Tweeënveertigste Hoofdstuk
Mag het zien wie wil; – ik verlang het niet; –
Want, was hij al een slaaf van rang en pracht
En al den klinkklank, waarvan hem ’t noodlot
Nu onverbiddelijk streng doet scheiden;
Altijd grieft de blik van ’t ontsteld gelaat,
Waar de ijdelheid onder haar nietig floers
De rimpels sluiert van berouw en angst.
Oud tooneelspel.
Toen Isabella Wardour op de plaats van het kasteel kwam, merkte zij dadelijk, dat de gerechtsdienaren er reeds waren. Er heerschte verwarring en neêrslachtigheid, verdriet en nieuwsgierigheid onder de dienstboden, terwijl de gerechtspersonen van de eene plaats naar de andere gingen en al de goederen opschreven, die volgens de wet in beslag genomen werden. Kapitein M’Intyre vloog naar haar toe, toen zij, bij de droevige overtuiging van haars vaders ongeluk, sprakeloos aan de poort bleef staan.
„Waarde Freule,” zeide hij, „maak u niet ongerust; mijn oom komt oogenblikkelijk, en ik ben zeker, dat hij eenig middel zal vinden, om het huis van deze schurken te zuiveren.”
„Helaas, kapitein M’Intyre, ik vrees dat het te laat zal zijn!”
„Neen!” antwoordde Adam ongeduldig. – „Kon ik slechts naar Tannonburgh komen! In ’s hemels naam, kapitein, tracht op de eene of andere wijze mij er naar toe te krijgen, en gij zult deze ongelukkige, te grond gerichte familie den besten dienst doen, die haar sedert de dagen van de Roodhand bewezen is; – want, zoo zeker als er ooit eene oude voorspelling uitkwam, zullen het huis en de goederen van Knockwinnock heden verloren en gewonnen worden.”
„Wat zoudt gij kunnen doen, oude man?” vroeg Hector.
Maar Robert, de oude knecht, op wien Sir Arthur des morgens zoo ontevreden was geweest, trad, alsof hij wachtte op eene gelegenheid om zijn ijver aan den dag te leggen, dadelijk vóór, en zeide tot zijne meesteres: [284]„Met uw verlof, Freule, deze oude Ochiltree is zeer slim en heeft ondervinding van vele dingen, als het genezen van koeien en paarden en dergelijke, en ik ben zeker, dat hij niet zonder reden verlangt vandaag te Tannonburgh te zijn, daar hij er zoo op staat, en als het u belieft, zal ik hem met de kar er naar toe brengen binnen één uur tijds! – Ik wilde zoo gaarne van eenigen dienst zijn. – Ik zou mij de tong kunnen afbijten, als ik aan heden morgen denk.”
„Ik ben u verplicht, Robert!” antwoordde Isabella Wardour; „en als gij wezenlijk denkt dat het de minste kans oplevert, –”
„In Gods naam!” zei de bedelaar, „span de kar maar in, Robert, en als ik niet van dienst ben, kunt gij mij over de Kittlebrig werpen als gij terug komt! – Maar, haast u, man, want de tijd is heden kostbaar!”
Robert zag zijne meesteres aan, terwijl zij zich naar huis begaf, en ziende dat men het hem niet verbood, vloog hij naar de stallen, welke aan het plein grensden, om de kar in te spannen; want, ofschoon een oude bedelaar geen geschikt persoon scheen om, in gevallen van geldnood, krachtdadige hulp te verleenen, heerschte er nochtans onder de menschen van Adams kring een groot denkbeeld van zijne voorzichtigheid en doorzicht, wat Robert’s oordeel rechtvaardigde, dat hij niet zoo ernstig op zijn tocht zou aangedrongen hebben, indien hij niet overtuigd geweest ware van de noodzakelijkheid er van. – Maar, zoodra de knecht de hand aan een paard sloeg, om het voor de kar te spannen, tikte een gerechtsdienaar hem op den schouder: „Vriend! gij moet van dat beest afblijven; het staat opgeschreven!”
„Hoe!” zeide Robert; „mag ik mijns meesters paard niet nemen om eene boodschap voor hem te doen?”
