Zesendertigste Hoofdstuk
Ouderdom en jeugd
Leven slecht te zamen. –
Jeugd is vol van lust,
Ouderdom vol zorgen;
Jeugd is zomermorgen,
Ouderdom is winterweêr.
Gene als de zomer kloek,
Deze als de winter bar.
Shakespeare.
Den volgenden morgen werd de oudheidkenner, die er van hield om tamelijk lang te slapen, een goed uur vroeger dan gewoonlijk door Caxon gewekt.
„Wat is er nu te doen?” riep hij geeuwende uit, terwijl hij de hand naar het dikke repetitie-horlogie uitstrekte, dat op een Oostindisch zijden zakdoek veilig bij zijn hoofdkussen lag. – „Wat is er nu te doen Caxon? – het kan nog geen acht uur zijn!”
„Neen, mijnheer, – maar de bediende van Milord zocht mij op; want hij gelooft, dat ik uw valle-de-sham ben, – en dat ben ik ook buiten twijfel, de kamerdienaar van u en van den dominé; – ten minste, zooveel ik weet, hebt gij er geen ander, – en dan help ik ook Sir Arthur; maar dat is eerder als kapper.”
„Wel, wel, laat dat maar dáár! – gelukkig hij, die zijn eigen kamerdienaar is; – maar waarom stoort gij mijne morgenrust?”
„O mijnheer, de heer graaf is sedert het aanbreken van den dag op en heeft naar de stad gezonden om eene expresse, die zijn rijtuig is gaan bestellen, en het zal weldra hier zijn, en hij wenschte u te zien eer hij vertrekt.”
„Wel, wel! de groote heeren maken zich meester van iemands huis en tijd, alsof ze hun eigendom waren! Welnu, het is maar voor één keer! Is Jenny weêr bij haar verstand, Caxon?”
„Ja, mijnheer, dat is maar zoo wat. – Zij was heden morgen deerlijk van haar stuk met de chocolade, en had in hare verlegenheid bijna alles in de spoelkom gegoten en zelve opgedronken, – maar zij is het te boven gekomen met behulp van jufvrouw M’Intyre.” [245]
„Zoo? – dus is al mijn vrouwvolkje op de been en in de weer, en ik moet niet langer in mijn rustig bed blijven, als ik een geregeld huis wil hebben. – Geef mij mijn kamerjapon! – En wat nieuws is er te Fairport?”
„Wel, mijnheer! waarvan zou men anders spreken dan van het groote nieuws van Milord! – die, zeggen ze, sedert twintig jaren niet over den drempel geweest is, – van het groote nieuws, dat hij u is komen bezoeken!”
„Aha!” zeide Monkbarns; „en wat zegt men daarvan, Caxon?”
„Wel, mijnheer, er wordt verschillend over gesproken. Die kerels, welke zich Democraten noemen, die tegen den koning en de wet en het haarpoeier zijn, – een hoop schelmen, – zeggen dat hij gekomen is om met u te spreken over een plan, om met zijn Bergschotten en Hooglandsche vazallen de bijeenkomsten der vrienden van het volk te beletten; en toen ik zeide, dat mijnheer zich nooit met dingen bemoeide, die den schijn hadden van vechten en bloedstorten, zeiden zij, dat, als gij het niet deedt, uw neef het wel deed, en dat hij genoeg bekend was als een koningsgezinde, en dat gij het hoofd en hij de hand was, en dat de graaf de manschappen en het geld zou leveren.”
„Kom aan, ik ben blijde dat mij de oorlog niets dan mijn goeden raad kosten zal.”
„Neen, neen, niemand gelooft dat mijnheer zelf zou willen vechten of eenig geld geven aan een der beide partijen!”
„Zoo! – Wel, dat is het gevoelen der Democraten, zoo als gij ze noemt; – en wat zeggen de andere menschen te Fairport?”
