Vierentwintigste Hoofdstuk
Claude. Nu zult gij den Koning kennen van ’s bedelaars schat; –
Ja – eer ’t morgen is, zult ge hier een toevlucht vinden, –
Stel mij niet te leur; want, leef ik, dan vergelde ik het u!
’s Bedelaars bosch.
De goudzoeker, besloten, naar het scheen, van het voordeel gebruik te maken, dat de ontdekking hem opgeleverd had, antwoordde met veel trots en deftigheid op den aanval van den oudheidkenner: „Mijnheer Oldenbuck! dat alles mag zeer geestig en aardig zijn; maar ik zeg niets, – in het geheel niets, – aan menschen, die niet gelooven willen, wat zij zelfs met eigene oogen zien. Het is zeer waar, dat ik geen hulpmiddel der kunst bij [167]mij heb; dit echter maakt het wonder nog veel grooter. Maar Uwé, mijn geëerde, en groote, en edelmoedige patroon! – Uwé bid ik de hand in den rechter vestzak te steken, en mij zien te laten, wat Uwé daarin vinden zal!”
Sir Arthur deed wat hem gevraagd werd, en trok er een klein zilveren plaatje uit, waarvan hij zich, bij de vorige gelegenheid met den goudzoeker, bediend had. „Het is waar,” zei Sir Arthur, den oudheidkenner ernstig aanziende; „dit is de schaal van graden en berekeningen, waarnaar de heer Dousterswivel en ik onze eerste ontdekking regelden.”
„Bah! bah! waarde vriend!” riep Oldbuck, „gij zijt te verstandig, om aan den invloed te gelooven van een platgeslagen kroondaalder, met eene menigte wonderlijke krassen er op! Ik zeg u, Sir Arthur, dat, als Dousterswivel geweten had waar dien schat te vinden, gij zelf niet van het geringste gedeelte er van eigenaar zoudt zijn.”
„Met verlof van de heeren,” zeide Adam, die bij iedere gelegenheid een woord in te brengen had, „mij dunkt, waarlijk, dat, daar mijnheer Dousterswivel zoo veel bijgedragen heeft tot het ontdekken van den schat, gij niet minder kunt doen, dan hem voor zijne moeite dat te geven, wat er nog overgebleven is; want hij, die zooveel heeft weten te vinden, zal, zonder twijfel, ook meer weten te ontdekken.”
Dousterswivel keek zeer zuur toen hij dit voorstel hoorde, om hem, naar de uitdrukking van Ochiltree, aan zijne „eigene ontdekkingen” over te laten; maar de bedelaar, nam hem ter zijde, en fluisterde hem een paar woorden in het oor, waarnaar hij aandachtig scheen te luisteren.
„Intusschen,” zei Sir Arthur, wiens hart verzacht was door zijn geluk, „stoor u niet, mijnheer Dousterswivel, aan onzen vriend Monkbarns; maar kom morgen op het kasteel, en ik zal u overtuigen, dat ik niet ondankbaar ben voor de wenken, die gij mij in deze zaak gegeven hebt, en de vijftig pond aan ellendige banknoten, zoo als gij ze noemt, zijn gaarne tot uw dienst. – Komt, jongens, maakt het deksel weêr vast op deze kostbare kist!”
Maar het deksel was in de verwarring ter zijde onder het puin gevallen, of onder de losse aarde, welke men uit het graf opgeworpen had; – in het kort, het was niet meer te vinden.
„Dat doet er niet toe, jongens! Dekt het met het linnen toe, en brengt de kist naar het rijtuig. – Monkbarns, wilt gij gaan? ik moet met u terug, om Isabella af te halen.”
„En ik hoop, om ook uw middagmaal bij ons te gebruiken, Sir Arthur, en een glas wijn te drinken op den gelukkigen uitslag van onze onderneming. Daarbij dient gij over de zaak aan het ministerie te schrijven; men kon er zich wellicht van wege de kroon mede bemoeien. In dat geval zal echter niet veel moeite kosten, om een akte van donatie te krijgen; – maar wij moeten nader daarover spreken.”
