Dertigste Hoofdstuk
Wie is hij? – Een, die, bij gebrek aan land,
Moet vechten op ’t water. – Hij daagde eens uit
Den grooten walvisch, en bij zijne titels
Van Leviathan, Behemoth, en zoo voorts,
Schermutselde hij met een zwaardvisch. – Maar, heer!
’t Zeemonster won het; – dit verbittert
Nog steeds onzen kampioen.
Oud tooneelspel.
„En die arme jongen, Steven Mucklebackit, zal heden morgen begraven worden,” zei onze waardige vriend de oudheidkenner, terwijl hij zijne geborduurde [203]kamerjapon tegen een ouderwetschen zwarten rok in plaats van het snuifkleurig kleed, dat hij gewoonlijk droeg, verwisselde, „en men verwacht, veronderstel ik, dat ik de lijkstatie zal bijwonen”
„O! ja!” antwoordde de oude Caxon, gedienstig de witte draden en vlokken van zijn patroons rok afborstelende; „het lijk was zoo verpletterd tegen de rotsen, dat zij zich haasten moeten met het te begraven. De zee is een bedriegelijk iets, zeg ik tegen mijne dochter, als zij troost noodig heeft, dat arme ding, – de zee, zeg ik Jenny, is eene onzekere kostwinning, –
„Gelijk de kostwinning van een ouden pruikenmaker, van zijn brood beroofd door het dragen van eigen haar en de belasting op het poeder. Caxon, uwe troostgronden zijn even slecht gekozen, als ze bij ons tegenwoordig gesprek weinig te pas komen. Quid mihi cum foemina? Wat heb ik met uw vrouwvolkje te doen, die last genoeg van het mijne heb? – Ik vraag u nog eens: verwachten deze arme lieden dat ik de begrafenis van hun zoon zal bijwonen?”
„O, zonder twijfel wacht men mijnheer,” antwoordde Caxon; „ik ben zeker, dat men u wacht. Gij weet, hoezeer men er in dit land op gesteld is, dat de heer de beleefdheid heeft, om het lijk op zijn eigen grond te volgen. – Gij behoeft niet verder te gaan, dan tot aan het begin der laan; – men verwacht niet, dat mijnheer zijn eigen land verlaten zou; – het is slechts eene kelso-begrafenis, zoo als men zegt, anderhalve stap over den deurdrempel.”
„Eene kelso-begrafenis!” herhaalde de nieuwsgierige oudheidkenner: „en wat is dat, – eene kelso-begrafenis?”
„Wel, mijnheer!” antwoordde Caxon, „hoe zou ik het weten? dat is slechts zoo bij manier van spreken.”
„Caxon,” hernam Oldbuck, „gij zijt niets dan een pruikenmaker! – Had ik Ochiltree de vraag gedaan, hij zou mij dadelijk met eene oude overlevering gediend hebben.”
„Mijn werk” – antwoordde Caxon, met meer vuur dan hij gemeenlijk toonde, „bepaalt zich tot den buitenkant van uw hoofd, zoo als mijnheer altijd zelfs zegt.”
„Dat is waar, Caxon, zeer waar! en men kan het den leidekker niet kwalijk nemen, dat hij geen behanger is!”
Hij haalde nu zijn zakboekje voor den dag en schreef op: „kelso-begrafenis – anderhalve stap over den deurdrempel. Gezag – Caxon. Quaere? – waarvan stamt het af? Mem. Over het onderwerp aan Dr. Graysteel schrijven.”
Na dit geboekt te hebben, hernam hij: „En voorwaar, deze gewoonte van den heer, om het lijk van den boer te begeleiden, keur ik goed, Caxon! Ze stamt van oude tijden af, en was gegrond op de begrippen van onderlingen bijstand en afhankelijkheid tusschen den heer en den bebouwer van zijn land. En hierin, moet ik zeggen (even als ten aanzien der hoffelijkheid jegens de vrouwen, welke zij overdreven) – hierin, zeg ik, temperden en matigden de leenheerlijke gebruiken de strengheid der klassieke tijden. Niemand, Caxon, hoorde ooit, dat een Spartaan de begrafenis van een Heloot volgde. – Daarentegen durf ik zweren, dat Jan van Girnell, – gij hebt wel eens van hem gehoord, Caxon?”
