WeRead Powered by ReaderPub
De oudheidkenner cover

De oudheidkenner

Chapter 45: Vierenveertigste Hoofdstuk
Open in WeRead

About This Book

The narrative follows a young traveller who, while preparing for a short journey, becomes involved with an elderly, eccentric collector of historical curiosities and the colourful local people around him. Episodes combine gentle comedy of manners, vivid local portraiture, and a developing mystery about old papers and contested property that spurs inquiries, disputes, and probes into ruins and records. A romantic strand and several reconciliations are woven through debates over authenticity, heritage, and changing tastes, and the work shifts between satirical sketches and more sincere reflections on memory, learning, and community.

[Inhoud]

Vierenveertigste Hoofdstuk

Neen, zoo zij mij niet bemint, verlang ik haar niet;

Zal ik wegkwijnen, omdat zij weelderig bloeit?

Zuchten omdat zij lacht, – glimlacht tegen anderen?

Ik niet, bij den Hemel! Mijn rust is mij te waard,

Om die, gelijk de pluimen op haar hoofd,

Te laten verstoren door hare grillen.

Oud tooneelspel.

„Hector!” zeide zijn oom tegen kapitein M’Intyre op hunne wandeling, huiswaarts, „ik betrap me somtijds op het vermoeden, dat gij, in één opzicht, een dwaas zijt.”

„Als gij dit slechts in één opzicht gelooft, oom, ben ik zeker dat gij mij genadiger behandelt, dan ik verwachtte of verdiende.”

„Ik meen in ééne bijzonderheid, par excellence,” hernam de oudheidkenner; „ik verbeeld me soms, dat gij een oog hebt laten vallen op Isabella Wardour.” [297]

„Wel, oom!”

„Wel, nu! De drommel hale hem, de knaap antwoordt mij, alsof het de verstandigste zaak ter wereld was, dat hij, een kapitein bij het leger en anders niets, de dochter van een baronet zou willen trouwen!”

„Ik heb de verwaandheid te gelooven, oom, dat het freule Wardour niet vernederen zou, wat de familie betreft.”

„De Hemel beware ons van op dit stuk te komen! – neen, neen, beiden gelijk; beiden op den top van den berg van Heidenschen adeldom, en gerechtigd om uit de hoogte neder te zien op elken roturier in Schotland!”

„En in vermogen zijn wij ook tamelijk gelijk, daar wij geen van beiden iets hebben,” vervolgde Hector. „Het is mogelijk dat ik dwaal; maar van verwaandheid mag ik niet beschuldigd worden.”

„Daarin dan bestaat uwe dwaling, dewijl gij het zoo noemt,” antwoordde zijn oom, „dat zij u niet hebben wil, Hector!”

„Inderdaad niet, oom?”

„Zeer zeker, Hector! en om het dubbel zeker te maken, moet ik u zeggen dat zij iemand anders bemint. Zij begreep eens eenige woorden, die ik haar zeide, verkeerd, en sedert heb ik den zin kunnen gissen, dien zij er aan gaf. Op het oogenblik zelf kon ik mij geene reden geven van hare ontroering en haar blozen; maar nu, mijn arme Hector, duidt het mij den dood aan van uw wenschen en hopen. – Ik raad u dus, om den aftocht te blazen en met al uwe strijdkrachten af te trekken; want de sterkte is te goed bemand, dan dat gij die zoudt kunnen bestormen.”

„Ik ben niet in de noodzakelijkheid, oom, van een aftocht te blazen,” zeide Hector, zich zeer recht houdende, en met eene soort van misnoegde en beleedigde deftigheid voortstappende; „de man, die nooit voorwaarts rukte, behoeft zich ook niet terug te trekken. Er zijn vrouwen genoeg in Schotland van goede familie, behalve freule Wardour –”

„En van beteren smaak ook,” zeide zijn oom; „zonder twijfel zijn er die, Hector; en, ofschoon ik niet anders zeggen kan dan dat zij eene van de liefste en verstandigste meisjes is, die ik ooit gezien heb, geloof ik echter, dat vele van hare verdiensten aan u zouden verspild zijn. Eene in het oog vallende figuur, met twee bonte pluimen op het hoofd, – de eene groen de andere blauw; die een rijkleed zou willen dragen van de kleuren van het regiment, den éénen dag een rijtuig mennen en den volgenden dag het regiment in oogenschouw nemen op den grijzen, dampigen hit, welke de wagen trok, hoc erat in votis. – Dit zijn de hoedanigheden, die u treffen zouden voornamelijk als zij eenigen smaak in de natuurlijke historie had, en van eene phoca hield!”

