Eenenveertigste Hoofdstuk
Zoo rooft de knaap, naar ’t geen de fabel schoeit,
Terwijl de gans haar gouden ei’ren broeit,
Onduurzaam, wreed, met uitgestrekte hand,
Den vogel weg uit het goud eierland; –
Uit geldzucht wordt de kleine roover stout,
En doodt den vogel om het gele goud!
Oude ballade.
Sedert den tijd, dat Sir Arthur bezitter geworden was van den schat uit Misticot’s graf, scheen hij eerder krankzinnig, dan bij zijn gezond verstand te wezen. Zijne dochter was, inderdaad, ernstig bezorgd voor zijne verstandelijke vermogens; want hij twijfelde geenszins, of hij bezat het geheim om zich onnoemelijke schatten te verwerven, en sprak en gedroeg zich als iemand, die den steen der wijzen gevonden had. Hij wilde alle omliggende landerijen opkoopen, en, naar de taal die hij voerde, wilde hij voortgaan tot hij aan den anderen kant van het eiland gekomen was, alsof hij besloten had, geen anderen buurman te gedoogen dan de zee. Hij had een beroemden bouwkundige geschreven over een plan, om den zetel zijner voorvaderen te vernieuwen op eene zoo groote schaal en in zulken prachtigen stijl, dat zijn verblijf het kasteel van Windsor zou hebben kunnen evenaren, en met daaraan geëvenredigde lusttuinen. Benden van livereibedienden doorkruisten reeds in zijne verbeelding de zalen, en – waartoe konden zulke onmetelijke rijkdommen den bezitter niet berechtigen? – de kroon van een markies, wellicht zelfs van een hertog, schitterde voor zijne oogen. – En zijne dochter – op welke aanzienlijke partijen mocht zij niet rekenen? – ja, eene verbintenis met het koninklijk huis ging zijne verwachting niet te boven. – Zijn zoon was reeds generaal, – en hij zelf al wat de eerzucht in hare buitensporige vlucht droomen kon.
Beproefde het iemand, om Sir Arthur uit dezen gemoedstoestand tot het [276]dagelijksch leven terug te brengen, zijne antwoorden waren in den smaak van den ouden Pistol bij Shakespeare:
„’k Lach om den grooten hoop en ’t laag gemeen;
Ik spreek van Afrika en gulden vreugd!”
De lezer zal zich de verwondering kunnen voorstellen van Isabella Wardour, toen zij, in plaats van ondervraagd te worden omtrent de oogmerken van Lovel, zoo als zij na het lange gesprek tusschen haren vader en Oldbuck den morgen waarop men den schat ontdekte, verwacht had, Sir Arthur hoorde praten als iemand, wiens verbeelding verhit was door de hoop van de onmetelijkste schatten te bezitten. Maar zij werd ernstig ongerust, toen Dousterswivel op het kasteel ontboden werd, – zich met haren vader opsloot, over zijn ongeluk getroost werd, zijn aandeel ontving, en zijn verlies vergoed kreeg. – Al de vermoedens, die zij lang tegen dezen man opgevat had, herleefden en vermeerderden, zoodra zij opmerkte hoe hij zich beijverde om de gouden droomen van haren vader aan te moedigen, en zich onder verschillende voorwendsels zoo veel mogelijk toeëigende van het geld, dat op zulk eene zonderlinge wijze Sir Arthur was ten deel gevallen.
