WeRead Powered by ReaderPub
De oudheidkenner cover

De oudheidkenner

Chapter 30: Negenentwintigste Hoofdstuk
Open in WeRead

About This Book

The narrative follows a young traveller who, while preparing for a short journey, becomes involved with an elderly, eccentric collector of historical curiosities and the colourful local people around him. Episodes combine gentle comedy of manners, vivid local portraiture, and a developing mystery about old papers and contested property that spurs inquiries, disputes, and probes into ruins and records. A romantic strand and several reconciliations are woven through debates over authenticity, heritage, and changing tastes, and the work shifts between satirical sketches and more sincere reflections on memory, learning, and community.

[Inhoud]

Negenentwintigste Hoofdstuk

Want hij was steeds bij al hun tijdverdrijf

En regelde, als Vorst, hun spel en hun gekijf;

Den taaien boog, en den vliegender bal,

En kegel en kogel, hij maakte het al.

Crabbe’s Dorp.

Frans Macraw vergezelde, volgens de bevelen van zijn meester, den bedelaar, om hem van het landgoed te verwijderen, zonder te gedoogen dat hij eenig gesprek of gemeenschap hield met iemand van de onderhoorigen of dienstboden. Maar zeer wijselijk in aanmerking nemende, dat die bepaling zich niet tot hem zelven uitstrekte, die de persoon was, aan wien het geleide toevertrouwd werd, wendde hij alle mogelijke middelen aan, om van Adam den aard van zijn vertrouwelijk en geheim gesprek met lord Glenallan te vernemen. Maar Adam had in zijn tijd op menige strikvraag moeten antwoorden, en wist zich gemakkelijk te redden uit die van zijn voormaligen kameraad. „De geheimen der grooten,” – zeide Ochiltree bij zich zelven, – „zijn juist als de wilde beesten, die in kooien opgesloten zitten. Houd ze vast en stevig achter de traliën, dan gaat het goed; maar laat ze los, zij keeren zich om en verscheuren den mensch. Het heugt mij, hoe slecht het Dugald Gunn bekwam, dat hij gebabbeld had over des majoors vrouw en kapitein Bandilier.”

Frans werd dus afgeslagen in zijne aanvallen op de getrouwheid van den bedelaar, en even als een slecht schaakspeler, gaf hij zich bij iederen mislukten zet hoe langer hoe meer aan zijne tegenpartij bloot.

„Dus gij houdt vol, dat gij mijn meester over niets te spreken hadt dan over uwe eigen zaken?”

„Wel ja, – en over de kleinigheden, die ik van buiten ’s lands meêgebracht had. Ik wist, dat gij Katholieken bijzonder gesteld zijt op reliquiën, die ver van hier, van kerken en dergelijke plaatsen gehaald zijn.”

„Inderdaad; – en de graaf moet geheel van zijn stuk geweest zijn, om zich zoo in de weer te stellen over iets, dat gij hem brengen kondet, Adam!”

„Ik twijfel niet, of gij hebt in de hoofdzaak gelijk kameraad! – maar misschien heeft hij in zijne jeugd eenig ongeluk gehad, en dat verbittert den mensch –”

„Inderdaad, Adam! zeg dat vrij; – en daar gij waarschijnlijk nooit meer hier komen zult, en, indien gij het doet, mij er niet meer zult vinden, kan ik u zeggen, dat zijn hart in zijn jongen tijd deerlijk gegriefd werd, en men mag er zich over verwonderen, dat het niet al lang gebroken is.”

„Dacht ik het niet!” zeide Ochiltree; „daar moet eene vrouw in het spel geweest zijn!”

„Juist! gij hebt het getroffen, – eene van zijne nichtjes – Eveline Neville, zoo als zij heette. Men praatte er over onder de menschen; maar het werd gesust, omdat de grooten er meê gemoeid waren; – het is meer dan twintig jaren geleden, – ja, het zal drieëntwintig jaar zijn.”

„Zoo? – Toen was ik in Amerika,” zei de bedelaar, „en niet in de gelegenheid om de praatjes van den dag te hooren.” [199]

„Er viel niet zwaar over te praten, man!” hernam Macraw; „hij was verliefd op de jonge dame en zou haar getrouwd hebben; maar zijne moeder kwam er achter, en daar was de duivel in het spel. Althans, het arme meisje wierp zich van de rots bij Craigburnfoot in zee, en daar was het meê uit.”

„Uit voor de arme dame; maar zeker niet uit voor den armen graaf!”

