Zesentwintigste Hoofdstuk
Het ga u goed, o visschers pink!
Vlieg spoedig heen en weêr!
Het ga u goed, o visschers pink!
Kom, voed ons, als weleer!
’t Zijn menschenvrienden, die gij draagt,
God! sta den visscher bij!
Maak hem, die stout zijn leven waagt,
Het leven lustig, blij!
Oude ballade.
Wij moeten nu den lezer brengen in het binnenste der visschershut, die wij in een vorig hoofdstuk van deze stichtelijke geschiedenis uiterlijk leerden kennen. Ik wenschte te kunnen zeggen, dat die inwendig ordelijk, van net huisraad voorzien, en tamelijk zindelijk was. Maar ik vind mij in tegendeel genoodzaakt te erkennen, dat er wanorde, – dat er verval heerschte, en – dat men er eene aanmerkelijke hoeveelheid stof vond. Met dat al vertoonde zich bij de huisgenooten, Luckie Mucklebackit en haar gezin, een schijn van welvaart, van overvloed en van levensgenot, die hun eigen walgelijk spreekwoord, „hoe morsiger, hoe warmer!” scheen te bevestigen. Een groot vuur brandde in den haard, ofschoon men midden in den zomer was en diende ter zelfder tijd, om licht, warmte en middelen voor de toebereiding der spijzen te verschaffen. De vischvangst was voordeelig geweest, en het [181]huisgezin had zich, met de gewone zorgeloosheid omtrent de toekomst, sedert de ontscheping der vracht, onafgebroken bezig gehouden met het bakken en braden van dat gedeelte der opbrengst, hetwelk voor het huiselijk gebruik bewaard werd; en de graten en overblijfselen lagen op houten borden, onder stukken van overgebleven havermeelkoek, en afgewisseld door half uitgedronken kannetjes bier. De forsche en groote gestalte van Maggie zelve, zich werende onder een hoop half volwassen meisjes en jongere kinderen, van welke zij de eene hier, de andere daarheen stiet, nu en dan met den uitroep: „Uit den weg, lastig ding!” stak bijzonder af, bij den lijdelijken en half wezenloozen blik en toestand van haar mans moeder, eene vrouw van hoogen ouderdom, die in haren leuningstoel bij het vuur zat, welks warmte zij zocht, maar nauwelijks scheen te gevoelen; nu eens bij zich zelve mompelende, dan eens, bij tusschenpoozen, de kinderen flauw toelachende, als zij aan de banden van hare muts trokken, of met haar blauw geruiten voorschoot speelden. Het spinrokken in den boezem, en de klos in de hand, werkte zij traag en wezenloos, naar de oud-Schotsche wijze, aan hare oud-Schotsche taak. De kleinste kinderen, die tusschen de beenen van de grooteren door kropen, letten er op, hoe grootmoe’s klos grooter werd, en waagden het nu en dan, hem tegen te houden, als hij heen en weêr op den vloer danste met eene onregelmatigheid, welke, bij de tegenwoordig beter ingerichte spinnewielen zoo goed belet wordt, dat zelfs de verwenschte prinses uit het tooversprookje geheel Schotland zou kunnen doortrekken, zonder gevaar te loopen van hare hand aan de klos van een spinnewiel te wonden en aan die wond te sterven.
Hoe laat het ook wezen mocht (want het was reeds lang na middernacht), bevond zich echter het gansche huisgezin nog op de been, en dacht er niet aan, om naar bed te gaan. De huisvrouw was nog druk bezig met eene soort van koeken (bij de visschers in Schotland onder den naam van carcakes bekend), en de oudste dochter, de half naakte meermin, van wie wij elders gewaagden, bereidde een grooten schotel schellevisch, boven groen hout gerookt, om bij deze smakelijke koeken genuttigd te worden.
Terwijl zij dus bezig waren, kondigde een zacht tikken op de deur, gepaard met de vraag: „Zijt ge nog op?” een bezoeker aan. Het antwoord „Ja, ja, – ga je gang; kom binnen!” deed de klink oplichten, en Jenny Rintherout, de meid van onzen oudheidkenner, verscheen in het vertrek.