„En ik beveel in het bijzonder het stilzwijgen allen aan, die hier tegenwoordig zijn,” zeide Sir Arthur, in het rond ziende. Allen bogen diep, en verklaarden stom als het graf te zijn.
„Wat dat betreft,” zeide Monkbarns; „geheimhouding aan te bevelen, waar een twaalftal menschen met de omstandigheden bekend zijn, die men verbergen wil, is slechts de waarheid in maskerade te doen optreden; want de historie zal rondloopen onder twintig verschillende gedaanten. Maar bekommer u daarover niet; wij zullen de waarheid bij het ministerie bekend maken, en meer is niet noodig.” [168]
„Ik ben voornemens van nacht eene expresse te zenden,” zei de Baronet.
„Ik kan mijnheer er eene aan de hand doen,” zei Ochiltree; „den kleinen David Mailsetter, op des slagers hitje.”
„Wij zullen over de zaak spreken, op weg naar Monkbarns,” zeide Sir Arthur. – (Tot het werkvolk): „Jongens, komt met mij naar de Vier Hoefijzers; daar zal ik al uwe namen opschrijven. – Dousterswivel, ik zal u niet vragen, meê naar Monkbarns te gaan, daar die heer en gij zoo zeer in gevoelens verschillen; maar vergeet niet, mij morgen te komen zien.”
Dousterswivel mompelde een antwoord, waarvan men alleen de woorden „plicht,” – „mijn geëerde patroon” en „Sir Arthur opwachten,” – onderscheiden kon; en nadat de Baronet en zijn vriend de bouwvallen verlaten hadden, gevolgd door de dienaren en werklieden, die in de hoop op eene ruime belooning, vol vreugde waren, bleef de goudzoeker in somber gepeins aan den rand van het open graf.
„Wer hätte das vermuthen können!” riep hij zonder het te weten uit: „Meine Heiligkeit! Ik heb veel van dergelijke dingen gehoord, en veel over zulke dingen verteld. – Aber, sapperment! nooit dacht ik, dat ik zoo iets beleven zou! En had ik maar een voet of drie dieper gegraven, – mijn hemel! het ware alles mijn geweest; en vrij wat meer, dat ik ooit van dien ouden gek had kunnen krijgen!”
Hier eindigde de goudzoeker zijne alleenspraak; want, de oogen opslaande, ontmoette hij die van Adam Ochiltree die het overige gezelschap niet gevolgd was, maar, naar gewoonte op zijn stok rustende, aan de andere zijde van het graf stond. De gelaatstrekken van den ouden man, altijd slim en sprekend, zelfs bijna listig, schenen op dit oogenblik zoo veel bewustheid uit te drukken van hetgeen hij gehoord had, dat zelfs de onbeschaamdheid van den gelukzoeker Dousterswivel daarvoor bezweek. Maar hij zag de noodzakelijkheid eener opheldering in, en, moed scheppende, begon hij dadelijk den bedelaar te polsen over hetgeen gebeurd was. „Goede heer Adam Ochiltree, –”
„Adam Ochiltree, geen heer – uw en ’s konings arme bedelaar!” antwoordde de Blauwrok.
„Nu dan, goede Adam, wat dunkt u van dit alles?”
„Ik dacht juist, dat het zeer beleefd was (want ik durf niet zeggen zeer onnoozel), van u, om aan twee rijke heeren, die landen en eigendommen en geld hebben zonder einde, dezen verborgen schat te geven, (driemaal in het vuur gelouterd, zoo als de Heilige Schrift zegt), die u en nog een paar eerlijke menschen daarbij zoo gelukkig en tevreden zou gemaakt hebben, als de dag lang is!”
„Jawel, Adam, mijn beste vriend! dat is alles zeer waar; maar ik wist niet, das heisst, ik was niet zeker waar ik het geld vinden zou.”
„Hoe! was het dan niet op uw raad, dat Monkbarns en de heer van Knockwinnock hierheen kwamen?”