„Gij moogt niets van hier wegnemen,” antwoordde de gerechtsdienaar, „of gij zult verantwoordelijk zijn voor al de gevolgen.”
„Wat drommel!” riep Hector, die gevolgd was om Ochiltree nader te ondervragen over den aard van zijne hoop en verwachtingen, en reeds driftig begon te worden, even als de dashond van zijne vaderlandsche bergen de haren opsteekt en een voegelijk voorwendsel zoekt, om zijn ongenoegen lucht te geven, „hebt gij de onbeschaamdheid, om den knecht van eene jongedame te beletten aan hare bevelen te gehoorzamen?”
Er was iets in de houding en stem van den jongen krijgsman, dat scheen aan te duiden dat zijne tusschenkomst zich niet tot bloote woorden bepalen zou; en dat, indien het al bij den uitslag de voordeelen eener schadevergoeding voor gewelddadigen aanval en weêrstand opleverde, zeker beginnen zou met de onaangename omstandigheden, die noodig waren om zulk eene klacht gegrond te maken. De dienaar der wet, die zich dus tegenover den krijgsknecht gesteld zag, greep met eene onzekere hand zijn smerigen stok, die strekte om zijn gezag kracht bij te zetten, en toonde met de andere het kleine stafje, dat hij als gerechtsbode droeg, met zilver beslagen, en boven van een lossen ring voorzien. – „Kapitein M’Intyre, – mijnheer! – ik wil geen twist met u; – maar als gij mij in het uitvoeren van mijn dienst verhindert, zal ik den staf breken, en mij gewelddadig aangerand verklaren.”
„En wie drommel geeft er wat om,” riep Hector, „of gij u gewelddadig of weldadig verklaart? – En wat het breken van uw staf, of van den vrede, of hoe gij het noemt, betreft, alles wat ik er van weet is, dat ik u de ribben zal breken, als gij den knecht belet de kar in te spannen, om aan de bevelen van zijne meesteres te gehoorzamen.” [285]
„Ik neem allen, die hier staan, tot getuigen,” zei de gerechtsbode, „dat ik hem mijn staf toonde en mijn ambt openbaarde; – des menschen zin is des menschen leven.” – En hij liet zijn raadselachtigen ring van het eene einde van den staf naar het andere glijden, tot teeken dat hij gewelddadig belet was in het volvoeren van zijn plicht.
De eerlijke Hector, eerder gewoon aan het slagveld dan aan de vormen der wet, zag deze geheimzinnige plechtigheid zeer onverschillig aan, en hij verontrustte zich evenmin, toen de bode ging zitten, om het procesverbaal van zijne gewelddadige aanranding op te maken. Maar op dit oogenblik kwam, om den welmeenenden, heethoofdigen Hooglander aan het gevaar eener zware geldboete te onttrekken, de oudheidkenner hijgend aanblazen, met zijn zakdoek in zijn hoed en zijne pruik op de punt van zijn stok.
„Wat drommel is hier te doen?” riep hij uit, haastig zijn hoofdtooi in orde brengende. „Ik ben u gevolgd, in de vrees van uw leêg, dol hoofd tegen de eene of andere rots verbrijzeld te vinden, en nu vind ik u hier, gescheiden van uw Bucephaal, en twistende met Sweepclean! Een gerechtsbode, Hector, is een erger vijand dan eene Phoca, hetzij het eene Phoca barbata, of de Phoca vitulina is van uw laatsten tweestrijd.”
„De drommel hale de Phoca, oom!” antwoordde Hector, „van welk ras ook! – Ik zeg, de drommel hale alle beide. – Gij zoudt, denk ik, niet willen hebben, dat ik hier rustig bleef staan en aanzag, hoe een schurk als deze, omdat hij zich ’s konings bode noemt (de koning heeft, hoop ik, er menigen beteren voor zijne geringste boodschappen), eene jonge dame van aanzien en stand, gelijk Freule Wardour, beleedigde?”