„Inderdaad,” antwoordde de trouwe berichtgever, „ik kan niet zeggen, dat dat veel beter is. Kapitein Coquet van de vrijwilligers, – dat is hij, die ontvanger moet worden, – en eenige andere heeren van de Blauwe klubs zeggen: het is niet goed dat Roomschgezinden, die zoo vele Fransche vrienden hebben als de graaf van Glenallan, het land doortrekken, en – maar mijnheer zou het kwalijk kunnen nemen!”
„Ik niet, Caxon! – geef vuur, alsof gij het geheele peloton van kapitein Coquet zelf waart, – ik ben er tegen bestand.”
„Wel dan, mijnheer, zij zeggen dat, daar gij het verzoekschrift ten aanzien van den vrede en der nieuwe belastingen niet hebt willen ondersteunen, en daar gij er tegen geweest zijt, om de schutterijen tegen het gemeen te laten gebruiken, en het volk alleen door de policie in orde wilt houden; – zij zeggen, dat gij ons bestuur niet genegen zijt, en dat die soorten van samenkomsten van zulk een schatrijk man als de graaf, met zulk een wijs man als gij, – nu ja – zij zeggen dat er een onderzoek naar moest ingesteld worden, en sommigen zeggen dat men u beiden naar Edinburg op het kasteel moest brengen.”
„Op mijn woord,” zei de oudheidkenner, „ik ben mijne buren zeer verplicht voor de gunstige meening, die zij van mij koesteren! En dus word ik, die mij nooit met hunne geschillen bemoeid heb dan om bedaarde en gematigde maatregelen aan te bevelen, door beide partijen opgegeven als een man, die zeer waarschijnlijk hoogverraad pleegt tegen den koning of het volk? Geef mij mijn rok, Caxon, geef mij mijn rok! Het is gelukkig, dat ik onafhankelijk van hunne meening leef. – Hebt gij iets gehoord van Taffril en zijn schip?”
Het gelaat van Caxon betrok. „Neen mijnheer, en het heeft woedend gewaaid, en deze kust is verschrikkelijk om er op te kruisen bij oostenwind; – de klippen strekken zich zoo ver in zee uit, dat een schip weg kan zijn in [246]den tijd dat ik een scheermes slijp; en dan is er haven, noch wijkplaats op die kust vol rotsen en brandingen. Een schip, dat bij ons grond raakt, vliegt uiteen gelijk de poeier uit mijne kwast, als ik er aan begin te schudden, en is even moeielijk om weêr bijeen te krijgen. – Ik heb dat alles aan mijne dochter gezegd, toen zij ongeduldig werd naar een brief van luitenant Taffril. Het is toch altoos eene verontschuldiging voor hem. – Gij moet het hem niet kwalijk nemen, zei ik, Jenny, want gij weet niet, wat er wellicht gebeurd is!”
„Ei, ei, Caxon, gij zijt een even goed raadsman als kamerdienaar. – Geef mij eene witte stropdas, man! Gelooft gij dat ik hiermede naar beneden kan gaan, als ik gezelschap heb?”
„Wel mijnheer! de kapitein zegt dat een halsdoek de eerste mode is, en die stijve dassen goed zijn voor u en mij, die van den ouden tijd zijn. – Houd het ten goede, dat ik u en mij te gelijk noem; maar dat waren zijne woorden.”
„De kapitein is een kwast, en gij zijt een dwaas, Caxon!”
„Dat is best mogelijk,” hernam de beleefde kapper, „mijnheer zal het wel weten!”
Vóór het ontbijt ging lord Glenallan, die opgewekter scheen dan den vorigen avond, de verschillende omstandigheden na, welke de vroegere navorschingen van Oldbuck opleverden; en hij gaf, met aanwijzing der middelen, die hij bezat om zijn huwelijk te bewijzen, zijn voornemen te kennen, om dadelijk de pijnlijke taak te beginnen van de bewijsstukken te verzamelen en in orde te brengen van de geboorte van Eveline Neville, welke Elspeth gezegd had, dat zich in het bezit van zijne moeder bevonden hadden.
