WeRead Powered by ReaderPub
De oudheidkenner cover

De oudheidkenner

Chapter 44: Drieënveertigste Hoofdstuk
Open in WeRead

About This Book

The narrative follows a young traveller who, while preparing for a short journey, becomes involved with an elderly, eccentric collector of historical curiosities and the colourful local people around him. Episodes combine gentle comedy of manners, vivid local portraiture, and a developing mystery about old papers and contested property that spurs inquiries, disputes, and probes into ruins and records. A romantic strand and several reconciliations are woven through debates over authenticity, heritage, and changing tastes, and the work shifts between satirical sketches and more sincere reflections on memory, learning, and community.

[Inhoud]

Drieënveertigste Hoofdstuk

De fortuin, zegt ge, ontvliedt ons. – Zij draait slechts,

Gelijk de zeevogel om ’s vogelaars boot, –

Straks verloren in den mist, straks daarop

Rakende ’t witte zeil met lichte vleugels,

Trotseerende het schot. – De ondervinding waakt,

En houdt haar op het draaiend rad. –

Oud tooneelstuk.

De triomfkreet was in Hector’s oorlogzuchtigen toon niet licht te onderscheiden van dien van den aanval. Maar toen hij de trap op kwam stuiven met een pak in de hand, uitroepende: „Leve een oud soldaat! hier komt Adam met een heelen zak vol goed nieuws!” werd het duidelijk, dat de tegenwoordige oorzaak van het rumoer van aangenamen aard was. Hij gaf den brief over aan Oldbuck, schudde Sir Arthur hartelijk de hand, en wenschte Isabella Wardour geluk met al de hartelijkheid van een Hooglander. De deurwaarder, die eene soort van natuurlijken schrik voor kapitein M’Intyre had, voegde zich bij zijn gevangene, en sloeg met bezorgdheid al de bewegingen van den krijgsman gade.

„Verbeeld u niet, ellendeling, dat ik mij met u bemoeien zal!” riep deze „daar is eene guinje voor den schrik, dien ik u aangejaagd heb; en hier komt een oud soldaat van het 42ste regiment aan, die eene geschikter partij voor u is, dan ik.”

De gerechtsbode (een van die honden, welke ook den vuilsten brok gretig inslokken) ving de guinje op, die Hector hem toewierp, en wachtte voorzichtig en bezorgd den keer af, welken de zaken nu namen. Alle stemmen waren intusschen luide in vragen, waarop niemand zich haastte te antwoorden.

„Wat is er te doen, kapitein M’Intyre?” vroeg Sir Arthur.

„Vraag het den ouden Adam,” antwoordde Hector; „ik weet alleen, dat alles weder in orde is.”

„Wat beteekent dit, Adam?” vroeg Isabella Wardour aan den bedelaar.

„Gij moet het Monkbarns vragen, Freule; want hij heeft de brieven.

„Leve de Koning!” riep de oudheidkenner uit, na den inhoud van het pakje eventjes ingezien te hebben, en hij smeet, in zijne opgewondenheid zijn gevoel van betamelijkheid, zijne wijsbegeerte en zijn phlegma vergetende, zijn opgetoomden hoed in de lucht, waaruit hij niet terugkeerde, daar hij in den val aan een arm van een kandelaar bleef hangen. Daarna, vroolijk rondziende, greep hij zijne pruik, die waarschijnlijk den hoed zou zijn nagezonden, als Adam zijne hand niet tegengehouden had, uitroepende: „Om ’s hemels wil! hij is gek geworden! – Bedenk dat Caxon niet hier is, om de schade te herstellen!”

Iedereen drong er nu bij den oudheidkenner op aan, om de oorzaak te weten van zulk een schielijken overgang, toen hij, eenigszins beschaamd over zijne verrukking, kortaf, gelijk een vos op het geblaf der jachthonden, rechtsomkeert maakte en de trap, twee treden tegelijk opklimmende, naar het [291]bovenste bordes week, waar hij zich omkeerde, en de verwonderde toehoorders aldus aansprak:

„Mijne vrienden! favete linguis! – Om u bericht te geven, moet ik volgens de regels der logica, het eerst zelf gekregen hebben en dus zal ik mij, met uw verlof, in de boekenkamer begeven, om deze papieren te onderzoeken. – Sir Arthur en Freule Wardour zullen de goedheid hebben van in de zaal te gaan. – Mijnheer Sweepclean, secede paulisper! of, in uwe eigene taal: vergun ons een uitstel van vijf minuten. – Hector, trek af met uwe macht, en laat uwe krijgstrompet elders weêrgalmen. – En, eindelijk, zijt allen goedsmoeds tot ik terugkom, wat instanter zal zijn.”