„Goed geredeneerd, Hector! maar de koning heeft, gelijk andere lieden, nu en dan gemeene boodschappen te doen, en (onder ons gezegd), moet hij ook gemeene kerels hebben om die te verrichten. Maar, verondersteld ook, dat gij onbekend zijt met de statuten van Koning Willem den Leeuw, waar capite quarto, versu quinto, deze misdaad van gewelddadigen weêrstand genoemd wordt despectus domini Regis, eene minachting, namelijk, van den koning, in wiens naam alle wettelijke vervolgingen geschieden, kondet gij dan niet uit hetgeen ik mij zooveel moeite gaf u vandaag in te prenten, begrijpen, dat diegenen, welke gerechtspersonen storen, die brieven van gevangenneming ten uitvoer brengen, tanquam participes criminis rebellionis zijn, daar hij, die den weêrspannige helpt, zelf quodammodo een medeweêrspannige is; – maar ik zal u uit de klem helpen.”
Hij sprak toen met den bode, die, bij zijne aankomst, alle gedachten op een buitenkansje wegens gewelddadige aanranding had laten varen, en zich tevreden stelde met de verzekering van den heer Oldbuck, dat de kar en het paard binnen den tijd van twee of drie uren behouden terug zouden zijn.
„Goed,” zei de oudheidkenner, „daar gij wel zoo beleefd wilt zijn, zult gij eene andere opdracht hebben, die u allerbest voegt, – eene kleine staatsaangelegenheid; – eene misdaad, strafbaar per legem Juliam, mijnheer Sweepclean, – hoor eens!”
Na ongeveer vijf minuten met hem afzonderlijk gesproken te hebben, gaf hij hem een stukje papier over, bij het aannemen waarvan de bode zijn paard besteeg, en, met een van zijne makkers, op snellen draf wegreed. De man, die achterbleef, scheen nu zijne werkzaamheden met opzet te vertragen, ging zeer langzaam met het verrichten van zijne ambtsbezigheden voort, en met de voorzichtigheid en nauwkeurigheid van iemand, die gevoelt dat hij nagegaan wordt door een kundigen en strengen opzichter. [286]
Terzelfder tijd bracht Oldbuck zijn neef, dien hij onder den arm nam, in huis bij Sir Arthur Wardour, die, wankelend tusschen gekwetsten trots, angst, en ijdele pogingen om beide onder eene vertooning van onverschilligheid te verbergen, een belangwekkend maar pijnlijk onderwerp voor den deelnemenden toeschouwer opleverde.
„Blijde u te zien, mijnheer Oldbuck! – altijd blijde om mijne vrienden te zien, bij goed of slecht weder,” zei de arme baronet, trachtende bedaard te schijnen, terwijl zijne gemaakte opgeruimdheid zeer streed met de zenuwachtige en driftige wijze, waarop hij zijne vrienden de hand drukte, en met de ontroering, zichtbaar in zijne geheele houding. – „Ik ben blijde u te zien. – Gij zijt komen rijden, zie ik; ik hoop dat men, in deze verwarring, goed voor uwe paarden zal gezorgd hebben: – ik ben er altijd op, gesteld, dat men de paarden van mijne vrienden goed oppast. – Maar zij zullen het nu wel gedaan hebben; want gij ziet dat zij mij waarschijnlijk geen van mijne eigene paarden zullen laten, – ha! ha! ha! mijnheer Oldbuck!”
Deze poging om te lachen ging vergezeld van een krampachtig gegrijns dat de arme Sir Arthur meende te doen doorgaan voor een onverschilligen glimlach.
„Gij weet, Sir Arthur, dat ik nooit te paard rijd,” antwoordde de oudheidkenner.
„Vergeef mij; maar ik ben zeker, dat ik uw neef te paard zag aankomen, – niet lang geleden. Voor officierspaarden moet men zorg dragen, en het zijne was zulk een fraaie schimmel, als ik er ooit een gezien heb.”
Sir Arthur ging aan de bel trekken, toen de heer Oldbuck zeide: „Mijn neef is op uw eigen schimmel gekomen, Sir Arthur!”
„De mijne!” antwoordde de baronet; „was ’t de mijne? dan moet mij de zon in de oogen geschenen hebben. – Wel, ik ben niet waard een paard te hebben, nu ik mijn eigen dier niet meer ken als ik het zie.”
