WeRead Powered by ReaderPub
De oudheidkenner cover

De oudheidkenner

Chapter 40: Negenendertigste Hoofdstuk
Open in WeRead

About This Book

The narrative follows a young traveller who, while preparing for a short journey, becomes involved with an elderly, eccentric collector of historical curiosities and the colourful local people around him. Episodes combine gentle comedy of manners, vivid local portraiture, and a developing mystery about old papers and contested property that spurs inquiries, disputes, and probes into ruins and records. A romantic strand and several reconciliations are woven through debates over authenticity, heritage, and changing tastes, and the work shifts between satirical sketches and more sincere reflections on memory, learning, and community.

[Inhoud]

Negenendertigste Hoofdstuk

Vol van wijze taal en hedendaagsche voorbeelden.

Shakespeare.

„Om ’s Hemels wil, Hector!” zei de oudheidkenner, den volgenden morgen na het ontbijt, „ik wenschte dat gij onze zenuwen spaardet, en met het afketsen van uw jachtgeweer wildet uitscheiden!”

„Wel oom, het spijt mij u verontrust te hebben; maar het is een mooi geweer: het is een stuk van Manton, en kost veertig guinjes.”

„Een dwaas en zijn geld zijn weldra gescheiden, neef! Ik ben verheugd, dat gij zoo vele guinjes weg te werpen hebt.”

„Iedereen naar zijn smaak, oom! – de uwe valt op boeken.”

„Ja, Hector, en als mijne verzameling de uwe was, zoudt gij die weldra naar den geweermaker, de paardenmarkt en den hondenkramer brengen, – coëmptos undique nobiles libros – mutare loricis Iberis.”

„Ik zou uwe boeken niet kunnen gebruiken, waarde oom, dat is waar: en gij zult goed doen met te zorgen, dat ze in betere handen geraken dan de mijne; maar reken de gebreken van mijn hoofd mijn hart niet toe. – Ik zou van een olifant, die aan een ouden vriend toebehoord had, niet scheiden willen om een stel paarden te bekomen gelijk dat van lord Glenallan.”

„Ik geloof wel, mijn jongen, dat gij het niet zoudt doen; ik geloof het wel! – Ik plaag u soms een weinig; het onderhoudt den geest van tucht en ondergeschiktheid. – Gij zult hier uw tijd gelukkig doorbrengen, daar gij mij bij u zult hebben om u te kommandeeren, in plaats van kapitein of kolonel, of dapperen ridder, zoo als bij Milton staat, en in plaats van de Franschen te bevechten hebt gij Gens humida ponti – want zoo als Virgilius zegt:

Sternunt se somno diversae in littore phocae.

wat men zou kunnen overbrengen:

„Hier rusten phocae op het strand,

Binnen ’t bereik van Hector’s hand.”

[263]

„Neen, als gij kwaad wordt, schei ik er uit. – Ook zie ik Adam op de plaats, met wien ik iets te doen heb. Dag, Hector! – Heugt het u nog, hoe zij in de zee plaste gelijk haar God, Proteus, et se jactu dedit aequor in altum?

M’Intyre, hoewel wachtende tot zijn oom de deur achter zich had toegetrokken, gaf zich toen ongestoord over aan zijne drift.

„Mijn oom is de beste mensch van de wereld, en op zijne wijze de vriendelijkste; maar liever dan iets meer van die vervloekte phoca te hooren, zoo als hij ze verkiest te noemen, zou ik dienst nemen naar West-Indië, en hem nooit weêr zien!”

Mary M’Intyre, door dankbaarheid aan haren oom gehecht, en haren broeder met geestdrift beminnende, trad bij dergelijke gelegenheden als bemiddelaarster op. Zij haastte zich, haren oom bij zijnen terugkeer te gemoet te gaan, eer hij in de zaal kwam.

„Welnu, Mary, vrouwmensch! wat beteekent dat smeekend gelaat? – heeft Juno weêr iets misdaan?”

