WeRead Powered by ReaderPub
De oudheidkenner cover

De oudheidkenner

Chapter 34: Drieëndertigste Hoofdstuk
Open in WeRead

About This Book

The narrative follows a young traveller who, while preparing for a short journey, becomes involved with an elderly, eccentric collector of historical curiosities and the colourful local people around him. Episodes combine gentle comedy of manners, vivid local portraiture, and a developing mystery about old papers and contested property that spurs inquiries, disputes, and probes into ruins and records. A romantic strand and several reconciliations are woven through debates over authenticity, heritage, and changing tastes, and the work shifts between satirical sketches and more sincere reflections on memory, learning, and community.

[Inhoud]

Drieëndertigste Hoofdstuk

Gewetenswroeging! – die verzaakt ons nooit!

Als een spoorhond volgt ze onze snelste vlucht

Door den woesten doolhof der jeugdige drift;

Soms ongehoord tot aan den ouden dag;

Maar op ons rustbed door den tijd verlamd,

Onze hoop vernield op strijden of op vlieden,

Hooren we haar hol geblaf; dan luist’ren wij

Sidderend, en leven voor de toekomst.

Oud tooneelspel.

„Ik behoef u niet te zeggen,” sprak de oude vrouw, zich tot den graaf van Glenallan wendende, „dat ik eene getrouwe dienares was van Joscelinde, gravin van Glenallan, die God vergeve!” (hier maakte zij een kruis) „en gij zult, denk ik, ook niet vergeten hebben, dat ik jaren lang hare gunst genoot. Ik beantwoordde die met de meest oprechte verkleefdheid; – maar ik viel in ongenade, wegens eene geringe ongehoorzaamheid, die aan uwe moeder werd overgebracht door iemand, die dacht, – en zij had geen ongelijk, – dat ik hare en uwe daden bespiedde.”

„Ik beveel u, vrouw!” zei de graaf met eene stem, die van drift beefde, „noem haren, naam niet in mijne tegenwoordigheid!”

„Ik moet het doen,” hernam de oude vrouw vast en bedaard; „hoe zoudt gij mij anders begrijpen?”

De graaf, leunende op een der houten stoelen van de hut, trok den hoed diep in de oogen, wrong de handen en sloot de tanden als iemand, die al zijn moed verzamelt om eene pijnlijke operatie te ondergaan, en gaf haar een teeken om voort te gaan.

„Ik zeg dan,” hernam zij, „dat mijne ongenade bij mijne meesteres hoofdzakelijk veroorzaakt werd door Eveline Neville, die op het kasteel van Glenallan groot gebracht werd, als de dochter van een vollen neef van uw vader, die overleden was. Er was veel geheimzinnigs in hare geschiedenis; maar wij durfden er niet meer naar vragen dan de gravin goedvond te vertellen. – Allen op het kasteel hadden Eveline Neville lief; – allen, op twee na: – uwe moeder en ik; – wij haatten haar!”

„God! om welke reden? Nimmer heeft zulk een zachtzinnig, lief wezen, zoo geschikt om genegenheid te verwekken, deze ongelukkige aarde betreden!”

„Dat kan zijn,” antwoordde Elspeth; „maar uwe moeder haatte allen die van uws vaders geslacht waren; allen, hem alleen uitgezonderd! Wat de aanleiding tot dien haat betreft, die weldra na haar huwelijk ontstond, die behoort tot bijzonderheden, die niets ter zake afdoen. Maar o! zeer zeker haatte zij Eveline Neville, toen zij merkte, dat er eene genegenheid tusschen [223]u en die ongelukkige jonge dame ontstond. Gij zult u herinneren, dat de afkeer der gravin in den beginne niet verder ging, dan dat zij haar met koelheid behandelde; maar op den duur brak die met zooveel hevigheid uit, dat Eveline Neville genoodzaakt was, eene wijkplaats te zoeken op het kasteel Knockwinnock, bij Sir Arthurs vrouw, die (God zegene haar!) toen nog leefde.”