Andere slechte voorteekens begonnen zich voor te doen, en volgden elkander snel op. Elken postdag kwamen er brieven, die Sir Arthur, zoodra hij het adres gelezen had, in het vuur wierp, zonder zich de moeite te geven van ze te openen. Isabella Wardour kon het vermoeden niet weêrstaan, dat deze brieven, welker inhoud aan haren vader door eene soort van ingeving scheen bekend te zijn, van dringende schuldeischers kwamen. Intusschen verminderde de tijdelijke hulp, die hij van den schat ontvangen had, snel. Het grootste gedeelte was verzwolgen door de noodzakelijkheid, om de schuldbekentenis voor zeshonderd pond te betalen, die Sir Arthur met eene oogenblikkelijke vervolging bedreigd had. Van het overige was een gedeelte aan den goudzoeker gegeven, een gedeelte aan buitensporigheden verkwist, waartoe zich de arme Baronet ten volle gerechtigd gevoelde uithoofde van zijne groote verwachtingen, – en een gedeelte werd er gebruikt, om voor een tijd die dringende schuldeischers den mond te stoppen, welke, met Harpagon, begrepen hadden, dat het noodig was iets van meer stoffelijken aard, dan bloote beloften, te verkrijgen. Eindelijk werd het maar al te duidelijk, dat alles binnen twee of drie dagen na de ontdekking was uitgegeven, en dat er geen vooruitzicht bestond op nieuwe hulp. Sir Arthur, ongeduldig van aard, verweet nu Dousterswivel op nieuw de schennis van zijne beloften, waardoor hij gehoopt had al zijn lood in goud te zien veranderen. Maar deze eerzame heer had nu zijn buit gehaald; en daar hij bescheiden genoeg was, om liefst den val niet bij te wonen van het huis, dat hij ondermijnd had, trachtte hij Sir Arthur met eenige kunsttermen te bevredigen, opdat deze, ten minste niet vóór zijn tijd, ongerust mocht worden. Hij nam afscheid van hem met de verzekering, dat hij den volgenden morgen op Knockwinnock zou terugkeeren, en berichten medebrengen, die Sir Arthur zeer zeker uit zijne verlegenheid helpen zouden.
„Want zoo lang ik over zulke zaken geraadpleegd ben,” zeide hij, „was ik nooit zoo nabij het arcanum, het groote geheim – de Panchresta – de Polychnesta. Ik weet er zoo veel van als Pelaso de Taranta, of Basilius, – [277]en ik breng Uwé in twee of drie dagen Numero II van den heer Misticot, of Uwé zal mij een schurk noemen, en Herman Dousterswivel nooit weder zien.”
De goudzoeker vertrok met deze verzekering, vast besloten om het laatste gedeelte van zijne belofte te houden, en nooit weêr voor zijn beleedigden patroon te verschijnen. Sir Arthur bleef in eene twijfelende en beangstigde stemming terug. De stellige verzekering van den wijsgeer, met de harde woorden Panchresta, Basilius, en zoo voorts, hadden eenigen indruk op hem gemaakt. Maar hij was te dikwijls door dergelijke wartaal misleid geworden om geheel en al van zijn twijfel bevrijd te zijn, en hij begaf zich vóór den avond naar zijne boekenkamer in den verschrikkelijken toestand van iemand, die, zonder middelen om terug te keeren, op eene steilte boven een afgrond staat, en opmerkt dat de rots, waarop hij zich bevindt, zich al meer en meer van het overige afscheurt en op het punt is van met hem in de diepte te storten.
De droombeelden der hoop verdwenen; doch naar evenredigheid vermeerderde dat koortsachtig, beangstigend voorgevoel, waarmede een man, groot gebracht in het denkbeeld van zijn eigen gewicht en aanzien, en bezield met de zucht naar rijkdommen, – de stamhouder van een oud geslacht en de vader van twee veelbelovende kinderen, – het uur zag naderen, waarop hij van al den glans, welken de gewoonte hem eigen en noodzakelijk gemaakt had, beroofd en in de wereld gestooten zou worden, om er met armoede, hebzucht en verachting te kampen. Onder deze voorboden werd hij, reeds door vergeefsche hoop verzwakt, gemelijk en lichtgeraakt, en zijne woorden en daden drukten soms eene wanhopige onverschilligheid uit, die Isabella Wardour buitengemeen verontrustte. Wij hebben bij eene vorige gelegenheid gezien, dat Sir Arthur, in weêrwil van de zwakheid van zijn karakter, in andere opzichten prikkelbaar en hevig was; hij was niet gewoon tegengesproken te worden, en, indien hij tot hiertoe over het algemeen opgeruimd en goed gehumeurd was geweest, was dat waarschijnlijk, omdat zijn levensloop geene genoegzame aanleiding opgeleverd had, om zijne zwartgalligheid op te wekken.
Den derden dag na het vertrek van Dousterswivel, legde de bediende, naar gewoonte, de nieuwspapieren en de brieven van den dag op de ontbijttafel. Isabella Wardour nam de couranten in de hand, om zich te onttrekken aan de gestadige kwade luim van haren vader, die zich allerdriftigst gemaakt had, omdat het geroosterde brood te bruin was.
