WeRead Powered by ReaderPub
De oudheidkenner cover

De oudheidkenner

Chapter 3: Tweede Hoofdstuk
Open in WeRead

About This Book

The narrative follows a young traveller who, while preparing for a short journey, becomes involved with an elderly, eccentric collector of historical curiosities and the colourful local people around him. Episodes combine gentle comedy of manners, vivid local portraiture, and a developing mystery about old papers and contested property that spurs inquiries, disputes, and probes into ruins and records. A romantic strand and several reconciliations are woven through debates over authenticity, heritage, and changing tastes, and the work shifts between satirical sketches and more sincere reflections on memory, learning, and community.

[Inhoud]

Tweede Hoofdstuk

Hier deze streek Mijnheer! doet schande aan mijn naam!

Gebraden schapenvleesch, droog om geraspt te worden,

Drijft men met botermelk en bier, gemengd te zaam,

Den lijve daaglijks in, als half beschaafde horden.

Dit ’s strijdig met mijn recht, mijn erfgoed en mijn leen.

Wijn is het woord, dat ’t hart in ’t lijf doet vroolijk springen.

Een wijnhuis is mijn huis: deez’ tros zegt: Spaansche wijn!

Drink vroolijk en zijt vroolijk, zal dan de leenspreuk zijn.

Ben Johnson’s Nieuwe Herberg.

Toen de oudste der reizigers aan de herberg de onveilige treden der postkoets afklom, werd hij door den zwaarlijvigen, jichtigen, aâmborstigen waard begroet, met die vermenging van gemeenzaamheid en eerbied, waarvan zich [7]de Schotsche logementhouders van de oude school jegens hun geachtste klanten plegen te bedienen. „Lieve Hemel! Monkbarns!” (hij noemde hem bij den naam van zijn landgoed, wat den Schot steeds aangenaam in de ooren klinkt), „weinig dacht ik u hier te zien vóór de sluiting der zomerzittingen van het hof.”

„Wel domme, oude duivel!” antwoordde Monkbarns, met een Schotschen tongval, waarin hij verviel, zoodra hij driftig werd, maar die anders weinig hoorbaar was: „wel domme oude duivel! wat heb ik te doen met de zittingen of met de ganzen, die er naar toestroomen, of met de haviken, die haar de veêren uitplukken!”

„Ja, dat is waar,” zei de waard, die inderdaad slechts volgens een flauwe herinnering aan de eerste opvoeding van zijn gast gesproken had, maar niet gaarne wilde verondersteld worden, onnauwkeurig bekend te zijn met den stand en het beroep van één zijner bezoekers, – „dat is zeer waar; maar ik dacht, dat gij daar een eigen zaak te behartigen hadt. – Ik zelf heb er éen, – een proces, dat mijn vader mij naliet, die het van zijn vader erfde. Het is over een achtertuin, – wellicht hebt gij er van hooren spreken in het Parlementshuis. Hutchinson tegen Mackitchinson! – het is een welbekend proces; – viermaal diende het voor de rechters, – en zoo waar ik leef, de wijste van hen kon er niets van maken, dan om het weêr te verschuiven naar eene andere zitting. O, het is een schoone zaak te zien, hoe langzaam en hoe voorzichtig men het recht in dit land uitdeelt”

„Zwijg, oude gek!” zei de reiziger, maar in zeer goeden luim, „en zeg ons, wat gij dezen heer en mij te eten kunt geven?”

„O, daar is visch, dat spreekt; – forellen, of schelvisch,” zei Mackitchinson, terwijl hij zijn servet in de hand draaide; „en gij zult een schaapscotelet hebben, en er zijn ook frambozentaartjes, zeer lekker, en – met één woord alles, wat gij verlangt.”

„Dat wil zeggen, er is niets anders hoegenaamd? Goed, goed! de visch, het schapenvleesch en de taartjes zijn voldoende. Maar aap het voorzichtige dralen niet na, dat gij in de gerechtshoven prijst. Geen verzending van de eene zitting naar de andere, hoor je?”

„Neen, neen!” antwoordde Mackitchinson, die door het lang en zorgvuldig bestudeeren van geheele boekdeelen van verslagen van rechtszaken, met eenige geleerde uitdrukkingen was bekend geworden. „Men zal het eten opdragen quam primum, en dat wel instanter.” En met den vleienden lach van een veel belovenden waard, liet hij zijn gasten in de met zand bestrooide gelagkamer, die behangen was met prenten van de Vier Jaargetijden.