„Neen, oom, maar Juno’s meester is bang voor uwe spotternijen over den zeehond. Ik verzeker u, hij voelt het meer dan gij wenschen zoudt; – het is dwaas van hem, dat is zeker; maar gij weet ook iedereen zoo belachelijk te maken!”

„Wel, kindlief, ik zal mijn spotlust beteugelen, en, zoo mogelijk, nooit meer van de phoca spreken. Ik ben geenszins monitoribus asper, maar de Hemel weet het, de zachtste, vreedzaamste en gemakkelijkste der menschen, dien zuster, nicht en neef naar welbehagen bestieren.”

Met deze kleine lofrede op zijne eigene lijdzaamheid trad de heer Oldbuck de zaal binnen, en stelde zijnen neef eene wandeling voor naar de Mosselklip. „Ik heb eenige vragen te doen aan eene vrouw in de hut van Mucklebackit,” voegde hij er bij, „en ik had er gaarne een verstandigen getuige bij; – dus, bij gebrek aan beteren, Hector, moet ik mij met u behelpen.”

„Daar is de oude Adam, oom, of Caxon: – zouden die niet beter zijn dan ik?”

„Op mijn woord, jonkman, gij verwijst mij naar zeer fraai gezelschap, en ik ben allergevoeligst voor uwe beleefdheid. Neen, jongen, mijn oogmerk is, dat de oude Blauwrok met mij gaan zal, – niet als getuige, want hij is nu, zoo als onze vriend de Baljuw Littlejohn zegt, (God zegene zijne geleerdheid!) tanquam suspectus, en gij zijt suspicione major, zoo als onze wet zegt.”

„Ik wenschte dat ik majoor was, oom!” zeide Hector, die slechts het laatste der Latijnsche woorden opving, als den meesten indruk makende op het oor van een soldaat; „maar zonder geld en protectie is er weinig kans voor mij, om het zoo ver te brengen.”

„Wel, wel, zeer dappere zoon van Priamus!” zei de oudheidkenner; „laat u door uwe vrienden raden, en gij weet niet, wat er gebeuren kan. – Kom met mij, en gij zult iets zien, dat u van nut kan zijn, als gij eens in een krijgsraad zit.”

„Ik heb vele regiments-krijgsraden bijgewoond, oom!” antwoordde M’Intyre. – „Maar hier is een nieuwe stok voor u.”

„Zeer verplicht, zeer verplicht!”

„Ik kocht hem van onzen tamboermajoor, die tot ons regiment kwam uit het Bengaalsche leger, toen het de Roode Zee kwam afzakken. De stok werd op de oevers van den Indus gesneden, dat verzeker ik u.” [264]

„Op mijn woord, het is een schoone rotting, en vergoedt dien, welke de pho – Bah! wat wilde ik zeggen?”

Het gezelschap, bestaande uit den oudheidkenner, zijn neef en den ouden bedelaar, begaf zich nu op weg naar de Mosselklip, – de eerste, met den grootsten lust bezield, om zijne wijsheid uit te kramen, en de anderen, met het gevoel van vorige verplichtingen en eenige hoop op toekomende gunsten, bescheiden en oplettend om hem aan te hooren. De oom en de neef wandelden naast elkander, de bedelaar ongeveer anderhalve stap achter hen, juist zoo dicht bij zijn beschermer, dat deze tot hem spreken kon met eene lichte wending van het hoofd, zonder de moeite te nemen van zich om te keeren. Petri, in zijne verhandeling over eene goede opvoeding, opgedragen aan de magistraten van Edinburg, beveelt, naar zijne eigene ondervinding als opvoeder in een aanzienlijk huis verkregen, aan alle minderen van stand, huisonderwijzers en afhankelijke lieden van elken aard, deze houding aan.

Dus begeleid, trok de oudheidkenner, met zijne geleerdheid bezield, op, – gelijk een trotsch oorlogschip, zich elk oogenblik dan naar bakboord en dan naar stuurboord wendende, om eene laag te lossen op degenen, die hem, volgden.

„En gij denkt dus,” zeide hij tegen den bedelaar, „dat dit gelukje, – deze arca auri, zoo als Plautus zegt, Sir Arthur niet veel helpen zal in zijn nood?”

