbeeld dien schat te vinden.”

„Mijn hemel! mijnheer Oldenbuck! zoo maakt men het toch niet met een ouden vriend, en ik zeg Uwé ronduit, dat, wanneer Uwé nu daarheen gaat, Uwé niet eens een zesstuiversstuk zult vinden.”

„Ik zal toch de proef nemen, en gij zult behandeld worden, naar dat ze uitvalt; – altijd met Sir Arthurs verlof!”

Sir Arthur had gedurende dit onderzoek zeer verlegen gestaan. Oldbuck’s hardnekkig ongeloof deed hem het bedrog van Dousterswivel sterk vermoeden, en de goudzoeker had zijne zaak lang niet zoo bedaard en dapper verdedigd, als hij verwacht had. Evenwel verzaakte hij hem niet geheel.

„Mijnheer Oldbuck,” zei de Baronet, „gij zijt niet geheel rechtvaardig omtrent den heer Dousterswivel. Hij heeft aangenomen, om de ontdekking te doen met behulp van zijne kunst, en door gebruik te maken van den bijstand der onzichtbare wezens, die gesteld zijn over het planeetuur, waarin de proef moet ondernomen worden; en gij vergt van hem, onder bedreiging van straf, dat hij die nu zal doen, zonder hem eenig gebruik der middelen te vergunnen, die hij er voor noodig acht om te slagen.”

„Dit zeide ik juist niet; – ik verlang slechts van hem, dat hij tegenwoordig zij, als wij het onderzoek doen, en dat hij ons intusschen niet verlate. Ik vrees, dat hij eenige verstandhouding heeft met de wezens waarvan gij spreekt, en dat hetgeen nu te St. Ruth mocht verborgen zijn, verdwijnen kon, eer wij er heen komen.”

„Wel, mijne heeren!” zei Dousterswivel verdrietig, „ik wil zonder zwarigheid met u gaan; doch ik zeg het u te voren, Uwé zult niets vinden, om uwe moeite te beloonen.”

„Wij willen er de proef van nemen,” zei de oudheidkenner; en men gaf bevel om het rijtuig van den Baronet in te spannen, terwijl Isabella Wardour van haren vader de boodschap kreeg, te Monkbarns te toeven, tot hij van zijn uitstap zou zijn terug gekeerd. De jonge dame gaf zich eenige vergeefsche moeite, om deze beschikking met het gesprek overeen te brengen, dat, naar zij veronderstelde, tusschen Sir Arthur en den oudheidkenner moest plaats gehad hebben, maar zag zich voor het oogenblik genoodzaakt, in onzekerheid achter te blijven.

Overigens was de rid der schatgravers droefgeestig genoeg. Dousterswivel bewaarde een somber stilzwijgen, daar zijne gedachten vervuld waren met zijne teleurgestelde verwachting en de straf, die hem dreigde; – Sir Arthur, wiens gouden droomen langzamerhand verdwenen waren, dacht, in somber gepeins verdiept, over naderende ongelukken na; en Oldbuck, die begreep, dat eene zoo krachtdadige bemoeiing met de zaken van zijn buurman dezen het recht gaf, om eenigen bijstand van hem te verwachten, overlegde in hoe ver hij genoodzaakt zou wezen, zijne beurs te openen.

Terwijl zij dus alle drie in onaangename beschouwingen verzonken waren, werd er ter nauwernood een woord gewisseld, tot zij bij de herberg van de Vier Hoefijzers aankwamen. Hier voorzagen zij zich van de noodige hulp en werktuigen voor hunne opdelvingen, en terwijl zij met deze toebereidselen bezig waren, voegde zich de oude bedelaar Ochiltree onverwachts bij hen.

„Zoo! – God zegene u, edele heeren, en schenke u een lang leven! – [163]ik ben blij te hooren, dat de jonge Kapitein M’Intyre weldra weêr op de been zal zijn. – Gedenkt heden den armen grijsaard!”

„Wel, oude vriend,” zei Oldbuck, „gij zijt niet meer te Monkbarns gekomen, sedert uwe gevaren tusschen land en water: – hier is iets voor u om snuif te koopen;” – en, terwijl hij naar de beurs tastte, trok hij ter zelfder tijd den horen uit den zak, waarin zich de munten bevonden.