„Ei, ei!” riep de vrouw van het huis uit, – „hoe! zijt gij het, Jenny, het is een gelukje, meid, als men u eens te zien krijgt.”
„O, mensch! wij hebben het altijd zoo druk gehad met de wond van Kapitein Hector, dat ik in geen veertien dagen den voet buiten de deur gezet heb; maar, hij is nu beter, en de oude Caxon slaapt in zijne kamer, in geval hij wat noodig heeft. Dus, zoodra ons volk naar bed was, bond ik mijn haar wat op, en liet de huisdeur op de klink, als er iemand uit of in moest terwijl ik er niet was, en ik kom hier eens aanloopen, om te hooren, of er wat nieuws onder ulieden was.”
„Ei, ei!” antwoordde Luckie Mucklebackit; „ik zie gij hebt u opgeschikt; – gij zoekt Steven; – maar hij is van nacht niet te huis, – en gij lijkent Steven niet, meid! – zulk een onnoozel ding als gij, is niet in staat, om een man te onderhouden.”
„Steven zou mij niet lijkenen!” antwoordde Jenny met eene beweging van het hoofd, die eene dame van hoogere geboorte goed gestaan zou hebben, – „ik moet een man hebben, die zijne vrouw onderhouden kan.” [182]
„O, ja – zoo denkt gij landlieden en stedelingen! Waarlijk! de visschersvrouwen weten het beter; – zij bestieren den man, en bestieren het huis, en bestieren het geld er bij, meid!”
„Gij zijt niets dan ongelukkige, arme sloffen,” antwoordde de landnimf aan de nimf der zee. – „Zoodra de kiel van een visschers pink grond raakt, weigert de luie visscher, eene hand meer uit te steken; maar de vrouwen moeten haar kleed opbinden, en naar boord waden, om den visch aan strand te halen. En dan legt de man het natte pak af, en doet er een droog aan, en zet zich met zijne pijp en zijne jeneverflesch in den hoek van den haard, als eene oude baker, en wil geen voet verzetten, tot de pink weêr vlot is! – En de vrouw – zij moet de mand op den rug nemen, en weg met den visch naar de naastgelegen stad, en keffen en vloeken met elk wijf, dat met haar keffen en vloeken wil, tot zij hare vracht verkocht heeft, – en dat is het vroolijke leven der visschersvrouwen, ellendige slavinnen!”
„Slavinnen? loop heen, meid! – kan ’t hoofd van het huis eene slavin zijn? gij weet er weinig van, meid! – Noem mij één woord, dat mijn Saunders durft spreken, of toon mij één stap, dien hij in huis mag zetten, als het niet juist is, om zijn eten, en zijn drinken, en zijn uitspanning te nemen, – juist als een kind. Hij heeft te veel verstand, om iets in het geheele huis het zijne te noemen, van den dakspar af, tot een gebroken houten schotel op het rek. Hij weet best wie hem voedt en hem kleedt, en alles hecht en dicht houdt, als zijne pink op de golven danst, de arme vent! Neen, neen, meid! – zij, die de waar verkoopen, bestieren de beurs, – zij, die de beurs bestieren, bestieren het huis, – toon mij één van de geringste uwer boeren, die hunne vrouwen de vruchten naar de markt zouden laten brengen, en het geld ophalen, dat zij in te vorderen hebben! Neen, neen!”1
„Wel, wel, Maggie! elk land heeft zijne eigene gewoonten; – maar waar is Steven van nacht? wanneer kwam hij te huis en waarom ging hij uit? en waar is uw man?”
„Ik heb mijn man naar bed gezonden; – want hij was zeer afgetobd; en Steven is uit, op een pretje, met den ouden Blauwrok, Adam Ochiltree: – zij zullen weldra weêr komen, en gij kunt zoo lang gaan zitten.”