De inhoud van het pakje was inderdaad zoo verrassend, dat men den oudheidkenner zoowel zijne verrukking als zijne begeerte vergeven mag, om de mededeeling van alles uit te stellen tot hij het zelf behoorlijk nagegaan en begrepen had.

In het couvert was een brief, gericht aan den Heer Jonathan Oldbuck, van Monkbarns, luidende als volgt:

„Waarde Heer! – Aan u, als aan een beproefden en waardigen vriend van mijn vader, waag ik het mij te wenden, daar ik door dienstzaken, welke geen uitstel lijden, niet van hier kan. Gij moet thans bekend zijn met den ongelukkigen toestand van onze zaken; en gij zult, dat weet ik zeker, met genoegen vernemen, dat ik mij gelukkig en zeer onverwacht in de gelegenheid gesteld zie, om alles te verhelpen. Ik verneem dat Sir Arthur strenge maatregelen te duchten heeft, welke lieden, die vroeger zijne zaakgelastigden geweest zijn, tegen hem genomen hebben; en, op den raad van een zeer geachten zaakwaarnemer hier, heb ik mij voorzien van inliggend schrijven, hetwelk ik vertrouw, de procedures staken zal, tot alle schuldvorderingen wettelijk zullen onderzocht en tot de wezenlijke waarde teruggebracht zijn. Ik sluit hierbij tevens eenige banknoten in, te zamen ter waarde van duizend pond sterling, om in de dringendste vorderingen te voorzien, en verzoek u, als vriend, om ze daartoe, naar uw oordeel, aan te wenden. Gij zult verwonderd zijn, dat ik deze moeite van u verg, en het zou u natuurlijker schijnen, dat ik aan mijn vader over zijne eigene zaken schreef. Maar ik heb tot nog toe de zekerheid niet verkregen, dat zijne oogen geopend zijn omtrent het karakter van zekeren persoon, voor wien ik weet, dat gij hem dikwijls gewaarschuwd hebt, en wiens noodlottige invloed de oorzaak is van de tegenwoordige rampen. En, daar ik de middelen om Sir Arthur te redden verschuldigd ben aan de edelmoedigheid van een onvergelijkelijken vriend, is het mijn plicht, om de zekerste maatregelen te nemen tot bereiking van het oogmerk, waartoe ze bestemd zijn, en ik ben overtuigd, dat uw doorzicht en uwe vriendschap daarvoor zorgen zullen. Mijn vriend, die u hoog schat, wenscht u zijne eigene gevoelens in den ingesloten brief te ontvouwen. Daar de staat van het postwezen te Fairport algemeen bekend is, moet ik dezen op Tannonburgh richten; maar de oude Ochiltree, dien bijzondere omstandigheden als vertrouwenswaardig aanbevelen, heeft tijding ontvangen, wanneer dit pakje op laatstgenoemde plaats zal aankomen, en zal voor de verdere, spoedige terhandstelling zorgen. Ik verwacht weldra in de gelegenheid te zijn, om mij in persoon te verontschuldigen wegens de moeite, die ik u veroorzaak, en heb de eer te zijn uw zeer toegenegen dienaar en vriend, – Reginald Gamelyn Wardour. Edinburg den 6den Augustus 179–.”

[292]

De oudheidkenner verbrak haastig het lak van het ingeslotene, welks inhoud hem evenzeer verraste en verheugde. Zoodra hij zich eenigermate hersteld had na het lezen van de onverwachte tijdingen, onderzocht hij zorgvuldig de overige papieren, welke alle betrekking hadden op zaken; – hij stak de banknoten en brieven in zijn zakboek, en schreef eene korte kwitantie, om met omgaande post verzonden te worden, – want hij was buitengemeen ordelijk in geldzaken, – en eindelijk, uitgerust met al het gewicht zijner tijdingen, ging hij de trap af naar de zaal.

