Achtentwintigste Hoofdstuk
– Deez ring, –
Deez kleine ring, met zwarte tooverkracht,
Deed den geest van ’t geluk verrijzen in mijn hart,
Bezwoer ’t gevoel van eer en liefde, beiden,
Zoodat ik bang ben voor mij zelven, .….
Het noodlottig huwelijk.
De oude rouwgebruiken werden in het Kasteel Glenallan nageleefd, in weêrwil van de volharding, waarmede men algemeen geloofde, dat de familie weigerde, om de dooden, op de gebruikelijke wijze, te beweenen. Men had bij de Gravin, toen zij den noodlottigen brief, die den dood van haren tweeden en eenmaal, zoo als men dacht, haren meest geliefden zoon meldde, ontving, niet de minste beving van de hand, noch siddering van het ooglid, noch eenige andere gewaarwording bespeurd, dan wanneer zij een gewonen brief over alledaagsche zaken las. De hemel alleen weet, of het onderdrukken der moederlijke smart, dat haar trots gebood, niet eenigermate medewerkte om haren dood te verhaasten. Ten minste werd het algemeen geloofd, dat de aanval van beroerte, welke kort daarna een einde aan haar leven maakte als het ware de wraakoefening der beleedigde natuur was voor het geweld, dat zij haar gevoel had aangedaan. Maar, ofschoon Lady Glenallan de gewone uitwendige teekens van smart versmaadde, had zij nochtans verscheidene vertrekken, onder anderen haar eigen en dat van den graaf, met de gebruikelijke rouwteekens laten inrichten.
De graaf van Glenallan zat dus in een vertrek met zwart laken behangen, dat in donkere plooien langs de hooge muren golfde. Een scherm, eveneens met zwart laken bedekt, aan den kant van het hooge en nauwe venster geplaatst, benam zeer veel van het gebroken licht, hetwelk zich een weg door het beschilderde glas baande, dat, met de kunst van de veertiende eeuw, het leven en het lijden van den Profeet Jeremias voorstelde. De tafel, waaraan de graaf zat, was verlicht door twee zilveren lampen, met dat onaangenaam en twijfelachtig licht, dat ontstaat door de vereeniging van kunstlicht met dat van den dag. Op de tafel lagen een crucifix en een paar perkamenten boeken met zware sloten. Eene groote, heerlijke schilderij, door Spagnoletto, stelde het lijden van den heiligen Stefanus voor, en was het éénigste sieraad van het vertrek.
De bewoner en heer van deze sombere kamer was een man nog in zijne beste jaren, echter zoo terneêrgeslagen door ziekte en zielskwelling, dat hij nauwelijks meer op een menschelijk wezen geleek; en toen hij haastig opstond en op zijn bezoeker toeging, scheen zijn verzwakt gestel bijna onder die poging te bezwijken. Toen zij elkander te midden van het vertrek ontmoetten, leverden zij eene zeer treffende tegenstelling op. De gezonde kleur, de vaste stap, de opgerichte gestalte en de onverschrokken, opgewekte houding van den ouden bedelaar getuigden van geduld en vergenoegen in den hoogen ouderdom, en in den laagsten stand, waartoe de mensch vervallen kan; terwijl de diepliggende oogen, de bleeke wangen en de wankelende gestalte [195]van den edelman, die tegenover hem stond, toonden, hoe zeer rijkdom, macht en zelfs de voorrechten der jeugd niets gemeen hebben met datgene, wat rust aan den geest en sterkte aan het gestel geeft.
De graaf ontmoette den ouden man te midden van het vertrek, en na zijn dienaar bevolen te hebben, zich naar de galerij te begeven, en niemand in de voorkamer te laten eer hij de bel hoorde, wachtte hij met gejaagd en angstig ongeduld, tot hij eerst de deur van zijn vertrek en vervolgens die der voorkamer had hooren sluiten. Zoodra hij dus verzekerd was van niet beluisterd te zullen worden, trad Lord Glenallan dicht bij den bedelaar, dien hij waarschijnlijk voor een verkleeden geestelijke aanzag, en zeide driftig, hoewel met eene bevende stem: „In den naam van al wat onzen Godsdienst het heiligste is, zeg mij, eerwaarde vader, wat ik te verwachten heb van eene mededeeling, voorafgegaan door een teeken, waarmede zulke verschrikkelijke herinneringen verbonden zijn?”