„En toch, mijnheer Oldbuck,” zeide hij, „gevoel ik mij als een man, die eene gewichtige tijding ontvangt, eer hij nog geheel wakker is, en twijfelt, of die werkelijk echt is dan wel slechts een vervolg van zijn droom. – Deze vrouw, – deze Elspeth, – zij is aan het einde van haar leven, en in vele opzichten bijna verkindscht. – Heb ik niet te overhaast hare tegenwoordige verklaring geloofd, na diegene, welke zij mij vroeger gaf, en die van eene zeer – zeer verschillende strekking was?”
De heer Oldbuck zweeg een oogenblik en antwoordde toen met vastheid: „Neen, Milord! ik kan niet denken dat gij eenige reden hebt, aan de waarheid te twijfelen van hetgeen zij u het laatst verhaald heeft, klaarblijkelijk zonder eenigen anderen aandrang, dan dien van het geweten. Hare bekentenis was vrijwillig, belangeloos, duidelijk, afdoende in de bijzonderheden, en overeenkomende met al de andere omstandigheden, die van de zaak bekend zijn. Ik zou echter niet dralen met de andere bewijsstukken, waarvan zij gewaagde, te onderzoeken en in orde te brengen, en ik geloof ook dat men, zoo mogelijk, hare verklaring in wettigen vorm behoorde in te winnen. Wij waren voornemens om gezamenlijk werk daarvan te maken; maar het zal eene verlichting voor u zijn, en daarenboven een onpartijdiger voorkomen hebben, als ik alleen het onderzoek, in mijne hoedanigheid van vrederechter, op mij neem. Dit zal ik doen, ten minste ik zal het beproeven, zoodra ik haar in een gunstigen toestand vind om ondervraagd te worden.”
Lord Glenallan drukte hem de hand ten teeken van zijne dankbare toestemming. „Ik kan u niet zeggen,” voegde hij er bij, „mijnheer Oldbuck, hoe zeer uwe ondersteuning en medewerking in deze duistere en droevige zaak mij verlicht en aanmoedigt. Ik kan mij niet genoeg verheugen, dat ik aan mijne eerste opwelling toegaf, die mij dreef, om u, als het ware, mijn vertrouwen [247]op te dringen, en die ontsproot uit de ondervinding, welke ik reeds had van uwe vastheid in het volvoeren van uw plicht als ambtenaar en als vroegere vriend der ongelukkige. – Wat ook de uitkomst van dit alles zijn moge, – en ik ben geneigd te hopen, dat er een lichtstraal over de rampen van mijn huis opgaat, ofschoon ik het niet beleven zal om zijn vollen glans te genieten; – maar wat ook de uitkomst zij, gij hebt mij en mijn geheel geslacht eene gewichtige verplichting opgelegd.”
„Milord,” antwoordde de oudheidkenner, „ik moet noodwendig den grootsten eerbied koesteren voor uw geslacht, hetwelk ik zeer wel weet, dat een der oudste is in Schotland, daar het zeker afstamt van Aymer de Geraldin, die in het parlement zat te Perth, onder de regeering van Alexander II, en die volgens de wel onzekere maar toch zeer aannemelijke overlevering gezegd wordt af te stammen van den heer van Clochnaben. – Maar, met allen eerbied voor uwe oude afkomst, moet ik bekennen, dat ik mij nog meer verbonden reken, om uzelven zoo veel bijstand te verleenen als in mijn zwak vermogen ligt, uit oprechte deelneming in uwe smart en afkeer van het bedrog dat men zoo roekeloos tegen u gepleegd heeft. – Maar, Milord, het ontbijt, zie ik, is gereed; – vergun mij, dat ik u den weg wijs door mijn coenobitium, dat eerder eene reeks van cellen is, op eene wonderlijke wijze aaneengevoegd en op elkander gestapeld, dan een huis. – Ik vertrouw, dat gij eenige vergoeding zult zoeken voor den soberen kost van gisteren.”
Maar dit behoorde in geenen deele tot het aangenomen stelsel van lord Glenallan. Na het gezelschap met de ernstige en droefgeestige beleefdheid gegroet te hebben, die hem eigen was, plaatste zijn knecht eene snede geroosterd brood en een glas schoon water vóór hem; het dagelijksch ontbijt van den graaf. – Terwijl de jonge krijgsman en de grijze oudheidkenner op eene vrij wat degelijker wijze hun eetlust stilden, hoorde men het geraas van wielen.