„Gij verscheurt mij het hart met deze bijzonderheden op te halen; – maar ga voort, en moge mijn tegenwoordig lijden aangenomen worden als eene vermeerderde boete voor de onwillekeurige misdaad!”

„Zij was eenige maanden afwezig geweest,” vervolgde Elspeth, „toen ik op zekeren nacht in mijne hut de terugkomst afwachtte van mijn man, die uit visschen was, en in mijne eenzaamheid bittere tranen stortte, welke mijn trotsch hart mij afperste, zoo dikwijls ik aan mijne ongenade dacht. De klink werd opgelicht, en de gravin trad mijne woning binnen. Ik meende eerst een spook te zien; want dit was eene eer, die zij mij, zelfs toen ik in de grootste gunst stond, nooit had aangedaan, en zij zag er zoo doodelijk bleek uit, alsof zij uit het graf verrezen was. Zij ging zitten en droogde zich de haren en den mantel af, want er viel een fijne stofregen, en zij had door het plantsoen moeten gaan, dat van vochtigheid droop. Ik vertel dit alles alleen, om u te doen inzien, hoe levendig die nacht mij nog in het geheugen is, – en dat mag wel! Ik was verwonderd haar te zien, maar ik durfde in het begin niet meer spreken, dan alsof ik een schim gezien had; – neen, ik durfde niet, Milord! ik, die veel verschrikkelijks gezien heb en er nooit voor beefde. – Dus, na een kort stilzwijgen, zeide zij: „Elspeth Cheyne,” (want zij noemde mij altijd bij mijn familienaam), „zijt gij niet de dochter van dien Reginald Cheyne, die stierf, om zijn heer, lord Glenallan te redden op het slagveld van Sherifmuir?” – En ik antwoordde haar, bijna zoo trotsch als zij zelve: „Zoo zeker als gij de dochter van dien graaf van Glenallan zijt, welken mijn vader dien dag redde door zijn eigen dood.””

Hier zweeg zij weder.

„En hoe ging het verder? – hoe ging het verder? – om ’s hemels wil, goede vrouw! – Maar waarom zou ik dat woord gebruiken? – Evenveel, goed of kwaad, ik beveel u mij alles te verhalen!”

„En ik zou mij aan een aardsch bevel weinig storen,” antwoordde Elspeth, „als geene stem tot mij gesproken had, die mij slapende en wakende aanspoort, om deze droevige gebeurtenis te verhalen. – Wel, Milord, – de gravin zeide tot mij: „Mijn zoon bemint Eveline Neville; – zij zijn het eens; – zij zijn verloofd! – krijgen zij een zoon, dan vervalt mijn recht op Glenallan, – en ik word, op dat zelfde oogenblik, in plaats van gravin, eene ellendige, eene jaargeldtrekkende weduwe! – Ik, die mijn man landerijen en leenmannen, oud adellijk bloed en voorouderlijken roem aanbracht, moet ophouden meesteres te zijn, zoodra mijn zoon een mannelijken erfgenaam krijgt. Doch dit deert mij niet: – had hij iedere andere getrouwd, dan eene der gehate Nevilles, ik zou het verdragen hebben; – maar zij, – dat hare afstammelingen de rechten en waardigheden van mijne voorouders genieten zouden, is mij een dolksteek in het hart! En dit meisje, – ik verfoei haar!” – En ik antwoordde, – want mijn hart gloeide bij hare woorden, „dat mijn haat niet geringer was dan de hare.”

„Ellendige!” riep de graaf uit, in weêrwil van zijn besluit om haar niet in de reden te vallen; – „ellendige vrouw! welke reden tot haat kon u zulk een onschuldig en beminnelijk schepsel gegeven hebben?” [224]