„Ik zie hoe het gesteld is,” dus besloot hij zijne rede over dit belangrijk onderwerp; – „mijne bedienden, die hun aandeel in mijn geluk gehad hebben, beginnen te denken, dat er in het vervolg weinig meer van mij te halen zal zijn. Maar zoo lang ik heer en meester van de schurken ben, zal ik het ook toonen, en geene onachtzaamheid gedoogen, – neen! geen haarbreed zullen zij van den eerbied afwijken, dien ik het recht heb van hen te eischen.”
„Ik ben bereid om op dit oogenblik mijnheers dienst te verlaten,” zei de knecht, wien men de schuld gegeven had, „als mijn loon maar betaald is.”
Sir Arthur, als had hem een slang gestoken, stak de hand in den zak, en trok er dadelijk al het geld uit, dat er in was, maar niet genoeg om den man te voldoen. „Hoeveel geld hebt gij bij u, Isabella?” vroeg hij schijnbaar bedaard, maar met verborgene, hevige ontroering.
Zijne dochter gaf hem hare beurs; hij trachtte de banknoten te tellen, die er in waren, maar hij kon het niet doen. Na een paar vergeefsche pogingen, [278]smeet hij het zijner dochter toe, en zeide op gestrengen toon: „Betaal den schelm, en laat hem dadelijk de deur uitzetten!” hiermede stapte hij de kamer uit.
De meesteres en de dienstbode stonden beiden evenzeer verwonderd over de ontroering en de hevigheid van zijn gedrag.
„Zeker, Freule, als ik gedacht had in het minste schuld te hebben, zou ik niet één enkel woord hebben geantwoord, toen Sir Arthur mij berispte. – Ik ben lang in zijn dienst geweest, en hij is een goed heer voor mij geweest, en gij, Freule, eene goede meesteres, en het zou mij leed doen, als gij dacht, dat ik om een enkel driftig woord zou willen vertrekken. Het was zeker verkeerd van mij gedaan, van mijn loon tegen mijnheer te spreken, als hij iets heeft, dat hem kwelt. Ik had niet gedacht, op deze wijze het huis te moeten verlaten.”
„Ga naar beneden, Robert!” zeide zijne meesteres; „er is iets gebeurd, dat mijn vader hindert; – ga naar beneden, en laat Alick op de bel passen.”
Zoodra de knecht de kamer verliet, kwam Sir Arthur weêr binnen, alsof hij op zijn vertrek gewacht had. „Wat beteekent dit,” zeide hij driftig, toen hij zag dat de banknoten nog op tafel lagen, – „is hij niet vertrokken? Zal men mij niet meer gehoorzamen als heer, of als vader?”
„Hij is gegaan, vader, om hetgeen hem toekomt aan de huishoudster op te geven. – Ik dacht niet, dat er zoo veel haast bij was.”
„Er is haast, Isabella!” antwoordde haar vader, haar in de rede vallende, – „wat ik voortaan in het huis mijner voorvaderen doen wil, moet dadelijk gedaan worden, of nooit!”
Hij ging toen zitten en nam met eene bevende hand de kop thee, die voor hem was gereed gemaakt, en rekte het drinken er van zoo lang hij kon, als om het openen der brieven te verschuiven, die vóór hem op de tafel lagen, en waarnaar hij van tijd tot tijd keek, alsof het een nest met adders geweest ware, die gereed waren om er uit te komen en op hem toe te schieten.
„Het zal u aangenaam zijn te hooren,” zeide Isabella Wardour, om haren vader af te leiden van de sombere overpeinzingen, waarin hij verzonken scheen te zijn, „het zal u aangenaam wezen te vernemen, vader, dat de brik van luitenant Taffril behouden op de reede van Leith is aangekomen. – Ik zie, dat er eenige vrees geweest is voor zijn behoud. Ik ben blij, dat wij er niets van wisten.”
„En wat raakt mij Taffrils brik?”
„Vader!” zeide Isabella Wardour met verwondering; want Sir Arthur, in zijne gewone stemming, gevoelde eene soort van rustelooze belangstelling in al de praatjes van den dag en van het land.
„Ik zeg,” herhaalde hij op hevigen en steeds ongeduldiger toon, „wat ligt mij er aan gelegen, wie behouden en wie omgekomen is? – Dat raakt mij niet, veronderstel ik.”