„Inderdaad, moeder!” (een stoel nemende), „ik heb niet lang tijd, om te blijven: – maar ik moet u wat nieuws vertellen. Gij zult gehoord hebben van de groote kist met goud, die Sir Arthur hier dichtbij, te St. Ruth, gevonden heeft? – Hij zal nu trotscher dan ooit te voren zijn; – hij zal het hoofd niet kunnen buigen om te niezen, uit vrees van zijne schoenen te zien!”
„O ja! – de geheele buurt is er vol van; maar de oude Adam zegt, dat zij er tienmaal meer van maken, dan het is, en dat hij de kist heeft zien opdelven. Inderdaad, eene arme ziel, die het noodig heeft, zou lang kunnen wachten, eer hem zulk een geluk ten deel viel!”
„Ja, dat is zeker! – en gij zult gehoord hebben, dat de Gravin van Glenallan dood is, en op een prachtbed ligt, en heden nacht te St. Ruth zal begraven worden met flambouwen; en al de Roomsche bedienden, en [183]Ringan Aikwood, die ook Roomsch is, zullen er bij zijn, en het zal zulk eene heerlijke vertooning wezen, als men er ooit eene gezien heeft!”
„Ei, voorwaar,” antwoordde de waternimf, „als er slechts Katholieken bij verzocht worden, kan de vertooning niet zoo heerlijk zijn; want de oude bedriegster zoo als de eerwaarde heer Blattergowl de Roomsche Kerk noemt, heeft weinig aanhangers hier; maar waarom begraven zij het oude wijf, (het was een kras mensch) ’s nachts – ik ben zeker, dat moeder dat weet!”
Hier verhief zij de stem, en riep een paar maal: „Moeder! moeder!” maar verzonken in de bewusteloosheid der jaren en der doofheid, ging de oude vrouw, tot wie zij zich wendde, met spinnen voort, zonder haar te hooren.
„Spreek gij tegen grootmoe, Jenny! – ik zou liever de pink op eene halve mijl afstands toeroepen, met een noordwesten wind mij vlak in de tanden!”
„Grootmoe!” riep de kleine meermin op een toon, waaraan de oude vrouw beter gewend was, „moeder wilde weten, waarom de menschen van Glenallan hunne dooden altijd bij nacht, en met flambouwen te St. Ruth begraven?”
De oude vrouw hield een oogenblik op met hare klos te draaien, keerde zich tot de aanwezigen, legde de dorre, bevende, magere hand op het bleeke, gerimpelde aangezicht, dat de levendige beweging van twee lichtblauwe oogen hoofdzakelijk van het gelaat eens dooden onderscheidde, en, als was zij blijde, om eenig aanrakingspunt te vinden met de levende wereld, antwoordde zij: „Waarom de Glenallan’s de dooden bij toortslicht begraven? – Is er dan nu een Glenallan gestorven?”
„Wij konden allen dood en begraven zijn,” zei Maggie, „zonder dat gij er iets van weten zoudt;” en toen de stem verheffende zoodat hare schoonmoeder haar hooren kon, voegde zij er bij: „Het is de oude Gravin, grootmoe!”
„En is zij dan eindelijk heengegaan!” zei de oude vrouw met eene stem, die van meer gevoel beefde, dan haar buitengewoon hooge ouderdom, en de algemeene onverschilligheid en wezenloosheid van hare natuur medebrachten; – „is zij dan eindelijk opgeroepen om rekenschap te geven van hare lange loopbaan van overmoed en hoogheid? – De Heere zij haar genadig!”
„Maar moeder vroeg u,” hernam Jenny, „waarom de Glenallans hunne dooden bij toortslicht begraven?”