„Of hij zou tienmaal zoo veel moeten vinden!” antwoordde de bedelaar, „en daaraan twijfel ik zeer. – Ik hoorde Puggie Orrock en den anderen bode van het gerecht samen spreken, – en het moet er slecht uitzien, als zulk volkje zoo plomp weg over de zaken van een groot heer spreekt. Ik geloof, dat Sir Arthur voor zijne schulden geplakt zal worden, als er niet spoedig een zekere hulp opdaagt.”

„Gij spreekt als een gek,” zei de oudheidkenner. – „Neef! het is iets merkwaardigs, dat in dit gelukkig land niemand wettig voor schulden kan gezet worden.”

„Inderdaad, oom!” antwoordde M’Intyre, „dat heb ik nooit te voren, geweten. – Dit gedeelte van onze wet zou eenigen van mijn regiment goed te pas komen.”

„En als zij niet voor schulden mogen opgesloten worden,” zeide Ochiltree, „wat doen dan zoo vele arme schepsels in de gevangenis ginds, te Fairport? Men zegt, dat zij gezet zijn door hunne schuldeischers. – Inderdaad! zij moeten er meer van houden dan ik, als zij het uit vrijen wil doen.”

„Eene zeer natuurlijke opmerking, Adam! – en menig wijzer man dan gij zou ze maken; maar ze is geheel en al gegrond op onkunde van het leenstelsel. Hector, wees zoo goed van op te letten, als gij niet omziet naar eene andere – hm!” (Hector deed zich op dezen wenk geweld aan om oplettend te zijn). „En u, Adam, zal het ook tot nut kunnen strekken, rerum cognoscere causas. De aard en oorsprong van een bevel tot arrestatie is iets haud alienum a Scaevolae studiis. Gij moet dan weten, dat niemand in Schotland voor schulden in hechtenis kan genomen worden.”

„Daaraan ligt mij niet veel gelegen, Monkbarns!” zei de oude man; „want niemand zal ooit een duit aan een ouden bedelaar toevertrouwen.”

„Ik bid u zwijg! – Als een dwangmiddel, derhalve tot betaling, – iets, waartoe geen schuldenaar zich geneigd voelt, zoo als ik getuigen kan uit eigene ondervinding, – hadden wij in het eerst de brieven in vier vormen, eene soort van beleefde uitnoodiging, waardoor onze Souvereine Heer, de [265]Koning, zich als Vorst latende gelegen liggen aan het regelen van de bijzondere zaken zijner onderdanen, eerst bij zachte vermaning, en daarna bij brieven van meer krachtigen aard, – wat kijkt gij naar dien vogel, Hector? – het is eene zeemeeuw.”

„Het is eene zeezwaluw,” zeide Adam.

„En wat dan, – wat doet dat ter zaak? – Maar ik zie, dat gij ongeduldig zijt; ik zal dus de brieven van vier vormen overslaan, en komen tot de hedendaagsche manier van procedeeren. – Gij veronderstelt nu, dat een man naar de gevangenis gezonden wordt, omdat hij zijne schulden niet betalen kan? Geenszins! de waarheid is, dat de Koning de goedheid heeft, op een verzoekschrift van den schuldeischer tusschenbeide te komen, en den schuldenaar zijn koninklijk bevel te zenden, om binnen zekeren tijd zijne schuld te voldoen, – vijftien, of zestien dagen, naardat de zaak is. Nu, de schuldenaar verzet zich en is ongehoorzaam; – wat is er het gevolg van? Wel, dat hij wettig en naar alle vormen weêrspannig verklaard wordt tegen onzen genadigen Souverein (aan wiens bevelen hij ongehoorzaam geweest is), met trompetgeschal op de markt te Edinburg, de hoofdstad van Schotland. En hij wordt dan wettiglijk in de gevangenis gezet, niet uithoofde van eene burgerlijke schuld, maar omdat hij het koninklijk bevel heeft geschonden. Wat zegt gij hiervan, Hector? – Dat is iets, dat gij nog niet wist.”

