WeRead Powered by ReaderPub
De oudheidkenner cover

De oudheidkenner

Chapter 41: Veertigste Hoofdstuk
Open in WeRead

About This Book

The narrative follows a young traveller who, while preparing for a short journey, becomes involved with an elderly, eccentric collector of historical curiosities and the colourful local people around him. Episodes combine gentle comedy of manners, vivid local portraiture, and a developing mystery about old papers and contested property that spurs inquiries, disputes, and probes into ruins and records. A romantic strand and several reconciliations are woven through debates over authenticity, heritage, and changing tastes, and the work shifts between satirical sketches and more sincere reflections on memory, learning, and community.

[Inhoud]

Veertigste Hoofdstuk

Van zulken ouderdom wijkt het leven ongevoelig

En stil, als eene eb, wanneer de golfslag

Geheel en al het gestrande schip verlaat.

Eerst deed de minste wind of golf het zachtjes wiegen;

Maar nu raakt de kiel het diepe, zware zand;

Straks maken mast en kim een hoek, die niet verandert.

Elke wijkende baar schokt de boot al minder en minder,

Tot zij, gemetseld in ’t zand, blijft liggen

Onbruikbaar en bewegingloos.

Oud tooneelspel.

Toen de oudheidkenner de klink van de deur der hut oplichtte, was hij verwonderd, de bevende, krassende stem van Elspeth eene oude ballade te hooren zingen in den smaak van een onregelmatig, klagend recitatief:

De haring mint het zachte licht der maan,

En de makreel den stormwind in den nacht;

Den oester trekt het lied des visschers aan,

Want zij is van een adellijk geslacht.

[268]

Als een vlijtig verzamelaar van dergelijke brokken van oude dichtstukken, bleef Oldbuck luisterend staan, en zijne hand wapende zich onwillekeurig met potlood en aanteekenboekje. Van tijd tot tijd sprak de oude vrouw als tegen de kinderen: „Stil kleinen, stil! en ik zal er nog een mooier zingen dan dat:

Zwijgt stil en luistert, vrouw en man,

Naar ’t geen mijn lied u meldt;

Ik zing u van Glenallan’s graaf

En Harlaw’s bloedig veld.

De lijkzang klaagt in Bennachie

En jammert om den held,

En Hoog- en Laagland dragen rouw

Om Harlaw’s bloedig veld. –

„Ik herinner mij het volgend vers niet goed; – mijn geheugen is weg, en daar overvallen mij nare gedachten. – De Heer brenge ons niet in verzoeking!”

Hier ging hare stem in een onduidelijk gemompel over.

„Het is eene geschiedkundige ballade!” zeide Oldbuck met geestdrift; – „een oorspronkelijk en echt fragment uit den tijd der minnezangers! – Percy zou de eenvoudigheid daarvan bewonderen, – Ritson de echtheid er van niet kunnen betwisten!”

„Het kan zijn; maar het is bedroevend,” zeide Ochiltree, „het menschelijk gevoel in deze vrouw zoo verdoofd te zien, dat zij oude liedjes gaat krassen, na een verlies als het hare!”

„Stil, stil!” zei de oudheidkenner, – „zij heeft den draad van de ballade hervat!” – En terwijl hij sprak, zong zij:

Twee honderd rossen toomden ze op,

Gedost in blinkend staal,

Op ’t fiere hoofd de strijdkaproen,

Een ridder in den zaâl.

„Strijdkaproen!” riep de oudheidkenner uit, – „dat woord komt zelden voor! – het is goud waard!” – en dadelijk stond het in zijn zakboekje.

Zij snelden weg en reden voort

En de aarde dreunde er van;

Daar rukte Donald ’t heîveld op

Met twintig duizend man.

Hun mantels wuifden; zwaard bij zwaard

Blonk schittrend overal,

En oorverdoovend klonk ’t geraas

Van ’t dondrend krijgsgeschal.

De graaf verheft zich in den zaâl,

Bij ’t nadren van dien stoet;

„Op, wakkre ridders!” roept hij, „op!

Toont hier uw heldenmoed.”

[269]

„Welaan mijn schildknaap, die zoo fier

Aan mijne zijde rijdt,

Verbeeld u dat ’k uw schildknaap ben,

En gij Glenallan zijt.”

„Te blijven is hier doodsgevaar;

Te keeren – ons onwaard!