„Uw rijtuig, Milord, geloof ik,” zeide Oldbuck naar het venster gaande. „Op mijn woord, eene fraaie Quadriga! want dit was, volgens het beste scholium het vox signata der Romeinen voor een rijtuig, hetwelk, als het uwe, door vier paarden getrokken werd.”
„En ik durf volhouden,” riep Hector met geestdrift, uit het venster kijkende, „dat er nooit vier fraaier of beter loopende bruinen ingespannen werden! – Welke schoone voorhanden! Het zouden uitmuntende strijdrossen zijn! Mag ik vragen, Milord, zijn ze uit uwe eigene fokkerij?”
„Ik – ik – geloof het haast,” zeide lord Glenallan; „maar ik ben zoo nalatig geweest omtrent mijne huiselijke aangelegenheden, dat ik mij wezenlijk op Calvert beroepen moet;” (den knecht aanziende).
„Zij zijn allen, Milord, uit uwe eigene fokkerij,” zeide Calvert; „afstammelingen van Mad Tom, en van Jemima en Yarico, de twee merries.”
„Zijn er meer van het ras?” vroeg lord Glenallan.
„Twee, Milord, – het eene pas vier, het andere pas vijf jaren oud, beiden zeer schoon.”
„Laat Dawkins die dan morgen hier brengen, naar Monkbarns. – Ik hoop, dat kapitein M’Intyre ze zal willen aannemen, als zij eenigermate geschikt zijn voor den dienst.”
De oogen van kapitein M’Intyre fonkelden, en hij was onuitputtelijk in zijne dankbetuigingen; terwijl Oldbuck, van den anderen kant, den graaf bij de mouw trekkende, een geschenk poogde te voorkomen, dat zijne haverkist en zijn hooizolder zoo duur zou te staan komen. [248]
„Milord! – Milord! – zeer verplicht, – zeer verplicht! – Maar Hector dient te voet en bestijgt nooit een paard in het gevecht. Hij is een Hooglandsch soldaat, en zijne kleeding is ook niet geschikt voor de ruiterdienst. Macpherson zelf liet zijne voorouders nooit te paard zitten, ofschoon hij de onbeschaamdheid heeft van te zeggen dat zij den strijdwagen bestegen, en dat is het, Milord, wat Hector in het hoofd spookt; het is de oefening met den wagen en niet te paard, waarnaar hij begeerig is: –
„Sunt quos curriculo pulverem Olympicum
„Collegisse juvat.”
„ – Wat hem het hoofd warm maakt, is het denkbeeld van een wagen, dien hij noch geld heeft om te koopen, noch verstand om te mennen; – ik verzeker u, dat het bezit van twee zulke viervoetige dieren grooter onheilen zou te weeg brengen, dan zijne tweegevechten, hetzij met een menschelijken vijand of met mijne vriendin, de phoca.”
„Gij voert thans het bevel over ons allen, mijnheer Oldbuck,” zei de graaf beleefd; „maar ik hoop dat gij mij niet geheel en al beletten zult, om mijn jongen vriend te verplichten op eenige andere wijze, die hem genoegen geeft.”
„Met alles, wat hem nuttig zijn kan, Milord! maar geen curriculum! Ik betuig u, hij zou even goed kunnen voorslaan, om in eens eene quadriga te houden. – En, nu ik er aan denk, wat doet die oude postchais hier, die daar van Fairport komt aanrammelen? – Ik heb er geene besteld.”
„Dat deed ik, oom!” zeide Hector eenigszins gemelijk; want hij was niet zeer in zijn schik, dat zijn oom den graaf in zijne edelmoedige voornemens gedwarsboomd had, en was weinig geneigd, zich te vreden te stellen òf met de minachting, die hij voor zijn beleid als wagenmenner betoond had, òf met zijne vernederende zinspeling op zijn ongeluk in het tweegevecht en in den strijd tegen den zeehond.