„Het is wel hard, oom, dat ik bij elke gelegenheid dien verwenschten zeehond naar mijne ooren moet krijgen; – maar ik geef er niet om, – en ik zal niet treuren om Freule Wardour. Zij kan kiezen, wien zij wil, en ik wensch haar alle mogelijk geluk!”

„Grootmoedig besloten, gij steun van Troje! Wel Hector! ik zag een tooneel te gemoet; – uwe zuster zeide mij, dat gij op Isabella Wardour wanhopig verliefd waart!”

„Oom! gij zoudt mij niet wanhopig verliefd willen zien op een meisje, dat mij niet hebben wil?”

„Wel, neef!” zei de oudheidkenner ernstiger; „er is zeer veel gezond verstand in hetgeen gij zegt; en ik zou voor twintig of vijf-en-twintig jaren, heel wat gegeven hebben, om zoo te kunnen denken als gij nu doet.” [298]

„Een ieder, veronderstel ik, kan over dergelijke onderwerpen denken zoo als hem goeddunkt,” antwoordde Hector.

„Niet volgens de leer der oude school,” zeide Oldbuck; „maar, zoo als ik u te voren zeide, de hedendaagsche handelwijze schijnt in dit geval de voorzichtigste, ofschoon, dunkt mij, niet juist de meest belangwekkende. – Maar zeg mij nu uwe gedachten over het gerucht van een inval. – Men wil nog steeds, dat zij komen?”

Hector, den spijt verkroppende, dien hij, uit vrees voor den spot van zijn oom, zoo zorgvuldig mogelijk trachtte te verbergen, liet zich gereedelijk in een gesprek in, dat de gedachten van den oudheidkenner van Isabella Wardour en den zeehond afleidde. Dus bereikten zij Monkbarns, en daar werd ook het teedere onderwerp vergeten bij het verhaal, dat men aan de dames te doen had, van hetgeen er op het kasteel was voorgevallen, en het tegenbericht, dat men moest aanhooren, van hoe lang het vrouwvolkje gewacht had, eer zij, in de afwezigheid van den oudheidkenner, het gewaagd hadden aan tafel te gaan.

Den volgenden morgen stond Oldbuck vroegtijdig op, en daar Caxon nog niet verschenen was, begon hij innerlijk het gemis te voelen van het nieuws en de loopende praatjes, waarvan de oude kapper een getrouwe overbrenger was, en die hem door gewoonte even noodzakelijk geworden waren als het snuifje, dat hij van tijd tot tijd nam, ofschoon hij volhield, dat hij aan beide evenveel, en niet meer waarde dan ze verdienden, toekende. Het onaangenaam gevoel der leêgte bij eene dergelijke ontbering natuurlijk, werd verlicht door de verschijning van Adam Ochiltree, die langs de geschorene iepenboomen en palmheggen slenterde, als iemand, die geheel en al op Monkbarns te huis behoorde. En zoo gemeenzaam was hij inderdaad in de laatste dagen geworden, dat Juno zelfs hem niet aanblafte, maar zich vergenoegde met hem nauwkeurig en waakzaam in het oog te houden. Onze oudheidkenner stapte in zijne kamerjapon naar buiten en ontving en beantwoordde dadelijk zijn groet.

„Zij komen nu in goeden ernst, Monkbarns! – Ik kom van Fairport om u dit nieuws te brengen, en ga dan weer terug. – De Search is op de ree, en de Fransche vloot, zeggen ze, heeft jacht op haar gemaakt.”

„De Search?” zeide Oldbuck, zich een oogenblik bedenkende. „Zoo!”

„Ja, ja, kapitein Taffril’s brik, de Search.”

„Wat! is die verwant met Search N°. 2?” riep de oudheidkenner, zich den naam op het deksel van de geheimzinnige kist vol zilver herinnerende.