„Ja, ja, mijnheer!” antwoordde Caxon; „niemand kan lang in uw gezelschap geweest zijn, zonder van dien heer gehoord te hebben.”
„Wel,” vervolgde de oudheidkenner, „ik zou eene kleinigheid willen verwedden, dat er niet één kolbkerl of slaaf, of boer, ascriptus glebae, op het [204]grondgebied der monniken hier stierf, of Jan van Girnell zag hem ordelijk en betamelijk begraven!”
„Ei, ja; maar met goedvinden van mijnheer, men zegt, dat hij meer te maken had met de geboorten dan met de begrafenissen. Ha! ha! ha!” schuddende van het lachen.
„Goed, Caxon! zeer goed! wèl! het is van morgen helder weder bij u.”
„En daarenboven” – voegde Caxon, aangemoedigd door de goedkeuring van zijn patroon, er slim bij, „zegt men ook nog, dat de priesters er in die tijden een duitje aan verdienden, met naar de begrafenissen te gaan.”
„Recht zoo, Caxon, recht als mijn handschoen! – in het voorbijgaan gezegd; ik geloof dat deze spreekwijze komt van de gewoonte, om een handschoen tot pand te geven als teeken van onverbrekelijke trouw; – recht, zeg ik, als mijn handschoen, Caxon! – maar thans is het verdienstelijker voor ons, voor niets dien plicht te vervullen, die zeer veel kostte in den tijd des bijgeloofs, hetwelk Spenser, Caxon, in zijne allegorische regels noemt:
– De dochter van die blinde vrouw,
Abessa, dochter van Corecca –
Maar waarom spreek ik over deze dingen met u? – Mijn arme Lovel heeft mij bedorven, en mij geleerd om hardop te spreken, als men bijna even goed is, als alleen. – Waar is mijn neef Hector M’Intyre?”
„Hij is in de zaal, mijnheer, bij de dames.”
„Goed,” zeide de oudheidkenner; „ik zal er heen gaan.”
„Nu, Monkbarns!” zeide zijne zuster, toen hij in de kamer trad, „gij moet niet boos zijn.”
„Waarde oom!” begon Mary M’Intyre.
„Wat moet dat beteekenen?” zeide Oldbuck, eenig kwaad nieuws verwachtende, gelijk eene bezetting reeds bezorgd wordt voor een aanval bij het eerste trompetgeschal, dat de opeisching aankondigt. „Wat is er? waarom roept gij mijn geduld in?”
„Voor iets van geen groot belang, wil ik hopen, oom!” zeide Hector, die met den arm in een draagband aan de ontbijttafel zat; „wat het echter ook zij, ik ben er verantwoordelijk voor, zoo als ik het steeds blijf voor zoo veel overlast, dien ik u veroorzaak, en waarvoor ik weinig meer dan mijn dank kan aanbieden.”
„Neen, neen! hartelijk welkom, hartelijk welkom! – alleen laat u het eene waarschuwing zijn tegen uwe aanvallen van gramschap, die eene korte razernij is, – Ira furor brevis; – maar waarin bestaat nu dit nieuwe ongeluk?”
„Mijn hond, oom, heeft ongelukkig iets naar beneden gesmeten, –”
„In ’s Hemels naam! ik hoop toch niet het tranenfleschje van Clochnaben!” viel hem Oldbuck in de rede.
„Inderdaad, oom,” zeide Mary, „ik vrees, dat het juist dàt was, hetwelk op het buffet stond; het arme dier wilde slechts bij de versche boter komen.”