Wat zoudt gij, Roeland Cheyne, doen?

Als gij Glenallan waart?”

„Gij moet weten, kinderen! dat deze Roeland Cheyne, zoo arm en oud ik hier in den hoek van den haard zit, mijn voorvader, en dien dag een dapper man was in het gevecht; maar vooral nadat de graaf gevallen was: want hij verweet zich zelven, dat hij den graaf aangeraden had om te vechten, eer Mar opdaagde met Mearns en Aberdeen en Angus.”

Zij verhief de stem en werd hoe langer hoe meer bezield, terwijl zij de oorlogzuchtige raadgevingen van haren voorvader beschreef:

„O, dat ik graaf Glenallan waar,

En gij mijn schildknaap, gij!

Mijn teugels op den hals van ’t paard!

Mijn sporen in zijn zij!

„En overtreft hun aantal ook

Het onze honderdmaal;

Hen dekt slechts ’t lichte mantelkleed,

Ons ’t ondoordringbaar staal.

„Mijn ros zal rennen door hun heir,

Als door het heidegras;

Geen eed’le Noorman wijkt er ooit

Voor ’t Hooglandsch slavenras!”

„Hoort gij dat neef?” zeide Oldbuck. „Gij merkt, dat uwe Gaëlische voorouders voormaals niet veel geteld werden door de krijgslieden uit het zuidelijk gedeelte van Schotland.”

„Ik hoor,” zeide Hector, „eene onnoozele oude vrouw een onnoozel liedje zingen. Ik verwonder mij, oom, dat gij, die niet luisteren wilt naar Ossian’s gezangen van Selma, behagen kunt scheppen in zulken onzin! Ik beweer, dat ik nooit ellendiger straatdeuntje gehoord heb: ik geloof niet, dat gij een soortgelijk bij eenigen liedjeskramer meer in het geheele land zult vinden! Ik zou mij schamen, als ik dacht, dat de eer der Hooglanders door zulke rijmelarij kon besmet worden!” – Met deze laatste woorden richtte hij het hoofd trotsch op, en keek met verontwaardiging rond.

Waarschijnlijk hoorde de oude vrouw het geluid van hunne stemmen, want zij hield op met zingen en riep: „Kom binnen, kom binnen! – die het wel meent, blijft niet aan den drempel staan!”

Zij traden binnen en vonden, tot hunne groote verwondering, Elspeth alleen, „als een spook aan den haard zittende,” gelijk de geest van den [270]Ouderdom in het jagerslied van den Uil1, „gerimpeld, haveloos, morsig, met troebele oogen en verkleumd.”

„Zij zijn allen uit,” zeide zij, toen Oldbuck binnentrad: „maar als gij een oogenblik wilt gaan zitten, zal er wel iemand komen. Als gij zaken hebt met mijne schoondochter of mijn zoon, zullen zij weldra hier zijn, geloof ik. Ik spreek nooit over zaken. – Kinderen, geeft stoelen! – de kinderen zijn ook uit, geloof ik,” – om zich heen ziende. – „Ik zong hun straks wat voor, om hen stil te houden; maar zij zijn toch weg! – Gaat zitten, heeren! zij zullen weldra te huis zijn, geloof ik;” en zij liet de klos uit de hand vallen op den grond, en begon te spinnen, en scheen weldra uitsluitend bezig met het regelen van de bewegingen van het spinnewiel, en even onbewust van de tegenwoordigheid der vreemdelingen, als zij onverschillig was omtrent hun rang of hetgeen zij daar te verrichten hadden.

„Ik wenschte,” zeide Oldbuck, „dat zij dat gezang of die ballade hervatten wilde. – Ik heb altijd vermoed, dat er eenige schermutseling van ruitervolk heeft plaats gehad vóór den hoofdslag van Harlaw2.”

„Met verlof,” zeide Adam, „zou het niet beter zijn als mijnheer tot de zaak overging, die ons hier bracht? Ik kan het liedje altijd van haar krijgen.”

„Ik geloof dat gij gelijk hebt, Adam! – Do manus – ik onderwerp mij. Maar hoe zullen wij het aanleggen? Zij zit daar als de verpersoonlijking der verkindschdheid. – Spreek haar aan, Adam, – zie, of gij haar te binnen brengen kunt, dat zij u naar het kasteel Glenallan zond.”