„Zij hebben dat altijd gedaan,” hernam de grootmoeder, „sedert den tijd, dat de groote Graaf in den bloedigen slag bij Harlaw viel, toen men zegt, dat de lijkzang aangeheven werd van de monding van de Tay tot aan den berg Cabrach, zoodat men overal niets hoorde, dan dat treurgekerm over de menigte groote lui, die gevallen waren in het gevecht tegen Donald van de eilanden. Maar de moeder van den grooten Graaf leefde, – zij behoorden tot een moedig en fier ras, de vrouwen van het huis van Glenallan, – en zij wilde niet, dat men den lijkzang aanhief voor haren zoon, maar liet hem in de stilte van den middernacht begraven, zonder den rouwbeker te vullen, of den treurzang aan te heffen. – Zij zeide, dat hij den dag van zijn eigen dood genoeg Hooglanders had neêrgeveld, zoodat hunne weduwen en dochters den lijkzang mochten zingen over degenen, die zij verloren hadden, en tevens over haar zoon, en zoo legde zij hem in het graf, met droge oogen, en zonder zuchten of tranen. – En dit werd in de familie als een waardig woord beschouwd; en zij zijn er bij gebleven; – en meer nog in latere tijden, omdat zij in den nacht meer vrijheid hadden, om hunne Roomsche plechtigheden bij duisternis en in het geheim te verrichten, dan bij daglicht, – ten minste [184]dat was het geval in mijn tijd; zij zouden anders over dag verontrust zijn geworden door het gerecht en het gemeen van Fairport; – zij mogen nu meer vrijheid hebben; – de wereld is veranderd. – Ik weet soms nauwelijks meer, of ik sta, dan of ik zit, of ik leef, dan of ik dood ben!”
En in het vuur starende, in den staat van wezenloosheid, waarover zij klaagde, verviel de oude Elspeth weder tot hare gewone en werktuigelijke bezigheid bij het spinnewiel.
„Wel!” zei Jenny Rintherout, binnensmonds, tegen Maggie, „het is verschrikkelijk, uwe schoonmoeder zoo te hooren uitvallen; – het is alsof de dood tot de levenden sprak!”
„Gij hebt het zoo ver niet mis, meid! zij onthoudt niets van al wat er in den loop van den dag gebeurt; maar breng haar op oude histories, dan kan zij spreken als een gedrukt boek. Zij weet meer van de familie Glenallan, dan de meeste menschen; – mijn mans vader was langen tijd hun vischverkooper. Gij moet weten, dat de Roomschen veel visch gebruiken, en voor ons ten minste is te dien opzichte hun godsdienst goed, hoe die ook overigens is. Ik kon altijd den besten visch tegen den hoogsten prijs voor de tafel van de Gravin kwijt raken – zij ruste in vrede! voornamelijk op een Vrijdag. – Maar zie eens, hoe moeders handen en lippen gaan, – nu werkt het in haar hoofd als gist: – zij zal van nacht genoeg praten; – anders spreekt zij geen woord in de geheele week, of het moest tegen de kleine kinderen zijn.”
„Zeker, vrouw Mucklebackit, het is een mensch om bang voor te wezen: – maar denkt gij, dat zij geheel en al bij haar verstand is? – Men zegt, dat zij niet in de kerk gaat, of met den dominé spreekt, en dat zij vroeger Roomsch was; maar sedert haar mans dood weet niemand wat zij is; – gelooft gij zelve, dat zij geheel bij haar verstand is?”
„Bij haar verstand, onnoozele meid! denkt gij, dat eene oude vrouw minder verstandig is, dan eene andere, of het moest Alison Breck zijn! – Ik zou inderdaad niet voor haar willen instaan. – Ik heb de doozen gezien die zij met kreeften vulde, toen –”
„Stil, stil, Maggie; uwe schoonmoeder gaat weêr spreken!”
„Was er niet iemand van u, die zeide,” vroeg de oude Sybille, „of droomde ik het, of is het mij geopenbaard, dat Joscelinde, gravin van Glenallan, dood en heden nacht begraven is?”
„Ja, moeder!” schreeuwde de schoondochter, „zoo is het!”
„En zoo zij het!” zei de oude Elspeth; „in haar leven maakte zij menig hart bedroefd, zelfs dat van haren zoon; – leeft hij nog?”
„Ja, hij leeft nog; – maar evenwel – hoe lang hij nog leven zal! – heugt u niet, dat hij in de lente naar u is komen zien en geld voor u achterliet?”