„Ik haatte al wat mijne meesteres haatte, zoo als de vazallen van het huis van Glenallan gewoon waren te doen; want ofschoon ik, Milord, beneden mijn stand gehuwd ben, zoo ging nochtans geen van uwe voorouders op het slagveld, of een voorzaat van deze zwakke, versufte, oude, nuttelooze, ellendige vrouw droeg zijn schild voor hem uit. – Maar dat was niet alles,” vervolgde de oude, wier aardsche en booze driften weêr ontwaakten in het vuur van haar verhaal, „dat was niet alles: – ik haatte Eveline om haar zelve! Ik bracht haar uit Engeland over, en op de geheele reis spotte en lachte zij om mijn Noordschen tongval en mijne kleeding, even als hare Engelsche juffers en kameraden gedaan hadden op de kostschool, zoo als men het noemt.” (En, hoe vreemd het ook schijnen moge, zij sprak van eene beleediging, haar door een argeloos schoolmeisje zonder kwaad opzet aangedaan, met een gevoel van wrok, hetwelk eene doodelijke beleediging, na zulk een langen tijd, in elk welgestemd gemoed noch gewettigd, noch verwekt zou hebben). – „Ja, zij beschimpte mij en dreef den spot met mij; – maar zij, die het plaid beschimpen, mogen den dolk vreezen!”

Zij zweeg een oogenblik, en vervolgde toen: „Maar ik ontken niet, dat ik haar meer haatte, dan zij verdiende. – Mijne meesteres, de gravin, ging voort en zeide: „Elspeth Cheyne, deze moedwillige jongen wil zich met het valsche Engelsche bloed verbinden. Waren wij nog in de dagen van vroegere eeuwen, dan zou ik haar in den kerker van Glenallan kunnen werpen, en hem in den toren van Strathbonnel. Maar die tijden zijn voorbij, en het gezag, dat de edelen van het land uitoefenen moesten, is overgegaan aan haarklovende pleitbezorgers en hunne nog verachtelijker afhangelingen. Hoor mij aan, Elspeth Cheyne! als gij uws vaders dochter zijt, zoo als ik die van den mijnen ben, zal ik een middel vinden, om hun huwelijk te beletten. – Zij wandelt dikwijls naar die klip, welke over uwe woning hangt, om naar de boot van haren beminde te zien; – (gij zult u herinneren, dat gij toen dikwijls uit zeilen gingt, Milord). Laat haar een paar honderd voet lager vinden, dan hij verwacht! – Ja, gij moogt staroogen en de wenkbrauwen fronsen en de handen wringen; maar, zoo zeker als ik voor den rechterstoel moet komen van het eenige Wezen, dat ik ooit gevreesd heb – en och! had ik Hem meer gevreesd! – dit waren uw moeders woorden: – wat zou het mij ook baten om u te bedriegen? – Maar ik wilde mijne handen niet met bloed bevlekken. – Toen zeide zij: „Volgens de leer van onze heilige kerk, zijn zij elkander te na; maar ik verwacht niet minder, dan dat zij beiden ketters zullen worden, zoowel als ongehoorzame verworpelingen;” – dat voegde zij er nog bij. – En toen, daar de booze geest altijd meer dan te veel werkt op hersens als de mijne, die meer ontwikkeld zijn dan zij behoeven en hun stand medebrengt, kreeg ik ongelukkig in het hoofd, om er bij te voegen: maar men zou hen kunnen doen gelooven, dat zij elkander zóó na bestonden, dat geene Christelijke wet hun huwelijk gedoogen zou!” Hier herhaalde de graaf van Glenallan hare woorden met zulk een luiden gil, dat de hut er van weêrgalmde: – „dus was Eveline Neville niet de– de –”

„De dochter, meent gij, van uw vader?” vervolgde Elspeth. „Neen! – het mag u tot kwelling of tot troost strekken; – verneem de waarheid! zij was niet meer de dochter van uw vader, dan ik ben!”

„Vrouw! bedrieg mij niet, – doe mij niet de gedachtenis van eene moeder vloeken, die ik zoo onlangs in het graf gelegd heb; maak niet, dat ik haar verwensch, omdat zij de wreede, de helsche list goedkeurde!” [225]

„Bedenk u, Milord Geraldin, eer gij de nagedachtenis van eene afgestorvene moeder vervloekt! – Leeft er niet één van het bloed van Glenallan, die aanleiding gegeven heeft tot de droevige uitkomst?”