„Aha! – ja, – juist; maar toch niet. Ik wist niet, dat zij den schat geheel en al zouden vinden, vriend, hoewel ik, aan het hoesten en proesten en kuchen en zuchten, dat ik op zekeren nacht hier onder de geesten hoorde, dacht, dat hier in de buurt schatten en goudstaven zijn moesten. Ach, mijn hemel! de geest zal jammeren en steunen over het geld, als een Hollandsche Burgemeester, die na een feestmaal op het stadhuis, zijne daalders telt.”
„En gelooft gij waarlijk aan zoo iets, mijnheer Dousterswivel? – zulk een verstandig man, als gij – foei, foei!”
„Mijn vriend! ik geloofde er niet meer aan, dan gij, of wie ook, tot ik [169]verleden nacht het spektakel hoorde en weder de oorzaak er van zag, das heisst, eene groote kist vol Mexikaansch zilver – en wat verlangt gij nu, dat ik denken zou?”
„En wat zoudt gij hem geven, die u aan eene tweede kist zilver hielp?”
„Geven? – mijn hemel! – een groot zwaar vierde deel daarvan.”
„Nu, als het mijn geheim was,” zei de bedelaar, „zou ik op de helft staan; want gij begrijpt, dat, ofschoon ik een bedelaars rok draag, en geen goud of zilver kan rondventen, uit vrees van opgepakt te worden, ik er nochtans meer dan één zou kunnen vinden, die het voor mij met grooter voordeel aan den man zou willen brengen, dan gij mij aanbiedt.”
„Ach hemel! Mijn goede vriend! wat zeide ik? – Gij zult drie kwart voor uwe helft, en ik een kwart voor mijn billijk aandeel hebben.”
„Neen, neen, mijnheer Dousterswivel! wij zullen gelijk op deelen; alles wat wij vinden, als broeders. Nu, bezie die plank eens, die ik in den donkeren hoek smeet, terwijl Monkbarns op het zilver stond te staren. Hij is een slimme vent, die Monkbarns. Ik was blij, het voor hem te verbergen. Gij zult de letters beter kunnen lezen, dan ik; – ik ben geen geleerde, ten minste, ik heb niet veel oefening meer.”
Met deze zedige bekentenis van zijne onkunde, bracht Ochiltree van achter een pilaar het deksel der kist te voorschijn, hetwelk men van de hengsels afgebroken had, en in de driftige nieuwsgierigheid, om te weten wat het bedekte, achteloos ter zijde geworpen, en dat naderhand naar het schijnt door den bedelaar verborgen werd. Er stond één enkel woord en één getal op, en de bedelaar maakte het eene en andere duidelijker, door zijn gescheurden blauwen zakdoek te bevochtigen, en er de klei, welke het opschrift bedekte af te wrijven. Het was in de gewone Gothische letter.
„Kunt gij er wijs uit worden?” vroeg Adam aan den goudzoeker.
„S,” zeide de wijsgeer, als een kind, dat zijne les in het schoolboek spelt, „S, T, A, R, C, H, – starch (stijfsel) – dat is, wat de waschvrouwen in de halsdoeken en in de kragen doen.”
„Starch!” herhaalde Ochiltree; „neen, neen, mijnheer Duisterduivel! gij zijt een beter bezweerder, dan geleerde: – het is search, man! search, – dat is zoek! – ziedaar is de e, nu klaar en duidelijk!”
„Aha! – Nu zie ik het. – Het is search; – No. 1! – Mijn hemel! dan moet er ook een nommer twee zijn; want search is, wat de Engelschen zoeken en graven heeten, en dit is eerst nommer een! – Op mijn woord, daar is een groote zware prijs voor ons in het rad, goede heer Ochiltree!”
„Wel, dat mag zijn! – maar wij kunnen nu niet spitten: – wij hebben geene schoppen; want zij hebben die meêgenomen; – en het is waarschijnlijk, dat een van hen terug komen zal, om de aarde in het gat te werpen, en alles weêr in orde te brengen. Maar als gij een oogenblik bij mij in het bosch wilt komen zitten, zal ik u overtuigen, dat gij juist den eenigen man in het land ontdekt hebt, die u van Malcolm Misticot en zijne verborgen schatten bericht kan geven. – Maar eerst zullen wij de letters op de plank uitschrappen, uit vrees dat zij klappen!”