„Het kan zijn, Maggie! – ik herinner het mij niet; – maar hij was een braaf heer, en zijn vader vóór hem. Och! als zijn vader geleefd had, hadden het gelukkige menschen kunnen wezen! – maar hij was er niet meer, en de dame dreef het te ver met haren zoon, en deed hem iets gelooven, dat hij nooit had moeten gelooven, en iets doen, waarover hij zijn gansche leven berouw heeft gehad, en altijd berouw hebben zal, al was zijn leven zoo lang, als mijn eigen lang en verdrietig leven.”
„O, wat was dat, grootmoe?” en „wat was het, moeder?” en „wat was het Lukie Elspeth?” vroegen de kinderen, de moeder, en de bezoekster, in één adem. [185]
„Vraagt nooit, wat het was; maar bidt God, dat gij niet overgeleverd moogt worden aan den hoogmoed en de boosheid van uwe eigene harten! Die kunnen even machtig werken in eene hut, als in een kasteel; – ik kan er eene droevige getuigenis van afleggen. – O, die ongelukkige en verschrikkelijke nacht! zal die mij nooit uit het hoofd gaan? – Och! haar op den vloer te zien liggen, met hare lange haren druipende van het zoute water! – De Hemel zal het wreken op degenen, die er meê te doen hadden. – Is mijn zoon in dezen stormachtigen nacht uit met de pink?”
„Neen, neen, moeder! – geene pink kan zee houden bij dezen wind; – hij slaapt in zijn bed ginds, achter in de kamer.”
„Is Steven dan op zee?”
„Neen, grootmoe! – Steven is uit met den ouden Adam Ochiltree, den blauwrok – mogelijk zijn zij gegaan, om de begrafenis te zien.”
„Dat kan niet zijn,” zei de moeder van het gezin, „wij wisten er niets van, tot dat Jan Rand kwam, en ons vertelde, dat de Aikwood’s gewaarschuwd waren, om er bij te zijn. Zij houden alles zeer geheim, en zij wilden het lijk den geheelen weg van het kasteel, tien mijlen ver, in de duisternis van den nacht brengen. Zij heeft op een praalbed gelegen, tien dagen lang, op het kasteel van Glenallan, in eene groote kamer met zwart behangen, en met waskaarsen verlicht.”
„God vergeve haar!” riep de oude Elspeth uit, in wier hoofd, zoo het scheen, de dood der Gravin steeds nog spookte. – „Zij was eene harde vrouw; maar zij is heen gegaan, om er rekenschap van te geven, en Zijne goedertierenheid is oneindig! – God geve dat zij dat ondervinde!” – En zij verviel weder tot een stilzwijgen, dat zij gedurende het overige gedeelte van den nacht niet meer verbrak.
„Ik begrijp niet, wat de oude, dolle bedelaar en onze zoon Steven uitvoeren in een nacht als deze,” zeide Maggie Mucklebackit, en hare uitroeping van verwondering werd door hare bezoekster herhaald. „Ga, een van u, ginds op den top van de klip, en roep hen toe, als zij u hooren kunnen; – de koeken zullen tot kool verbranden.”
De kleine bode vertrok, maar kwam na weinige minuten weêr binnen stuiven met een luiden uitroep: „Hé, moeder! hé, grootmoe! daar is een wit spook, dat twee zwarten de klip af najaagt.”
Het geluid van voetstappen volgde op deze zonderlinge aankondiging, en de jonge Steven Mucklebackit, op de hielen gevolgd door Adam Ochiltree, vloog de hut binnen. Zij hijgden en waren buiten adem. Het eerste, wat Steven deed, was naar den boom van de deur te zien, maar die was in den harden winter, voor drie jaren, tot brandhout gemaakt: „want waartoe, zeide zijne moeder, „zouden boomen dienen, voor ons gelijken?”
„Er is niemand, die ons nazet,” zei de bedelaar; „wij geleken zoo even op de boosdoeners, die vluchten, ook wanneer zij niet vervolgd worden.”
