WeRead Powered by ReaderPub
De oudheidkenner cover

De oudheidkenner

Chapter 28: Zevenentwintigste Hoofdstuk
Open in WeRead

About This Book

The narrative follows a young traveller who, while preparing for a short journey, becomes involved with an elderly, eccentric collector of historical curiosities and the colourful local people around him. Episodes combine gentle comedy of manners, vivid local portraiture, and a developing mystery about old papers and contested property that spurs inquiries, disputes, and probes into ruins and records. A romantic strand and several reconciliations are woven through debates over authenticity, heritage, and changing tastes, and the work shifts between satirical sketches and more sincere reflections on memory, learning, and community.

[Inhoud]

Zevenentwintigste Hoofdstuk

– Menige groote kon missen

Zijn halve goed, had hij de kunst en gunst

Van bedelen op hoogen trant.

Het bedelaarsbosch.

De oude Adam was met den leeuwerik op, en zijne eerste vraag was naar Steven en het zakboek. De jonge visscher had zijn vader reeds vóór den dageraad moeten vergezellen, om den vloed niet te verzuimen; maar hij had beloofd, dat hij, dadelijk na zijne terugkomst, het zakboek, met alles wat er in was, zorgvuldig in een stuk zeildoek gepakt, aan Ringan Aikwood zou ter hand stellen voor Dousterswivel, den eigenaar.

De moeder had het morgenmaal voor het huisgezin klaar gemaakt, en begaf zich, met hare vischmand op den schouder, met krachtige schreden op weg naar Fairport. De kinderen liepen buiten het huis; want het was een schoone dag, en zonneschijn. De oude grootmoeder, weêr op haren matten stoel gezeten, had haar eeuwige spinrokken hervat, en bleef onbeweeglijk, bij het gejoel en geschreeuw der kinderen, en het kijven der moeder, dat het verspreiden van ’t huisgezin was vooraf gegaan. Adam had zijne zakken in orde gebracht, en stond uitgerust, om op nieuw zijn zwervend leven te beginnen, maar naderde eerst met behoorlijke beleefdheid de oude vrouw, om afscheid van haar te nemen.

„Goeden dag, vrouwtje, en de hemel schenke u er vele van. Ik zal in het begin van den herfst weêrkomen, en ik hoop u gezond en wel te vinden.”

„Bid, dat ge mij in mijn stil graf moogt vinden,” zei de oude vrouw, met eene holle stem, maar zonder eenige uitdrukking op haar gelaat.

„Ge zijt oud, moeder! en dat ben ik ook; maar wij moeten wachten. Zijn wil! – wij zullen op onzen tijd niet vergeten worden!”

„En onze daden ook niet,” antwoordde de oude; „wat in het lichaam gedaan is, moet in den geest verantwoord worden!”

„Ik weet, dat het zoo is; en ik mag dat gezegde wel onthouden, daar ik een los en zwervend leven geleid heb. Maar gij waart altijd eene brave vrouw! Wij zijn allen zwak; – maar gij kunt toch zoo veel niet hebben, om er onder gebukt te gaan.”

„Minder dan ik had kunnen doen, maar meer, o veel meer dan genoeg, om den grootsten brik, die ooit uit de haven van Fairport zeilde, te doen zinken! – Zei er gisteren niet iemand, – ten minste zoo staat het mij voor, – maar oude lieden hebben vreemde verbeeldingen, – zei niet iemand, dat de Gravin van Glenallan gestorven was?”

„Wie het ook zeide, heeft de waarheid gesproken,” antwoordde de bedelaar; „zij werd gisteren bij toortslicht te St. Ruth begraven, en ik, als een gek, ik kreeg een schrik, toen ik de lichten en de ruiters zag.”