De oude man, aangesproken op eene wijze zoo zeer verschillende van die, welke hij van den trotschen en machtigen edelman verwacht had, wist niet wat te antwoorden en hoe hem uit den waan te brengen. – „Zeg mij,” vervolgde de graaf op een toon van toenemenden schrik en doodsangst, – „zeg mij, komt gij om mij te verklaren dat alles, wat tot nog toe gedaan is, om zulk eene verschrikkelijke misdaad te boeten, te weinig is, te gering voor de schuld, en om nieuwe en strengere boete voor te schrijven? – Ik zal er mij niet aan onttrekken, vader! – Laat mij de straf van mijne misdaad hier in ’t lichaam lijden, liever dan hier namaals in de ziel!”
Adam was nu genoegzaam bedaard, om te bemerken dat, indien hij de openhartigheid van Lord Glenallan niet voorkwam, hij waarschijnlijk de vertrouweling zou worden van meer, dan het voor hem veilig zijn zou te weten. – „Milord vergist zich; – ik ben niet van uw geloof, noch een geestelijke, maar, – met allen eerbied, – slechts de arme Adam Ochiltree, ’s Konings bedelaar en uw onderdanige dienaar!”
Deze opheldering was gepaard met eene diepe buiging naar zijne wijze, en toen zich weêr oprichtende, legde hij de arm op zijn staf, schoof zijn lang wit haar terug, en vestigde zijn oog op den graaf, als wachtte hij op een antwoord.
„En gij zijt dus,” zeide lord Glenallan, na van verwondering eenigen tijd gezwegen te hebben, „gij zijt dus geen Katholieke priester?”
„God behoede!” zeide Adam, in zijne verlegenheid vergetende tot wien hij sprak; „ik ben slechts ’s Konings bedelaar en uw dienaar, zoo als ik reeds gezegd heb.”
De graaf keerde zich haastig om, stapte een paar maal in de kamer op en neêr, als om te herstellen van de uitwerkselen zijner misvatting, en toen, dicht bij den bedelaar komende, vroeg hij hem, op strengen en hoogen toon, wat hij bedoelde met zich dus op eigen gezag in te dringen, en van wien hij den ring gekregen had, welken hij had goedgevonden hem te zenden? Adam, een man van zeer veel verstand, was minder verschrikt over deze wijze van ondervragen, dan hij verlegen geweest was over den vertrouwelijken toon, waarop de graaf het gesprek begonnen had. Op de herhaalde vraag, van wien hij den ring gekregen had, antwoordde hij bedaard „Van iemand die de graaf beter kende, dan hij.”
„Die ik beter ken, mensch!” zeide lord Glenallan. „Wat wilt gij zeggen? Verklaar u op het oogenblik, of gij zult de gevolgen ondervinden van u hier in te dringen op een oogenblik als dit!” [196]
„Het was de oude Elspeth Mucklebackit, die mij hier heen zond,” antwoordde de bedelaar, „om te zeggen, –”
„Gij raaskalt, oude man!” zeide de graaf; – „maar dit verschrikkelijk teeken brengt mij te binnen –”
„Ik herinner mij nu, Milord,” hernam Ochiltree; „dat ze mij zeide, dat gij haar beter zoudt kennen, indien ik haar noemde Elspeth van Graigburnfoot. Zij droeg dezen naam, toen zij op uwe goederen woonde, dat is op die van uwe overleden moeder, – zij ruste in vrede!”
„Ja,” zei de ontstelde edelman, terwijl zijne gelaatstrekken stuipachtig vertrokken en zijne wang verbleekte, „die naam staat voorwaar geschreven op het treurigste blad van eene beklagenswaardige geschiedenis! – Maar wat kan zij van mij verlangen? Leeft zij, of is zij dood?”
„Zij leeft, Milord, en smeekt u te mogen zien eer zij sterft; want zij heeft u iets te berichten, dat haar op de ziel drukt, en zij zegt, dat zij niet in vrede sterven kan, zonder u te zien.”
„Zonder mij te zien! – wat kan dat beteekenen? – maar zij is versuft van ouderdom en zwakte. – Ik zeg u, vriend, dat ik zelf aan hare woning geweest ben, geen twaalf maanden geleden, op het bericht dat zij in armoede verkeerde, en zij herkende zelfs mijn aangezicht of mijne stem niet.”
„Indien het mij veroorloofd is,” zeide Adam, wien de duur van het gesprek een gedeelte der vrijmoedigheid van zijn beroep en van zijn aangeboren praatzucht teruggegeven had, – „indien het mij veroorloofd is, zou ik, onder verbetering, zeggen, dat de oude Elspeth gelijk is aan een van die oude vervallen sterkten en kasteelen, welke men tusschen de bergen ziet. Er zijn vele deelen van haren geest, die nu, zoo te zeggen, verspreid en verstrooid schijnen te liggen; maar dan zijn er deelen, welke zich des te steviger, en des te sterker, en des te grootscher vertoonen, omdat zij zich verheffen juist als overgebleven tusschen de bouwvallen der overige. Zij is eene schrikbarende vrouw!”