„Neen, niet uit, zoolang hij leeft,” antwoordde de Hooglander.

„Maar waarom verbood de oude gravin het huwelijk?” vervolgde de onvermoeide vrager.

„Waarom? – Dat zal zij misschien zelve wel niet recht geweten hebben; maar alles moest naar haar zin zijn, goed of kwaad. – Maar men wist, dat de jonge dame het oor leende aan de ketters in het land; – en te meer noch, omdat zij den graaf nader verwant was, dan onze kerk toelaat. – Zie je, de dame werd gedreven tot de wanhopige daad, en de graaf heeft sedert dien tijd nooit weêr het hoofd opgericht.”

„Wel!” hernam Ochiltree; „het is toch wonder, dat ik tot heden nooit iets van de zaak gehoord heb.”

„Het is zelfs een wonder, dat gij er nu van hoort; want ik ben des duivels, als een van de dienstboden er van zou hebben durven spreken bij het leven van de oude gravin. Hé, man, zij kon er door heen slaan; – het zou menig man moeielijk gevallen zijn, om haar te staan! – Maar zij ligt in het graf, en wij kunnen nu een woordje praten, als wij een vriend ontmoeten. – Maar, vaarwel Adam! ik moet terug naar den avonddienst. – En als gij wellicht over een maand of wat te Inverary komt, vergeet niet, naar uw vriend Frans Macraw te vragen.”

Adam beloofde aan den wensch van zijn vriend te voldoen, en beiden scheidden dus met alle mogelijke betuigingen van weêrkeerige achting. De bediende van Lord Glenallan nam zijn weg terug naar het kasteel van zijn meester, en liet Ochiltree aan zich zelven over, om zijn gewoon slenterleven te hervatten.

Het was een schoone zomeravond, en de wereld, dat is de kleine kring, welke alles in alles was voor den persoon, die hem bewandelde, lag voor Adam Ochiltree open, om er een nachtleger te kiezen. Zoodra hij buiten het ongastvrije grondgebied van Glenallan gekomen was, had hij zoo vele plaatsen, waar hij zijn intrek dien avond kon nemen, dat hij besluiteloos, ja, zelfs moeielijk was in zijne keuze. De herberg van Ailie Sims lag aan den weg, ongeveer eene mijl vóór hem; maar dáár zou veel jong volk zijn met den Zaterdag avond, en dat was lastig bij het voeren van eenig geregeld gesprek. Andere pachters en hunne vrouwen deden zich achtereenvolgens aan zijne verbeelding op; maar de een was doof, en kon hem niet hooren; de ander had geene tanden, en kon hem niets laten hooren; een derde was slecht van humeur, en een vierde had een kwaadaardigen huishond. Te Monkbarns en Knockwinnock was hij zeker van een goed en gastvrij onthaal; maar die plaatsen waren te ver afgelegen, om er zich dien avond vroeg genoeg te kunnen aanmelden.

„Ik weet niet, hoe het komt,” zei de oude man; „maar ik ben heden avond moeielijker omtrent mijn kwartier, dan ik mij herinner ooit van mijn leven geweest te zijn. Ik geloof dat ik, na het zien van al de pracht ginds, en na de ontdekking dat men zonder die gelukkig kan zijn, trotsch geworden ben op mijn eigen lot. – Zoo het mij maar niet opbreekt; want hoogmoed komt voor den val. In elk geval zal de slechtste schuur, waarin [200]ooit een mensch sliep, een aangenamer verblijf zijn, dan het huis van Glenallan, met al die schilderijen en het zwarte laken en het fraaie zilverwerk, dat er bij behoort. Dus zal ik het maar in eens bepalen, en bij Ailie Sims intrekken.”

Toen de oude man den berg afging, die zich boven het kleine gehucht verhief, waarheen hij zijne schreden richtte, had de ondergaande zon de bewoners der streek hun arbeid doen staken, en de jonge lui, zich den fraaien avond te nutte makende, waren bezig met kegelen op het gras, terwijl de vrouwen en ouders toezagen. Het geschreeuw, het gelach, de luide stemmen der winners en verliezers waren hoorbaar op het pad, langs hetwelk Ochiltree neêrdaalde, en deden bij hem de herinnering der dagen ontwaken, waarin hij zelf een bekwaam mededinger en meer dan eens de overwinnaar was in spelen, waarbij sterkte en vlugheid van lichaam vereischt werden. Deze herinneringen laten zelden na een zucht te verwekken, zelfs dan, wanneer de avond van het leven door schitterender vooruitzichten vervroolijkt wordt, dan die van onzen armen bedelaar. „Op dien tijd van den dag,” – was zijne natuurlijke opmerking, „zou ik mij even weinig bekommerd hebben om een ouden pelgrim, die van den heuvel van Kinblythemont kwam nederdalen, als eenige van deze fiksche jonge knapen zich thans om Adam Ochiltree bekommeren.”