„Het was hunne manier sedert de dagen van den grooten Graaf, die bij Harlaw gedood werd; – zij doen het, om te toonen, dat zij niet willen sterven en begraven worden als andere menschen. – De vrouwen van het [188]huis van Glenallan rouwden niet over hare mannen, noch de zuster over den broeder, – maar is zij dan werkelijk opgeroepen tot rekenschap?”

„Zoo zeker,” antwoordde Adam, „als dat ons beiden dat te wachten staat!”

„Dan wil ik mijn hart luchten, wat er ook van kome!”

Deze woorden sprak zij met meer levendigheid, dan gewoonlijk hare uitdrukkingen vergezelde, en voegde er een gebaar met de hand bij, alsof zij iets van zich afweerde. Toen verhief zij zich in hare volle grootte, – zij was eens lang geweest, zoo als men nog zien kon, ofschoon thans gebukt door ouderdom en ziekte, – en stond vóór den bedelaar als eene mummie, welke voor een oogenblik door een zwervenden geest bezield wordt. Hare lichtblauwe oogen rolden heen en weêr, alsof zij dan eens vergat en zich dan weêr te binnenbracht het doel, waarom hare lange, dorre hand de verscheidene voorwerpen doorzocht, welk zich in een grooten, ouderwetschen zak bevonden. Eindelijk trok zij er een klein spanen doosje uit, en na het geopend te hebben, nam zij er een fraaien ring uit, die haar bevatte van twee verschillende kleuren, donker- en lichtbruin, tezamen gevlochten, en omgeven met edelgesteenten van zeer groote waarde.

„Oude man!” zeide zij tegen Ochiltree, „als gij ooit op genade hoopt, moet gij eene boodschap voor mij doen op het kasteel Glenallan, en naar den Graaf vragen.”

„Naar den Graaf van Glenallan, oude! hoe? hij wil geen van de edellieden uit de buurt zien, en zou hij dan den ouden bedelaar willen ontvangen?”

„Ga maar en beproef het; – en zeg hem, dat Elspeth van Craigburnfoot; – hij zal mij het best bij dien naam kennen, – hem zien moet, eer zij hare lange levensreis geëindigd heeft, en dat zij hem dien ring zendt, als eene herinnering aan de zaak, waarover zij hem spreken wil!”

Ochiltree bekeek den ring met eenige verwondering over de schijnbare waarde er van, en na hem weêr zorgvuldig in het doosje gelegd, en dit in een ouden, gescheurden zakdoek gewikkeld te hebben, stak hij het in zijne borst.

„Wel, oude!” zeide hij, „ik zal doen, wat gij verzoekt, of het zal mijne schuld niet zijn. – Maar zeker werd er nooit te voren zulk een fraai ding als dit aan een Graaf uit naam van een oud vischwijf door een ouden bedelaar gezonden.”

Met deze aanmerking nam Adam zijn stok, zette den breedgeranden hoed op, en vertrok om zijn tocht te ondernemen. De oude vrouw bleef eenigen tijd onbewegelijk in dezelfde houding staan, de oogen naar de deur gericht, waaruit haar afgezant vertrokken was. De schijn van opgewektheid, welke het gesprek veroorzaakt had, verdween langzamerhand van hare gelaatstrekken; – zij zonk neêr op haren stoel, en hervatte haren werktuigelijken arbeid met haar gewoon gevoelloos uiterlijk.