Adam stond op, en, haar naderende, plaatste hij zich in dezelfde houding, die hij in zijn vroeger gesprek met haar gehad had. „Ik ben blij u zoo wel te zien, oude! te meer, daar u een ongeluk getroffen heeft sedert ik onder uw dak was.”

„Ja,” zeide Elspeth; maar veel eerder met een algemeen denkbeeld van ongeluk, dan uit eenige duidelijke herinnering van hetgeen er plaats had; – „wij hebben onlangs veel verdriet gehad. Ik weet niet, hoe het jonge volk dat verdragen kan. – Ik verdraag het slecht. Ik kan den wind niet loeien, en de zee niet bruischen hooren, of ik zie, dunkt mij, de boot met de kiel naar boven, en één van hen in de golven dobberen. – Och, heeren! zulke nare droomen als men heeft tusschen het slapen en het waken in, eer men den langen en gerusten slaap gevat heeft! Ik verbeeld me soms dat mijn zoon, of Steven, mijn kleinzoon, dood is, en dat ik de begrafenis gezien heb. Is dat geen nare droom voor eene dwaze, oude vrouw? Waarom zou een van hen vóór mij sterven? – Het is tegen den loop der natuur, zoo, als gij weet.”

„Ik geloof, dat gij met deze onnoozele oude vrouw weinig uitrichten zult,” zeide Hector, bij wien misschien nog eenigszins de afkeer werkte, welken de verachtelijke melding van zijne landslieden in haar gezang bij hem verwekt had; – „ik geloof dat gij met haar weinig uitrichten zult, oom, en het is tijd verspillen met hier te zitten luisteren naar hare wartaal.”

„Hector,” zei de oudheidkenner met verontwaardiging, „als gij haar ongeluk niet eerbiedigt, eerbiedig ten minste haren hoogen ouderdom en hare [271]grijze haren; – dit is het laatste bedrijf van het menschelijk leven, zoo fraai geschilderd door den Latijnschen dichter:

– Omni

Membrorum damno major dementia, quae nec

Nomina servorum, nec vultus agnoscit amici,

Cum quo praeterita coenavit nocte, nec illos

Quos genuit, quos eduxit, –”3

„Dat is Latijn!” zeide Elspeth, zich oprichtende alsof zij naar de regels luisterde, welke de oudheidkenner met grooten nadruk opdreunde, – „dat is Latijn!” en zij wierp een woesten blik in het rond. – „Heeft mij dan eindelijk een priester ontdekt?”

„Gij ziet, neef, zij verstaat even veel van deze schoone plaats als gij!”

„Gij zult, hoop ik, gelooven, oom, dat ik, even goed als zij, wist, dat het Latijn was?”

„Ja, wat dat aangaat; – maar wacht, zij wil verder spreken.”

„Ik wil geen priester hebben! – volstrekt niet!” zei de oude vrouw, met onmachtige hevigheid; – „zoo als ik leefde, wil ik sterven; – niemand zal zeggen, dat ik mijne meesteres verried, al ware het om mijne ziel te redden!”

„Dat getuigt van een slecht geweten,” zei de bedelaar; „ik wilde, dat, zij haar hart lucht gaf, al ware het slechts om haar eigen wil;” en hij sprak haar op nieuw aan.

„Wel, moeder! ik heb uwe boodschap aan den graaf overgebracht.”

„Aan welken graaf? ik ken geen graaf; – ik kende eens eene gravin; – gave de Hemel, dat ik haar nooit gekend had! want door die kennis, buurman, kwam er –” en zij telde op hare dorre vingers, terwijl zij sprak, – „eerst hoogmoed, dan kwaadwilligheid, dan wraak, dan valsche getuigenis; en moord klopte aan de deur, zoo hij al niet binnen kwam; – en waren dat geene aangename gasten, om te nestelen in een vrouwenhart? Dat was gezelschap genoeg, geloof ik!”

„Maar, oude, het was niet de gravin van Glenallan, die ik meende, maar haren zoon, hem, dien men lord Geraldin heet.”