En met behulp van zijn mes schraapte de bedelaar de letters zoo uit, dat ze volstrekt niet meer te onderscheiden waren; daarna besmeerde hij de plank met klei, zoodat alle sporen van zijn werk verdwenen.
Dousterswivel staarde op hem in een weifelend stilzwijgen verdiept. Er vertoonde zich in alles wat de oude man deed, zooveel doorzicht en vlugheid, dat ze hem kenmerkten als iemand, dien men niet licht zou kunnen bedriegen; [170]en evenwel (want de schurken zelven zijn eerzuchtig) gevoelde de goudzoeker de vernedering van eene tweede rol te spelen, en het voordeel met zulk een geringen makker te deelen. Zijne winstzucht was nochtans sterk genoeg, om zijn beleedigden trots te onderdrukken, en hoewel eerder een bedrieger, dan een bedrogene, was hij echter zelf niet geheel vrij van eenig geloof aan de domme kunstjes, waarmede hij anderen soms fopte. Intusschen, gewoon, om bij zulke gelegenheden als aanvoerder te handelen, gevoelde hij zich vernederd bij de beschouwing, dat hij zich in den toestand bevond van een gier, die onder bevel van een raaf op buit uittrekt. – „Ik zal echter zijne historie ten einde hooren,” dacht Dousterswivel, „en het zal hard houden, als ik er geene betere rekening bij maak, dan de heer Adam Ochiltree zich voorstelt!”
De goudzoeker, dus van een onderwijzer in een leerling der geheimzinnige kunst herschapen, volgde Ochiltree lijdelijk naar den Prior’s Eik – eene plaats, zoo als de lezer zich wellicht herinneren zal, op korten afstand van de bouwvallen, – waar hij naast den ouden man plaats nam, en stilzwijgend afwachtte, wat deze hem zou mededeelen.
„Mijnheer Duisterduivel,” begon de bedelaar, „het is al lang geleden, sedert ik over deze zaak heb hooren spreken; want noch de heeren van Knockwinnock, noch Sir Arthur, noch zijn vader, noch zijn grootvader, – en ik herinner mij heel wat van hen, – hoorde er gaarne van spreken, – en nog hooren zij het niet graag; maar dat doet er niet toe; gij kunt verzekerd zijn, dat men er over praatte in de keuken, gelijk over alle andere zaken, in groote huizen, ofschoon in de huisvertrekken verboden, – en zoo heb ik de omstandigheden hooren verhalen door oude dienstboden in de familie; en in deze dagen, dat men de dingen van die soort niet meer ophaalt, zoo als men vroeger placht te doen, twijfel ik, of er iemand in het land is, die van de historie afweet, dan ik, – behalve de heer zelf; want er is een perkamenten boek van, zoo als ik gehoord heb, in de bibliotheek op het kasteel van Knockwinnock.”
„Goed! – dat is alles zeer goed; – maar ga voort met uwe historie, mijn goede vriend!” zeide Dousterswivel.
„Wel nu, ziet gij,” vervolgde de bedelaar, „dit is eene zaak, die in de oude tijden voorviel, in de tijden, dat men het geheele land door roofde en plunderde, toen het heette ieder voor zich zelven, en God voor ons allen; toen het niemand aan iets ontbrak, als hij de macht had, om het te nemen, en hij ook niet langer zijn eigendom behield, dan hij de macht had, om het te verdedigen. Het ging juist zoo: nu boven, dan er onder, wie het sterkste was; en zoo ging het hier in het oosten van ons land, en buiten twijfel in het overige gedeelte van Schotland juist op dezelfde wijze!”