„Waarin het arme dier volkomen geslaagd is, veronderstel ik; want die op tafel, zie ik, is winterboter. Maar dat is niets! – mijne tranenflesch, de steunpilaar van mijn stelsel, waarop ik vertrouwde, ondanks de onnoozele stijfhoofdigheid van Mac-Cribb, om te bewijzen dat de Romeinen deze bergengten doorgetrokken waren en sporen achtergelaten hebben van hunne kunsten en wapenen, – vernietigd, – verbrijzeld als een gebroken – bloempot!” [205]
– Hector! ik heb u lief;
Maar dien mij nimmer meer!”
„Wel, oom, ik vrees inderdaad, dat ik eene slechte vertooning zou maken bij een regiment van uwe werving.”
„Ten minste, Hector, zou ik willen, dat gij u ontdeedt van uwe volgelingen, of dat gij op marsch gingt expeditus, dat is relictis impedimentis. Gij kunt niet begrijpen, hoe zeer mij uw hond verveelt; – het dier is ook schuldig aan inbraak, geloof ik; want ik hoorde het beschuldigen van in de keuken te zijn ingebroken, nadat de deuren gesloten waren, en van een schapenbout te hebben opgegeten.” – (Onze lezers, als zij zich bij toeval de voorzorg van Jenny Rintherout herinneren, om de deur open te laten, toen zij naar de visschershut ging, zullen waarschijnlijk de arme Juno vrijspreken van deze verzwarende omstandigheden, die de rechtsgeleerden claustrum fregit noemen, wat het verschil uitmaakt tusschen diefstal met inbraak begaan, en enkel stelen).
„Het spijt mij inderdaad, oom,” zeide Hector, „dat Juno zoo veel wanorde heeft aangericht; maar Jan Muirhead, de hondenafrichter, heeft mij gezegd, dat hij Juno nooit onder appèl had kunnen brengen. Zij is verder geweest, dan eenige hond, dien ik kende; maar, –”
„Dan, Hector, wenschte ik, dat uw hond ook uit mijn huis verder ging.”
„Wij zullen ons beide verwijderen, morgen of vandaag; maar ik zou niet gaarne van den broeder mijner moeder in onmin scheiden om een ellendigen aarden pot.”
„O broeder, broeder!” riep Mary M’Intyre in de uiterste wanhoop uit over deze minachtende benaming.
„Wèl, hoe zal ik het noemen?” vervolgde Hector; „het was juist zulk een ding, als waarvan wij ons in Egypte bedienden, om den wijn, of de sorbet, of het water in af te koelen; – ik bracht er een paar van mede; ik had er even goed twintig kunnen meêbrengen.”
„Hoe!” zeide Oldbuck, „van denzelfden vorm als die, welken uw hond ter neêrsmeet?”
„Ja, oom! juist zulk een soort van aarden vaas, als die, welke op het buffet stond. Ze staan in mijne kamer te Fairport; wij brachten er eenige van mede, om er onzen wijn in af te koelen op den overtocht; – dat ging ook best. – Als ik denken kon, dat ze eenigermate uw verlies konden vergoeden, of liever, dat zij u aangenaam zouden zijn, verzeker ik u, dat gij mij zeer vereeren zoudt met ze aan te nemen.”
„Inderdaad, mijn lieve jongen, ik zou mij zeer verheugen, ze te bezitten. De betrekkingen der volkeren na te gaan uit hunne gebruiken en de overeenkomst der gereedschappen, waarvan zij zich bedienden, is lang mijne geliefkoosde studie geweest. Alles, wat dergelijke betrekkingen kan ophelderen, is mij zeer veel waard!”
„Wel, oom, ik zal mij zeer verplicht gevoelen, als gij ze aannemen wilt, en eenige andere kleinigheden van denzelfden aard. – En nu, mag ik hopen, dat gij mij vergeven hebt?”
„O, mijn lieve jongen! gij zijt alleen maar gedachteloos en lichtzinnig.”
„Maar Juno, – zij is ook slechts lichtzinnig, dat kan ik u verzekeren; – Muirhead zeide, dat zij geen ander gebrek had, en volstrekt niet koppig was.”