„Neen, oom, maar ik beken, dat als ik geld noodig had om mijne schulden te betalen, ik den Koning veel dankbaarder zou zijn, als hij mij wat zond, dan wanneer hij mij weêrspannig verklaarde, omdat ik niet deed, wat ik niet doen kon.”

„Uwe opvoeding heeft u voor diergelijke zaken niet vatbaar gemaakt,” hernam zijn oom; „gij zijt niet in staat, om de schoonheid van deze vinding te waardeeren, en de wijze, waarop ze die strengheid, welke men, ter bescherming van den koophandel, noodig gevonden heeft tot de halsstarrige schuldenaren uit te strekken, vereenigt met de meeste bezorgdheid voor de vrijheid van den onderdaan.”

„Ik weet het niet, oom! maar als iemand zijne schulden moet betalen of naar de gevangenis gaan, maakt het weinig onderscheid, of hij als weêrspannig aan de wet of als schuldenaar er in gaat, zou ik denken. Maar gij zegt, dit bevel van den Koning geeft een uitstel van zoo en zoo vele dagen; nu, inderdaad, als ik in den nood ware, zou ik met stille trom vertrekken en den Koning en de schuldenaar de zaak onder elkander laten vereffenen, eer zij tot dwangmaatregelen overgingen.”

„Dat zou ik ook doen,” zeide Adam; „ik zou stilletjes optrekken.”

„Juist; maar omtrent degenen, welke de wet verdacht houdt van niet voornemens te zijn haar plechtig bezoek af te wachten, gaat zij korter en met minder omslag te werk, dan met lieden, aan wie geduld en toegeeflijkheid geheel en al verspild zouden wezen.”

„Ja,” zeide Ochiltree, „met bevelschriften voor het aanhouden van vluchtelingen: – ik heb er eenige ondervinding van. – In Zuid-Schotland hebben zij er nog andere kunstjes bij, – die dadelijk en streng werken. Ik werd op die wijze eens op de Sint-Jacobs kermis aangehouden en een heelen dag en nacht in de oude kerk te Kelso bewaard; en dat was eene sombere en akelige plaats, dat verzeker ik u. – Maar wie is die vrouw met hare mand, op den rug? Het is, geloof ik, de arme Maggie zelve.”

Zij was het. De smart van de arme vrouw, ofschoon niet verminderd, was evenwel bedaarder geworden door de noodzakelijkheid, om in het onderhoud [266]van haar huisgezin te voorzien; en de groet, dien zij Oldbuck toebracht, was eene vermenging van haren gewonen spreektrant, waarmede zij hare klanten zocht te lokken, en van den klagenden toon over haar pas geleden verlies.

„Hoe gaat het vandaag, Monkbarns? – Ik heb u nog niet kunnen bedanken voor de eer, die gij den armen Steven bewezen hebt, door zijn hoofd in een vroegtijdig graf te leggen, den armen jongen!” Hier steunde zij en veegde zich de oogen af met het puntje van haar blauwe voorschoot. – „Maar de vischvangst gaat zoo slecht niet, ofschoon mijn man het hart niet gehad heeft, om zelf naar zee te gaan. Wel zou ik hem graag zeggen, dat het hem goed zou doen, de hand aan het werk te slaan; – maar ik schrik er van, om hem toe te spreken, en het is ook niet goed, dat eene vrouw zoo spreekt van haar man. – Maar ik heb toch eenige lekkere schelvisschen, en ze kosten maar drie schelling het dozijn; want ik heb nu geen lust om lang te kibbelen, en moet juist nemen wat een Christenmensch geven wil, met weinig woorden en zonder omwegen.”

„Wat zullen wij doen, Hector?” zeide Oldbuck stilstaande. „Ik haalde mij eens het ongenoegen van mijn vrouwvolkje op den hals, omdat ik een slechten koop met haar had aangegaan. Deze zeedieren, Hector, brengen ongeluk over ons geslacht.”