Adam Ochiltree vervolgde zijn weg – de afstand van Glenallan was omtrent drie uren gaans, een marsch, welken de oude soldaat in ongeveer vier uren aflegde. Met eene nieuwsgierigheid, aan zijn beroep en de levendigheid van zijn karakter eigen, pijnigde hij zich den geheelen weg over, met te gissen, wat het doel zijn kon van de geheimzinnige boodschap, die hem was toevertrouwd, of welk belang de hoogmoedige, rijke en machtige Graaf van Glenallan in de misdaden, of het berouw stellen kon van eene oude, versufte vrouw, wier rang in de samenleving niet veel boven dien van haren bode verheven was. Hij trachtte zich alles weêr te herinneren, wat hij ooit van de familie Glenallan geweten of gehoord had; maar bleef buiten staat, om eenige gissing [189]omtrent het onderwerp zijner zending te maken. Hij wist, dat al de uitgestrekte goederen van dit oud en machtig geslacht aan de onlangs afgestorvene Gravin gekomen waren, die, in zeer aanmerkelijke mate, het gestrenge, harde, willekeurige karakter bezat, dat het huis van Glenallan onderscheidde sedert de eerste melding, die er in de Schotsche geschiedenis van gemaakt wordt. Even als de overigen van hare voorouders, was zij het Roomsch-Katholieke geloof oprecht toegedaan, en gehuwd geweest met een Engelschen edelman van denzelfden godsdienst, en van een zeer groot vermogen, die deze verbintenis geene twee jaren overleefde. De Gravin bleef dus vroeg weduwe, met het onbeperkt beheer over de groote bezittingen van hare twee zonen. De oudste, lord Geraldin, die in den titel en het vermogen van Glenallan opvolgde, was gedurende haar leven geheel en al afhankelijk van zijne moeder. De jongere, tot jaren gekomen zijnde, nam den naam en het wapen van zijn vader aan, en trad in het bezit van zijne goederen, overeenkomstig de bepalingen, bij de huwelijks-voorwaarden gemaakt. Sedert dien tijd, hield hij zich grootendeels op in Engeland, en legde slechts zeer weinige en korte bezoeken af bij zijne moeder en zijn broeder; en deze bleven er ten laatste geheel van bevrijd, toen hij tot den hervormden godsdienst overging.

Maar, ook vóór dat hij zijne moeder dus ernstig beleedigde, had het verblijf te Glenallan weinig aanlokkelijks voor een vroolijken jongen man, gelijk Eduard Geraldin Nelville, ofschoon het sombere en de afzondering der plaats scheen te strooken met den eenzamen en droefgeestigen aard van zijn oudsten broeder. Lord Geraldin, bij zijne intrede in de wereld, had zich voorgedaan als een kundig en veel belovend jonkman. Degenen die hem op zijne reizen leerden kennen, hadden de grootste verwachting van zijne toekomstige loopbaan. Maar zulke fraaie dageraden ziet men dikwijls reeds in den morgen door wolken verduisterd. De jonge edelman keerde naar Schotland terug, en, na ongeveer een jaar in het gezelschap zijner moeder op het huis Glenallan te hebben doorgebracht, scheen hij al het gestrenge, sombere en droefgeestige van haar karakter te hebben aangenomen. Uitgesloten van staatsambten door onbevoegdheid, uithoofde van zijn godsdienst, en van andere bezigheden door eigene keuze, bracht lord Geraldin het leven in de strengste afzondering door. Zijn gewoon gezelschap bestond uit den geestelijke van zijne gemeente, die hem van tijd tot tijd bezocht; en zeer zeldzaam, bij bepaalde gelegenheden, op hooge feestdagen, werden een paar familiën, die nog den Roomsch-Katholieken godsdienst beleden, plechtstatig op het huis Glenallan onthaald. Maar dat was ook alles; – hunne Hervormde naburen wisten van de familie niets hoegenaamd, en de Katholieken zelven zagen weinig meer, dan het deftig onthaal en de pracht, welke men bij die gelegenheden ten toon spreidde, en allen keerden terug, zonder te weten, of zij zich meer verwonderen moesten over de ernstige en fiere houding der Gravin, of over de diepe en sombere neêrslachtigheid, die altijd op de gelaatstrekken van den zoon rustte. Het laatste sterfgeval had hem in het bezit van zijn vermogen en zijn titel gesteld, en men begon reeds gissingen te maken, of de opgeruimdheid met de onafhankelijkheid zou terugkeeren, toen zij, die eenige kennis van den toestand der familie hadden, het gerucht verspreidden, dat de gezondheid van den graaf ondermijnd was door godsdienstige kastijdingen, en dat hij, naar alle waarschijnlijkheid, weldra zijne moeder in het graf zou volgen. Dit was te waarschijnlijker, daar zijn broeder mede aan eene kwijnende ziekte overleden was, die in de laatste jaren van zijn leven, lichaam en ziel terzelfder tijd had aangetast: zoodat de wapen- en geslachtkundigen reeds hunne registers [190]opsloegen, om den erfgenaam van deze ongelukkige familie te ontdekken, en de rechtsgeleerden met een genoegelijk voorgevoel spraken over de waarschijnlijkheid van een „langdurig proces over de goederen der familie Glenallan.”