„Sweepclean!” zeide hij, toen hij in de kamer trad, tot dien ambtenaar, die eerbiedig aan de deur stond, „Sweepclean! gij moet u uit het kasteel Knockwinnock wegpakken met al uw gevolg, zak en pak! Ziet gij dit papier, man?”

„Een bevel ter opschorting van verdere proceduren,” zei de deurwaarder met een teleurgesteld gelaat; „ik dacht wel dat het moeielijk zou gaan, het tot het uiterste te drijven met zulk een heer als Sir Arthur. Wel, mijnheer, ik zal met mijn volk optrekken. – En wie zal mij betalen?”

„Zij, die u hierheen zonden,” antwoordde Oldbuck, „zoo als gij zeer wel weet. – Maar zie hier eene andere expresse; dit is, dunkt mij, een dag van verrassingen!”

Het was de heer Mailsetter op zijne merrie, van Fairport komende met een brief voor Sir Arthur, en een anderen voor den deurwaarder, welke beide brieven, zoo als hij zeide, dadelijk besteld moesten worden. De deurwaarder opende den zijnen, met de aanmerking dat Greenhorn en Grinderson goed waren voor zijne onkosten, en dat het een brief van hen was, waarbij hij verzocht werd, om alle vervolgingen te staken. Dienovereenkomstig verliet hij dadelijk het vertrek, en vertoefde niet langer dan noodig was om zijn volk bijeen te brengen, waarna hij, volgens de uitdrukking van Hector, die zijn vertrek gadesloeg, even als een knorrende bulhond den aftocht van een afgewezen bedelaar waarneemt, het bezette land ontruimde.

De brief aan Sir Arthur was van den heer Greenhorn, en eene zeldzaamheid in zijne soort. Wij deelen dien mede, met de aanmerkingen van den waardigen baronet.

„Mijnheer! – (o! ik heet niet meer waarde heer; men is de heeren Greenhorn en Grinderson alleen waard, als men in tegenspoed is), – Mijnheer, het spijt mij zeer te vernemen bij mijne terugkomst van buiten, waarheen mij zaken van belang geroepen hadden,” (waarschijnlijk de wedrennen) „dat mijn compagnon de lompheid heeft gehad, om, in mijne afwezigheid, de belangen van de heeren Goldiebird te behartigen bij voorkeur boven de uwe, en u op eene onbetamelijke wijze daarover te schrijven. Ik verzoek u mijne nederigste verontschuldigingen aan te nemen, zoo wel als die van den heer Grinderson” – (kom, ik zie dat hij ook schrijven kan voor zich zelven en voor zijn compagnon), – „en ik vertrouw, dat gij mij niet zult kunnen in staat achten te vergeten, of met ondankbaarheid te vergelden de bescherming, welke mijne familie” (zijne familie! die vervloekte kwast!) „altijd genoten heeft van die van Knockwinnock. Het doet mij leed, uit een gesprek, hetwelk ik dezer dagen met den heer Wardour had, te vernemen, dat hij zeer gebelgd is, en ik moet bekennen, met eenigen schijn van recht. Maar ten einde, zoo veel als in mijne macht is, het misverstand te herstellen, waarover hij klaagt,” (een fraai misverstand, om zijn beschermer in de gevangenis te stoppen!) „heb ik deze expresse afgezonden om alle procedures te staken, en tegelijk mijne meest eerbiedige verontschuldigingen [293]over te brengen. Ik heb er alleen nog bij te voegen, dat de heer Grinderson van gevoelen is, dat, als hij in uw vertrouwen hersteld is, hij omstandigheden zou kunnen opgeven, die betrekking hebben op de tegenwoordige schuldvordering van de heeren Goldiebird, en welke het bedrag daarvan zeer verminderen zouden,” (zoo! zoo! bereid, om den schurk van weerskanten te spelen!) „en dat er volstrekt geene haast bij is, om het saldo der rekening met ons te sluiten; terwijl ik ben, zoo wel voor den heer G. als voor mij zelven, Waarde Heer! (o ja, al schrijvende is hij gemeenzaam geworden!), „uw zeer verplichte en zeer nederige dienaar, Gilbert Greenhorn.