„Gij, jongen?” herhaalde de oudheidkenner in antwoord: „en mag men vragen wat gij met dien wagen wilt uitvoeren? – Moet dit schitterende rijtuig, – deze biga, zoo als ik het zou kunnen noemen, – tot inleiding dienen van eene quadriga of een curriculum?”
„Wezenlijk, oom, als het noodig is om u opheldering te geven, ik ga naar Fairport, om eene kleine zaak te verrichten.”
„En wilt gij mij veroorloven naar den aard van uwe bezigheden te vragen, Hector? Ik zou veronderstellen, dat al de zaken van het regiment konden volbracht worden door uw waardigen vertegenwoordiger, den sergeant, – een hupsch heer, die zoo goed is om Monkbarns tot zijn t’huis te maken, sedert zijne aankomst onder ons; – ik zou, zeg ik, veronderstellen dat hij al uwe zaken kon verrichten, zonder u een dag traktement te kosten voor twee bonken van paarden, en zulk eene kast van verrot hout, gebarsten glas en oud leer, – zulk een geraamte van een wagen, als die voor de deur!”
„Het zijn geene zaken van het regiment, oom, die mij roepen; en daar gij er op aandringt om te weten wat het is, moet ik u zeggen, dat Caxon heden morgen is komen vertellen dat de oude Ochiltree de bedelaar vandaag verhoord zal worden; en ik ga om toe te zien, dat de arme oude kerel niet onbillijk behandeld worde, – anders niets.”
„Zoo? – Ik wist er iets van, maar ik kon niet denken dat het ernst was. En, zeg mij nu eens, kapitein Hector! Gij die zoo gereed zijt, iedereen bij te staan in elken twist, burgerlijk of militair, te land, [249]water en op het zeestrand, welk bijzonder belang stelt gij in den ouden Adam Ochiltree?”
„Hij was soldaat bij de compagnie van mijn vader, oom, en daarbij kwam hij eens, toen ik eene dwaasheid wilde doen, tusschenbeide, om het mij te beletten, en gaf mij bijna even zoo veel goeden raad, als gij zelf hadt kunnen doen.”
„En met evenveel gevolg, zou ik durven zweren, – niet waar, Hector? – Kom, beken het, de goede raad was verspild.”
„Dat is waar, oom! – maar ik zie geene reden, waarom mijne dwaasheid mij minder dankbaar voor zijne welgemeende vriendschap zou maken.”
„Bravo, Hector! dat is het verstandigst woord, dat ik ooit van u hoorde; – maar deel mij altoos uwe voornemens zonder terughouding mede. – Wel, ik zal zelf met u meêgaan, jongen! – Ik ben zeker dat de oude man niet schuldig is, en ik zal hem in eene dergelijke zaak krachtdadiger bijstand verleenen, dan gij het doen kunt. Buitendien zal ik u de halve guinje besparen, mijn goede jongen, eene omstandigheid, welke ik u vriendelijk verzoek in het oog te houden.”
Lord Glenallan had zich uit beleefdheid afgewend en zich tot de dames gericht, zoodra de woordenwisseling tusschen oom en neef heviger dreigde te worden dan geschikt was om door een vreemdeling aangehoord te worden; maar toen de toon van den oudheidkenner verzacht scheen, mengde hij zich op nieuw in het gesprek. Na een kort bericht ingewonnen te hebben omtrent den bedelaar, en de tegen hem ingebrachte beschuldiging, welke de oudheidkenner zonder bedenking aan de kwaadwilligheid van Dousterswivel toeschreef, vroeg lord Glenallan of de bedoelde persoon niet vroeger soldaat was geweest? Het antwoord luidde bevestigend.
„Draagt hij niet,” vervolgde de graaf, „een groven blauwen rok, of kiel? – Is het niet een lang, schranderuitziend oud man met grijze haren en baard, die zijn lichaam bijzonder recht houdt, en eene ongedwongene en vrije wijze van spreken heeft, die zeer in tegenstelling is met zijn beroep?”
„Dit is juist de man,” antwoordde Oldbuck.