De bedelaar hield, gelijk iemand die op eene snakerij betrapt wordt, de pet voor het gezicht, maar kon zich niet weêrhouden van hartelijk te lachen. „Gij zijt maar al te slim, Monkbarns! men behoeft u niet te vertellen dat twee maal twee vier is. – Wie had kunnen denken, dat gij dit en dat zoudt hebben kunnen rijmen? – Daar ben ik er nu ingeloopen!”

„Ik zie het alles,” zeide Oldbuck, „zoo duidelijk, als het randschrift van een goed bewaard muntstuk! – De kist, waarin de zilveren staven gevonden werden, behoorde aan de oorlogsbrik, en de schat aan mijn feniks?” (Adam knikte van ja.) – „En werd daar begraven met het doel om Sir Arthur uit zijne verlegenheid te redden?”

„Door mij,” zeide Adam, „en twee matrozen van de brik; – maar zij wisten niet wat er in de kist zat, en zij dachten dat het eene kleine smokkelpartij was waarbij de kapitein belang had. Ik waakte dag en nacht, tot ik het in de rechte handen zag; en toen ik daarop dien drommelschen landlooper naar het deksel zag staren, als een hond naar de plaats waar het [299]wild gelegen heeft, gaf mij, denk ik, de duivel in, om hem ginds die poets te spelen. – Nu ziet gij dat, als ik iets meer of minder aan den Baljuw Littlejohn gezegd had, de geheele historie zou hebben moeten uitlekken; en dat zou den heer Lovel gespeten hebben, – en daarom dacht ik, wil ik veel liever alles afwachten, wat er van kome.”

„Ik moet zeggen dat zijne keuze van een vertrouweling goed, ofschoon eenigszins vreemd was.”

„Ik kan van mij zelven verklaren, Monkbarns,” antwoordde de bedelaar, „dat ik de geschiktste man ben in het geheele land, om geld aan toe te vertrouwen; want ik behoef het niet, en verlang het niet, en zou het niet kunnen gebruiken als ik het had. Maar de jongen had niet veel keus; want hij dacht dat hij het land voor altijd ging verlaten, (ik hoop, dat hij zich vergist heeft,) en het was reeds nacht, toen wij, door een vreemd toeval, de verlegenheid van Sir Arthur vernamen, en Lovel moest met den dageraad aan boord zijn. Maar vijf nachten daarna liep de brik weêr binnen, en ik ontmoette de boot volgens afspraak, en wij begroeven den schat, waar gij hem gevonden hebt.”

„Het was een zeer romantisch en dwaas stuk!” hernam Oldbuck „Waarom mij niet, of eenigen anderen vriend in zijn vertrouwen genomen?”

„Het bloed van uw zusters zoon lag op zijn geweten, en misschien zijn dood; – hoe weinig tijd had hij om raad in te winnen? – of hoe kon hij hem van u vragen – en door wien?”

„Gij hebt gelijk. – Maar hoe, als Dousterswivel u vóór geweest ware?”

„Er was weinig vrees, dat hij zonder Sir Arthur komen zou; – hij had den vorigen nacht een geduchten schrik gehad, en zou de plaats nooit meer genaderd zijn, zoo hij er niet toe was genoodzaakt. Hij wist zeer goed dat, wat de eerste maal gevonden werd, door hemzelven daar verstopt was, en hoe kon hij verwachten op dezelfde plaats iets meer te vinden? Hij had het maar gedaan om Sir Arthur nog meer te plukken.”

„Maar hoe,” zeide Oldbuck, „zou Sir Arthur anders daarheen gekomen zijn, als de goudzoeker hem er niet gebracht had?”

„O!” antwoordde Adam droogjes, „ik had eene historie omtrent Misticot, die hem, of u, veertig mijlen ver zou gebracht hebben. Daarbij was het te denken, dat hij zich de moeite zou geven, om de plaats te onderzoeken, waar hij het geld gevonden had; – hij wist het fijne van dat stukje niet. In ’t kort, daar het zilver in staven, Sir Arthur in de uiterste verlegenheid was, en Lovel besloten had dat hij nooit de hand zou kennen, die hem hielp, – want daar stond hij op, – konden wij geen beter middel bedenken, om hem den schat in handen te spelen, hoe wij er ook over tobden. En, als door eenig toeval Dousterswivel zijne klauwen er aan geslagen had, zou ik dadelijk u of den Sheriff van de geheele historie kennis hebben gegeven.”