„Goed geschreven, mijnheer Gilbert Greenhorn!” zei Monkbarns. „Ik zie nu dat het zijn nut heeft, twee zaakwaarnemers in ééne firma te hebben. Hunne bewegingen gelijken op die van het mannetje en het vrouwtje in een poppenhuisje. Als het fraai weêr is bij degenen, welke zij bedienen, draait de heer compagnon vooruit om te kwispelstaarten als een schoothondje; is het weêr slecht, fluks verschijnt de kwaadaardige broeder, om aan te vallen als een bulhond. – Wel, ik dank den hemel, dat mijn zaakwaarnemer steeds een opgetoomden hoed draagt, een huis in de oude stad heeft, zoo bang voor een paard is als ik zelf ben, Zaterdags in de kolfbaan gaat, Zondags naar de kerk, en, geen compagnon hebbende, slechts zijne eigene dwaasheden behoeft goed te maken.”

„Men vindt toch eenige pennelikkers, die zeer brave kerels zijn,” zeide Hector; „ik zou wel eens iemand willen hooren zeggen dat mijn neef, Donald M’Intyre, de zevende zoon van Strathtudlem, (de andere zes zijn in dienst), geen eerlijke kerel was!”

„Zonder twijfel, zonder twijfel, Hector! dat zijn al de M’Intyres; – zij hebben dat bij ingeving, man! Maar, ik wilde zeggen dat in een beroep, waarmede noodwendig een onbegrensd vertrouwen gepaard gaat, het niet te verwonderen is, dat er dwazen zijn, die het in hunne lichtzinnigheid verwaarloozen, en bedriegers, die het in hunne slechtheid misbruiken. – Maar des te grooter eer is het voor degenen, en ik wil er voor menigeen instaan, die rechtschapen eerlijkheid met kunde vereenigen, en eerlijk en kordaat hunne zaken verrichten, terwijl er zoo vele strikken en struikelbokken zijn voor mannen van een minder vast karakter. Aan de eerstgemelden mogen hunne medeburgers veilig de zorg en bescherming van hunne rechten toevertrouwen, en hun vaderland de meer heilige bewaking van zijne wetten en voorrechten.”

„Zij zijn er nochtans het beste aan toe, die er het minste meê te doen hebben,” zeide Ochiltree, die het hoofd om de deur gestoken had; want, in de algemeene verwarring van het huisgezin waren de dienstboden, gelijk de golven als de orkaan voorbij is, nog niet binnen de juiste palen teruggekeerd, maar doorkruisten het huis in alle richtingen.

„Aha, getrouwe! zijt gij daar?” zei de oudheidkenner. „Sir Arthur! vergun mij dat ik den geluksbode binnen brenge, ofschoon hij slechts een lamme bode is. Gij spraakt van de roofvogels, die den slag van verre ruiken; maar hier is eene blauwe duif, (wel van de oudste en taaiste, dat beken ik), die het goede nieuws zes of zeven mijlen ver bespeurde, in de kar daarheen vloog, en met den olijftak terugkeerde.”

„Gij hebt dat den armen Robert te danken, die mij reed, – de arme schelm!” zei de bedelaar; „hij vreest, dat hij in ongenade bij de Freule en Sir Arthur is.” [294]

Men zag het berouwvol en verlegen gelaat van Robert over den schouder van den bedelaar.

„In ongenade bij mij?” vroeg Sir Arthur; – „hoe zoo?” – want hij was reeds lang vergeten, hoe hij zich over het geroosterd brood driftig gemaakt had. – „O, nu herinner ik mij – Robert! ik had mij boos gemaakt, en gij hadt ongelijk; – ga naar uw werk, en antwoord nooit een meester, die in drift tot u spreekt.”

„En evenmin iemand anders,” zei de oudheidkenner; „want een zacht antwoord verdrijft de gramschap.”

„En zeg uwe moeder, die zoo met de jicht geplaagd is, dat zij morgen bij de huishoudster moet komen,” zeide Isabella Wardour, „en wij zullen zien, wat er voor haar gedaan kan worden.”

„God zegene u,” zei de arme Robert, „en Sir Arthur, en den jongen heer, en het huis van Knockwinnock in al zijne vertakkingen; – het is altijd een goed huis voor de armen geweest, – al vele honderd jaren lang.”