„Nu dan,” vervolgde lord Glenallan, „ofschoon ik vrees, dat ik hem in zijn tegenwoordigen toestand van geen dienst zal kunnen zijn, ben ik hem echter een bewijs mijner dankbaarheid schuldig, omdat hij de eerste geweest is, die mij eene tijding van het uiterste gewicht bracht. Ik zou hem gaarne eene geschikte huisvesting aanbieden, zoodra hij uit de verlegenheid gered is, waarin hij zich thans bevindt.”
„Ik vrees, Milord,” zeide Oldbuck, „dat het hem moeielijk zou vallen, om zijne zwervende gewoonten met het aannemen van uw aanbod te vereenigen, ten minste ik weet, dat men het al vruchteloos met hem beproefd heeft. Van iedereen in het algemeen te bedelen, beschouwt hij als afhankelijkheid, vergeleken met de verplichting om zijn onderstand aan de mildheid van één enkelen persoon te moeten danken. Hij is in zoover een echt wijsgeer, dat hij niets geeft om de gewone regeling van uur en tijd. Als hij honger heeft, eet hij; als hij dorst heeft, drinkt hij; als hij moede is, slaapt hij, en met zoo veel onverschilligheid ten aanzien van de middelen en gemakken, waarover wij ons bekommeren, dat hij, veronderstel ik, nog nooit slecht gegeten of slecht geslapen heeft. Daarbij is hij, in zekeren graad, het orakel van de streek, die hij bezoekt; – hij is de geslachtkundige, de nieuwskramer, de bestierder der vermaken, de geneesheer in den nood, of zelfs de godgeleerde. – Ik beloof het u, hij heeft te veel te doen [250]en is te werkzaam, dan dat hij zich licht van zijn beroep zou laten afschrikken. Maar het zou mij hartelijk leed doen, als zij den armen, opgeruimden man voor eenige weken naar de gevangenis zonden. Ik ben overtuigd, dat hem de opsluiting het hart zou breken.”
Dus eindigde het gesprek. Na afscheid van de dames genomen te hebben, hernieuwde Lord Glenallan aan den kapitein M’Intyre zijn aanbod van vrijheid tot jagen op zijne gronden, wat met blijdschap aangenomen werd.
„Ik kan er slechts bijvoegen,” zeide hij, „dat, indien uwe opgeruimdheid tegen een somber gezelschap bestand is, het huis Glenallan ten allen tijde voor u openstaat. – Twee dagen in de week, Vrijdags en Zaterdags, blijf ik op mijne kamer, wat voor u eerder eene verlichting dan eene ontbering zal zijn, daar gij alsdan ongestoord het gezelschap van mijn aalmoezenier, den heer Gladsmoor, zult kunnen genieten, die tegelijk een geleerde en een man van de wereld is.”
Hector, wiens hart klopte bij de gedachte aan de uitgestrekte jachtvelden van het huis Glenallan en van de wildrijke vlakten van Clochnaben, uitte zijne oprechte dankbetuigingen voor de eer die hem aangedaan werd. De heer Oldbuck wist de oplettendheid van den graaf voor zijn neef te waardeeren; Mary M’Intyre was vergenoegd, omdat zij haren broeder tevreden zag, en Grizelda wierp in hare verbeelding een zegevierenden blik op de zakken vol korhoenders, watersnippen en al het wild dat in de keuken zou aanlanden, en waarvan de heer Blattergowl een verklaarde liefhebber was. Dus, wat altijd het geval is, als een man van rang een burger-huisgezin verlaat, waar hij zich opzettelijk vriendelijk betoont – waren allen gereed, om den lof van den graaf te verkondigen, zoodra hij afscheid genomen had en wegrolde in zijn rijtuig door de vier bewonderde bruinen getrokken. Maar hunne lofspraken werden afgebroken; want Oldbuck en zijn neef namen plaats in de huurkoets, die, met het ééne paard dat draafde, en het andere in een soort van handgalop, kraakte, rammelde en rolde naar die beroemde zeestad, op eene wijze, die zeer veel verschilde van de vlugheid, waarmede lord Glenallan’s rijtuig verdwenen was.