„Ik wist niet, dat gij bezig waart, vader, en ik dacht dat, daar de heer Taffril een braaf man en uit onze eigene streek is, het u aangenaam zou zijn, te hooren, –”
„O, het is mij aangenaam! – het maakt mij zoo gelukkig mogelijk, – en om er u gelukkig bij te maken, zult gij op uwe beurt iets van mijne goede tijdingen vernemen!” En hij nam een brief op. „Het is onverschillig, welken ik eerst openbreek; – zij zijn allen van denzelfden aard.”
Hij brak haastig het lak, doorliep den brief, en wierp hem zijne dochter [279]toe. – „Ja! ik had het niet gelukkiger kunnen treffen: – deze is afdoende!”
Isabella Wardour zweeg verschrikt en nam den brief. „Lees maar, lees maar hardop!” zei haar vader; „gij kunt het niet te dikwijls lezen; het zal u in eens gewennen aan verdere tijdingen van denzelfden aard.”
Zij begon te lezen met bevende stem:
„Waarde Heer!”
„Hij noemt mij zijn waarde, zoo als gij ziet, – die onbeschaamde pennelikker, die twaalf maanden geleden niet goed genoeg was om aan mijne tafel te zitten; – langzamerhand, veronderstel ik, zal het kortaf waarde Baronet! heeten.”
„Waarde Heer!” – hernam Isabella; „maar,” brak zij af – „het zal u slechts hinderen als ik hardop lees.”
„Indien gij mij vergunnen wilt mijn eigen zin te volgen, Isabella, zoo verzoek ik u voort te gaan! Mij dunkt, ik zou u de moeite niet geven, als ik dacht dat het onnoodig ware!”
„Onlangs als deelgenoot opgenomen,” vervolgde Isabella Wardour, den brief lezende, „door den heer Gilbert Greenhorn, den zoon van uw vorigen correspondent en agent, den heer Girnigo Greenhorn, procureur alhier, wiens zaken ik als klerk vele jaren lang bestierd heb, wat in het vervolg onder de firma van Greenhorn en Grinderson geschieden zal (hetgeen tot uw gouverno diene, bij het adresseeren van uwe verdere brieven), en onlangs ontvangen hebbende uw geacht schrijven, geadresseerd aan mijn voormelden compagnon, den heer Gilbert Greenhorn, en ten gevolge van zijne afwezigheid wegens de wedrennen te Lamberton, heb ik de eer, uw brief te beantwoorden.”
„Gij ziet, mijn vriend gaat stelselmatig te werk, en begint met mij de redenen te ontwikkelen, welke mij zulk een bescheiden en aangenamen correspondent verschaft hebben. – Ga voort, – ik ben er tegen bestand!”
En hij lachte met dien bitteren lach, welke wellicht de verschrikkelijkste uitdrukking is van het lijden der ziel. Vreezende om te vervolgen, en nochtans niet wagende om ongehoorzaam te zijn, ging Isabella Wardour voort met lezen: „Het doet mij, voor mijzelven en mijn compagnon, leed, dat wij niet kunnen verplichten met naar de door u gemelde sommen om te zien, of met uitstel te vragen in zake van Goldiebird’s vorderingen, wat te moeielijker zou zijn, daar wij gebezigd zijn, om als zaakwaarnemers en gevolmachtigden van genoemden Goldiebird te handelen, in welke hoedanigheid wij een lastbrief tot betaling tegen u verkregen hebben, zoo als gij vernomen zult hebben uit de dagvaarding, voor de som van vierduizend zevenhonderd zesenvijftig pond, vijf shilling, zes en een vierde stuiver sterling, welke som, met een jaar interesten en onkosten, wij veronderstellen, dat onmiddellijk zal vereffend worden, ter voorkoming van verdere ongelegenheden. Ik gevoel mij genoodzaakt te doen opmerken, dat onze eigene schuldvordering, ten bedrage van zevenhonderd negenenzestig pond, tien shilling en zes stuivers, mede verschenen is, en de vereffening daarvan ons aangenaam zou zijn; maar, alzoo wij uwe obligatiën, bewijzen van eigendom, en hypotheken bezitten, zullen wij er niets tegen hebben, om een redelijk uitstel te verleenen, – bij voorbeeld tot den eerstvolgenden vervaldag. – Ik moet, voor mijzelven en voor mijn compagnon, er bijvoegen, dat de last van den heer Goldiebird ons gebiedt, om peremptoir en sine mora te procedeeren, waarvan ik het genoegen heb u te adviseeren ter voorkoming van abuizen, ons reserveerende om verder te ageeren, als gezegd. Ik ben, voor mijzelven en mijn compagnon, [280]Waarde Heer, uw verplichte en dienstwillige dienaar, Gabriel Grinderson, voor de firma Greenhorn en Grinderson.”