Intusschen waren, in weêrwil van zijn verzekering, de roemrijke uitstellen der wet niet zonder weerga in de keuken der herberg, en dit gaf onzen jongen reiziger gelegenheid, naar buiten te gaan, en bij de lieden van het huis eenige navorschingen te doen omtrent den rang en stand van zijn medgezel. De berichten, die hij kreeg, hoewel van algemeenen aard en niet geheel en al juist, maakten hem genoegzaam bekend met den naam, de geschiedenis en de omstandigheden van den ouden heer, dien wij nu kortelijk trachten zullen den lezer nauwkeuriger af te schilderen.

Jonathan Oldenbuck, of Oldinbuck, bij samentrekking Oldbuck, van Monkbarns was de tweede zoon van een landedelman, wiens kleine bezittingen in de nabijheid lagen van een handeldrijvende zeestad, aan de noordoostkust van Schotland, welke wij, om verscheidene redenen, Fairport zullen noemen. Sedert vele geslachten waren de heeren Oldenbuck als landeigenaren in het [8]graafschap gevestigd, en in vele graafschappen van Engeland zou men aan hun geslacht eenig aanzien hebben toegekend. Maar dit graafschap telde zeer veel edellieden van veel oudere afkomst en van veel grooter vermogen. De meeste heeren uit de buurt waren ook in de laatste tijden den huize der Stuarts toegedaan geweest; terwijl de eigenaren van Monkbarns, even als de burgers der stad, in welker nabijheid ze woonden, standvastige voorstanders van de Protestantsche troonsopvolging bleven. Ze hadden nochtans een eigen stamboom, waarop ze zich niet minder verhoovaardigden, dan zij, die hen verachtten, zich op hun onderscheidene Saksische, Normandische en Celtische geslachtslijsten beroemden.

De eerste Oldenbuck, die zich kort na de Hervorming in Schotland neêrzette, stamde, naar hun verzekering, af van een der eerste Duitsche boekdrukkers, en had zijn land verlaten, wegens de vervolgingen, waaraan de belijders van den hervormden godsdienst blootgesteld waren. In de stad, in welker nabijheid nu zijn nageslacht woonde, had hij des te gemakkelijker plaats gevonden als martelaar voor de zaak der Protestanten, omdat hij geld genoeg medebracht, om het kleine landgoed Monkbarns te koopen, dat hem toen werd aangeboden door een te grond gerichten edelman, aan wiens vader men het, benevens andere kerkelijke goederen, gegeven had, bij de opheffing van het groote en rijke klooster, waartoe het behoord had.

De Oldenbucks betoonden zich dus getrouwe onderdanen bij alle oproeren; en, daar ze in goede verstandhouding met de stedelingen leefden, werd een der heeren van Monkbarns, in het noodlottige jaar 1745, provoost der stad. Hij trok ook vurig partij voor Koning George, en deed daarbij uitgaven, die hem, overeenkomstig het mild gedrag van het toenmalige Gouvernement jegens zijn vrienden, nimmer vergoed werden. Met veel moeite verkreeg hij echter een plaats bij de ontvangsten der in- en uitgaande rechten, en daar hij een zuinig en oppassend man was, gelukte het hem, zijn vaderlijk vermogen aanzienlijk te vermeerderen.

Hij had slechts twee zonen, van wie, zoo als wij te kennen gaven, de tegenwoordige heer van Monkbarns de jongste was, en twee dochters, van welke de oudste nog steeds ongehuwd leefde, terwijl de andere, veel jeugdiger, uit genegenheid een kapitein van het twee-en-veertigste regiment trouwde, die niets bezat dan zijn officiers-patent en een Hooglandschen stamboom. De armoede verbitterde een huwelijk, dat de liefde anders gelukkig zou gemaakt hebben; en kapitein M’Intyre had zich, om den wille van vrouw en kinderen, verplicht gevoeld, zijn geluk in Oost-Indië te zoeken. In een tocht tegen Hyder Ali werd de afdeeling, waartoe hij behoorde, afgesneden, en zijn ongelukkige vrouw kreeg nimmer de zekerheid, of hij in den slag gebleven, dan wel in de gevangenis vermoord was, of steeds nog in een gevangenschap versmachtte, welke de gewoonten van de Indische dwingelandij hopeloos maakten. Ze bezweek onder de dubbele kwelling van smart en onzekerheid, en liet één zoon en één dochter na, ten laste van den tegenwoordigen heer van Monkbarns.