„Wel, ook Juno heeft mijne vergiffenis, – mits gij haar navolgt in het [206]vermijden van alle gebreken en stijfhoofdigheid, en dat zij zich voortaan van de woonkamers verwijderd houdt.”
„Wel dan, waarde oom,” riep de krijgsman, „het zou mij spijten, en ik zou mij geschaamd hebben, om u iets tot boete mijner zonden of van die van mijn hond aan te bieden, hetwelk ik dacht, dat eenige wezenlijke waarde had; maar nu alles vergeven is, zult gij den ouderloozen neef, voor wien gij een vader geweest zijt, vergunnen, u eene kleinigheid aan te bieden, die ik zeker weet, dat eene zeldzaamheid is, en welke mijne wond mij alleen belet heeft, om u eerder ter hand te stellen. Ik kreeg het van een Franschen geleerde, wien ik eenige diensten bewezen had, na de gevechten bij Alexandrië.”
De kapitein gaf met deze woorden den oudheidkenner een klein doosje over, dat een antieken ring van zuiver goud bevatte, met een zeer schoone camee, het hoofd van Cleopatra voorstellende. De oudheidkenner geraakte in de grootste verrukking, schudde hem hartelijk de hand, bedankte hem wel honderdmaal, en toonde den ring aan zijne zuster en nicht, welke laatste slim genoeg was, dien uitermate te bewonderen; maar Grizelda (ofschoon zij haren neef dezelfde genegenheid toedroeg), was niet behendig genoeg om hem bij te staan.
„Het is een aardig ding,” zeide zij, „Monkbarns, en, zeker van waarde; – maar het is boven mijne kennis; gij weet, ik begrijp niets van dergelijke zaken.”
„Daar hoort men geheel Fairport in eene stem!” riep Oldbuck uit; „het is de echte geest van de stad, die ons allen besmet heeft: mij dunkt, ik heb er den rook van gemerkt deze twee dagen, daar de wind, gelijk eene remora, in het noordoosten is blijven hangen, – en de vooroordeelen vliegen verder dan de dampen. Geloof mij, mijn waarde Hector, – als ik de Hoogstraat van Fairport opwandelde, en dezen onwaardeerbaren schat aan iedereen dien ik ontmoette ten toon spreidde, geen sterveling, van den burgemeester af tot den scheepsomroeper toe, zou blijven staan, om mij naar de geschiedenis er van te vragen. Maar, als ik een stuk linnen onder den arm droeg, zou ik de paardenmarkt niet bereiken kunnen, zonder met vragen overstelpt te zijn omtrent het weefsel en den prijs. O! men zou hunne onwetendheid in de woorden van Gray kunnen parodiëeren
„Weef de schering en weef ’t getouw,
De zweetlap van vernuft en rede;
De doek wordt voor u doek van rouw,
En ’t geld alleen geeft heil en vrede.”
Hoe aangenaam echter dit zoenoffer was, bleek eerst op dit oogenblik; want terwijl de oudheidkenner dus declameerde, had Juno, die hem ontzag met dat opmerkingswaardig instinct, waarmede de honden dadelijk diegenen ontdekken, die hun genegen of afkeerig zijn, herhaaldelijk den neus in de kamer gestoken, en niets afschrikkends ontwarende, zich eindelijk verstout om er geheel in te komen, en door straffeloosheid aangemoedigd, had zij werkelijk het geroosterd brood van Oldbuck opgevreten, terwijl deze, nu den een, dan den ander van zijne toehoorders aanziende, met veel zelfbehagen herhaalde
„Weef de schering en weef ’t getouw, –”
[207]
„Gij herinnert u de plaats in de Noodlottige Zusters, die, in ’t voorbijgaan gezegd, niet zoo schoon is, als in het oorspronkelijke! – Maar, heidaar! mijn geroosterd brood is verdwenen! – ik zie al waarheen. Ah! gij type der vrouwen! geen wonder, dat uw geslachtsnaam eene beleediging is!” (Dit zeggende, hief hij de vuist dreigend tegen Juno op, die uit de spreekkamer stoof). – „Evenwel, daar Jupiter, volgens Homerus, Juno in den hemel niet temmen kon, en daar Muirhead, volgens Hector M’Intyre, er op aarde even weinig in geslaagd is, veronderstel ik, dat men haar zal moeten laten begaan!” En deze zachte berisping beschouwden broeder en zuster met recht als eene volledige vergiffenis van Juno’s overtredingen, en gebruikten nu vergenoegd het morgenmaal.