Toen Adam Ochiltree den voorgevel van het kasteel Glenallan naderde, – een oud en uitgestrekt gebouw, van hetwelk het nieuwste gedeelte door den beroemden Inigo Jones ontworpen werd, – begon hij te overleggen, op welke wijze hij best slagen zou, om toegang te verkrijgen, ten einde zijne boodschap te verrichten; en hij besloot, na lange overweging, om het doosje met den ring door een der dienstboden aan den Graaf te zenden. Met dit oogmerk, begaf hij zich naar eene kleine woning, waar hij de benoodigdheden verkreeg, om den ring in een verzegeld pak te sluiten, dat hij als een bedelbrief adresseerde: Aan den hooggeboren Graaf van Glenallan. – Deze! Maar wetende, dat brieven aan deuren van groote huizen, door zijns gelijken afgegeven, niet altijd hunne bestemming bereiken, nam Adam, als oud soldaat, het besluit, om het terrein op te nemen, eer hij den beslissenden aanval deed. Dienovereenkomstig, het portiershuisje naderende, ontdekte hij aan het getal armen, daarvoor geschaard, – van welken er eenigen behoeftigen uit de buurt, en anderen zwervers van zijn eigen beroep waren, – dat er eene algemeene uitdeeling geschiedde.

„Een goede dienst,” – zeide Adam bij zich zelven, – „blijft nooit onvergolden: – ik krijg hier wellicht eene goede aalmoes, die ik gemist zou hebben, als ik niet voor de oude vrouw op het pad was!”

Hij rangschikte zich dus onder de havelooze bende, en drong zoo dicht mogelijk vóor in het eerste gelid, – eene onderscheiding, die hij begreep, dat zijn blauwen rok en zak, niet minder dan zijne jaren en ondervinding, toekwam; maar hij merkte weldra, dat men den voorrang in deze vergadering volgens een ander beginsel schonk, waaraan hij niet gedacht had.

„Zijt ge Roomsch, vriend, dat gij u zoo stout naar voren dringt? – Ik geloof het niet; want er zijn geene Katholieken, die den blauwen rok dragen.”

„Neen, neen! ik ben geen Roomsche!” zeide Adam.

„Dan pak u weg naar de Episcopalen of Presbyterianen ginds; – ’t is schande, een ketter zulk een langen, witten baard te zien dragen, die een kluizenaar eer zou aandoen!”

Ochiltree, dus uit het genootschap der Katholieke bedelaars verstooten, of van diegenen, welke zich dus noemden, ging zich plaatsen bij de armen van de gemeente der kerk van Engeland, aan welken de edele gever eene dubbele bedeeling van zijne liefdegiften toelegde. Maar nooit werd een ongelukkige afvallige ruwer door de hooge Kerkvergadering behandeld, zelfs niet ten tijde dat men de zaak met hartstocht behandelde, – in de dagen van Koningin Anna.

„Ziet hem met zijn zak!” zeiden zij; „hij hoort des morgens van elken koning’s verjaardag, een van de Presbyteriaansche kapelanen eene preek opdisschen, en nu zou hij zich voor een van de Episcopaalsche kerk willen uitgeven! Neen, neen! daar zullen wij voor zorgen!”