„Nu: in deze dagen kwam Sir Richard Wardour in deze streken, en deze was de eerste van den naam, die ooit in dit land was. – Sedert zijn tijd zijn er vele geweest, en de meesten, even als hij dien men Hel in ’t Harnas noemde, slapen ginds onder de bouwvallen. Het was een trotsch en hard slag van menschen, maar vol moed, en zij streden voor het best van het land; – God zegene hen allen! – Men noemde hen de Normandische Wardours, ofschoon zij uit het zuiden in dit land kwamen. Dus maakte Sir Richard, dien zij de Roodhandige noemden; kennis niet den ouden Knockwinnock van dien tijd; – want toen heetten zij Knockwinnock, naar het goed, of, zoo gij wilt, de Knockwinnocks van Knockwinnock, – en hij wenschte diens eenige dochter te trouwen, om het kasteel en het land er bij [171]te krijgen. Ongaarne, zeer ongaarne, wilde het meisje, – zij werd Sybille Knockwinnock genoemd, zoo als zij zeiden, die mij de historie vertelden, – het huwelijk aangaan; want zij was reeds al te zeer ingenomen met een neef van haar, tegen wien de vader iets had opgevat; en zoo kwam het, dat zij pas vier maanden met Sir Richard getrouwd was, – want trouwen moest zij hem, – of zij verrastte hem met een kindje, en wel met een frisschen jongen. – Dat gaf toen een spel, zoo als men er nooit een zag; en: „zij moet verbrand, en het kind vermoord worden,” waren de zachtste woorden, die men vernam. Maar het werd op de eene of andere wijze bijgelegd, en men zond het kind naar de Hooglanden, waar men het opvoedde; en het groeide op tot een wakkeren knaap, gelijk menig ander, die op eene verkeerde wijze in de wereld komt, en Sir Richard met de Roode Hand had een deugdelijken spruit van zijn eigen, en alles bleef bedaard en rustig, tot hij onder den grond lag. Maar toen kwam Malcolm Misticot – (Sir Arthur zegt, dat het Misbegot moet zijn; maar zij hebben hem Misticot genoemd, al lang geleden,) nu deze Malcolm kwam aanzetten, met eene bende langbeenige Hooglanders uit Glen-Isla, die altijd gereed zijn om kwaad te doen, en hij beweerde, dat het kasteel en de landerijen hem toekwamen, als den oudsten zoon van zijne moeder, en hij dreef er de Wardours uit, naar de bergen. En er kwam eene soort van gevecht, of bloedige vete uit voort; want de edelen kozen verschillende partijen; maar Malcolm behield langen tijd de overhand, en nam het kasteel van Knockwinnock in bezit, en bouwde dien grooten toren, welken zij tot op den huidigen dag Misticot’s toren noemen.”
„Mijn goede vriend, oude heer Adam Ochiltree!” viel hem Dousterswivel in de rede, „dit is alles niets anders, dan eene van die lange histories van kale baronnen met zestien kwartieren in mijn eigen land; maar ik zou liever van het zilver en het goud hooren.”
„Wel, zie je, deze Malcolm werd bijgestaan door een oom, een broeder van zijn vader, die Prior was, hier van St. Ruth, en zij verzamelden met elkander groote schatten, om de opvolging van hun huis in de goederen der Knockwinnock’s te verzekeren. – Het volk zegt, dat de monniken in die dagen de kunst hadden, om de edele metalen te vermenigvuldigen; – in elk geval, zij waren zeer rijk. Ten laatste kwam het zoover, dat de jonge Wardour, die de zoon was van den Roodhandige, Misticot uitdaagde, om met hem te vechten in het strijdperk, – een afgesloten ding, dat men voor hen oprichtte, om als twee kemphanen te vechten. Wel nu, Misticot werd overwonnen, en was in de handen van zijn halfbroeder. Maar deze wilde hem het leven niet benemen, om het bloed van Knockwinnock, dat in zijne aderen vloeide: dus werd Malcolm genoodzaakt om monnik te worden, en hij stierf kort daarna in de priorij, enkel van spijt en verdriet. Niemand weet, waar zijn oom, de abt, hem liet begraven, of wat hij deed met zijn goud en zilver; want hij stond op de rechten van de kerk, en wilde er niemand rekenschap van geven. Maar het sprookje is in het land verspreid, dat, als men ooit het graf van Misticot ontdekt, het goed van Knockwinnock verloren en gewonnen zal worden.”