Na het ontbijt sloeg de oudheidkenner aan zijn neef voor, met hem naar de begrafenis te gaan. De krijgsman verontschuldigde zich, omdat hij geen rouwkleed had.
„O! dat doet er niet toe; – uwe tegenwoordigheid is alles, wat vereischt wordt. Ik verzeker u, gij zult iets zien, dat u vermaken, – neen, dat is de juiste uitdrukking niet, – dat u belang inboezemen zal door de gelijkenis, die ik u zal doen opmerken tusschen de gebruiken bij ons bij zulke gelegenheden, en die der ouden.”
„De Hemel vergeve het mij!” dacht M’Intyre; „ik zal zeker iets verkeerds doen, en de genade verspelen, die ik zoo even bij toeval verworven heb.”
Toen zij vertrokken, nam de krijgsman, door de waarschuwende en smeekende blikken van zijne zuster onderricht, het vaste besluit, om geen aanstoot te geven door eenig blijk van onoplettendheid of ongeduld. Maar onze beste voornemens zijn te vergeefsch, zoodra ze strijden met onze heerschende neigingen. Onze oudheidkenner, om niets onuitgelegd te laten, was begonnen met de begrafenisplechtigheden der oude Scandinaviërs, toen zijn neef hem te midden eener uitweiding over den „ouderdom der heuvelen,” in de rede viel met op te merken, dat eene groote zeemeeuw, die om hen heen vloog, tweemaal binnen schot gekomen was. Deze misslag erkend en vergeven zijnde, ging Oldbuck met zijne verhandeling voort.
„Dit zijn omstandigheden, welke uwe opmerking verdienen en u genoegzaam bekend moeten zijn, waarde Hector; want in den zonderlingen loop van den tegenwoordigen oorlog, die alles in Europa in beweging brengt, is het niet mogelijk te weten, waar gij eens zoudt kunnen geroepen worden te dienen. Zoo het bij voorbeeld in Noorwegen ware, of in Denemarken, of in eenig gedeelte van het oude Scania, of, zoo als wij het noemen, Scandinavië, wat zou dan nuttiger zijn, dan op uw duimpje de geschiedenis en oudheden te kennen van dat oude land, de officina gentium, de moeder van het hedendaagsche Europa, de bakermat van die helden,
Stout in ’t besluiten, paalvast in ’t verduren,
Glimlachende in den dood! –
„Hoe bemoedigend, bij voorbeeld, zou het wezen, na een vermoeienden marsch, u in de nabijheid van een gedenkteeken der Runen te bevinden, en te ontdekken, dat gij uwe tent opgeslagen hadt naast de begraafplaats van een held!”
„Ik geloof, oom, dat onze tafel beter voorzien zou worden, als wij ons in de nabijheid van eene flinke boerderij bevonden.”
„Het spijt mij, u zoo te hooren spreken! – Geen wonder dat de dagen [208]van Crécy en Agincourt voorbij zijn, als de eerbied voor de oude dapperheid in het hart van den Britschen soldaat uitgedoofd is.”
„In geenen deele, oom! – volstrekt niet! maar ik verbeeld mij dat Eduard en Hendrik en alle overige helden om hun eten dachten, eer zij zich de moeite gaven, om een ouden grafsteen te onderzoeken. Maar ik verzeker u, wij zijn geenszins ongevoelig voor de herinnering aan den roem onzer voorvaderen; ik placht ’s avonds dikwijls den ouden Rory M’Aldin te laten komen, om ons gezangen van Ossian over de gevechten van Fingal en Lamon Mor, en Magnus, en den geest van Muirartach, voor te zingen.”
