WeRead Powered by ReaderPub
De oudheidkenner cover

De oudheidkenner

Chapter 32: Eenendertigste Hoofdstuk
Open in WeRead

About This Book

The narrative follows a young traveller who, while preparing for a short journey, becomes involved with an elderly, eccentric collector of historical curiosities and the colourful local people around him. Episodes combine gentle comedy of manners, vivid local portraiture, and a developing mystery about old papers and contested property that spurs inquiries, disputes, and probes into ruins and records. A romantic strand and several reconciliations are woven through debates over authenticity, heritage, and changing tastes, and the work shifts between satirical sketches and more sincere reflections on memory, learning, and community.

[Inhoud]

Eenendertigste Hoofdstuk

Spreek m’ er niet van, vriend! – wanneer de deugd weent,

Zijn hare tranen lauwe schuim: – uit onze oude oogen

Vloeit de smart als hagel uit het Noorden,

Die de voren onzer wangen doet bevriezen,

Koud als onze hoop, verhard als ons gevoel.

In het vallen verdwijnen de hare; – de onze

En alles voor ons, wordt tot kil ijs.

Oud tooneelspel.

De oudheidkenner, thans alleen, verhaastte zijne schreden, die vertraagd waren geweest door de verschillende twistredenen en de gebeurtenis, welke er een einde aan maakte, en bereikte weldra het zestal hutten bij de Mosselklip. Deze hadden nu, behalve haar gewoon smerig en ellendig voorkomen, tevens al de treurige kenteekens van den rouw. De schuiten lagen op het strand getrokken, en ofschoon het weder fraai en het jaargetij gunstig was, hoorde men noch het gezang der visschers op zee, noch het lachen der kinderen, [212]noch het schelle gezang der moeders, als zij aan de deur zitten om hare netten te verstellen. Eenige buren, sommigen in ouderwetsche en welbewaarde zwarte rokken, anderen in hunne gewone kleederdracht, maar allen met eene uitdrukking op hun gelaat van het diepste medelijden met een ongeluk, dat hun zoo plotseling en onverwacht overkomen was, stonden voor de deur van Mucklebackit’s hut te wachten tot het lijk weggedragen zou worden. Toen de heer van Monkbarns naderde, maakten zij plaats voor hem om binnen te gaan, terwijl zij, met eene soort van droefgeestige beleefdheid, de hoeden en petten afnamen, en hij beantwoordde hunne groeten op dezelfde wijze.

Binnen in de hut was er een tooneel, dat onze Wilkie alleen zou hebben kunnen schilderen met dat uitgezochte gevoel, dat zijne verrukkelijke voortbrengselen kenmerkt.

Het lijk lag in de kist, in de houten bedstede, waarin de jonge visscher bij zijn leven geslapen had. Op kleinen afstand stond de vader, wiens ruw en mager aangezicht, beschaduwd door het bijna grijze haar, menigen nachtelijken storm en pikdonkeren dag getrotseerd had. Hij scheen aan zijn verlies te denken met dat diep gevoel van pijnlijke smart, aan harde en ruwe karakters bijzonder eigen, dat hen bijna de geheele wereld en al wat die nog oplevert doet haten, als zij van het voorwerp hunner liefde beroofd zijn. De oude man had de wanhopendste pogingen aangewend, om zijn zoon te redden, en was alleen door geweld verhinderd geworden om ze te hernieuwen op het oogenblik, waarop hij, zonder in de mogelijkheid te zijn om den lijder te helpen, zelf zou hebben moeten omkomen. De kwellende herinnering aan dit alles vervulde blijkbaar zijn geest. Zijne blikken waren van ter zijde gericht op de doodkist, als op een voorwerp, dat hij niet rechtstreeks kon aanschouwen, en waarvan hij echter de oogen niet kon afwenden. Zijne antwoorden op de noodzakelijke vragen, die men hem soms doen moest, waren kort, knorrig en soms ruw. Geen lid van het huisgezin had hem tot dusver één woord durven toespreken over gemeenschappelijk lijden, of van gemeenschappelijke vertroosting. Zijne kloeke vrouw, hoe onverschrokken ook, en ofschoon onbepaalde meesteres van het huis, waarop zij zich, met recht, bij elke gewone gelegenheid beroemde, was, bij dit groot verlies, door den schrik tot zwijgen gebracht en genoodzaakt, voor haren man de uitbarstingen harer moederlijke smart te verbergen. Daar hij van het oogenblik af, dat hem de ongelukkige slag getroffen had, niets had willen nuttigen, en zij hem zelve niet durfde naderen, had zij dien morgen, met liefderijke list, het jongste en meest beminde kind gezonden, om zijn vader eenig voedsel aan te bieden. Zijne eerste opwelling was geweest, om het kind van zich af te weren met eene heftigheid, die den jongen verschrikte; maar in hetzelfde oogenblik greep hij hem op, en hem als het ware met kussen bedekkende, zeide hij: „Gij zult een brave jongen worden, als gij ons gespaard wordt, Patie! – maar nooit zult gij, – nooit kunt gij worden – wat hij voor mij was. Sedert zijn tiende jaar ging hij met mij mede, en geen één was er tusschen hier en Buchannes, die zóó met het net wist om te gaan als hij. – De menschen zeggen, men moet zich onderwerpen; – ik zal mijn best doen!”