„Ik herinner het mij nu,” zeide zij; „ik zag hem niet lang geleden, en wij hadden een lang gesprek te zamen. – Och, heeren, de knappe jonge lord is zoo oud en zwak geworden als ik zelve; – zoo werken smart en hartzeer en teleurstelling in de liefde dikwijls op het jonge bloed! – Maar moest zijne moeder niet zelve daarop gepast hebben? Wij volbrachten slechts hare bevelen, zoo als gij weet; – ik ben zeker, dat mij niemand laken kan; – hij was mijn zoon niet, en zij was mijne meesteres. – Gij weet, hoe het liedje gaat; – ik ben het zingen haast vergeten, de wijs weet ik niet meer: [272]

„Hij draaide hem heen en weêr, en zei:

Geen’ spot met moeder, broeder!

Overal vind ik minnarij,

Nergens een andere moeder.”

„En dan was hij slechts van het halve bloed, zoo als gij weet, en zij was eene echte Glenallan! Neen, neen! ik moet nooit klagen over hetgeen ik voor de Gravin Joscelinde deed; – nooit zal ik er over klagen.”

En daarop het vlas van het spinrokken opwindende met den starren blik van iemand, die besloten heeft niets te bekennen, hervatte zij haar gestaakt werk.

„Ik heb gehoord,” zei de bedelaar, aanleiding nemende uit hetgeen Oldbuck hem van de familiegeschiedenis verhaald had; – „ik heb gehoord, oude, dat er eenige kwaadsprekers tusschen den graaf, dat is tusschen lord Geraldin en zijne jonge bruid gekomen zijn?”

„Kwaadsprekers?” riep zij, driftig en ontroerd; „en waarom zou zij lastertaal vreezen? – Zij was goed en schoon genoeg; – ten minste iedereen zeide dat. Maar had zij zelve omtrent andere menschen gezwegen, dan had zij misschien nog heden geleefd, – in weêrwil van al wat men tegen haar ondernam!”

„Maar ik hoorde zeggen, moeder, dat het praatje ging, dat haar man en zij te na aan elkander bestonden, toen zij samen trouwden?”

„Wie durft daarvan spreken?” riep de oude vrouw driftig; „wie durft zeggen, dat zij getrouwd waren? – Wie weet daarvan? – Ik niet! – Als zij in het geheim trouwden, werden zij in het geheim gescheiden. – Zij ledigden den kelk van hun eigen bedrog!”

„Neen, ellendige!” riep Oldbuck uit, die niet langer zwijgen kon, „zij dronken het vergif, dat gij en uwe goddelooze meesteres haar bereidden!”

„Ha! ha!” hernam zij, „ik heb wel gedacht, dat het daartoe komen zou; – ik heb slechts stil te zitten en te zwijgen, als zij mij ondervragen; – er is geene pijnbank meer in onze dagen; – en als er een ware, dan konden ze mij verscheuren! – De mond van een vazal mag hem niet verraden, die hem voedt!”

„Spreek maar tot haar, Adam!” zei de oudheidkenner; „zij kent uwe stem, en antwoordt u het best.”

„Wij zullen er niets meer uit krijgen,” zeide Ochiltree. „Als zij zoo gaat zitten en de armen gevouwen heeft, zegt men, dat zij weken achtereen geen woord spreken wil. En daarbij is, naar het mij voorkomt, haar gelaat zeer veranderd, sedert wij hier zijn. Evenwel zal ik haar nog eens polsen, als gij het wenscht. – Welnu, oude, kunt gij u niet meer herinneren, dat uwe oude meesteres, de gravin Joscelinde, overleden is?”

„Overleden!” riep zij uit; want dit woord maakte altijd een diepen indruk op haar; „dan moeten wij volgen. Allen moeten te paard, als zij in den zadel zit; – zeg hun, dat zij lord Glenallan doen weten, dat wij reeds vooruit zijn. – Breng mijn hoed en mijn sjerp; gij wilt toch niet dat ik in deze kleeding met mevrouw uitga, en met mijn haar, zoo als het nu is?”

Zij hief de dorre armen op, en scheen bezig met haren mantel om te doen om uit te gaan, en liet de armen dan weêr langzaam zakken; en hetzelfde denkbeeld van een tocht waarschijnlijk steeds in het hoofd, ging zij gejaagd en afgebroken voort: „Roep Eveline Neville! – Wat bedoelt gij met lady Geraldin? Ik zeide: Eveline Neville, – niet lady Geraldin; – er [273]is geene lady Geraldin! – zeg haar dit, en dat zij haar nat kleed moet uittrekken, en niet zoo bleek zien. – Kind! wat zou zij met een kind doen? – Meisjes hebben geene kinderen, denk ik! – Therese! – Therese! – de gravin roept ons! – Breng licht, de groote trap is donker als de middernacht. – Wij komen, mevrouw!” Met deze woorden zonk zij terug op den stoel, en zeeg languit op den grond4.