„Wij werden wel degelijk vervolgd,” zeide Steven, „door een spook of iets, dat niet veel beter was.”
„Het was een man in ’t wit, te paard,” zeide Adam; „want de losse grond, die het beest niet dragen kon, deed hem heen en weêr slingeren; – ik wist dat wel; maar ik had niet gedacht; dat mijne oude beenen mij er zoo gauw zouden hebben afgebracht; ik liep bijna zoo hard, alsof ik bij Prestonpans geweest ware.”
„Zwijgt, malle schepsels!” zeide Luckie Mucklebackit, „het zal een der dienaren bij de begrafenis van de Gravin geweest zijn.” [186]
„Hoe!” zeide Adam, „is de oude Gravin heden nacht te St Ruth begraven; – „Zóó? dat waren dus de lichten en het geraas, die ons van schrik deden vluchten. Ik wilde dat ik het geweten had; – ik had ze gestaan en den kerel ginds niet laten liggen; – maar zij zullen wel voor hem zorgen. Gij sloegt wat te hard, Steven! – wie weet, of gij den schurk niet dood sloegt!”
„Wel neen,” zeide Steven lachende; „hij heeft goede breede schouders, en ik nam er met mijn stok de maat van. – Inderdaad, als ik het niet kort met hem gemaakt had, zou hij u de oude hersens uit het hoofd geslagen hebben, vriend!”
„Wel, als ik van deze grap goed afkom,” zeide Adam, „zal ik de Voorzienigheid niet meer tergen. Maar ik kan niet denken, dat het zonde is, eene kleine poets te spelen aan zulk een landlooper en schurk, die leeft van de streken, waarmede hij eerlijke lieden oplicht.”
„Maar wat deed hij hiermede?” zeide Steven, een zakboek voor den dag halende.
„God helpe ons, man!” zeide Adam, met groote ontroering, „wat deed u die waar aanraken? een enkel blad van dat zakboek zou genoeg zijn, om ons beide op te hangen!”
„Ik wist het niet,” zeide Steven; „het boek, geloof ik, is hem uit den zak gevallen; want ik vond het tusschen mijne voeten, toen ik rondtastte, om hem weêr op de been te zetten, en stak het in mijn zak, om het te bewaren; en toen kwam dat paardengetrappel, en gij riept: loopt! loopt! en ik dacht niet meer om het boekje.”
„Wij moeten het aan den eigenaar terug bezorgen, op de eene of andere wijze; het beste zou zijn, denk ik, dat gij het zelf, met het aanbreken van den dag, bij Ringan Aikwood bracht. Ik wou voor geen honderd pond, dat men het in onze handen vond!”
Steven nam op zich, om te doen, zoo als men hem aanbevolen had.
„Gij hebt den nacht op eene schoone wijze doorgebracht,” zeide Jenny Rintherout, die, ongeduldig van zoo lang onopgemerkt te blijven, zich nu zelve aan den jongen visscher voorstelde; – „gij hebt den nacht op eene schoone wijze doorgebracht, met rondloopen met oude bedelaars, en u weerwolven op den hals te halen, terwijl gij in uw bed had moeten liggen slapen, gelijk de brave man, uw vader.”
Deze aanval gaf aanleiding tot een gepast antwoord van den plaagzieken jongen visscher. Een algemeene aanval, op de koeken en den gerookten visch ving nu aan, en werd met groote volharding voortgezet, onder den bijstand van een paar bekers bier en eene flesch jenever. De bedelaar trok zich daarop terug naar het stroo, in een nabij gelegen schuurtje; – de kinderen waren, het één voor het ander na, in hun nest gekropen; de oude grootmoeder werd op haar bed gelegd; – Steven, zonder om zijne reeds uitgestane vermoeienis te denken, had de hoffelijkheid, om Jenny Rintherout naar huis te geleiden, en de geschiedenis vermeldt niet hoe laat hij terugkeerde, en de moeder des huisgezins, na het vuur opgepord, en alles in orde gebracht te hebben, begaf zich het laatst van de huisgenooten ter rust. [187]