Hij werd echter dadelijk in eene vroolijker stemming gebracht, toen hij bevond, dat men meer belang in zijne komst stelde, dan zijne zedigheid had durven verwachten. Er was namelijk een betwiste worp gedaan door een der spelers, en daar de kommies de eene partij, en de schoolmeester de andere partij toegedaan was, mag men wel zeggen, dat de zaak door de hoogere autoriteiten in handen genomen werd. De molenaar en de smid hadden even eens verschillende partijen gekozen, en de hevigheid van twee zulke twistenden in aanmerking genomen, mocht men met reden twijfelen, of de strijd in der minne eindigen zou. Maar de eerste der aanwezenden, die een blik op den bedelaar wierp, riep uit: „Ha! daar komt de oude Adam aan, die de regels van het spel beter kent dan iemand, die ooit hier speelde; – laat ons niet kibbelen, jongens! – Wij zullen ons aan de uitspraak van Adam houden!”

Adam werd dus welkom geheeten en tot scheidsrechter benoemd, met een luiden, algemeenen kreet van gelukwensching. Met al de zedigheid van een bisschop, die zijne benoeming aanneemt, of van een spreker, die voor het eerst den kansel beklimt, praatte de oude man van het groot vertrouwen, dat men in hem stelde, en van de groote verantwoordelijkheid, die men hem wilde opleggen, en had, ter belooning van zijne zelfverloochening en nederigheid, het genoegen, de herhaalde verzekeringen van jong en oud te ontvangen, dat hij stellig en zeker de bekwaamste en meest bevoegde persoon was voor scheidsrechter, „in de geheele landstreek!”

Dus aangemoedigd, ging hij deftig over tot het vervullen van zijn ambt, en verbood bepaaldelijk alle beleedigende uitdrukkingen van weerskanten; hij hoorde den smid en den ijker aan de eene, den molenaar en den schoolmeester aan de andere zijde. Adam had echter bij zich zelven de zaak beslist, vóór dat de pleidooien begonnen, gelijk vele rechters, die desniettemin alle vormen bewaren, en tot het einde toe de welsprekendheid en de betoogen der advocaten verduren moeten. Zoodra dus alles van weerskanten gezegd, en veel daarvan meer dan eens gezegd was, sprak onze rechter, na goed en rijp overleg, het verzoenend en heilzame vonnis uit, dat de worp moest overgedaan, [201]en dus voor geene der partijen gerekend worden. Deze wijze beslissing herstelde de eendracht onder de spelers; zij begonnen op nieuw de kegels op te zetten en hunne weddingschappen te maken, met al de luidruchtigheid, welke dergelijke landelijke vermakelijkheden gewoonlijk vergezelt, en de driftigsten trokken reeds hunne buizen uit en gaven die, met hunne gekleurde zakdoeken, ter bewaring over aan hunne vrouwen, zusters, of liefsten. Maar de vreugde werd op eene zonderlinge wijze gestoord.

Aan den buitenkant van de groep spelers verhief zich een geluid, zeer verschillend van de stem der vroolijkheid; – men hoorde verward die soort van onderdrukte zuchten, waarmede het eerste nieuws van een groot ongeluk ontvangen wordt. Er ontstond eenige beweging onder de vrouwen, en men herhaalde de woorden: „Och! zoo jong en zoo plotseling opgeroepen!” – Weldra verspreidde zich de droevige mare onder de mannen en het vreugdegeschreeuw verstomde. Allen begrepen dadelijk, dat een groot ongeluk gebeurd was, en iedereen vroeg zijn buurman naar de tijdingen; maar deze wist er even weinig van als de vrager. Eindelijk bereikte het gerucht duidelijk de ooren van Adam Ochiltree, die zich geheel in het midden der vergadering bevond. De boot van Mucklebackit, den visscher, van wien wij meermalen gewaagd hebben, was op zee omgeslagen, en vier menschen waren er bij omgekomen, onder anderen Mucklebackit en zijn zoon. Het gerucht had nochtans ook nu de waarheid overschreden. De boot was inderdaad omgeslagen, maar Steven Mucklebackit alleen was verdronken. Ofschoon zijne woonplaats en zijne wijze van leven hem verwijderd hadden van het gezelschap der landlieden, lieten zij echter niet na, om hun landelijk spel te staken en in het onverwachte ongeluk die deelneming te toonen, welke het in treffende gevallen meestal opwekt. Ochiltree, in het bijzonder, werd door dit nieuws als door een donderslag getroffen, te meer, daar hij dezen jongen mensch nog zoo onlangs overgehaald had, om hem bij eene zaak behulpzaam te zijn, die, ofschoon ze geen groot nadeel of verlies aan den goudzoeker toebrengen zou, toch juist niet tot die bezigheden behoorde, waaraan men de laatste uren van zijn leven besteden moet.