„En gelooft gij,” vroeg de driftige oudheidkenner, „gelooft gij inderdaad, dat het lapwerk van Macpherson wezenlijk oud is, gij onnoozele jongen?”
„Gelooven, oom? – hoe kon ik anders doen dan het gelooven, daar ik die gezangen heb hooren zingen van kindsbeen af?”
„Maar niet die van Macpherson’s Engelschen Ossian; – gij zijt, hoop ik, niet dwaas genoeg om dat te zeggen?” zei de oudheidkenner, terwijl zich zijne wenkbrauwen van gramschap samentrokken.
Maar Hector wachtte den storm moedig af. Gelijk menige wakkere Celt, oordeelde hij, dat de eer van zijn land en van zijne moedertaal eischte om het gezag van deze volksliederen te handhaven; en hij zou eerder lijf en goed in den steek hebben gelaten, dan er één enkelen regel van op te geven. Hij hield dus onverschrokken vol, dat Rory M’Alpin het geheele boek van begin tot einde kon opzeggen; en het was slechts, na vragen en wedervragen, dat hij het algemeene van dat gezegde bepaalde, door er bij te voegen: „ten minste, als men hem brandewijn genoeg gaf, kon hij er zoo lang mede volhouden, als er iemand was, die naar hem luisteren wilde.”
„Zoo, zoo!” zei de oudheidkenner, „en dat, veronderstel ik, zal niet zeer lang geweest zijn.”
„Wel, oom, wij hadden onzen dienst te doen, en konden niet den geheelen nacht zitten luisteren naar een ouden pijper.”
„Maar herinnert gij u nu nog,” zeide Oldbuck, door de geslotene tanden, en zonder ze te openen, wat zijne gewoonte was, als men hem tegensprak, – „herinnert gij u eenige van die verzen, welke gij zoo schoon en belangwekkend vondt; – gij, die zonder twijfel een bevoegd beoordeelaar van dergelijke dingen zijt?”
„Ik maak geene aanspraak op veel verstand, oom! maar het is niet zeer redelijk om knorrig op mij te wezen, omdat ik de oudheden van mijn eigen land meer bewonder, dan die der Harolds, Harfagers en Haco’s, waarmede gij zoo veel op hebt!”
„Wel, deze machtige en onverwonnene Gothen waren uwe voorouders! De broekelooze Celten die zij onderwierpen, en in het leven lieten, als een vreesachtig volk, in de holen der rotsen, waren slechts hunne Mancipia”
Hector fronste op zijne beurt de wenkbrauwen. „Oom, ik versta de beteekenis niet van Mancipia; maar ik begrijp, dat dergelijke namen zeer verkeerd aan Hooglanders gegeven worden. Niemand anders dan de broeder mijner moeder zou zulk eene taal in mijne tegenwoordigheid durven voeren; en ik verzoek u te bedenken, dat zoo iets noch gastvrij, noch beleefd, noch vriendschappelijk, noch edelmoedig is omtrent uw gast en uw bloedverwant. Mijne voorouders oom, –”
„Waren groote en moedige helden, ik wil het wel gelooven, Hector! en ik meende waarlijk niet, u eene zoo groote beleediging aan te doen door over een oudheidkundig onderwerp te spreken, waarbij ik zelf altijd koelbloedig, [209]nadenkend en zonder drift blijf. Maar gij zijt vurig en opvliegend, alsof gij Hector en Achilles en Agamemnon tegelijk waart!”
„Het spijt mij, dat ik mij zoo driftig uitdrukte, voornamelijk tegen u, die zoo edelmoedig en goed zijt. – Maar mijne voorouders, –”
„Niets meer daarvan, jongen! ik wilde hen niet beleedigen; – geen van allen.”