Adam, dus door Roomschen en Episcopalen verstooten, was genoodzaakt, zich onder het gelach zijner makkers te verschuilen bij de kleine groep Presbyterianen, die hunne godsdienstige gevoelens voor eene ruimere bedeeling niet hadden willen verzaken, of misschien wisten, dat zij het bedrog niet konden beproeven, zonder zeker te zijn van ontdekt te worden. [191]

Ook in de wijze, waarop men de liefdegiften, bestaande uit brood, rundvleesch, en een stuk geld, aan elken persoon van alle drie klassen uitdeelde, werd dezelfde graad van voorrang in acht genomen. De aalmoezenier, een geestelijke, deftig van voorkomen en manieren, bestierde in persoon de verzorging der Katholieke bedelaren, stelde bij de uitreiking der gift aan ieder een paar vragen, en beval in hunne gebeden de ziel aan van Joscelinde, laatste Gravin van Glenallan, moeder van hun weldoener. De portier, kenbaar aan zijn langen staf, van boven met zilver beslagen, en aan zijn zwarten tabbaard, omzoomd met kant van dezelfde kleur, welke hij als rouw droeg, had het toezicht over de uitdeeling aan de Episcopalen. De lieden der minst begunstigde kerkgemeente waren overgelaten aan de zorg van een bejaarden dienstbode.

Terwijl deze laatste over eenig verschilpunt met den portier sprak, troffen zijn naam, die bij toeval genoemd werd, en zijne gelaatstrekken Ochiltree, en wekten bij hem herinneringen op aan vroegere tijden. De laatsten der verzamelde menigte waren nu aftrekkende, toen de knecht, weêr de plaats naderde, waar Adam nog bleef dralen, en met een sterken Hooglandschen tongval zeide: „Wat scheelt den ouden, dat hij niet weg kan gaan, nu hij zijn vleesch en geld gekregen heeft?”

„Frans Macraw!” antwoordde Adam Ochiltree, „heugt u Fontenoy niet meer, en het „houdt u gesloten! sluit de gelederen?”

„Oho, oho!” riep Frans, met een echt hooglandschen gil van herkenning, „niemand kan die woorden gezegd hebben, dan mijn oude voorman van het eerste gelid, Adam Ochiltree – Maar het spijt mij, man! dat ik u in zulk een toestand zie.”

„Niet zoo slecht, als gij denken zoudt, Frans! Maar ik zou niet gaarne deze plaats verlaten, zonder eens met u te praten, en ik weet niet, wanneer ik u weêr te zien zal krijgen; want de Protestanten zijn bij uw volk niet recht welkom, en dat is de reden, waarom ik vroeger nooit hier geweest ben.”

„Foei, foei!” zeide Frans, „laat dat dáár, – als de modder droog is, laat hij zich afwrijven – kom maar met mij, en ik zal u wat beters geven, man, dan dat runderbot!”

Daarop, na den portier iets ingefluisterd te hebben (waarschijnlijk, om zijne toestemming te verzoeken), en na gewacht te hebben tot de aalmoezenier met langzame en statige schreden in het huis was terug gekeerd, bracht Frans Macraw zijn ouden kameraad op het plein van het kasteel Glenallan, boven welks sombere poort zich een groot wapenschild bevond, waarop, als gewoonlijk, de zinnebeelden van menschelijken trots en menschelijke nietigheid vereenigd voorgesteld waren: het geslachtswapen van de Gravin, met al de ontelbare kwartieren, in een ruit afgebeeld, en omgeven door de bijzondere schilden van hare vaderlijke en moederlijke voorouders, – en verder door zeisen, zandloopers, doodshoofden en andere zinnebeelden der sterfelijkheid, welke alle onderscheidingen tot de oorspronkelijke gelijkheid terugbrengt. Zijn vriend zoo spoedig mogelijk over de breede plaats geleidende, bracht Macraw hem door eene zijdeur in een klein vertrekje naast de dienstbodenkamer, dat hij, omdat hij den Graaf van Glenallan persoonlijk bediende, het zijne noemde. Koud gebraad van allerlei aard, sterk bier en zelfs een glas likeur te voorschijn te brengen, leverde geene zwarigheid op voor zulk een gewichtigen persoon als Frans, die, bij het gevoel van zijne waardigheid, de slimme Hooglandsche voorzorg niet had vergeten, welke hem eene goede [192]verstandhouding met den hofmeester voorschreef. Onze bedelaar dronk zijn glaasje bier, en sprak over oude tijden met zijn kameraad, tot hij, geene stof meer voor een gesprek kunnende bedenken, besloot, om het onderwerp van zijn gezantschap aan te roeren, dat hem eenige oogenblikken lang uit het geheugen gegaan was.