„Goede Hemel!” dacht Oldbuck bij zich zelven, „hoe zeer is deze man veranderd wat de deftigheid van zijne gewone manieren betreft! – hij wordt dartel in den tegenspoed – sed pereunti mille figurae!” – Hij zeide daarop: „Sir Arthur, wij moeten noodwendig eens over zaken spreken.”
„Wel zeker,” zeide Sir Arthur; – „maar het was toch aardig, dat ik het paard niet herkende, dat ik vijf jaren lang gereden heb, – ha! ha! ha!”
„Sir Arthur,” hernam de oudheidkenner, „laat ons geen tijd verliezen die zoo kostbaar is; wij zullen, hoop ik, menige betere gelegenheid vinden om te lachen; – desipere in loco, is de regel van Horatius. – Ik vrees maar al te zeer, dat al het onheil hier door de schelmstreken van Dousterswivel bewerkt is.”
„Noem hem niet, mijnheer!” riep Sir Arthur, en zijne gemaakte vroolijkheid veranderde in razende woede; – zijne oogen vonkelden, zijn mond schuimde, zijne handen waren krampachtig gesloten; „noem zijn naam niet, mijnheer!” barstte hij hevig uit, „zoo gij mij niet wilt zien razen in uwe tegenwoordigheid! Dat ik zulk een ellendige dwaas was, – zulk een stijfhoofdige nar; – zulk een dier, ja, driemaal stommer dan een dier, om mij te laten leiden, en drijven, en aansporen door zulk een schurk, en onder zulke belachelijke voorwendsels – mijnheer Oldbuck! ik zou mij zelven kunnen verscheuren, als ik er aan denk.”
„Ik wilde slechts zeggen,” antwoordde Oldbuck, „dat deze kerel waarschijnlijk zijne belooning ontvangen zal; en ik geloof zeker, dat wij hem uit [287]vrees iets zullen doen bekennen, dat u van dienst kan zijn. – Hij heeft zeker eenige ongeoorloofde verstandhouding gehad aan den overkant van het Kanaal.”
„Heeft hij? – Heeft hij dat? – Heeft hij dat inderdaad gehad? – dan, weg met de meubels, paarden en den geheelen rommel! – Ik ga als een gelukkig man in de gevangenis, mijnheer Oldbuck! Ik hoop, bij den Hemel, dat er eenige kans is om hem te zien hangen!”
„Wel, kans genoeg,” antwoordde Oldbuck, die deze afleiding wilde te baat nemen, om, zoo mogelijk, de hevigheid der gewaarwordingen te temperen, welke den armen man van zijn verstand schenen te berooven; „er zijn eerlijker lieden dan hij aan de galg gekomen, of de gerechtigheid is deerlijk gefopt! – Maar deze uwe ongelukkige zaak – is er niets te doen? Laat mij de stukken zien!”
Hij nam de papieren, en, terwijl hij ze doorlas, betrok zijn gelaat hoe langer hoe meer. Isabella Wardour was op dat oogenblik de kamer binnen getreden, en hare oogen op den heer Oldbuck vestigende, als wilde zij haar noodlot op zijn gelaat lezen, merkte zij weldra aan de neêrslachtigheid zijner blikken en aan het zakken van zijne onderlip, hoe weinig hoop er nog was.
„Wij zijn dus onherstelbaar te grond gericht, mijnheer Oldbuck?”
„Onherstelbaar? – ik hoop van neen; – maar de tegenwoordige schuldvordering is zeer groot, en waarschijnlijk zullen er nog andere opdagen?”
„Ja, twijfel daar niet aan, Monkbarns!” zei Sir Arthur; „waar eene slachting is, daar verzamelen zich de roofvogels. – Ik ben gelijk aan een schaap, dat in een afgrond gestort, of ziek neêrgevallen is; al is er veertien dagen lang geen enkele raaf of kraai te zien geweest, zal het echter geene tien minuten op de heide gelegen hebben, of een half dozijn van die vogels zijn bezig met hem de oogen uit te pikken,” (en hij veegde met de hand over zijne eigene oogen), „en om hem het hart uit het lijf te scheuren, eer de arme drommel den tijd heeft gehad om te sterven. Maar die verwenschte gier, die zoo lang om mij heen gevlogen heeft; – gij hebt hem, hoop ik, vast?”