En van dat oogenblik af had hij niet meer gesproken, als hij niet genoodzaakt was te antwoorden op de onvermijdelijke vragen, waarvan wij reeds melding maakten. Zoodanig was de troostelooze toestand van den vader.

In een anderen hoek der hut zat de moeder, het aangezicht bedekt met haar voorschoot; maar de aard van hare smart was duidelijk te zien in het [213]wringen der handen en in het krampachtige snikken, dat zij niet onderdrukken kon. Twee buurvrouwen, die haar gedienstig allerlei dagelijksche woorden van onderwerping aan onherstelbare rampen in de ooren fluisterden, schenen te streven om de smart, die zij niet konden verzachten, ten minste te bedwelmen.

De droefheid der kinderen was vermengd met verwondering over die toebereidselen, die zij om zich heen zagen, en de ongewone tentoonspreiding van wittebrood en wijn, welk een en ander de armste boer of visscher aan zijne gasten bij dergelijke rouwgelegenheden aanbiedt; en dus loste zich hunne droefenis over den dood van hun broeder weldra bijna geheel op in hunne bewondering van de pracht zijner uitvaart.

Maar de houding der grootmoeder was het meest opvallend van de geheele treurende groep. Gezeten op haren gewonen stoel, steeds met dezelfde stompheid en hetzelfde gebrek aan belangstelling in alles wat haar omgaf, scheen zij elk oogenblik werktuigelijk de bewegingen te hervatten van iemand die spint, – en op hare borst naar het spinrokken te zien, ofschoon men het een en ander had weggelegd. Dan sloeg zij de blikken in het rond, als verwonderd hare gewone gereedschappen te missen, en scheen getroffen over de zwarte kleur van het kleed, dat men haar aangedaan had, en verbaasd over het aantal menschen, door wie zij omringd was; – dan, eindelijk, richtte zij het spookachtig gelaat op, en vestigde de oogen op het bed, waarin de doodkist van haren kleinzoon stond, alsof zij eensklaps, en voor de eerste maal, besefte welk onuitsprekelijk onheil gebeurd was. Deze afwisselende gewaarwordingen van verlegenheid, verwondering en smart vertoonden zich meer dan eens op hare strakke gelaatstrekken. Maar zij sprak geen woord en had geen traan gestort; niemand van het huisgezin kon uit hare blikken of bewegingen opmaken, in hoe ver zij begreep, wat de buitengemeene drukte om haar heen beteekende. Zoo zat zij onder de vergaderde rouwenden als een schakel tusschen de overlevenden en het lijk, dat zij beweenden; – een wezen, waarbij het licht des levens reeds verduisterd werd door de steeds toenemende schaduwen des doods.

Toen Oldbuck het sterfhuis binnentrad, begroette men hem stilzwijgend met eene buiging, en er werd, volgens het Schotsche gebruik bij zulke gelegenheden, den gasten in het rond wijn en sterke dranken aangeboden. Toen dit geschiedde, verschrikte Elspeth het gezelschap, daar zij den persoon, die rondging, een wenk gaf om stil te staan, en, terwijl de glimlach der verkindschdheid op hare gerimpelde gelaatstrekken speelde, hem met eene holle en bevende stem zeide: „Uw aller gezondheid, vrienden, en mogen wij elkander nog dikwijls zoo vroolijk ontmoeten!”