Adam snelde toe, om haar op te helpen; maar nauwelijks had hij haar in de armen genomen, of hij zeide: „Het is voorbij; – zij is overleden; dat was haar laatste woord!”

„Onmogelijk!” zeide Oldbuck, haastig toetredende met zijn neef. Maar niets was zekerder. Zij had den geest gegeven bij het uitspreken der laatste woorden, en zij zagen niets meer voor zich, dan de sterfelijke overblijfsels van het wezen, dat zoo lang geworsteld had met een inwendig gevoel van verborgen schuld, gevoegd bij de ellende van ouderdom en armoede.

„God geve, dat zij naar betere gewesten heengegaan is!” zeide Adam, terwijl hij het levenlooze lichaam aanschouwde. „Maar, och, er was iets, dat haar zwaar op het hart lag. Ik heb menigeen zien sterven op het slagveld en op een bos stroo in huis; maar ik zou hen allen veel liever op nieuw zien sterven, dan zulk een dood als de hare weêr bijwonen!”

„Wij moeten de buren roepen,” zeide Oldbuck, zoodra hij eenigszins herstelde van zijn schrik en zijne verrassing, „en hun dit ongeluk bekend maken. – Ik wenschte, dat men haar iets had kunnen doen bekennen. En, ofschoon het van veel minder gewicht is, zou ik gewenscht hebben dat fragment van een lied over te schrijven. Maar ’s Hemels wil geschiede!”

Zij verlieten de hut, en brachten het gehucht in rep en roer. De matronen verzamelden zich dadelijk, om het lijk te verzorgen van haar, die men als de gemeenschappelijke moeder, naar leeftijd, van al de dorpelingen beschouwde. Oldbuck beloofde zijn onderstand voor de begrafenis.

„Mijnheer” zeide Alison Breek, die na de overledene de oudste was, „moest ons iets zenden, om ons hart op te beuren bij het bewaken van het lijk; want al de jenever van den armen Saunders werd bij de begrafenis van Steven opgedronken, en wij zullen er niet veel aan hebben, om met droge lippen bij het lijk te zitten. Elspeth was zeer knap in hare jonge dagen, zoo als ik mij herinner; maar er liep altijd een praatje, dat zij niet gelukkig was. Van de dooden moet men geen kwaad spreken, – en veel minder nog van zijne kameraden en buren; – maar er werden vreemde dingen verteld van eene dame en haar kind, eer zij Craigburnfoot verliet. En dus, wezenlijk, het zal een bedroefde lijkbewaking5 zijn, als mijnheer ons niets zendt, om ons aan de praat te houden.”

„Gij zult wat jenever hebben,” antwoordde Oldbuck, „te meer, omdat gij het eigenlijke woord voor het oude gebruik van het lijk te bewaken behouden hebt. Let op, Hector, dat lijkbewaking oorspronkelijk Teutonisch is, van het Gothische Leichnam, een lijk. Het is geheel verkeerd, dat men het de laatste wacht noemt, ofschoon Brand die hedendaagsche verbastering en afleiding voorstaat.”

„Ik geloof,” zeide Hector bij zichzelven, „dat mijn oom geheel Monkbarns zou geven, als iemand het hem in het echte oud-Angel-Saksisch kwam vragen! [274]Geen droppel zouden deze oude schepsels gekregen hebben, als het wijf het gevraagd had, om bij de laatste wacht te gebruiken!”

Terwijl Oldbuck eenige verdere beschikkingen maakte en bijstand beloofde, kwam een bediende van Sir Arthur in vollen ren langs het strand rijden, en hield stil, toen hij den oudheidkenner zag. „Er was iets,” (hij kon of wilde niet verklaren wat), „en Freule Wardour had hem oogenblikkelijk naar Monkbarns gezonden, om mijnheer Oldbuck te verzoeken zonder tijdverlies bij hen te komen.”

„Ik vrees,” zei de oudheidkenner, „ook zijn loop snelt ten einde; – wat kan ik doen?”

„Doen, oom?” riep Hector uit met zijne gewone hevigheid, – „te paard stijgen, het dier omkeeren, – en in tien minuten zijt gij te Knockwinnock!”