„Wel, in weêrwil van al deze wijze voorzorgen, geloof ik, Adam, dat uw plan beter gelukt is dan het verdiende. Maar hoe drommel kwam Lovel aan zulk eene menigte zilveren staven?”

„Dat is juist, wat ik niet zeggen kan; – maar zij werden waarschijnlijk met zijne goederen te Fairport aan boord gebracht, en wij deden ze in eene der ammunitiekisten van de brik, om ze te verbergen en om ze gemakkelijk te vervoeren.”

„Goede hemel!” zeide Oldbuck, zijne eerste kennismaking met Lovel herdenkende, „en voor dezen jongen, die dus honderden te verspillen heeft, moest ik de vertering van het veer betalen! Nooit meer betaal ik de vertering [300]voor iemand, wie het ook zij; – dat is uitgemaakt! – En gij waart steeds in briefwisseling met Lovel, veronderstel ik?”

„Ik kreeg juist één stukje papier van hem, om te zeggen, dat er gisteren een pakje te Tannonburgh zou zijn met brieven van groot gewicht voor de familie van Knockwinnock; want zij vreesden het openen der brieven te Fairport. – En dat was goed, want ik hoor dat jufvrouw Mailsetter haar post kwijt raakt, omdat zij de zaken van anderen bespiedt en hare eigene verwaarloost.”

„En wat verwacht gij nu, Adam, voor uwe hulp als raadsman en bode, als wachter en vertrouweling in al deze bedrijven?”

„Wel, wat zou ik verwachten? – uitgezonderd dat al de heeren op de begrafenis van den ouden bedelaar zullen komen; – en mogelijk wel, Monkbarns, zult gij zelf mijn hoofd in het graf willen leggen, zoo als gij dat deedt voor den armen Steven Mucklebackit. – Wat ik gedaan heb, kostte mij geene moeite; ik was toch altijd op het pad. – O, maar ik was toch blij, toen ik uit de gevangenis kwam; want, dacht ik bij mij zelven, hoe zal het gaan, als die ongelukkige brief komt, terwijl ik hier opgesloten zit als eene oester, en alles ten onderste boven gaat, omdat zij hem niet krijgen; en dan dacht ik, moest ik mijn hart lucht geven en er u van vertellen; maar dan weêr kon ik het niet goed doen, zonder tegen het stellige bevel van den heer Lovel te handelen, en ik rekende dat hij nog iemand te Edinburg zien moest, eer hij doen kon, wat hij doen wilde voor Sir Arthur en zijne familie.”

„Wel, – en nu uw staatkundig nieuws, Adam? – De Franschen komen nog altijd, – niet waar?”

„Ja, dat zegt men, mijnheer, en er zijn stellige bevelen gekomen voor de krijgsmacht en de vrijwilligers om zich gereed te houden; en er moet ook nog een dappere jonge officier komen, om onze verdedigingsmiddelen op te nemen. – En ik zag de meid van den Baljuw zijne bandelieren en leêren broek poetsen; – ik hielp haar een handje, want gij kunt wel denken dat het haar niet te best afging, en zoo kreeg ik al het nieuws voor mijne moeite.”

„En wat denkt gij er van, als oud soldaat?”

„Inderdaad, ik weet niet; – indien er zoo veel komen, als men zegt, zullen wij de handen vol hebben. – Maar er zijn vele flinke jongens onder de vrijwilligers; en ik moet niet veel zeggen van hen, die niet zoo flink en vlug meer zijn, omdat ik zelf daaronder behoor. – Maar wij zullen ons best doen.”

„Hoe, Adam! uw krijgsmansgeest ontwaakt weêr? Het oude vuur gloeit nog in de asch! Ik zou niet gedacht hebben, Adam, dat gij veel hadt om voor te vechten?”

„Ik niet veel om voor te vechten, mijnheer? – Kan ik dan niet voor het land vechten, en voor de mooie beekjes, waar langs ik zoo dikwijls slenter, en voor het vee der huismoeders, die mij mijn stuk brood geven, en voor de kindertjes, die aan komen huppelen om met mij te spelen, als ik in de buurt kom? – Ik ben des duivels, mijnheer!” vervolgde hij, met groote hevigheid zijn staf grijpende, „als mijne krachten ten minste even goed als mijn wil zijn, en ik voor eene goede zaak strijd, als ik hun niet wat te doen geef!”