Allen schrikten over deze onheilspellende woorden en zetten de glazen onaangeroerd neder, wat niemand verwonderen zal, die weet hoeveel bijgeloof er nog bij zulke gelegenheden onder het Schotsche volk heerscht. Maar toen de oude vrouw den drank proefde, riep zij eensklaps met een kleinen schrik uit: „Wat is dat? – wijn! – hoe zou er wijn in mijns zoons huis zijn? – Ja,” vervolgde zij, met een onderdrukten zucht, „ik herinner mij nu de droevige reden” en het glas uit de hand latende vallen, stond zij een oogenblik op het bed te staren, waarop de doodkist van haren kleinzoon rustte, en toen langzamerhand op haren stoel zijgende, bedekte zij oogen en voorhoofd met de dorre, magere hand.

Op dit oogenblik trad de geestelijke in de hut. De heer Blattergowl, ofschoon een langdradig redenaar, in het bijzonder over het onderwerp van [214]kerkelijke wetten, tienden, en de Vergadering der Algemeene Synode, waarin hij, ongelukkig genoeg voor zijne toehoorders, eens het woord had gevoerd, was desniettemin „een goed mensch.” Geen geestelijke was ooit onvermoeider in het bezoeken van zieken en bedrukten, in het onderwijzen der jeugd, in het onderrichten van de onwetenden; en in het vermanen van de dwalenden; en dus had onze oudheidkenner, in weêrwil van zijn ongeduld over dominé’s langdradigheid en zijne vooroordeelen, en niettegenstaande een zekere minachting voor zijne kennis, voornamelijk in zaken van vernuft en goeden smaak, waarover Blattergowl zeer geneigd was uit te weiden in de hoop om zich vroeger of later den weg te banen tot een leerstoel van rhetorica en fraaie letteren, – om deze redenen, zeg ik, had onze vriend, de oudheidkenner, in weêrwil van al de vooroordeelen door de vermelde omstandigheden bij hem ontstaan, groote achting en veel eerbied voor genoemden Blattergowl; ofschoon ik bekennen moet, dat hij zelden, niettegenstaande al zijn gevoel van betamelijkheid en al de vermaningen der dames, de deur uitgejaagd kon worden, zoo als hij het noemde, om hem te hooren preeken. Maar hij verklaarde geregeld dat hij zich over zijne afwezigheid schaamde, telkens als Blattergowl te Monkbarns kwam eten, waartoe hij altijd des Zondags genoodigd werd; eene wijze van zijn eerbied te betuigen, welke de oudheidkenner even aangenaam oordeelde voor den geestelijke, en die tevens veel beter strookte met zijne eigene gewoonten.

Om van deze uitweiding terug te keeren, – die alleen dienen kan, om den lezer met den eerlijken geestelijke wat beter bekend te maken, – de heer Blattergowl was nauwelijks in de hut getreden, waar hij de stomme en treurige groeten van het gezelschap ontving, of hij begaf zich naar den ongelukkigen vader, en scheen te pogen, om eenige weinige woorden van rouwbeklag en vertroosting bij hem ingang te doen vinden. Maar de oude man was voor geen van beide vatbaar; hij knikte echter eventjes, en stak den geestelijke de hand toe uit erkentelijkheid voor zijne goede bedoelingen; maar hij was buiten staat, of onwillig, om iets te antwoorden.

De geestelijke ging toen naar de moeder, terwijl hij zich zoo zacht, zoo stil en zoo langzaam over den vloer bewoog, alsof hij bang geweest ware, dat de grond, als broos ijs, onder zijne voeten instorten mocht, of dat de eerste klank van een voetstap de betoovering zou breken, en de hut, met al die er zich in bevonden, in een onderaardschen afgrond storten. Den inhoud van wat hij de arme vrouw influisterde kon men slechts opmaken uit hare gezegden, toen zij met woorden, half gesmoord door snikken, en haar gelaat steeds achter haar voorschoot bedekt houdende, telkens, als hij een oogenblik ophield, weemoedig antwoordde: „Ja, mijnheer! ja, – ja, gij zijt zeer goed, – gij zijt zeer goed! – Zonder twijfel, zonder twijfel! – Wij moeten ons onderwerpen! – Maar, o lieve! mijn arme Steven! de trots van mijn hart, die zoo knap, zoo hupsch was, en de steun van zijne familie, en een troost voor ons allen, en de vreugde van iedereen, die hem kende! – O mijn kind, mijn kind, mijn kind! waarom ligt gij daar, en och! waarom leef ik nog, om u te beweenen!”