„Meent gij mijn broeder? – Ook hij is dood!” zei de graaf.

„Neen!” antwoordde de oude, „ik meen u zelven, Lord Geraldin. Hadt gij niet uw plicht als zoon overtreden, door met Eveline Neville in het geheim te trouwen, terwijl zij op Knockwinnock woonde, ons plan zou u wellicht een tijdlang van uwe beminde gescheiden hebben, maar nooit uwe smart door de knagingen van uw geweten verbitterd hebben. Maar uw eigen gedrag heeft den dolk vergiftigd, waarmede wij u troffen, en het heeft u te dieper doorboord, omdat gij u er op wierpt! Indien uw huwelijk was afgekondigd en bekend geweest, zou ons plan, om een hinderpaal in den weg te leggen die onoverkomelijk was, niet ten uitvoer zijn gebracht.”

„Groote Hemel!” riep de ongelukkige edelman; „het is alsof er een sluier van mijne verblinde oogen valt! – Ja, ik begrijp nu de dubbelzinnige wenken van mijne ongelukkige moeder, strekkende om zijdelings mij de zekerheid te benemen van de ijselijkheden, waaraan hare kunstgrepen mij hadden doen gelooven!”

„Zij kon niet duidelijker spreken,” antwoordde Elspeth, „zonder haar eigen bedrog te belijden; en zij zou zich liever door wilde paarden hebben laten vaneen scheuren, dan iets te ontdekken, wat zij gedaan had; en, als zij nog leefde, zou ik hetzelfde om harentwil doen! Het ras van Glenallan, mannen en vrouwen, was een trotsch ras, en dat waren allen, die in den ouden tijd de leuze voerden: Clachnaben! „schouder aan schouder!” – Geen één van hen verliet ooit zijn aanvoerder om geld of winst, om recht of onrecht. – De tijden zijn, hoor ik, nu veranderd!”

De ongelukkige edelman was te zeer in zijne verwarde gedachten en kwellende herinneringen verdiept, om de hartstochtelijke uitdrukkingen van getrouwheid op te merken, waarin de ongelukkige bewerkster van zijne rampen, zelfs in de laatste uren van haar leven, troost scheen te vinden.

„Groote Hemel!” riep hij uit. „Ik ben dus vrij van eene schuld, de grootste, waarmede een mensch kan bezoedeld zijn, en waarvan het bewustzijn, hoe onwillekeurig ze ook begaan was, mijne zielerust verstoord, mijne gezondheid ondermijnd, en mij tot een vroegtijdigen dood bestemd heeft! Ontvang,” voegde hij er geroerd bij, de oogen ten hemel opslaande, „ontvang mijne nederigste dankbetuigingen! – Is mijn leven ellendig, ik zal ten minste niet sterven, bezoedeld met die onnatuurlijke schuld! – En gij, – ga voort, als gij meer te zeggen hebt! – ga voort, terwijl gij nog stem hebt om te spreken, en ik krachten om te luisteren.”

„Ja,” antwoordde de oude, „de tijd, waarop gij zult hooren en ik zal spreken, snelt voorwaar ras voorbij! De dood heeft uw voorhoofd met zijn vinger gemerkt, en ik voel zijne koude hand met iederen dag dichter bij mijn hart. – Stoor mij nu niet meer met uwe uitroepingen; maar hoor mijn verhaal ten einde! en dan, – als gij inderdaad zulk een graaf van Glenallan zijt, als die van welken ik vroeger gehoord heb, – laat uwe vazallen de doornen en de distelen en de groene hulst opstapelen, zoo hoog als het dak van het huis, en verbrand, – verbrand, – verbrand de oude tooverheks Elspeth, en alles wat u herinneren kan, dat zulk, een schepsel ooit geleefd heeft!”

„Ga voort,” zei de graaf, „ga voort; ik zal u niet meer storen!”