„Ei! en daar is iets, om de snuif in te doen,” zei de bedelaar den ramshoren ziende; – „dat stuk is een oude kennis van mij. Met eede zou ik die snuifdoos onder een duizendtal herkennen; – menig jaar heb ik die bij mij gedragen, tot ik ze tegen deze blikken doos met den ouden George Glen, den mijnwerker, verruilde, toen hij er te Glen-Withershins zin in kreeg.”

„Zoo! inderdaad?” zeide Oldbuck; – „dus hebt gij dien met een mijnwerker verruild! maar ik veronderstel, dat gij hem nooit te voren zóó gevuld hebt gezien?” – ter zelfder tijd opende hij den horen en toonde hem de munten.

„Dat is waar, Monkbarns! – toen die mij toebehoorde, heb ik er nooit meer, dan voor de waarde van zes stuivers zwarte rappé te gelijk in gehad; maar gij zult er eene oudheid van maken, zoo als gij van zoo veel andere dingen gedaan hebt, die tot niets anders goed zijn. Ik wilde wel dat de een of ander ook eene oudheid van mij maakte; maar menigeen stelt meer belang in oude stukken koper, en horen en erts, dan in een ouden kerel uit zijn eigen land en volk.”

„Gij kunt nu gissen,” zeide Oldbuck, zich tot Sir Arthur wendende, „aan wien gij verleden nacht verplichting hadt. Het nasporen van deze cornu copia tot in de handen van een mijnwerker, brengt het tamelijk dichtbij die van onzen vriend; – ik hoop, dat wij heden morgen even gelukkig slagen zullen, zonder er iets voor te betalen.”

„En waarheen gaan vandaag de heeren,” vroeg de bedelaar, „met de houweelen en schoppen? – Dat is zeker weêr een zet van u, Monkbarns! gij zijt er op uit, om eenige van die oude monniken daar uit hunne graven op te halen vóór den dag der opstanding; – maar ik zal u in elk geval volgen, en zien wat gij er van maakt.”

Het gezelschap kwam weldra bij de bouwvallen van de abdij aan, en hield in het koor stil, om te overleggen, in welke richting men beginnen zou. De oudheidkenner wendde zich intusschen tot den goudzoeker.

„Mag ik vragen, mijnheer Dousterswivel, hoe gij er over denkt? – zullen wij, naar alle waarschijnlijkheid, het best slagen met van het westen naar het oosten, of wel van het oosten naar het westen te graven? – of wilt gij ons bijstaan met uw driehoekig fleschje met meidauw, of met uwe tooverroede? of zult gij de goedheid hebben van ons te voorzien met eenige hoogdravende, bulderende kunsttermen, die, als ze bij de tegenwoordige verrichtingen niet baten, toch noch van dienst kunnen zijn voor degenen onder ons, die het geluk niet hebben van ongetrouwd te wezen, om hunne schreeuwende kinderen daarmede stil te maken?”

„Mijnheer Oldenbuck!” zeide Dousterswivel gemelijk, „Ik heb het reeds gezegd, Uwé zult niets goed doen, en voor uwe complimenten zal ik wel een middel vinden, om u later te bedanken – ja, dat zal ik!”

„Als de heeren voornemens zijn, den grond op te graven,” zei de oude Adam, „en den raad van eene arme ziel willen aannemen, zou ik met dien grooten steen beginnen, waarop een liggende man afgebeeld is.” [164]

„Ik heb zelf eenige reden, om goede gedachten van dat plan te hebben,” zei de Baronet.

„En ik,” – zeide Oldbuck, – „heb er niets tegen in te brengen: het was niet ongewoon, de schatten in de graven der afgestorvenen te verbergen: – men zou vele voorbeelden daarvan kunnen aanhalen, uit Bartholinus en anderen.”

De grafzerk, dezelfde, waaronder de munten door Sir Arthur en den goudzoeker gevonden waren, werd weder opgelicht, en de grond week gemakkelijk voor de spade.

„Het is nieuw bewerkte grond,” zeide Adam, „en gemakkelijk om hem om te spitten: – dat weet ik wel; want ik werkte eens een zomer bij den ouden Willem Winnet, den doodgraver, en heb meer dan één graf in mijn tijd gemaakt; maar ik verliet hem ’s winters; want het was zeer koud werk; en toen kregen wij eene groene kersmis, en het volk stierf als de muizen; – want gij weet, eene groene kersmis maakt een vet kerkhof; – en ik was nooit, mijn leven lang, tegen harden arbeid bestand; – dus trok ik af en liet Willem zijne laatste woningen alleen graven.”