„Dat is zij altijd geweest,” zei de graaf, bijna zonder het te weten de aanmerking van den bedelaar herhalende; „zij was steeds anders, dan andere vrouwen. – In haren gemoedsaard en aanleg kwam zij misschien het meest overeen met degene, welke nu niet meer hier is. Zij wenscht mij dus te zien?”
„Eer zij sterft,” zeide Adam, „smeekt zij dringend om dat geluk.”
„Het zal voor geen van ons beiden een geluk zijn,” zei de graaf ernstig, „maar zij zal haar zin hebben. Zij woont, geloof ik, op het strand, ten zuiden van Fairport?”
„Juist, tusschen Monkbarns en het kasteel Knockwinnock, maar dichter bij Monkbarns. Milord kent buiten twijfel den heer en Sir Arthur?”
Een blik, alsof hij de vraag niet begreep, was het antwoord van lord Glenallan. Adam zag dat hij om iets anders dacht, en waagde het niet eene vraag te herhalen, die zoo weinig ter zaak deed.
„Zijt gij Katholiek, oude man?” vroeg de graaf.
„Neen, Milord!” antwoordde Ochiltree stoutmoedig; want op dat oogenblik kwam hem het onderscheid bij de uitdeeling voor den geest; „dank zij den Hemel, ik ben goed Protestant.”
„Hij, die zich in gemoede goed kan noemen, heeft inderdaad reden, om den Hemel te danken, tot welke sekte van het Christendom hij ook behoore! Maar wie is er, die dat van zichzelven durft beweren?”
„Ik niet,” zeide Adam; „ik hoop bewaard te blijven voor zondigen hoogmoed.” [197]
„Wat was uw beroep in uwe jeugd?” vervolgde de graaf.
„Soldaat, Milord, en ik heb menigen warmen dag en guren nacht doorgestaan. Ik was op het punt van sergeant te worden; maar –”
„Soldaat! Dus hebt gij gedood, en verbrand, en geplunderd, en geroofd?”
„Ik wil niet zeggen,” antwoordde Adam, „dat ik beter ben geweest dan mijne buren; – het is een woest leven, – de oorlog is aanlokkelijk voor degenen, die er geen ondervinding van hebben.”
„En gij zijt nu oud en ellendig, en moet van de grillige liefdadigheid het voedsel bedelen, dat gij in uwe jeugd aan de handen van den armen boer ontruktet?”
„Ik ben een bedelaar, dat is waar, Milord, maar ik ben juist daarom niet zoo ellendig. – Wat mijne zonden betreft, ik heb de genade gekregen om er berouw over te hebben, indien ik het zoo zeggen mag, en van ze dáár neêr te leggen, waar zij beter kunnen gedragen worden dan door mij; – en wat mijn voedsel betreft, niemand weigert een ouden man een stuk brood en eene teug water. – Dus leef ik zoo goed ik kan, en ben bereid om te sterven, als ik opgeroepen word.”
„En dus met weinig waarop ge terug kunt zien, dat aangenaam of prijzenswaardig is in uw vorig leven, – met nog minder dat ge verwachten kunt aan dezen kant van het graf, slijt gij in tevredenheid het overige van uw leven! – Ga nu henen; en met uwe jaren en armoede en ellende, benijd nooit den heer van zulk een verblijf als dit, noch in de oogenblikken van zijn slaap, noch van zijn waken! – Hier is iets voor u.”
De graaf legde vijf of zes guinjes in de hand van den ouden man. Adam zou misschien, even als bij andere gelegenheden, zijne bedenkingen hebben ingebracht over het bedrag der weldaad; maar de toon van Lord Glenallan was te beslissend, om antwoord of tegenkanting te gedoogen. De graaf riep toen zijn dienaar. – „Zie toe, dat deze oude man veilig uit het kasteel kome, – dat niemand hem eenige vragen doe, – en gij, vriend, ga nu, en vergeet den weg naar mijn huis.”
„Dat zou zeer moeielijk voor mij zijn,” zeide Adam, op het goud ziende, dat hij nog steeds in de hand hield; – „dat zou zeer moeielijk zijn, nadat gij mij zooveel reden gegeven hebt om er aan te denken.”
Lord Glenallan keek hem verwonderd aan, daar hij zich bezwaarlijk een begrip kon vormen van de stoutmoedigheid, waarmede de oude man hem te woord stond, en gaf hem met de hand een teeken om te vertrekken, waaraan de bedelaar oogenblikkelijk gehoorzaamde. [198]