„De ondankbare schelm!” riep Isabella Wardour.
„Wel neen! het is de gewone wijze van handelen, veronderstel ik; om zwaar te treffen, moest deze hand den slag geven; – het is alles zoo als het behoort,” antwoordde de arme Baronet, terwijl zijne bevende lip en zijne ongedurige blikken zijne gemaakte bedaardheid weêrspraken. – „Maar hier is een naschrift, dat ik niet gezien had, – kom, lees den brief maar uit!”
„Ik heb er nog bij te voegen (niet voor mijzelven maar voor mijn compagnon), dat de heer Greenhorn u ten dienste wil zijn, door uw tafelzilver en de bruine paarden, bijaldien deze geene gebreken hebben, tegen schatting en in gedeeltelijke betaling van uw rekening over te nemen.”
„De duivel hale hem!” riep Sir Arthur, buiten zich zelven bij dit beleefde aanbod. „Zijn grootvader besloeg mijns vaders paarden, en deze afstammeling van een ellendigen hoefsmid stelt mij voor, om mij de mijne af te troggelen! Maar ik zal hem antwoorden, zoo als hij verdient!”
En hij ging zitten en begon met groote drift te schrijven, brak dan af, en las hard op: „Mijnheer Gilbert Greenhorn! In antwoord op mijne twee laatste brieven ontving ik een brief van iemand, zich noemende Grinderson, en uw compagnon. Als ik aan iemand schrijf, ben ik niet gewoon dat men mij door de derde hand antwoordt. – Ik geloof, dat ik uw vader van dienst geweest ben, en vriendelijk en beleefd jegens u, en daarom verwondert het mij nu,” – „Maar” zeide hij, eensklaps ophoudende, „waarom zou ik mij daarover of over wat anders verwonderen, – of waarom zou ik mijn tijd verspillen met aan zulk een jakhals te schrijven? – Ik zal niet altijd in de gevangenis blijven, veronderstel ik, en dien kerel de beenderen te breken, zal het eerste zijn wat ik doe, zoodra ik er uit kom!”
„De gevangenis, vader?” vroeg Isabella Wardour met eene bevende stem.
„Wel ja, – wel zeker, – in de gevangenis, kunt gij daar een oogenblik aan twijfelen? – Wel! de fraaie brief van dien, – hoe heet hij, voor zich zelven en compagnon, schijnt gij vergeten te hebben, of gij moet vierduizend en zoo veel honderd pond, met het juiste aantal shillings, stuivers en halve stuivers hebben, om „bovenstaande som,” zoo als hij ze noemt, te betalen!”
„Ik, vader! – O, als ik de middelen had! – Maar waar is mijn broeder? – Waarom komt hij niet? Hij is juist al zóó lang in Schotland? Wellicht zou hij iets kunnen doen, om ons te helpen.”
„Wie, Reginald? – Ik veronderstel dat hij met den heer Gilbert Greenhorn, of den een of anderen zeer aanzienlijken man, naar de wedrennen te Lamberton gegaan is. – Ik heb hem verleden week gewacht; maar ik behoef mij niet te verwonderen, dat mijne kinderen mij verontachtzamen, even als alle andere menschen. – Maar ik moet u verschooning vragen, mijn kind, – neen, nooit in uw leven hebt gij mij veronachtzaamd of beleedigd.”
En hare wang kussende, terwijl zij hare armen om zijn hals sloeg, ondervond hij dien troost, welken een vader, zelfs in den wanhopigsten toestand, vindt in de zekerheid van een kind te bezitten, dat hem liefheeft.
Isabella Wardour trachtte zich deze opwelling van gevoel ten nutte te maken, om haren vader tot bedaren te brengen. Zij herinnerde hem, dat hij vele vrienden had.
„Ik had er eens velen!” zeide Sir Arthur; „maar, de goedheid van eenigen heb ik uitgeput door mijne dolle ondernemingen; – anderen zijn buiten staat, om mij bij te staan; – anderen zijn onwillig; – het is met mij gedaan. [281]– Ik hoop maar, dat Reginald een voorbeeld zal nemen aan mijne dwaasheid!”