De geschiedenis van dezen heer zelven is kort. Daar hij, zoo als wij zeiden, een tweede zoon was, bestemde hem zijn vader tot deelgenoot in een handelszaak, van een zijner naastbestaanden van moederszijde gedreven. Hiervan had Jonathan een onoverwinnelijken afkeer; en hij werd daarom als leerling geplaatst, om tot het beroep van notaris of procureur opgeleid te worden, en slaagde daarin zoo goed, dat hij zich alle leenheerlijke formaliteiten eigen maakte, en vond er zulk een vermaak in, om de bronnen daarvan op te sporen en haar oorsprong na te gaan, dat zijn meester in hem een bekwamen [9]practizijn te gemoet zag. Maar hij bleef op den drempel der wetenschap staan; en ofschoon hij eenige kennis verwierf van den oorsprong en het stelsel der wetten van zijn land, kon men hem toch nooit overhalen, om die, als een bron van winst voor zich zelven te beoefenen. Niet, dat hij door zijn verblinding voor de voordeelen van het geld zijn meester te leur stelde. „Ware hij onnadenkend, of lichtzinnig, of rei suae prodigus,” zei zijn onderwijzer, „ik zou wel weten, wat van hem te maken. Maar hij geeft nooit één stuiver uit, zonder zorgvuldig de kans te berekenen, om van zijn duitje meer partij te trekken dan een andere jongen van een daalder, en hij zal liever dagen lang over een oude, met gothische letter gedrukte kopij eener parlements-akte peinzen, dan éénmaal naar de kolfbaan of de kroeg gaan; en toch wil hij geen enkele dier vrije dagen aan eene kleine practijk besteden, die hem een aardigen winst in den zak zou jagen; hij is een zonderlinge mengeling van zuinigheid, van vlijt en slordige onverschilligheid; – ik weet niet, wat ik er van maken moet.”

Maar, met den tijd kreeg zijn leerling de middelen, om te doen wat hij zelf verkoos; want zijn vader stierf, en de oudste zoon overleefde hem niet lang. De laatste, een aartsvisscher en jager, scheidde van dit leven ten gevolge van een verkoudheid, bij het jagen op eendvogels in het Kittlefitting-moeras opgedaan; hoewel hij nog den nacht voor zijn dood een geheele flesch brandewijn gedronken had, om de koude uit zijn maag te houden. Jonathan erfde dus de landerijen, en daarmede de middelen van bestaan, zonder dat hij den gehaten arbeid van een practizijn op zich behoefde te nemen. Zijn wenschen waren zeer matig; en daar de inkomsten van zijn kleine bezittingen met de verbetering van het land vermeerderden, gingen die weldra zijn behoeften en uitgaven ver te boven; en hoewel hij te onverschillig was om geld te verdienen, was hij echter geenszins ongevoelig voor het genot om zijn vermogen door spaarzaamheid te vermeerderen.

De burgers der stad, in welker nabijheid hij leefde, beschouwden hem met een soort van afgunst, als iemand, die hun maatschappelijken omgang verzaakte, en wiens studiën en vermaken hun onbegrijpelijk voorkwamen. Maar zekere ongeërfde hoogachting, die zij de heeren van Monkbarns toedroegen, verhoogd door de bewustheid, dat de tegenwoordige heer een bemiddeld man was, die alles baar betaalde, hield hem in aanzien bij deze klasse zijner buren. De landedellieden waren over het algemeen, wat rijkdom betreft, zijn meerderen; maar aan verstand en kennis zijn minderen, en gingen, enkelen uitgezonderd, met wie hij gemeenzaam en vertrouwelijk verkeerde, weinig met den heer Oldbuck van Monkbarns om. Intusschen bleef hem de gewone toevlucht over; het gezelschap van den predikant en van den geneesheer, als hij het goed vond hen bij zich te verzoeken; en dan ook had hij zijn eigen studiën en tijdkortingen daar hij in briefwisseling stond met de meeste geleerden van zijn tijd, die, gelijk hij, vervallene verschansingen en verwoeste kasteelen opnamen, onleesbare opschriften ontcijferden, en verhandelingen schreven over penningen, in de evenredigheid van twaalf bladzijden voor elke letter van het opschrift. Hij was uit gewoonte eenigzins driftig en opvliegend, gedeeltelijk, zoo als men in de stad Fairport zei, ten gevolge van een vroegere ongelukkige liefde; waarmede zijn vrouwenhaat, gelijk hij het noemde, begonnen was; maar veel meer nog door de nederige onderdanigheid zijner ongehuwde zuster en ouderlooze nicht, die gewoon waren hem voor den grootsten man ter wereld te houden, en van wie hij placht te roemen, dat zij de eenige vrouwen waren, die hij ooit goed afgericht en aan gehoorzaamheid gewend, ontmoet [10]had; ofschoon men bekennen moet, dat mejufvrouw Grizelda Oldbuck wel eens geneigd was te steigeren, als hij de teugels te straf aantrok. De overige bijzonderheden van zijn karakter moeten opgemaakt worden uit het vervolg onzer geschiedenis, en wij ontslaan ons gaarne van de lastige taak der herhaling.