Het was niet mogelijk, zich bij deze uitbarsting van smart en moederlijke liefde goed te houden. Oldbuck nam herhaaldelijk toevlucht tot zijne snuifdoos om de tranen te verbergen, die, in weêrwil van zijne verstandige en cynische zelfbeheersching, bij dergelijke gelegenheden hem wel eens ontvielen. De vrouwen klaagden mede; de mannen hielden de petten vóór het gezicht en spraken zacht met elkander. De predikant wendde zich nu met zijne [215]troostredenen tot de oude grootmoeder. In het begin luisterde zij, of scheen zij te luisteren, naar hetgeen hij zeide, met hare gewone ongevoeligheid. Maar toen hij, op zijn onderwerp aandringende, zoo dicht bij haar oor kwam, dat de zin zijner woorden voor haar verstaanbaar werd, ofschoon de meer verwijderde omstanders ze niet hoorden, nam haar gelaat eensklaps die strenge en veelbeteekenende uitdrukking aan, welke tusschenbeide haar eigen was. Zij richtte hoofd en lichaam op, schudde het hoofd op eene wijze, die ten minste ongeduld over, zoo niet verachting van zijn raad te kennen gaf, en bewoog de hand zenuwachtig heen en weêr, maar op zulk eene nadrukkelijke wijze, dat het aan allen, die het zagen, duidelijk was, dat zij den geestelijken troost versmaadde, dien hij haar aanbood. De afgewezen predikant trad terug, en zachtkens de hand opheffende en weêr latende vallen, scheen hij tegelijk verbazing, smart en medelijden aan den dag te leggen over den onrustbarenden toestand van haar gemoed. De overigen van het gezelschap deelden zijn gevoelen, en een onderdrukt gefluister, dat in het rond gehoord werd, gaf te kennen, hoe zeer hare wanhopige en ongewillige houding allen met verbazing, ja zelfs met schrik, vervulde.

Intusschen werd het gezelschap vermeerderd en aangevuld door de weinige nog ontbrekende personen, die men uit Fairport verwachtte. De wijn en sterke drank gingen nog eens rond, en nog eenmaal begroette men elkander, over en weder zwijgende. De grootmoeder nam andermaal een glas wijn op, dronk het leêg en riep uit met een harden lach: „Ha! ha! ik heb tweemaal op één dag wijn gedronken, – wanneer heb ik dat voor den laatsten keer gedaan, denkt ge, vrienden? – Nooit sedert –”

En de vluchtige opgewektheid verdween van haar gelaat; zij zette het glas weg, en zeeg neêr op den stoel, waarvan zij opgestaan was, om het te grijpen.

Toen de algemeene verbazing bedaard was, meende de heer Oldbuck, wien het hart bloedde om hetgeen hij voor de afdwaling hield van een verzwakt denkvermogen, kampende met ouderdom en gebrek, den geestelijke te moeten doen opmerken dat het tijd was, tot de plechtigheid over te gaan. De vader was buiten staat om iets te doen; maar de naaste bloedverwanten gaven den timmerman een teeken. Het gekras der schroeven kondigde dadelijk aan, dat het deksel van de laatste verblijfplaats der sterfelijkheid werkelijk boven hem, die er in lag, gesloten werd. Het laatste bedrijf, dat ons voor altijd scheidt, zelfs van de sterfelijke overblijfsels van hem, dien wij ten grave brengen, werkt gewoonlijk op de onverschilligste, zelfzuchtigste en hardvochtigste harten. Met een geest van tegenspraak, dien wij aan eene bekrompene denkwijze moeten toeschrijven, en in zoover vergeven kunnen, verwierpen de vaders der Schotsche kerk, zelfs bij deze allerplechtigste gelegenheid, den vorm van eene aanspraak aan de Godheid, uit vrees dat zij aan de gebruiken van Rome en Engeland iets mochten toegeven. Met een vrij betere, meer liberale gezindheid, plegen de meeste Schotsche geestelijken thans van deze gelegenheid gebruik te maken, om een gebed te doen en eene indrukwekkende vermaning te richten tot de levenden, terwijl zij zich nog in de tegenwoordigheid der overblijfsels bevinden van hem, wien zij nog zoo onlangs in denzelfden toestand zagen als die, waarin zij zelven verkeeren, en die nu daarhenen gaat, waarheen zij, op hun tijd, hem zelven moeten volgen. Maar dit betamelijk en prijzenswaardig gebruik bestond nog niet in de dagen waarvan ik spreek, of, ten minste, de heer Blattergowl handelde niet dienovereenkomstig, en de plechtigheid had plaats zonder eenige godsdienstoefening. [216]