„Zou ik niet goed doen met naar Monkbarns te zenden, vader?” zeide zijne dochter.
„Waartoe? Hij kan mij zulk een som niet leenen, en zou het niet willen doen, al kon hij het; want hij weet, dat ik nog andere schulden heb, en hij zou mij alleen vervelende menschenhatende phrases en fraaie brokken Latijn naar het hoofd werpen.”
„Maar hij is verstandig en goed, en in zaken grootgebracht, en ik ben zeker, dat hij onze familie altijd hartelijk toegedaan was.”
„Ja, ik geloof dat hij het was. – Wij hebben het ver gebracht, dat de genegenheid van een Oldbuck van gewicht wordt voor een Wardour! – Maar als de zaak tot het uiterste komt, zoo als ik veronderstel dat spoedig het geval zal wezen, – zal het misschien niet kwaad zijn, om hem te ontbieden. – En nu, ga uwe wandeling doen, kindlief! – Ik ben thans bedaarder, dan toen ik u deze vervloekte ontdekking doen moest. – Gij weet nu het ergste, en kunt het met elken dag en elk uur te gemoet zien. Ga uwe wandeling doen! – Ik wenschte een oogenblik alleen te zijn.”
Toen Isabella Wardour het vertrek verlaten had, was haar eerste zorg, om, overeenkomstig de halve vergunning door haren vader gegeven, een bode naar Monkbarns te zenden, die, zoo als wij reeds gezien hebben, den, oudheidkenner met zijn neef op het strand ontmoette.
Zonder te denken, en inderdaad haast zonder te weten waarheen zij ging sloeg zij toevallig de wandeling in langs den zoogenaamden Rozenheuvel. Eene beek, die in vroegere dagen de gracht van het kasteel van water voorzien had, liep hier naar beneden door eene nauwe vallei, waarin Isabella Wardour een pad had doen aanleggen, dat netjes onderhouden werd, zonder het voorkomen te hebben van door kunst gemaakt en gebaand te zijn. Het strookte alleszins met het karakter van het kleine dal, dat overschaduwd was door bomen en struikgewas, hoofdzakelijk laurierboomen en hazelstruiken, met de gewone afwisseling van den doorn en de wilde roos. Op deze wandeling had de verklaring tusschen Isabella Wardour en Lovel plaats gehad, welke door den ouden Adam Ochiltree gehoord was. Met een hart, diep bedroefd over de naderende ellende harer familie, bracht zich Isabella nu elk woord, elke spreekwijze te binnen, door Lovel gebezigd, om zijn aanzoek te ondersteunen, en zij moest zich zelve bekennen, dat het niet weinig vleiend was voor haar, het voorwerp van zulk eene ernstige en belangelooze genegenheid te zijn. Dat Lovel een beroep zou verlaten hebben, waarin hij, gelijk men zeide, snelle vorderingen maakte, om zich in eene stille plaats als Fairport te gaan begraven en eene onbeantwoorde liefde te koesteren, zou door anderen als overdreven hebben kunnen bespot worden, maar werd licht als eene overmaat van genegenheid vergeven door diegene, die zich daardoor gestreeld gevoelde. Als hij een onafhankelijk bestaan, hoe matig ook, gehad, of bewijzen gegeven had van onbetwistbare aanspraken op den rang in de samenleving, welken hij zoo zeer geschikt was te bekleeden, dan zou zij nu wellicht in staat geweest zijn, om haren vader, in zijn tegenspoed, eene schuilplaats aan te bieden. Deze gedachten, zoo gunstig voor den afwezige, kwamen nu bij haar op, met zulk eene nauwkeurige herinnering aan zijne woorden, blikken en gebaren, dat zij maar al te diep gevoelde, hoe hare voormalige afwijzing eerder de uitspraak was geweest van plichtbesef, dan van haar hart. Isabella peinsde beurtelings over dit onderwerp en het ongeluk [282]van haren vader na, toen zij, het pad volgende, dat rondom een kleinen, met struiken bedekten heuvel kronkelde, eensklaps den ouden Blauwrok ontmoette.