De heer Oldbuck, gedreven door dezelfde nieuwsgierigheid, die zijn reisgenoot te zijnen opzichte gevoeld had, deed onder den maaltijd, eenige pogingen, welke hem zijn ouderdom en stand meer rechtstreeks veroorloofden, om met den naam, de bestemming en den rang van zijn jongen reisgezel bekend te worden.

Zijn naam, zei die heer, was Lovel.

„Hoe! „de kat, de rot en Lovel, onze hond?” – Kent gij het oude gezegde? stamt gij af van koning Richard’s gunsteling?”

„Hij maakte geen aanspraak”, zei hij, „om zich een afstammeling van dat geslacht te noemen. Zijn vader was in het noorden van Engeland te huis. Hij reisde thans naar Fairport”, (de plaats, in welker nabijheid Monkbarns gelegen was,) „en indien hem de stad beviel, zou hij er misschien eenige weken vertoeven.”

„Was de heer Lovel’s uitstap enkel tot vermaak?”

„Niet geheel en al.”

„Misschien om zaken met eenige der kooplieden te Fairport?”

„Het was gedeeltelijk om zaken, maar die geen betrekking hadden tot den handel.”

Hier zweeg hij; en daar de heer Oldbuck zoo ver gegaan was met zijn navorschingen, als de wellevendheid gedoogde, vond hij zich verplicht het gesprek te veranderen. De oudheidkenner, ofschoon geenszins een vijand van goede sier, had echter, op reis, een bepaalden afkeer van alle onnoodige verteringen, en hing, toen zijn reisgenoot van een flesch Portwijn sprak, een verschrikkelijk tafereel op van het ellendige mengsel, dat gewoonlijk onder dien naam verkocht werd, en verzekerende, dat een glas punch zuiverder was en beter te pas kwam in dien tijd van het jaar, legde hij de hand aan de schel, om het benoodigde daarvan te bestellen. Maar Mackitchinson had zelf anders bepaald, en verscheen, met een buitengewoon groote dubbele flesch, of magnum, zoo als men die in Schotland noemt, bedekt met zaagsel en spinnewebben, die van oudheid getuigden.

„Punch!” zei hij, toen hij het aangename woord bij het binnentreden der kamer opving, „de drommel weet, dat gij hier geen droppel punch krijgt vandaag, Monkbarns! Daar kunt gij staat op maken!”

„Wat bedoelt gij, onbeschaamde schelm?”

„Ei, ei, dat komt er niet op aan; – maar heugt u de poets, die gij mij de laatstemaal, dat gij hier waart, gespeeld hebt?”

„Ik u eene poets gespeeld?”

„Wel ja, gij zelf, Monkbarns! De Heer van Tamlowrie, Sir Gilbert Grizzlecleugh, de oude Rossballoh en de Baljuw waren toen juist hier, om den namiddag door te brengen; en gij, met een uwer historiën uit de oude wereld, waartegen niemand bestand is, hebt hen ik weet niet waarheen weggesleept, om de oude Romeinsche legerplaats te zien. – Och, mijnheer!” zich naar Lovel wendende, „Hij zou de vogels uit de boomen lokken met hetgeen hij van de oude volken, verhaalt, – en verloor ik er niet het gelag bij van zes flesschen goeden wijn? Want de drommel weet, dat zij geen van allen opgestaan zouden zijn, voor zij ten minste zoo veel gedronken hadden!” [11]

„Gij zijt een onbeschaamde bedrieger!” riep Monkbarns, al lachende; „wel nu, gij kunt ons een flesch Port zenden.”