„Hij had den Graaf,” zeide hij, „een verzoekschrift aan te bieden;” – want hij oordeelde het voorzichtig, om niets van den ring te zeggen, daar hij niet wist, zoo als hij naderhand opmerkte, in hoe ver de eerlijkheid van een oud soldaat in den dienst van een grooten heer, ongeschonden was gebleven.

„Hoe! wat, man!” zeide Frans; „de Graaf wil zich met geene verzoekschriften bemoeien; – maar ik kan het den aalmoezenier geven!”

„Maar het heeft betrekking tot een geheim, zoodat de graaf het wellicht liever zelf zou willen zien.”

„Dit is juist eene reden, waarom de aalmoezenier het eerst, en het allereerste van allen, zou willen zien.”

„Maar ik ben hierheen gekomen, om het zelf over te geven, Frans, en waarlijk gij moet er mij meê helpen!”

„Nu dan, het ga mij nooit weder goed, als ik het niet doe,” antwoordde de Hooglander. „Zij mogen zoo kwaad zijn, als zij willen, zij kunnen mij toch slechts wegjagen, en ik was reeds zoo wat van plan, om mijn ontslag te nemen, en mijne dagen te Inverary te gaan eindigen.”

„Met dit stout besluit, om zijn vriend in elk geval te dienen, daar hij in deze omstandigheden toch niets onaangenaams te vreezen had, verliet Frans Macraw het vertrek. Het duurde lang eer hij terugkeerde, en toen hij weêr binnen trad kondigde zijn gelaat verwondering en ontroering aan.

„Ik ben nu niet zeker, of gij Adam Ochiltree zijt van Carrick’s compagnie van het twee-en-veertigste, of wel de duivel in persoon!”

„En wat doet u dat denken, man?” vroeg de verwonderde bedelaar.

„Omdat de graaf zoo aangedaan en zoo verwonderd geweest is, als ik nooit iemand in mijn leven zag. Maar hij wil u zien; – ik gaf hem dat ingebakerd ding, en hij was eenige minuten glad van zijn stuk; ik dacht, dat hij in onmacht vallen zou; – en toen hij weêr tot zichzelven kwam, vroeg hij, wie het pakje gebracht had, – en wat denkt gij, dat ik zei?”

„Een oud soldaat!” antwoordde Adam; „dat doet het meeste af aan de deur der grooten; – aan den boer is het beter te zeggen, dat men een oude ketellapper is, als men een kwartier zoekt; want de vrouw kan iets te maken hebben.”

„Maar ik heb geen van beiden gezegd,” hernam Frans; „de graaf geeft zoo weinig om den een als om den anderen; – maar hij houdt het meest van hen, die de zonden repareeren kunnen. Zie je, ik heb gezegd, dat het papier gebracht werd door een ouden man met een langen, witten baard; – het kon wel een Kapucijner zijn, voor zoover ik wist; want hij was gekleed als een oude pelgrim. Dus zal hij u laten ontbieden, zoodra hij zich sterk genoeg gevoelt, om u te zien.”