Hij sprak met eene half gesmoorde, maar vaste stem, besloten zich door [226]geene drift van de gelegenheid te berooven, om bewijzen te verkrijgen van de verrassende ontdekking, die hij gedaan had. Maar Elspeth was uitgeput geworden door een geregeld verhaal van zulk eene ongewone lengte; het volgende gedeelte van hare geschiedenis was meer afgebroken, en, ofschoon nog in de meeste opzichten verstaanbaar, droeg het niet de kenteekens van een helder zelfbewustzijn, welke het eerste gedeelte van haar verhaal zoo treffend gekenmerkt hadden. Lord Glenallan vond het noodzakelijk, toen zij eenige vruchtelooze pogingen om voort te gaan, gedaan had, om haar geheugen op te wekken door de vraag: welke bewijzen zij kon aanvoeren, om de waarheid te staven van een verhaal, dat zoo zeer verschilde van al hetgeen zij vroeger volgehouden had?

„De bewijzen,” antwoordde zij, „van Eveline Neville’s wezenlijke geboorte waren in het bezit der gravin; er waren redenen, om die voor eenigen tijd geheim te houden. Zij zouden wellicht gevonden worden, als zij ze niet, vernietigd had, in de linkerlade van het ebbenhouten kabinet, dat in de kamer stond, waar de gravin zich placht te kleeden. – Zij wilde die zoo lang achterhouden, tot gij op nieuw buiten ’s lands zoudt zijn gegaan, wanneer zij rekende, om vóór uwe terugkomst Eveline Neville naar haar eigen land terug te zenden, of uit te huwen.”

„Maar liet gij mij geene brieven zien van mijn vader, die, zoo mij niet mijn verstand op dat verschrikkelijk oogenblik bedrogen heeft, zijne nauwe bloedverwantschap scheen te erkennen met – met de ongelukkige?”

„Dat is zoo; en, met mijne getuigenis, hoe kondet gij of zij, een van beiden, aan het geval twijfelen? – Maar wij verzwegen de ware uitlegging van deze brieven, en die was, dat uw vader het voorzichtig oordeelde om de jonge dame een tijdlang voor zijne dochter te laten doorgaan, uit hoofde van zekere familiebelangen.”

„Maar waarom bleeft gij volharden in deze list, na dat gij onze vereeniging vernomen hadt?”

„Het was niet,” antwoordde zij, „dan na dit valsch bericht te hebben medegedeeld, dat de gravin het vermoeden kreeg, dat gij werkelijk een huwelijk hadt aangegaan; – en zelfs toen wildet gij geene opheldering geven, of de plechtigheid inderdaad had plaats gehad of niet. – Maar gij herinnert u wel, – o, gij kunt niet anders, dan u wel herinneren, al wat er bij die verschrikkelijke samenkomst voorviel!”

„Vrouw! gij bezwoert op den Bijbel de daadzaken, die gij nu ontkent!”

„Ik deed dat, en ik zou er nog tien plechtige eeden meer op gedaan hebben, als het noodig ware geweest; – ik zou noch het bloed van mijn lichaam, noch de rust mijner ziel gespaard hebben, om het huis van Glenallan te dienen!”

„Ellendige! noemt gij dien verschrikkelijken meineed, met nog verschrikkelijker gevolgen gepaard, – noemt gij dat een dienst aan het huis uwer weldoeners bewezen?”

„Ik diende haar, die toen het hoofd van het huis van Glenallan was, toen zij mij opeischte om haar te dienen. De reden waarom, was tusschen God en haar geweten; – de wijze hoe, tusschen God en het mijne! – Zij is opgeroepen om zich te verantwoorden, en ik moet volgen; – heb ik genoeg gezegd?”

„Neen!” antwoordde lord Glenallan; „gij hebt mij nog meer te zeggen. – Gij moet mij zeggen of de dood van de engelin, die door uw meineed tot wanhoop gedreven werd, omdat zij zich bezoedeld geloofde door eene zoo verschrikkelijke [227]misdaad, – spreek nu de waarheid! – was dat ontzettend – was dat verschrikkelijk voorval,” – hij kon nauwelijks de woorden uitbrengen, – „was het, zóó als men het verhaald heeft, of was het door nog verdere, ofschoon niet gruwelijker wreedheid van anderen veroorzaakt?”