De spitters waren nu ver genoeg met hun arbeid gevorderd, om te ontdekken, dat de zijden van het graf, hetwelk zij opruimden, aanvankelijk voorzien waren geweest met vier muren van ruwen steen, een langwerpig vierkant vormende, waarschijnlijk ter opname van de doodkist.

„Het is de moeite waard met onzen arbeid voort te gaan,” zei de oudheidkenner, „al ware het alleen uit nieuwsgierigheid. Het zal mij benieuwen te zien, aan wiens graf men zoo buitengewoon veel moeite heeft besteed.”

„Het wapen en het schild,” zeide Sir Arthur met een zucht, „zijn dezelfde als die op Misticot’s toren, welke men veronderstelt dat door Malcolm den overweldiger gebouwd werd. Niemand weet, waar hij begraven is, en er bestaat nog eene oude voorspelling in onze familie, die ons niets goeds belooft, als men zijn graf ontdekt.”

„Ik weet het,” zei de bedelaar, „ik heb het dikwijls gehoord, toen ik nog een kind was:

„Coemt Malcolm Misticot syn graft oyt aen de sonne,

Is ’t lant van Knockwinnock verlore ende ghewonne.”

Oldbuck lag reeds met den bril op den neus op de grafzerk geknield, en trachtte, gedeeltelijk met het oog, gedeeltelijk met den vinger, het vermolmde wapenschild na te gaan, dat bij de beeldtenis van den afgestorven krijgsman uitgehouwen was. „Het is zeker genoeg,” riep hij uit, „het wapen der Knockwinnock’s, met dat der Wardour’s er bij.”

„Richard, bijgenaamd Wardour met de roode hand,” zeide Sir Arthur, „huwde met Sybilla Knockwinnock, de erfgename van het Saksische geslacht, en door deze verbintenis gingen het kasteel en de landerijen over op de Wardours, in het jaar 1150.”

„Juist, Sir Arthur! en hier is de noodlottige balk, het teeken van onechtheid, dwars over de beide wapens. Waar zijn onze oogen geweest, dat wij dit belangrijke gedenkstuk niet al lang geleden ontdekt hebben?”

„Ei ja! waar lag liever de grafsteen, dat hij ons niet vroeger onder de oogen gekomen is?” zei Ochiltree; „want ik heb deze oude kerk, als man en kind, reeds meer dan zestig jaren gekend, en ik heb de zerk nooit te voren gezien, en ze is toch zoo klein niet, dat men ze licht voorbijgaan zou.”

De omstanders werden dus op den vroegeren toestand der bouwvallen in [165]dien hoek van het koor opmerkzaam gemaakt, en allen kwamen overeen, dat zij zich een grooten puinhoop herinnerden, welken men had moeten wegruimen, om den grafsteen zichtbaar te maken. Sir Arthur had zich, wel is waar, hebben kunnen te binnen brengen, het gedenkstuk bij de vorige gelegenheid gezien te hebben; waar hij was te zeer ontroerd geweest, om zich die omstandigheid te herinneren.

Terwijl men zich dus bezig hield met deze herinneringen en redeneeringen, gingen de werklieden niet hun arbeid voort, en daar het uitwerpen der aarde hoe langer zoo moeielijker werd, begon hun de taak ten laatste te vervelen.

„Wij zijn nu tot op den grond,” zei een hunner, „en er is noch kist, noch iets anders hier; – deze of gene slimme vogel zal ons vóór geweest zijn;” en de arbeider klom uit het graf.

„Kom, jongen!” zeide Adam, terwijl hij in zijne plaats in het graf klom; „laat ik eens zien, wat een oude doodgraver kan: – gij kunt goed zoeken, maar slecht vinden.”

Zoodra hij in het graf was, stiet hij zijn staf zoo diep hij kon in den grond benedenwaarts: – hij vond weêrstand, en de bedelaar riep, even als een schooljongen, als hij wat vindt: „Deelen doe ik niet: – alles mijn! Half part doe ik niet!”