„Daar!” zei de oudheidkenner tegen Sir Arthur, – „wij willen geen twist maken; – maar daar ziet gij, hoe de dankbaarheid van de arme lieden zich natuurlijk wendt tot de burgerlijke deugden van uw geslacht. Gij hoort hen niet spreken van Roodhand of van Hel in het Harnas. Ik voor mij, ik moet zeggen: Odi accipitrem qui semper vivit in armis, – laat ons dus in vrede eten en drinken en vroolijk zijn, heer ridder!”

Weldra was er eene tafel in de zaal gedekt, waaraan het opgeruimd gezelschap plaats nam, om eenige ververschingen te gebruiken. Op het verzoek van Oldbuck werd aan Ochiltree vergund, bij het buffet te zitten op een grooten, lederen stoel, gedeeltelijk achter een scherm verborgen.

„Ik sta dit te gereeder toe,” zeide Sir Arthur, „omdat ik mij herinner, dat in de dagen van mijn vader deze stoel toebehoorde aan Ailshie Courlay, die, voor zoo ver ik weet, de laatste nar was, die bij eenige aanzienlijke familie in Schotland gehouden werd.”

„Wel, Sir Arthur,” antwoordde de bedelaar, die nooit een oogenblik aarzelde tusschen zijn vriend en zijne scherts, „menig verstandig man zit nu op den stoel van een dwaas, en menige dwaas op dien van een verstandig man, vooral in familiën van aanzien.”

Isabella Wardour, vreezende voor de uitwerking, welke dit gezegde (hoezeer ook Ailshie Courlay of iederen anderen bevoorrechten nar waardig) zou kunnen hebben op het zenuwgestel van haren vader, haastte zich te vragen, of men geen bier en rundvleesch zou uitdeelen aan de dienstboden en aan het volk, dat het nieuws om het kasteel verzameld had.

„Zeker, mijn lieve!” zeide haar vader; „wanneer ging men ooit anders in ons geslacht te werk, na het opheffen van een beleg?”

„Ja, een beleg, ondernomen door Saunders Sweepclean den deurwaarder, en opgebroken door Adam Ochiltree den ouden bedelaar: – par nobile fratrum!” zeide Oldbuck, „en wel geschikt voor elkander ten aanzien van stand! Maar bekommer u daar niet om, Sir Arthur! – dat zijn van die belegeringen en ontzetten, welke onze tijden medebrengen; – en onze verlossing is daarom niet minder waard om gevierd te worden met een glas van dezen voortreffelijken wijn. Op mijn woord, het is Bourgonje, geloof ik.”

„Als er iets beters in den kelder ware,” zeide Isabella Wardour, „zou het toch te gering zijn om u te onthalen, na uwe vriendelijke bemoeiingen.”

„Zegt gij dat?” zei de oudheidkenner. – „Welaan dan, eene teug van dankzegging zij u toegebracht, mijne schoone vijandin! en dat gij weldra [295]moogt belegerd worden op de wijze, die de dames het liefst hebben, en dat gij de capitulatie moogt teekenen in de kapel van Sint-Winnox.”

Isabella Wardour bloosde, Hector ook, en werd daarop bleek.

Sir Arthur antwoordde: „Mijne dochter is u zeer verplicht, Monkbarns, maar, tenzij gij haar zelf wilt nemen, weet ik inderdaad niet, hoe de dochter van een armen baronet een man zou vinden in deze baatzuchtige tijden.”

„Ik, Sir Arthur? – Neen, ik niet; ik wil het voorrecht inroepen van het tweegevecht, en, als zelf onbekwaam zijnde om mijne schoone tegenpartij te ontmoeten, zal ik door een kampvechter verschijnen; – maar hierover een andermaal! – Wat vindt gij in die nieuwspapieren, Hector, dat gij er met uw hoofd op ligt, alsof uw neus bloedde?”

„Niets bijzonders, oom, dan dat ik, daar mijn arm nu bijna geheel hersteld is, u binnen een dag of twee van mijn gezelschap denk te verlossen en naar Edinburg te gaan. Ik zie, Majoor Neville is daar aangekomen; – ik wilde hem gaarne ontmoeten.”

„De majoor – wie?”

„De majoor Neville, oom!”

„En wie drommel is de majoor Neville?”