„Hoe, oom! wat gij doen moet? – De arme Maggie geven wat zij vraagt, of mij vergunnen, een schotel visch naar Monkbarns te zenden.”

En hij reikte haar het geld toe; maar Maggie trok de hand terug. „Neen, neen, kapitein! gij zijt te jong en te los met uw geld. – Gij moet eene vischvrouw nooit haren eersten eisch geven; en wellicht ook sluit ik een koopje met de oude huishoudster op Monkbarns, of met jufvrouw Grizelda. – En ik moet zien, hoe die malle Jenny het maakt; – zij zeggen, dat zij niet wel geweest is; – zij zal over Steven getobd hebben, de onnoozele meid, alsof hij ooit naar haars gelijke zou hebben willen omzien! – Wel, Monkbarns! het zijn schoone, versche schelvisschen, en zij behoeven mij maar weinig aan uw huis te bieden, als gij vandaag visch noodig hebt.”

En zoo stapte zij verder met haren last, terwijl smart, dankbaarheid voor de deelneming van hare meerderen, en de gewone zucht tot handel en winst zich in hare gedachten verdrongen.

„En nu, daar wij voor de hut zijn,” zeide Ochiltree, „wenschte ik wel te weten, Monkbarns, wat u bewogen heeft, u dezen geheelen weg over met mij te kwellen? Ik zeg u oprecht, ik heb geen lust om daar binnen te gaan. Ik mag er niet aan denken, hoe de jongen allen wegsterven, en mij als een onnutten, ouden stam achtergelaten hebben met nauwelijks één groen blad meer over.”

„De oude vrouw zond u met eene boodschap naar den graaf van Glenallan, niet waar?”

„Ja!” antwoordde de verwonderde bedelaar; „hoe weet gij dat?”

„Lord Glenallan verhaalde het mij zelf, dus is er geene verklikkerij, – geene schennis van vertrouwen van uw kant, – en daar hij wenscht, dat ik hare getuigenis zou afnemen over eenige gewichtige familiezaken, koos ik u uit om mede te gaan, omdat het, in haren toestand, die tusschen verkindschdheid en bewusteloosheid zweeft, mogelijk is, dat uwe verschijning herinneringen opwekken zal, waartoe ik buiten staat zou zijn. – De menschelijke geest, – wat doet gij, Hector?”

„Ik floot mijn hond slechts, oom! die loopt altijd te ver af. – Ik vreesde al, dat ik u hinderen zou.” [267]

„In het geheel niet, in het geheel niet!” zeide Oldbuck den draad hervattende. – „De menschelijke geest behoort behandeld te worden als eene streng verwarde zijde, waarvan men eerst voorzichtig een einde moet zien te vatten, eer men eenige vorderingen kan maken met ze te winden.”

„Daar heb ik geen verstand van,” zei de bedelaar; „maar als de oude niet zeer veranderd is, kan het gebeuren, dat zij ons wat vreemd zal doen opkijken. Het is verschrikkelijk, haar te zien en te hooren, als zij zoo met de armen zwaait en haar zuiver Engelsch praat, en als een gedrukt boek spreekt, – ofschoon zij maar een oud vischwijf is. Maar zij kreeg, inderdaad, eene voorname opvoeding, en was zeer gezocht, eer zij een weinig beneden haren stand trouwde. Zij is een tiental jaren ouder dan ik; – maar het heugt mij nog goed, dat men even veel sprak over haar huwelijk met Simon Mucklebackit, den vader van dezen Saunders, alsof zij een meisje van hoogen stand geweest was. Maar zij was eerst eene gunstelinge van de gravin, en dan was zij het weêr niet, zoo als ik haar zoon heb hooren vertellen, toen hij nog zeer jong was; en toen kregen zij veel geld, en verlieten het land van de gravin, en kwamen hier wonen. Maar het ging hun toch nooit goed. Maar zij is eene vrouw, die wat geleerd heeft, en als zij aan haar Engelsch gaat, zoo als ik haar eens op een goeden dag heb gehoord, zal zij ons misschien nog allen vast zetten.”