„Bravo, bravo, Adam! het vaderland is nog niet in het uiterste gevaar, als de bedelaar even gereed is voor zijn stuk brood te vechten, als de landeigenaar voor zijn grond!” [301]

Hun gesprek kwam nu terug op de bijzonderheden van den nacht, dien de bedelaar en Lovel in de bouwvallen van St. Ruth doorbrachten en waarvan de beschrijving den oudheidkenner ten hoogste vermaakte.

„Ik zou eene guinje willen gegeven hebben,” zeide hij, „om dien bedriegelijken landlooper in den doodsangst te zien, welken zijne kwakzalverij soms bij anderen doet ontstaan, en hem beurtelings te zien beven voor de woede van zijn patroon en voor de vrees van de verschijning van een spook.”

„Werkelijk,” zei de bedelaar, „waren er oogenblikken voor hem om bang te zijn; want gij zoudt gedacht hebben, dat de geest van Hel in ’t Harnas Sir Arthur bezielde. – Maar wat zal er van dien landlooper worden?”

„Ik heb heden morgen een brief ontvangen, waaruit ik verneem dat hij u vrijspreekt van de beschuldigingen, die hij tegen u inbracht, en aanbiedt om ontdekkingen te doen, die de vereffening van Sir Arthur’s zaken veel gemakkelijker zullen maken, dan wij dachten. – Zoo schrijft de Sheriff, en voegt er bij, dat hij iets van groot gewicht aan het Gouvernement medegedeeld had, om welke reden men hem vrij zal laten gaan, om den schurk in zijn eigen land te spelen.”

„En de fraaie werktuigen, en raderen, en de holen en gangen ginds te Glenwithershins, wat zal daarvan worden?”

„Van hun knoeituig zullen, hoop ik, de werklieden, eer zij uiteen gaan, een groot vuur stoken, even als een leger zijn geschut vernagelt, als het een beleg moet opbreken. En wat de holen betreft, Adam, deze laat ik als rattenvallen ten behoeve van den eersten wijzen man, die, hetgeen hij heeft, verkiest te laten vallen om naar eene schaduw te grijpen!”

„Wel, mijnheer! God beware ons! de werktuigen verbranden? Dat zou groote verkwisting zijn. Zou het niet beter zijn dat gij, uit den verkoop van den voorraad, een gedeelte van uwe honderd pond zaagt terug te krijgen?” vervolgde hij op den toon van geveinsde deelneming.

„Geen duit!” riep de oudheidkenner gramstorig, terwijl hij zich van hem afwendde en een paar schreden ver ging. Toen keerde hij terug, en half glimlachende over zijne eigene lichtgeraaktheid, voegde hij er bij: „Ga in huis, Adam, en volg mijn raad: spreek nooit tegen mij van de mijnwerken, of tegen mijn neef Hector van eene Phoca, dat is van een zeehond, zoo als gij dien noemt!”

„Ik moet nu naar Fairport terug gaan,” zei de bedelaar; „ik moet hooren, wat men daar van den inval vertelt; – maar ik zal onthouden wat gij mij gezegd hebt, en niet tegen u spreken van een zeehond, of tegen den kapitein van de honderd pond, die gij aan Douster –”

„Verwenschte schelm! – ik verzocht u daar niet van te reppen tegen mij!”

„Mijn lieve!” zeide Adam met gemaakte verwondering, „ik dacht dat er niets was, dat u aanstoot kon geven in een vriendschappelijk gesprek, dan alleen dat, wat betrekking had tot het Praetorium ginds, of tot het driestuiversstuk, dat u de kramer voor eene oude munt verkocht?”

„Onzin! onzin!” zei de oudheidkenner, terwijl hij zich haastig van hem afwendde en naar huis terugkeerde.

De bedelaar keek hem een oogenblik na, en betrad weder met een schaterenden lach, als dien, welken een ekster of papegaai na het volvoeren van eenigen streek laat hooren, den weg naar Fairport. De gewoonte had hem eene soort van ongedurigheid gegeven, die zeer vermeerderd werd door het vermaak, dat hij er in schepte, om nieuws te verzamelen; en in korten tijd had hij de stad bereikt, die hij in den morgenstond verlaten had, om [302]geene andere hem bekende reden, dan juist „om een praatje te maken met Monkbarns.”