„O, mijnheer Oldbuck,” zeide Sir Arthur, „gij moet u herinneren zijn naam dikwijls in de dagbladen gelezen te hebben; – een zeer uitmuntend jong officier. Maar het is mij een genoegen te kunnen zeggen, dat de heer M’Intyre Monkbarns niet behoeft te verlaten om hem te zien; want mijn zoon schrijft mij dat de majoor met hem op Knockwinnock zal komen, en ik behoef er niet bij te voegen, hoe gelukkig ik mij achten zal, de heeren met elkander bekend te maken, bijaldien zij elkander niet reeds kennen.”

„Neen, persoonlijk niet,” antwoordde Hector; „maar ik ben in de gelegenheid geweest zeer veel van hem te hooren, en wij hebben vele gemeenschappelijke vrienden, van wie uw zoon er één is. – Maar ik moet gaan, want ik zie dat mijn oom mij begint moede te worden, en ik ben bang, –”

„Dat gij zelf hem moede zult worden?” viel Oldbuck in. – „Ik vrees, dat er geen bidden meer helpen zal. Maar gij hebt vergeten dat de heerlijke twaalfde Augustus nadert, en dat gij afgesproken hebt, om één van Lord Glenallans jachtopzieners, de hemel weet waar, te ontmoeten, ten einde de vreedzame vogels te vervolgen.”

„Dat is zoo, dat is zoo, oom! – ik dacht er niet om,” riep de lichtzinnige Hector. – „Maar gij zeidet daar juist iets, dat mij alles deed vergeten.”

„En, met verlof van de heeren,” zei de oude Adam, zijn grijs hoofd van achter het scherm uitstekende, waar hij zich volop met bier en koud vleesch te goed gedaan had, – „en, met verlof van de heeren, ik kan u iets vertellen, wat den kapitein bij ons zal houden, evenzeer als de jacht. – Hebt gij niet gehoord dat de Franschen komen?”

„De Franschen, domkop?” antwoordde Oldbuck, „bah!”

„Ik heb den tijd niet gehad,” zeide Sir Arthur Wardour, „om mijne officiëele briefwisseling deze week in te zien. – Inderdaad, over het algemeen heb ik mij tot regel gemaakt, om die alleen ’s Woensdags te lezen, uitgezonderd in dringende gevallen, want ik doe alles stelselmatig; – maar met een enkelen blik dien ik in mijne brieven sloeg, merkte ik, dat er eenige ongerustheid daaromtrent gekoesterd werd.”

„Ongerustheid?” zeide Adam, – „zeker is er ongerustheid; want de provoost heeft bevolen, dat de brandstoffen tot het alarmvuur op het Halket-head, (die reeds voor een halfjaar hadden moeten gereed zijn,) in aller ijl [296]zouden worden klaar gemaakt, en de Raad heeft niemand anders dan den ouden Caxon zelven benoemd om er het opzicht over te hebben. Sommigen zeggen dat deze benoeming geschied is uit beleefdheid jegens den Luitenant Taffril; want het is zeker, dat hij met Jenny Caxon trouwen zal; – sommigen zeggen dat het is, om u en Monkbarns te behagen, die zijne pruiken dragen, – en sommigen zeggen dat er een oud historietje bij is van eene pruik, welke een van de raadsleden heeft laten maken, en die nooit betaald is geworden. – Hoe het zij, daar zit hij nu als een vogel op den top van de klip, om te krassen als er slecht weêr opkomt.”

„Op mijn woord, een fraaie wachter!” zeide Monkbarns; „en wat zal er in al dien tusschentijd van mijne pruik worden?”

„Ik heb Caxon dezelfde vraag gedaan,” antwoordde Ochiltree, „en hij zeide mij, dat hij er elken morgen naar kon komen zien en ze eventjes opmaken, vóórdat hij naar bed ging, want er is iemand anders, om over dag de wacht te houden; en Caxon zegt, dat hij de pruik van mijnheer even goed slapende als wakende opmaken kan.”

Dit nieuws gaf eene andere wending aan het gesprek, dat nu liep over de nationale verdediging en den plicht om voor het land te strijden, waarin men woont; dit duurde tot het tijd werd om te scheiden. De oudheidkenner en zijn neef begonnen hunne wandeling huiswaarts, nadat zij afscheid genomen hadden van de bewoners van Knockwinnock met de hartelijkste uitdrukkingen van wederkeerige achting, en met de afspraak om elkander zoodra mogelijk weêr te zien.