„Dat verheugt mij, oom, want het geslacht van M’Intyre, –”
„Vrede zij met hen allen!” riep de oudheidkenner. „Maar om tot ons onderwerp terug te keeren, – herinnert gij u, zeg ik, eenige van die gedichten, die u zoo veel vermaak verschaften?”
„Het is zeer hard,” dacht M’Intyre, „dat hij met zoo veel genoegen over alles spreekt, wat oud is, uitgezonderd mijn geslacht.” – Hij deed toen eenige pogingen om iets te bedenken, en voegde er hardop bij: „Ja, oom, ik geloof dat ik mij eenige regels herinner; maar gij verstaat geen Gaëlisch!”
„En wil gaarne verschoond blijven van het te hooren. Maar kunt gij mij eenig denkbeeld van den zin, in onze moedertaal geven?”
„Ik zal een ellendig vertaler wezen,” zeide M’Intyre; daarop zeide hij het oorspronkelijke, dat vol was van aghes, aughs en oughs en dergelijke keelklanken, snel op, en hoestte en kuchte toen, alsof de vertaling hem in de keel bleef. Eindelijk, na vooraf aangemerkt te hebben, dat het dichtstuk ene samenspraak was tusschen den dichter Oisin of Ossian, en Patrick, den Beschermheilige van Ierland, en dat het moeielijk, zoo niet onmogelijk was, de uitgezochte schoonheid der twee of drie eerste regels even gelukkig over te brengen, zeide hij, dat de zin hier op neêr kwam:
„Patrick de psalmzinger!
Daar gij niet wilt luist’ren naar een van mijn vertelsels,
Ofschoon gij die nimmer tot nu toe gehoord hebt,
Smart het mij u te zeggen
Dat gij weinig meer zijt dan een ezel. –”
„Goed! goed!” riep de oudheidkenner uit; „maar ga voort! Wel, dit is, in elk geval, kostelijk! Ik geloof wel, dat de dichter gelijk had. Wat zegt de Heilige?”
„Hij spreekt in zijn karakter,” antwoordde M’Intyre; „maar gij moest M’Alpin het oorspronkelijke hooren zingen. De woorden van Ossian zijn voor eene zware, lage basstem gezet; – die van Patrick voor een tenor.”
„Gelijk M’Alpin’s groote en kleine fluitjes, veronderstel ik,” zeide Oldbuck; „ik bid u, ga voort!”
„Nu dan, Patrick geeft aan Ossian ten antwoord:
„Op mijn woord, Fingal’s zoon!
Terwijl ik psalmen zing,
Stoort het geschreeuw uwer oudwijven sprookjes
De oefeningen van mijne aandacht.”
„Voortreffelijk! – Wel, het gaat hoe langer hoe beter. Ik hoop, dat de Heilige Patrick beter zal gezongen hebben dan Blattergowl’s voorlezer. Maar wat ik bewonder, is de onderlinge beleefdheid van deze twee hooge personages. Het is jammer, dat daarvan geen woord in Macpherson’s overzetting staat.” [210]
„Indien gij daar zeker van zijt,” zeide M’Intyre deftig, „dan moet hij zich eigendunkelijk zeer veel vrijheid veroorloofd hebben met het oorspronkelijke.”
„Het zou gevaarlijk zijn, dat zoo kortaf te beslissen; – maar ik bid u – ga voort.”
„Nu,” zeide M’Intyre, „zie hier het antwoord van Ossian:
„Durft gij uwe psalmen vergelijken,
Gij, zoon van eene –”
„Zoon van eene – wat?” riep Oldbuck.
„Het beteekent, geloof ik,” antwoordde Hector met eenigen weêrzin, „zoon van eene teef!”
„Durft gij uwe psalmen vergelijken
Met ’t verhaal van den Fenier met bloote armen?”
„Weet ge zeker dat ge de twee laatste woorden nauwkeurig vertaalt, Hector?”
„Zeer zeker, oom,” antwoordde Hector verdrietig.