„Het is een best paard,” zei de knecht, terwijl hij afsteeg om de singels en stijgbeugels na te zien; „het is slechts wat hard in den bek, als het een bangen ruiter op zijn rug voelt.”

„Ik geloof, dat het mij weldra tot een zandruiter zou maken, vriend!” zei de oudheidkenner. „Wat drommel, neef! zijt ge mij moede? of denkt gij, dat ik mijn leven moede ben, om op den rug van zulk een Bucephaal als dezen te gaan zitten? – Neen, neen, vriend! als ik vandaag te Knockwinnock moet komen, zal het geschieden door bedaard op mijne eigene voeten daarheen te wandelen, wat ik ook zoo spoedig mogelijk zal doen. Kapitein M’Intyre mag dat dier zelf bestijgen, als het hem behaagt.”

„Ik heb weinig hoop, oom, dat ik van eenigen dienst zal kunnen zijn; maar ik kan aan hun gebrek aan hulp niet denken, zonder te wenschen ten minste mijne deelneming te toonen: – ik zal dus vooruitrijden, en uwe aankomst melden. – Ik moet u om uwe sporen verzoeken, vriend!”

„Mijnheer zal ze niet noodig hebben,” zei de man, ze echter afdoende en den kapitein aangespende; „het paard heeft vuur genoeg.”

Oldbuck stond verstomd over deze laatste roekeloosheid. „Zijt gij waanzinnig, Hector? of hebt gij vergeten wat er in Quintus Curtius, die u, als soldaat, bekend moet zijn, staat: nobilis equus umbra quidem virgae regitur; ignavus ne calcari quidem excitari potest, hetgeen duidelijk aantoont, dat de sporen altijd nutteloos, en, ik zou er kunnen bijvoegen, dat zij meestal gevaarlijk zijn.”

Maar Hector, die zich weinig stoorde aan het gevoelen van Quintus Curtius, of van den oudheidkenner, in dergelijke zaken, antwoordde slechts met een luchtig: „Wees niet bezorgd, wees niet bezorgd, oom!”

Daarmeê gaf hij den teugel aan ’t moedig ros,

Boog zich voorwaarts, en stiet den spoor

In de hijgende ribben van het dier

Tot over der rad’ren kop; dus voortvliegend

Verslond hij als het ware in den ren den weg,

En stond niet langer hem te woord.”

„Daar gaan ze heen! – een schoon paar!” zeide Oldbuck, hen nakijkende terwijl zij verdwenen, – „een dol paard en een wilde jongen, de twee lastigste schepsels in het Christendom; en dat alles, om een half uur vroeger daar aan te komen, waar niemand hen noodig heeft. Want ik denk, dat Sir Arthur’s ongeluk door onzen lichthoofdigen ruiter niet zal te verhelpen [275]zijn. Het is buiten twijfel het uitwerksel van Dousterswivel’s schurkenstreken, voor wien Sir Arthur zoo veel gedaan heeft; want ik kan niet ontkennen, dat bij sommige karakters het gezegde van Tacitus steek houdt: Beneficia eo usque laeta sunt dum videntur exsolvi posse; ubi multum antevenere, pro gratig odium redditur, – waaruit een verstandig man kan leeren voorzichtig te zijn, en niemand verder te verplichten, dan hij verwachten mag door hem te zien vergelden, uit vrees van zijn bankroet te maken aan dankbaarheid.”

Onder het opprevelen van dergelijke brokken van Cynische wijsbegeerte, stapte onze oudheidkenner over het strand naar Knockwinnock, maar wij moeten hem voorbijsnellen, ten einde de reden te ontwikkelen, waarom hij zoo dringend opontboden werd.


1 Zie de overzetting uit het Gaëlisch bij mevr. Grant, on the Highland superstitions (over de Hooglandsche bijgeloovigheden), vol. II. p. 260. 

2 Zie noot F. de slag van Harlaw

3

Schrikkelijker nog, dan het verlies der leden, is de waanzin,

Die de namen niet kent der slaven, noch ’t gezicht des vriends,

Met wien hij den avond te voren den maaltijd hield, noch degenen,

Aan wie hij ’t leven gaf en welke hij opvoedde.

4 Zie noot G. Elspeth’s dood 

5 Like-wake eene vrij algemeene gewoonte in Schotland. Vert.