Een ongeluk komt zelden alleen. Terwijl Ochiltree, in diep nadenken op zijn staf leunende, zijne smart met die der gehuchtbewoners vereenigde, welke den plotselijken dood van den jongen visscher betreurden, en hij zich inwendig berispte wegens de overtreding der wet, waarin hij hem zoo onlangs gewikkeld had, werd de oude man bij den kraag gepakt door een dienaar van het gerecht, die zijn stok met zijne rechterhand in de hoogte hief, en uitriep: „In ’s konings naam!”

De kommies en de schoolmeester vereenigden hunne welsprekendheid, om den diender en zijn gezel te overtuigen, dat hij geen recht had, om des konings bedelaar aan te houden als een landlooper; en de stomme welbespraaktheid van den molenaar en den smid, die zich in hunne stevig geslotene vuisten vertoonde, was gereed, om op zijn Hooglandsch borg voor hun scheidsman te geven: „zijn blauwe rok,” zeiden zij ook, „was zijn vrijbrief, om het land ongemoeid door te trekken.”

„Maar zijn blauwe rok,” antwoordde de gerechtsdienaar, „beschermt hem niet wegens gewelddadigen aanval, roof en moord; en ik moet hem wegens deze misdaden aanhouden.”

„Moord!” zeide Adam, „wien zou ik vermoord hebben?”

„Den heer Dousterswivel, den bestuurder van de mijnen te Glen-Withershins.” [202]

„Duisterduivel vermoord! – hij leeft! hij is springlevend, man!”

„Dat heeft hij u niet te danken; hij heeft een harden strijd gehad voor zijn leven, als het waar is, wat hij zegt, en gij moet u daaromtrent verantwoorden.”

De verdedigers van den bedelaar schrikten op het hooren van de gruwelijke beschuldiging tegen hem ingebracht; maar meer dan eene vriendelijke hand stak Adam vleesch en brood en geld toe tot zijn onderhoud in de gevangenis, werwaarts hem de gerechtsdienaar wilde brengen.

„Dank u! – God zegene u kinderen! – ik ben aan menigen strik ontkomen, toen ik het minder verdiende dan nu. Ik zal als de vogel uit de knip vrijkomen. Speelt uw spel maar uit, en bekommert u niet om mij. – Ik heb meer verdriet over den armen jongen, dan over alles, wat zij mij kunnen aandoen.”

De gevangene werd dus zonder tegenstand weggevoerd, terwijl hij werktuigelijk de aalmoezen, die men hem van alle kanten toereikte, ontving en in den zak stopte, en eer hij het gehucht verliet, was hij beladen als een marskramer. De moeite, om deze vracht te dragen, werd hem nochtans verlicht, daar de gerechtsdienaar kar en paard bezorgde, om den ouden man voor een overheidspersoon te brengen, om ondervraagd te worden eer hij naar de gevangenis ging.

Het ongeluk van Steven en het gevangennemen van Adam hadden een einde gemaakt aan het spel der dorpelingen, die begonnen na te denken over de wisselvalligheden der wereldsche dingen, welke zoo plotseling een van hunne makkers naar het graf, en den bestuurder van hun spel in gevaar gebracht hadden van gehangen te worden. Het karakter van Dousterswivel, dat vrij algemeen bekend was, wat, in zijn geval, zeggen wil, vrij algemeen gehaat was, gaf aanleiding tot vele gissingen over de mogelijkheid, dat de beschuldiging boosaardiglijk verzonnen was. Maar allen kwamen daarin overeen, dat, indien Adam Ochiltree bij de uitkomst dezer zaak eenig leed moest ondergaan, het ten zeerste te betreuren was, dat hij zijn lot niet beter verdiend had door Dousterswivel werkelijk dood te slaan.