„Omdat ik gedacht zou hebben, dat wellicht de naaktheid van een ander gedeelte van het lichaam vermeld moest zijn.”
Hector verwaardigde zich niet hierop te antwoorden, en ging voort met zijn gedicht:
„Ik zou er weinig om geven,
Om u het kale hoofd te wringen van de schouders,
„Maar wat is dat ginds?” riep Hector afbrekende.
„Eén uit de kudde van Proteus,” antwoordde de oudheidkenner – „een Phoca of zeehond, die op het strand ligt te slapen.”
Hierop vergat M’Intyre, met al de drift van een jongen jager, geheel en al Ossian, Patrick, zijn oom en zijne wond, en uitroepende: „ik zal hem krijgen! ik zal hem krijgen!” greep hij den wandelstok uit de hand van den verwonderden oudheidkenner, met eenig gevaar van hem omver te werpen, en stoof weg zoo hard hij kon, om zich bij tijds te plaatsen tusschen de zee en het dier, dat verschrikt in het water zocht te vluchten.
Sancho Pancha, toen zijn meester het verhaal van de bestrijders van Pentapolin met den naakten arm afbrak, om persoonlijk op de kudde schapen aan te vallen, stond niet meer verbaasd dan Oldbuck, bij deze onverwachte vlaag van zijn neef.
„Is hij bezeten!” was zijn eerste uitroep, „om het stomme dier, dat niet om hem dacht, te gaan verontrusten?” – Toen de stem verheffende: „Hector, – neef, – dwaas! – laat de Phoca met vrede! – laat de Phoca met vrede! – Ze bijten woedend, zeg ik u! – Hij bekreunt zich niet meer om mij, dan om een boonenstaak; – daar, – daar hebben ze elkander beet! – Hemel! de Phoca heeft de overhand. Dat mag ik zien!” zeide hij verbitterd, ofschoon wezenlijk verontrust over zijn neef, „dat verheugt mij van ganscher harte!”
Inderdaad, toen de zeehond den terugtocht afgesneden zag door den vluggen soldaat, bood hij hem dapper tegenstand, en zonder letsel bekomen te [211]hebben, fronste hij, naar de gewoonte dezer dieren als zij vertoornd zijn, de wenkbrauwen, en, ter zelfder tijd gebruik makende van een zijner lompe, maar sterke voorpooten, rukte hij het wapen uit de hand van den aanvaller, smeet hem omver in het zand, en pakte zich weg in zee, zonder hem eenig verder leed aan te doen. Kapitein M’Intyre, vrij wat onthutst door den uitslag van zijn gevecht, stond juist bij tijds op, om de spotachtige gelukwenschen van zijn oom te ontvangen over een tweegevecht, waardig door Ossian zelven bezongen te worden, „daar” – zei de oudheidkenner, „uwe grootmoedige tegenpartij gevlucht is (ofschoon niet op arendsvleugelen) voor den vijand, die gevallen was. – Ei, het dier stoof weg met al den trots van een overwinnaar, en heeft dan ook mijn stok als spolia opima meê genomen!”
M’Intyre kon weinig meer te zijner verantwoording zeggen, dan dat een Hooglander nimmer een hert, een zeehond, of een zalm kon voorbijgaan, als er eenige mogelijkheid was om er bij te komen, en dat hij vergeten had, dat hij één arm in een draagband had. Hij gebruikte verder zijn val tot verontschuldiging, om naar Monkbarns terug te keeren, en ontsnapte dus aan de verdere spotternijen van zijn oom, zoowel als aan zijne klaagliederen over het verlies van zijn wandelstok.
„Ik sneed hem,” – zeide hij, „in de klassieke bosschen van Hawthornden, toen ik niet dacht altijd ongetrouwd te blijven! – ik zou hem voor geen oceaan vol zeehonden gegeven hebben! – O Hector, Hector, uw naamgenoot werd geboren om een steun van Troje te wezen, en gij, om de plaag van Monkbarns te zijn!”