„Vast genoeg!” antwoordde de oudheidkenner. „Die heer wenschte zich van de vleugels van Aurora te bedienen en nam plaats in (hoe noemt gij de koets)? – met vier paarden; maar hij zou strikken gereed gevonden hebben te Edinburg. Hoe het zij, hij kwam zoo ver niet; want de koets sloeg om, – en hoe kon het goed gaan met zulk een Jonas er in? – Hij heeft een zwaren val gedaan, is in eene hut bij Kittlebrig gebracht, en, om alle mogelijkheid van te ontsnappen te voorkomen, heb ik uw vriend Sweepclean gezonden, om hem, in nomine regis, naar Fairport terug te brengen, of hem te Kittlebrig tot oppasser te dienen, naar het uitkomt. – En nu, Sir Arthur, vergun mij een paar woorden over den tegenwoordigen ongelukkigen toestand van uwe zaken, om te overwegen wat er gedaan kan worden om dien te verbeteren.” En de oudheidkenner ging vooruit naar de boekenkamer van den baronet, door den ongelukkigen edelman gevolgd.
Zij waren ongeveer twee uren te zamen gebleven, toen Isabella Wardour hen kwam storen, met haren mantel omgeslagen, als gereed om op reis te gaan. Haar gelaat was bleek, maar drukte nochtans die kalmte van ziel uit, welke haar eigen was.
„De bode is terug, mijnheer Oldbuck!”
„Wat drommel! hij heeft den kerel toch niet laten ontsnappen?” [288]
„Neen! – hij zegt dat hij hem in hechtenis genomen heeft; en nu is hij teruggekeerd, om mijn vader te vergezellen, en zegt, dat hij niet langer wachten kan.”
Op hetzelfde oogenblik werd er een luide woordentwist op de trap gehoord, waarbij de stem van Hector zich onderscheidde: „Gij, een gerechtsdienaar! en deze landloopers uw volk! op zijn best een hoop kleêrmakersknechts! – Dringt niet zoo op elkander, en wij zullen uwe wezenlijke sterkte kunnen zien!”
De knorrige stem van den gerechtsdienaar hoorde men nu een onduidelijk antwoord mompelen, waarop Hector hernam: „Kom, kom, dat gaat niet; pak u weg met uw volk, zoo als gij hen noemt, dadelijk de deur uit, of ik zal u en hen, staande voets, daarheen zenden, waar gij te huis behoort!”
„De drommel hale Hector!” riep de oudheidkenner, zich naar de plaats van den strijd spoedende: „zijn Hooglandsch bloed is weêr aan het koken, en wij zullen hem nog in een tweegevecht gewikkeld zien met den deurwaarder. – Kom, mijnheer Sweepclean, gij moet ons een oogenblikje vergunnen; – ik weet, dat gij Sir Arthur niet zoudt willen overhaasten.”
„Geenszins, mijnheer!” hernam de deurwaarder, den hoed afnemende, welken hij opgezet had, om te toonen dat hij de bedreigingen van kapitein M’Intyre trotseerde; „maar uw neef, mijnheer, voert eene zeer onbeleefde taal; ik heb het reeds lang genoeg verduurd, en ik ben niet bevoegd, om mijn gevangene langer hier te laten, volgens de instructiën, die ik ontvangen heb, tenzij ik betaling ontvang van de sommen, die hier vermeld staan.” – En hij haalde het bevel ter inhechtenisneming te voorschijn, met den ontzagwekkenden staf, dien hij in de rechterhand hield, de verschrikkelijke reeks van cijfers aanwijzende, die achter op het stuk geschreven stonden.
Hector, van zijn kant, zweeg uit eerbied voor zijn oom, maar beantwoordde die aanwijzing door zijne vuist tegen den deurwaarder te schudden met een blik, die zijne echt Hooglandsche woede uitdrukte.
„Dwaze jongen! houd u stil!” zeide Oldbuck, „en kom met mij in de kamer; – de man doet zijn ellendigen plicht, en gij zult de zaak slechts erger maken door u te verzetten. – Ik vrees, Sir Arthur, dat gij dezen man tot Fairport zult moeten vergezellen; dit is vooreerst niet te verhinderen. Ik zal met u gaan, om te overleggen, wat er verder kan gedaan worden. Mijn neef zal uwe dochter naar Monkbarns geleiden, waar ik hoop, dat zij haar verblijf zal willen nemen, tot deze onaangename zaken geregeld zijn.”