Op eene wijze, alsof hij iets gewichtigs en geheims mede te deelen had, nam hij de pet af, en den voorzichtigen stap en de zachte stem aan van iemand, die niet gaarne door vreemden wil gehoord zijn. „Ik heb zeer gewenscht, u te ontmoeten, Freule, want gij weet, ik durf niet aan huis komen wegens Dousterswivel.”
„Ik heb inderdaad gehoord,” zeide Isabella Wardour, eene aalmoes in zijne pet leggende, „ik heb gehoord, dat gij een zeer dwaas, zoo al niet een zeer slecht iets begaan hebt, Adam, en het deed mij leed dat te hooren.”
„Zachtjes, schoone dame! – dwaas? – De geheele wereld is dwaas, – en hoe zou de oude Adam Ochiltree altijd wijs zijn? – En wat het kwaad aanbelangt, – laat diegenen zeggen, die ooit met Dousterswivel te doen hebben gehad, of hij één greintje meer gekregen heeft, dan hij verdient.”
„Dat kan waar zijn, Adam, en toch,” antwoordde Isabella Wardour, „kunt gij groot ongelijk gehad hebben!”
„Wel, wel! wij zullen dat juist nu niet beslissen; – het is over u zelve, dat ik gekomen ben om te spreken. – Weet gij, wat het huis van Knockwinnock boven het hoofd hangt?”
„Een groot ongeluk, vrees ik, Adam!” antwoordde Isabella; „maar ik ben verwonderd, dat het reeds ruchtbaar is!”
„Ruchtbaar! – Sweepclean, de deurwaarder, zal er vandaag zijn met al zijne kerels. Ik weet het van een der dienders, die gewaarschuwd is, om hem hier te ontmoeten, en zij zullen ruw te werk gaan, geloof ik. – Waar zij knippen, daar is geen kam noodig; – zij scheren kaal genoeg!”
„Zijt gij zeker, Adam, dat dit ongelukkig uur reeds zoo nabij is? – Dat het komen zal, weet ik!”
„Het is juist zoo als ik zeg! maar wees niet neêrslachtig: – er is een hemel boven uw hoofd, even goed heden, als in dien verschrikkelijken nacht tusschen Bally-Burghness en Halket-head. Gelooft gij niet, dat Hij, die toen de wateren keerde, u tegen kwaadwilligheid der menschen beschermen kan, al zijn zij met het gezag der wetten gewapend?”
„De hemel is inderdaad nu onze eenige hoop.”
„Gij weet het niet; – gij weet het niet; – als de nacht het donkerst is, is de dageraad het meest nabij. Als ik een goed paard had, of er op rijden kon als ik er een had, – geloof ik, dat ik u nog helpen kon. – Ik dacht een stuk wegs met de brievenpost af te leggen; maar de koets viel ginds bij Kittlebrig om. Er zat een jonge heer op den bok, en hij wilde mennen; en Tom Sang, die wijzer had moeten wezen, liet het hem doen, en de dolle jongen kon den draai niet nemen bij den hoek van de brug, en daar rijdt hij tegen den hoeksteen en werpt den wagen ten onderste boven, – even als een legen beker; – het was een geluk, dat ik er niet boven op zat. – Dus kwam ik hier naar toe, tusschen hoop en vrees in, om te zien of gij mij zoudt willen verder helpen.”
„En, Adam, – waarheen wildet gij gaan?”
„Naar Tannonburgh,” (het eerste station van Fairport, maar veel nader bij Knockwinnock), „en dat zonder uitstel; – het is om uw eigen best!”
„Ons eigen best, Adam? Helaas! ik heb geen den minsten twijfel aan uwe goede bedoeling; maar, –”
„Geene maars, Freule! want ik moet weg!” [283]
„Maar wat wilt gij te Tannonburgh doen? – of hoe kunt gij mijn vader daar van nut zijn?”
„Inderdaad, schoone dame, gij moet dit kleine geheim aan het grijze hoofd van den ouden Adam toevertrouwen en er niet naar vragen. – Als ik op zekeren nacht mijn leven voor u waagde, zal ik nu wel geene reden hebben, om u te bedriegen in het uur van tegenspoed!”
„Wel, volg mij maar, Adam!” zeide Isabella Wardour; „en ik zal trachten u naar Tannonburgh te doen brengen.”
„Haast u dan, haast u dan, om alles ter wereld!” en hij bleef er op aandringen, tot zij het kasteel bereikt hadden.