„Ik begrijp u,” zeide Elspeth; „maar het gerucht heeft waarheid gesproken. Onze valsche getuigenis was wezenlijk de oorzaak; maar de daad was haar eigen wanhopig bedrijf. Na die verschrikkelijke ontdekking, toen gij uit de tegenwoordigheid van de gravin vluchttet, en uw paard naamt, en het kasteel in wanhoop verliet, had de gravin uw geheim huwelijk nog niet ontdekt; zij wist niet dat de vereeniging, die zij door deze schrikbarende geschiedenis wilde beletten, reeds gesloten was. Gij waart uit het huis gevlucht, alsof het vuur van den Hemel u dreigde te treffen en Eveline Neville, half waanzinnig, werd onder zekere bewaring gesteld. Maar de bewakers sliepen en de gevangene bleef wakker; – het venster stond open; de weg lag voor haar; – dáár was de klip en dáár was de zee! – O, wanneer zal ik dat vergeten!”

„En dus stierf zij,” vroeg de graaf, „juist zóó als men verhaald heeft?”

„Neen, Milord! Ik was uitgegaan naar het strand; – de vloed kwam op, en die sloeg, zoo als gij u zult herinneren, tegen den voet van die klip; – het was een groot gemak voor mijn man, – doch waar dwaal ik heen? – Ik zag een wit voorwerp van den top der klip schieten, gelijk eene zeemeeuw door den mist, en toen begreep ik uit het klotsen en spatten van het water dat het een menschelijk wezen moest zijn, dat in de golven gevallen was. Ik snelde heen en greep haar kleed; ik trok haar er uit, en droeg haar op mijne schouders weg, – ik had toen twee zulke schepsels kunnen dragen – droeg haar naar mijne hut en legde haar op mijn bed. Er kwamen buren om te helpen; – maar de woorden, die zij in haar ijlen stamelde, toen zij begon bij te komen, waren zoodanig, dat ik het goed vond om hen weg te zenden, en om bevelen te gaan vragen op het kasteel Glenallan. De gravin zond hare Spaansche meid Therese; – als er ooit een booze geest in menschelijke gedaante op aarde verscheen, was die vrouw er een! – zij en ik moesten op de ongelukkige dame passen en niemand haar laten naderen. God weet, wat de taak van Therese zou geweest zijn; – zij zeide het mij niet; maar de Hemel zelf nam het overige op zich! – De arme dame! zij kreeg de barensweeën vóór den tijd, bracht een mannelijk kind ter wereld, en stierf in de armen van mij, – van hare doodelijke vijandin! Ei, gij weent, – het was ook een droevig iets om te zien; – maar denkt gij, dat ik, die haar toen niet betreurde, haar nu betreuren kan? Neen, neen! – Ik liet Therese bij het lijk en het pas geboren kind, terwijl ik de bevelen van de gravin ging halen. Hoe laat het ook was, ik wekte haar, en zij beval mij, uw broeder te roepen, –”

„Mijn broeder?

„Ja, Lord Geraldin, uw broeder zelven, dien zij, zoo als sommigen zeiden, altijd tot erfgenaam wenschte te hebben. In elk geval had hij het meeste belang bij de zaak, als erfgenaam van het huis van Glenallan.”

„En is het dan mogelijk te gelooven dat mijn broeder, uit zucht om mijne erfgoederen te bezitten, zich vernederd zou hebben tot zulk eene lage en verschrikkelijke misdaad?”