„Port, neen, neen! Port en punch moogt gij voor ons geringe lui overlaten; de Fransche wijn is het, die u, heeren, voegt; en ik durf zeggen dat geen der volken, waarvan gij zoo veel spreekt, ooit hiervan geproefd heeft.”

„Hoort gij hoe beslissend de schelm spreekt? Welnu, mijn jonge vriend! dan moeten wij vooral het Falernum boven het vile Sabinum verkiezen.”

De dienstvaardige waard had dadelijk de flesch ontkurkt, goot den wijn zorgvuldig over, en betuigende, dat de geheele kamer er door geparfumeerd was, liet hij zijn gasten alleen, om den kostelijken drank te genieten.

Mackitchinson’s wijn was inderdaad goed, en werkte zoo op den geest van den oudsten gast, dat hij eenige lustige historiën vertelde, ettelijke kwinkslagen uitte, en eindelijk in een geleerde uitweiding trad over de oude tooneelschrijvers, – een punt waarop hij zijn nieuwen vriend zoo sterk vond, dat hij eindelijk begon te vermoeden, dat zijn reisgenoot wellicht het tooneel tot zijn beroep gekozen had. „Een reiziger gedeeltelijk voor zaken, gedeeltelijk voor vermaak? Wel nu, het tooneel levert het een en ander op; het is een bezigheid voor de spelers, en vermaakt, of wil ten minste de toeschouwers vermaken. In manieren en rang schijnt hij wel verheven boven de meeste jonge lieden, welke dien weg inslaan; maar ik herinner mij gehoord te hebben, dat bij de opening van den kleinen schouwburg van Fairport, een welopgevoed jonkman van goeden huize optreden zou. Als hij het ware! Lovel? – Ja! Lovel, of Belville, zijn juist de namen, die eerstbeginnenden bij zulke gelegenheden plegen aan te nemen. – Inderdaad, het spijt mij om den jongen!”

De heer Oldbuck was uit gewoonte spaarzaam, maar geenszins karig; zijn eerste gedachte was dus, om zijn reisgenoot een gedeelte te besparen van de gemaakte verteringen, die hij veronderstelde, dat hem in zijn omstandigheden meer of minder ongelegen moesten komen. Hij nam alzoo een gelegenheid waar, om afzonderlijk met den heer Mackitchinson af te rekenen. De jonge reiziger verzette zich bescheiden tegen deze mildheid, en verklaarde ten laatste alleen daarin te zullen berusten uit eerbied voor de jaren en achtbaarheid van den ouden heer.

Het genoegen, dat zij in elkanders gezelschap vonden, deed den heer Oldbuck voorstellen, en Lovel dadelijk goedvinden, dat zij verder den weg te zamen zouden afleggen. De heer Oldbuck wenschte twee derden te betalen van de huur van een postwagen, zeggende, dat hij voor zijn gemak een geëvenredigde groote ruimte noodig had; maar dit sloeg de heer Lovel stellig af. Zij reisden dus op gelijke kosten, uitgezonderd dat Lovel tusschenbeide een schelling in de hand van een morrenden postiljon liet glijden; want Oldbuck, die zich aan zijn oude gewoonte hield, wilde nooit zijn drinkgeld boven de achttien stuivers voor elk station brengen. Dus vervolgden zij hun weg, tot zij den volgenden dag tegen twee uur te Fairport aankwamen.

Lovel verwachtte waarschijnlijk, dat zijn reisgenoot hem, bij hun aankomst, ten eten zou genoodigd hebben, maar de bewustheid, dat men bij hem op onverwachte gasten niet voorbereid was, en misschien nog eenige andere redenen, beletten Oldbuck hem deze beleefdheid te bewijzen. Hij verzocht hem alleen, zoodra hij het schikken kon, hem ’s voormiddags te komen bezoeken, beval hem een weduwe aan, die kamers verhuurde, en iemand, die een fatsoenlijke tafel hield. Deze beide waarschuwde hij echter afzonderlijk, dat hij den heer Lovel slechts kende als een aangenaam reisgenoot, en geenszins wilde [12]aangemerkt worden als aansprakelijk te zijn voor eenige schuld, die hij gedurende zijn verblijf te Fairport zou maken. Het voorkomen en de manieren van den heer Lovel echter, om niet te spreken van een welgevulden koffer die weldra over zee aan zijn adres te Fairport besteld werd, deden misschien meer af tot zijn voordeel, dan de halve aanbeveling van zijn reismakker.