„Ik wenschte, dat ik die taak al achter den rug had,” dacht Adam bij zich zelven; „velen denken; dat de graaf niet juist bij zinnen is, en wie zal zeggen, hoe ver hij in zijne drift gaan kan, omdat ik deze zaak op mij nam?”

Maar het was nu te laat om terug te treden. – Er klonk eene bel uit een verwijderd gedeelte van het huis, en Macraw zeide met eene benauwde [193]stem, alsof hij reeds in de tegenwoordigheid van zijn heer was: „dat is de bel van den graaf! – volg mij, vlug en bedaard, Adam!”

Adam volgde zijn gids, die scheen te stappen, alsof hij bang was om gehoord te worden, door een langen gang een achtertrap op, waardoor zij in de familievertrekken kwamen. Deze waren hoog en ruim, en de kostbare stoffeering getuigde van het aanzien en den ouden luister der familie. Maar al de versierselen waren in den smaak van een vroeger tijdperk, en men zou zich bijna hebben kunnen verbeelden, door de zalen te trekken van een Schotschen edelman van vóór den tijd van de vereeniging der kronen. De laatste gravin had, gedeeltelijk uit diepe minachting voor de tijden, waarin zij leefde, gedeeltelijk uit een gevoel van familietrots, niet gewild, dat men de meubels veranderen, of den hedendaagschen smaak huldigen zou gedurende haar verblijf op het kasteel Glenallan. Het prachtigste gedeelte der versierselen bestond uit eene verzameling schilderijen van de beste meesters, die echter, wat de zware lijsten betrof, eenigszins door den tijd geleden hadden. Er hingen eenige fraaie familieportretten van Van Dijk en andere uitstekende schilders; maar de verzameling was het rijkste in de Heiligen en Martelingen van Domenichino, Velasquez en Murillo, en andere onderwerpen van denzelfden aard, die men bij voorkeur boven landschappen en historiestukken gekozen had. De wijze, waarop deze godsdienstige, en soms pijnlijke onderwerpen waren voorgesteld, strookte met den somberen aard der vertrekken; eene omstandigheid, welke den ouden man niet geheel en al ontging, terwijl hij er, onder geleide van zijn voormaligen krijgsmakker, doorheen stapte. Hij wilde er een paar woorden over zeggen; maar Frans gaf hem een teeken om te zwijgen, en eene deur, aan het einde der lange galerij met schilderijen, openende, liet hij hem in een klein, zwart behangen woonvertrek. Hier vonden zij den aalmoezenier, met het oor tegen eene deur gekeerd, vlak over degene welke zij binnenkwamen, in de houding van iemand, die aandachtig luistert, maar terzelfder tijd vreest om op de daad betrapt te worden.

De oude dienstbode en de geestelijke ontstelden toen zij elkander zagen; maar de aalmoezenier bedaarde het eerst, en zeide, op Macraw toetredende, op onderdrukten maar gebiedenden toon: „Hoe durft gij het vertrek van den graaf naderen zonder u te melden? en wie is die vreemdeling, en wat heeft hij hier te doen? – Ga terug naar de galerij, en wacht mij daar!”

„Het is onmogelijk, op dit oogenblik Uw Eerwaarde te gehoorzamen,” antwoordde Macraw, zijne stem verheffende, zoodat hij in de nabijzijnde kamer kon gehoord worden, wel wetende dat de monnik den woordentwist binnen het gehoor van zijn beschermheer niet zou volhouden; – „de graaf heeft om mij gescheld.”

Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of er werd op nieuw gescheld, met veel grooter geweld dan te voren; en de geestelijke, bemerkende dat het onmogelijk was verder te volharden, hief, terwijl hij het vertrek verliet, den vinger tegen Macraw op, met een dreigend gebaar.

„Heb ik het u niet gezegd?” zeide Frans fluisterende tegen Adam, en opende daarop de deur, bij welke zij den luisterenden kapelaan gevonden hadden. [194]