„Uwe moeder geloofde dat hij het doen zou,” zeide de oude met een duivelschen lach; „ik had er niets mede te maken; – maar wat zij deden of spraken zal ik niet zeggen, omdat ik het niet weet. Lang en druk raadpleegden [228]zij te zamen in de zwarte met hout beschoten kleedkamer der gravin, en toen uw broeder door de kamer kwam, waar ik wachtte, scheen het mij toe, (en ik heb het sedert dikwijls gedacht,) dat helsch vuur op zijne wangen en in zijne oogen schitterde. Maar hij had er, in elk geval, iets van bij zijne moeder achtergelaten. Zij trad de kamer binnen als een razend mensch, en de eerste woorden die zij sprak, waren: „Elspeth Cheyne, hebt gij ooit eene pas ontloken bloem geplukt?” – Ik antwoordde, zoo als gij denken kunt, dat ik dat dikwijls gedaan had. – „Dan,” zeide zij, „zult gij te beter weten, hoe den onechten en ketterschen telg te vernielen, die dezen nacht tot schande van het edele huis van mijn vader geboren is! – zie hier – (en zij gaf mij eene gouden naald) – niets dan goud moet het bloed van Glenallan doen stroomen! Dit kind is reeds een kind des doods, en daar gij en Therese alléén weet, dat het leeft, ga er meê te werk, zoo als ik verlang!” – en zij ging weg in hare woede en liet mij met de naald in de hand. Hier is ze; deze en de ring van Eveline Neville zijn alles, wat ik van mijn slecht gewonnen goed bewaard heb; want het was veel, dat ik kreeg! En ik heb ook het geheim goed bewaard; maar niet om het goud of het voordeel!”

Hare lange, magere hand hield nu aan lord Glenallan eene gouden naald voor, die hij, in zijne verbeelding, besmet zag met het bloed van zijn kind.

„Ellendige! hadt gij het hart, –”

„Ik weet niet of ik het zou gehad hebben of niet. Ik keerde naar mijne hut terug, zonder den grond te voelen dien ik betrad; maar Therese en het kind waren weg; – al wat leven had was weg; – niets was er meer dan het ontzielde lijk.”

„En hebt gij nooit iets vernomen van het lot van mijn kind?”

„Ik kon slechts gissen. Ik heb u het voornemen verhaald van uwe moeder, en ik weet, dat Therese een duivelin was. Men zag haar nooit weêr in Schotland, en ik heb gehoord dat zij naar haar eigen land teruggekeerd was. Een duistere sluier is over het verledene gevallen, en de weinigen, die er een gedeelte van zagen, kunnen slechts iets gissen van verleiding en zelfmoord. Gij, gij zelf, –”

„Ik weet het, – ik weet alles!” antwoordde de graaf.

„Gij weet inderdaad nu alles, wat ik zeggen kan. – En nu, erfgenaam van Glenallan! kunt gij mij vergeven?”

„Vraag vergiffenis van God, en niet van de menschen!” hernam de graaf, zich afwendende.

„En hoe zal ik van den reine en onbevlekte datgene vragen, wat mij geweigerd wordt door een zondaar, even als ik ben? – Indien ik gezondigd heb, zoo heb ik ook geleden. – Heb ik één dag vrede of één uur rust gehad, sedert die lange, natte haarlokken op mijn kussen te Craigburnfoot lagen? – Is mijn huis niet afgebrand, met mijn kind in de wieg? – Zijn mijne booten niet vergaan, terwijl de andere den storm trotseerden? – Heeft niet alles, wat mij dierbaar en waard was, voor mijne zonden geboet? – Heeft niet het vuur er zijn deel, – hebben de winden niet hun deel, – heeft de zee niet haar deel er van gehad? – En och!” voegde zij er met een zucht bij, eerst opwaarts naar den Hemel ziende en dan hare oogen op den grond vestigende – „och! dat de aarde haar deel wilde nemen, dat lang, lang zucht, om er mede vereenigd te worden!”

Lord Glenallan had de deur der hut bereikt; maar zijn edelmoedige aard liet niet toe, om de ongelukkige vrouw in dezen staat van wanhopige zelfveroordeeling [229]te verlaten. „Moge God u, ellendige vrouw! zoo oprecht vergeven als ik het doe! – Wend u tot Hem om genade, en mogen uwe gebeden verhoord worden, alsof die mijne eigene waren! – Ik zal u een geestelijke zenden.”

„Neen, neen, geen priester!” riep zij uit; – op dat oogenblik ging de deur van de hut open, en zij werd verhinderd om voort te gaan.