Een ieder, van den ter neêrgeslagen Baronet af, tot den misnoegden goudzoeker toe, werd nu door den geest van nieuwsgierigheid bezield; allen verdrongen zich rondom het graf en zouden er in gesprongen zijn, als het ruim genoeg geweest ware, om hen gezamenlijk te bevatten. De werklieden, die in hun vervelenden en waarschijnlijk hopeloozen arbeid begonnen waren te verflauwen! grepen weder naar hunne gereedschappen, en gebruikten ze met den meesten ijver. Hunne schoppen stieten weldra op eene harde houten oppervlakte, die, toen de aarde er van opgeruimd was, den duidelijken vorm aannam van eene kist, welke echter veel kleiner was dan eene doodkist. Dadelijk waren allen in de weer, om ze uit het graf te lichten, en terwijl ze opgeheven werd, verhieven zich alle stemmen over de zwaarte, en voorspelden de waarde er van. Zij hadden zich niet vergist.

Zoodra de kist op den grond geplaatst en het deksel door een houweel er afgebroken was, vond men eerst een omhulsel van grof linnen, dan eene groote hoeveelheid werk, en daaronder eene menigte zilveren staven. Een algemeene vreugdekreet begroette eene zoo verrassende en gewenschte ontdekking. De Baronet hief handen en oogen ten hemel, met de stille verrukking van iemand, die zich van eene onuitsprekelijke kwelling des geestes bevrijd vindt. Oldbuck, die nauwelijks zijne oogen gelooven kon, ligtte het eene stuk zilver na het andere op. Er was geen opschrift op te vinden, noch eenig merk, behalve slechts op één, dat Spaansch scheen te zijn. Aan de echtheid en groote waarde van den schat, die vóór hem lag, kon hij niet meer twijfelen; evenwel legde hij stuk voor stuk ter zijde, en vergeleek de lagen met elkander, verwachtende, dat de onderste van mindere waarde zouden zijn; maar ook te dezen opzichte kon hij geen onderscheid vinden, en hij moest eindelijk bekennen, dat Sir Arthur nu in het bezit was van staven, ter waarde van ten minste duizend pond sterling. Sir Arthur beloofde nu eene ruime belooning aan de werklieden voor hunne moeite, en begon reeds met zijn vriend te overleggen, hoe dezen rijken buit naar het kasteel van Knockwinnock over te brengen, toen de goudzoeker, van zijne verwondering, welke niet minder dan die van al de overige leden van het gezelschap geweest was, eindelijk hersteld, Sir Arthur zachtjes aan de mouw trok, hem [166]zijne nederige gelukwenschingen bracht, en zich dadelijk daarop met een zegevierenden blik tot Oldbuck wendde.

„Ik zeide Uwé, mijn goede vriend, heer Oldenbuck, dat ik gelegenheid zoeken wilde, om Uwé voor Uwé’s hoffelijkheid te bedanken; nu, dunkt het Uwé niet, dat ik daartoe een goed middel gevonden heb?”

„Hoe! gij, mijnheer Dousterswivel? Gij verbeeldt u iets tot onzen voorspoed bijgedragen te hebben! – Gij vergeet, dat gij ons den bijstand van uwe wetenschap weigerdet, man! En gij zijt ook hier zonder de wapens, die de overwinning verzekeren moesten, welke gij nu voorgeeft, te hebben behaald. Gij hebt noch tooverij, noch talisman, noch bezwering, noch kristal, noch geheimzinnige figuren gebruikt. Waar zijn uwe Abraxas en Abrakadabra’s?1

„Uw pad, uw kraai, uw draak, en uw panter,

Uw zon, uw maan, firmament, dierenkring,

Uw Lato, Azoch, Zernich, Chibrit, Heautarit,

Uw kooksels en toestel, met tooverroede en ring,

Te talrijk om hier op te noemen? –

„O, voortreffelijke Ben Jonson! lang moge uwe asch in vrede rusten; gij geesel der kwakzalvers van uwe dagen! – wie had kunnen denken hen weêr te zien opstaan in de onze?”

Het antwoord van den goudzoeker op dezen uitval van den oudheidkenner moeten wij tot ons volgend hoofdstuk bewaren.


1 Beide oude tooverformulieren van dezelfde waarde; de letters van Abraxas moeten het getal 365 bevatten, volgens Vos, 1802. Over Abrakadabra zie Stephanus Woordenb. &c.