De doodkist, met een doodskleed overdekt en door de naaste bloedverwanten gedragen, wachtte slechts op den vader, om, zoo als het de gewoonte meebrengt, het hoofdeinde te dragen. Twee of drie der bevoorrechte personen spraken hem aan; maar hij antwoordde slechts met een hoofdschudden en eene afwijzende beweging der hand. Met meer gevoel dan verstand zouden de vrienden, die dat als een plicht voor den levende en als een blijk van eerbied voor den afgestorvene beschouwden, volhard hebben, indien Oldbuck zich niet geplaatst had tusschen den ongelukkigen vader en zijne welmeenende kwellers, en hen onderricht had, dat hij, als landeigenaar en heer van de plaats, „zelf het hoofd van den overledene in het graf wilde leggen.” In weêrwil van de droevige gelegenheid, liep het hart der naastbestaanden bij zulk eene uitstekende onderscheiding van den kant van den heer over, en de oude Alison Breek, die onder de vischvrouwen tegenwoordig was, zwoer bijna overluid: „dat Monkbarns nooit zijn dozijntje oesters missen zou in het saizoen,” (men wist, dat hij er veel van hield), „al moest zij zelve op zee gaan om er naar te visschen in den hardsten wind, die er ooit woei!” En zoo is de aard van het Schotsche volk, dat de heer Oldbuck, door dit bewijs van zijn eerbied voor hunne gebruiken en van zijne achting voor hunne personen, zich meer bemind maakte, dan door al de sommen, die hij jaarlijks in de streek besteedde aan bijzondere en algemeene liefdadige doeleinden.

De treurige optocht bewoog zich nu langzaam voort, voorafgegaan door de boden met hunne stokken, – oude mannen van een ellendig voorkomen, wankelend, alsof zij zelven op den rand van het graf stonden, waarheen zij een ander brachten, en, naar de Schotsche wijze, uitgedost in versletene zwarte rokken en jagersmutsen met smerig floers versierd. Monkbarns zou waarschijnlijk bedenkingen ingebracht hebben tegen deze overtollige uitgaven indien men hem geraadpleegd had; maar, dan zou hij meer aanstoot gegeven hebben, dan hij liefde won door zijne welwillendheid om de plaats van den eersten rouwdrager goed te bekleeden. Dit wist hij zelf, en hij onthield zich wijselijk van alle vermaning, waar hij begreep, dat vermaning en raad even nutteloos zouden geweest zijn. Inderdaad, de Schotsche boerenstand is werkelijk nog bezield met die woede voor begrafenisplechtigheden, welke eenmaal de grooten van het koninkrijk zoodanig onderscheidde, dat eene wet door het parlement van Schotland gemaakt werd om ze tegen te gaan; en ik heb vele menschen van de laagste klasse gekend, die zich niet slechts de gemakken, maar zelfs bijna de noodwendigste behoeften van het leven onthielden, ten einde eene genoegzame som bijeen te brengen, om hunne overblijvende vrienden in staat te stellen hen „als Christenen,” zoo als zij het noemen, te begraven, noch konden de getrouwe overblijvenden, hoe behoeftig ook het van zich verkrijgen, om tot het gebruik en onderhoud der levenden het geld aan te wenden, dat nutteloos op de begrafenis der dooden verspild werd.

De optocht naar het kerkhof, op ongeveer eene halve mijl afstands, geschiedde met al de plechtigheid, bij dergelijke gelegenheden gebruikelijk; – het lijk werd aan de moeder-aarde overgegeven, – en toen de doodgravers het graf gevuld en het met nieuwe zoden bedekt hadden, groette de heer Oldbuck, den hoed afnemende, de dragers, die een somber stilzwijgen bewaard hadden, en met dien groet liet hij hen uiteengaan.

De geestelijke sloeg onzen oudheidkenner voor, met hem naar huis te wandelen; maar de heer Oldbuck was zoo getroffen geweest door het gedrag van den visscher en zijne moeder, dat hij, bewogen door medelijden, en misschien ook eenigermate door de nieuwsgierigheid, die ons zelfs datgene doet zoeken, [217]wat ons pijnlijk valt te aanschouwen, de voorkeur gaf aan eene eenzame wandeling langs de kust, met oogmerk om in het voorbijgaan de visschershut weder te bezoeken.