„Ach, en dat is zeer mogelijk, mijn goede oude vriend, heer Adam! als Sir Arthur met zijne goede vrienden twist wil maken, om den heer Oldbuck te believen. En alzoo denkt gij, dat dit goud en zilver aan den goeden heer Malcolm Mishdigot toebehoort?”
„Wel zeker denk ik dat, mijnheer Duisterduivel!”
„En gij gelooft, dat er nog meer van te vinden is?” [172]
„Zeer zeker, geloof ik dat! – Hoe zou het anders zijn: – Search – No. 1. – Dat is even zoo veel gezegd, als: zoek en gij zult nommer twee vinden! Bovendien, die kist bevat slechts zilver, en ik heb gehoord, dat Misticot’s verborgen rijkdom uit veel geel goud bestaat.”
„Nu dan, mijn goede vriend!” zei de goudzoeker, haastig opspringende, „waarom niet dadelijk onzen kleinen arbeid verricht?”
„Om twee goede redenen,” antwoordde de bedelaar, die in dezelfde houding bedaard bleef zitten; „vooreerst, omdat, zoo als ik u reeds zeide, wij niets hebben, om meê te graven; – want zij namen de houweelen en schoppen mede; en ten tweede, omdat er eene menigte leêgloopers komen zullen, om op het gat te staroogen, zoolang de zon aan den hemel is, en wellicht zend de heer iemand, om het toe te smijten. Maar als ge mij hier, op deze plaats, om twaalf uur van nacht, met eene dievenlantaaren wilt komen zoeken, zal ik gereedschap bij de hand hebben, en wij zullen met ons beiden het werk verrichten, zonder dat iemand er iets van weet.”
„Maar, – doch, – maar, mijn goede vriend!” zei Dousterswivel, die zijn nachtelijk avontuur nog niet geheel vergeten kon, zelfs niet in de schitterende hoop, die het verhaal van Adam bij hem opgewekt had, „het is niet zoo heel veilig en sekuur bij het graf van den goeden heer Mishdigot ’s nachts; – gij hebt vergeten, dat ik u zeide, dat de geesten daar jankten en spookten. Gewis het spookt dáár!”
„Als gij bang zijt voor geesten,” antwoordde de bedelaar koeltjes, „zal ik de taak zelf verrichten, en u uw aandeel van den schat brengen, op welke plaats gij verkiest te bepalen!”
„Neen, – neen, – mijn voortreffelijke oude heer Adam! – dat is al te veel moeite; – dat wil ik niet vergen: – ik zal zelf komen, – en dat zal ook beter zijn; want, mijn oude vriend, ik, Herman Dousterswivel, was het, die het graf van Mishdigot vond, toen ik eene plaats zocht, om er eenige munten in te verbergen, waarmede ik mijn vriend Sir Arthur eene poets wilde spelen, alleen voor de aardigheid en tot tijdverdrijf. Daar nam ik iets van het puin weg, en vond het graf van den heer Mishdigot. – Het is alsof hij wilde, dat ik zijn erfgenaam zou zijn! – en het zou dus onbeleefd van mij wezen, als ik niet zelf de erfenis kwam halen.”
„Om twaalf uur dus,” zei de bedelaar, „zien wij elkander weêr onder dezen boom. – Ik zal een tijd lang oppassen, dat niemand zich met het graf bemoeie: – ik heb maar te zeggen, dat de heer het verboden heeft; – dan ga ik mijn avondmaal halen bij Ringan, en vraag hem, in zijne schuur te mogen slapen, en ik zal er van nacht uit gaan, en niet gemist worden.”
„Doe dat; mijn goede heer Adam! en ik zal hier op deze plek zijn, al mochten ook alle geesten hoesten en zich de hersens uitproesten!”
Met deze woorden gaf hij den ouden man de hand, en beide, wederkeerig de belofte gedaan hebbende van getrouw te zijn aan de afspraak, scheidden voor het oogenblik. [173]