„Ik ga met mijn vader mede, mijnheer Oldbuck! Ik heb zijne kleederen en de mijne gereed gelegd. – Ik veronderstel, dat wij gebruik van het rijtuig kunnen maken?”
„Alles wat redelijk is, Freule!” zei de deurwaarder; „ik heb het besteld, en het staat voor de deur; – ik zal bij den koetsier op den bok gaan zitten, – ik verlang geenszins om mij op te dringen; maar twee van het volk moeten ons te paard vergezellen.”
„En ik zal u ook vergezellen,” zeide Hector, en hij snelde naar beneden om zich een paard te verschaffen.
„Dan moeten wij maar gaan,” zei de oudheidkenner.
„Naar de gevangenis!” zei de baronet, onwillekeurig zuchtende; „en wat beteekent dat?” hernam hij met gemaakte vroolijkheid; – „het is, in elk geval, niets meer dan een huis, waaruit men niet komen kan; – verondersteld dat ik een aanval van jicht had, dan zou Knockwinnock niets anders [289]zijn. – Wel ja, Monkbarns, wij zullen het een aanval van jicht noemen, zonder de verwenschte pijnen!”
Maar de tranen kwamen hem in de oogen, terwijl hij sprak, en zijne stamelende stem toonde genoeg, hoe veel hem deze inspanning kostte. De oudheidkenner drukte hem de hand, en gelijk de Oost-Indische Banianen, die door teekens eene gewichtige overeenkomst sluiten, terwijl zij over onverschillige zaken schijnen te spreken, gaf Sir Arthur zijn vriend, door het krampachtig beantwoorden van zijn handdruk, zijne dankbaarheid en zijn wezenlijk zielelijden te kennen. Zij gingen langzaam de prachtige trap af; – elk overbekend voorwerp deed zich aan den ongelukkigen vader en zijne dochter nu levendiger en duidelijker voor dan naar gewoonte, als om zich voor de laatste maal te dieper in hun geheugen te prenten.
Op het eerste bordes bleef Sir Arthur diep ontroerd staan, en toen hij opmerkte dat de oudheidkenner hem angstig aanzag, zeide hij met eene zekere waardigheid: „Ja, mijnheer Oldbuck, men mag het den afstammeling van een oud geslacht, – den vertegenwoordiger van Richard Roodhand en van Gamelyn de Guardover, vergeven, dat hij een zucht loost, als hij het kasteel zijner voorvaderen onder zulk geleide verlaat! Toen ik, in het jaar 1745, met mijn vader naar den Tower gezonden werd, geschiedde het ten gevolge van eene beschuldiging, die aan onze geboorte geene schande aandeed: – het was wegens hoogverraad, mijnheer Oldbuck! – Wij werden van Highgate af door een detachement van de garde begeleid, en op bevel van den minister zelven naar de gevangenis gevoerd; en zie mij nu hier, op mijn ouden dag uit mijne woning gesleept door een ellendig schepsel als dat!” (wijzende op den bode), „en voor eenige armzalige ponden, schellingen en stuivers!”
„Ten minste,” zeide Oldbuck, „hebt gij nu het gezelschap van eene geliefde en minnende dochter, en van een oprechten vriend, als ik mij zoo noemen mag; en dit mag u tot eenigen troost strekken, behalve de zekerheid dat er, in dit geval, geen hangen, doodschieten of vierendeelen te pas kan komen. – Maar ik hoor dien driftigen jongen weêr zoo luidruchtig aan den gang! Ik hoop, om God’s wil, dat hij zich niet op nieuw in moeielijkheden zal gewikkeld hebben! – Het was een verwenscht toeval, dat hem hier bracht!”
Inderdaad, een plotseling geschreeuw, waarbij de harde stem met den eenigszins Noordschen tongval van Hector zich weêr boven alles verhief, brak dit gesprek af. De oorzaak er van zullen wij in het volgende hoofdstuk mededeelen. [290]