Vijfenveertigste Hoofdstuk
Een vuurbaak zag hij op Pownell,
Drie op Skiddaw in gloed;
Door berg en dal weêrklonken
De horens hem te gemoet.
James Hogg
De wachter, die post hield op den heuvel en het oog naar Birman gericht had, moet waarschijnlijk gedacht hebben dat hij droomde, toen hij de eerste beweging van ’t noodlottig boschje gadesloeg, dat tegen Dunsiane begon op te rukken1. Even zoo ging het den ouden Caxon, toen hij, op de rotspunt in zijne hut gezeten, zijne gedachten liet gaan over het naderend huwelijk van zijne dochter, en over de eer van den schoonvader van den luitenant Taffril te worden, en dus niet weinig verwonderd was, toen hij, toevallig een blik slaande op de baak waarnaar hij de zijne regelen moest, een licht in die richting ontdekte. Hij wreef zich de oogen, keek op nieuw, en regelde zijne waarneming naar een kruisstok, die op het eigenlijke punt gericht was. Nu vergrootte zich het licht voor zijne oogen, gelijk eene komeet voor die van den sterrekundige, en hij zag het „met vrees voor de ontroering der volkeren.”
„De Heere beware ons!” zeide Caxon, „wat nu gedaan? – Maar er zullen wijzere hoofden zijn dan het mijne, om daarvoor te zorgen; ik zal het baakvuur maar aansteken.”
Hij stak de baak in vlam, die een langen golvenden lichtstroom ten hemel zond, welke de zeevogels uit hunne nesten dreef en teruggekaatst werd door de golven. De ambtgenooten van Caxon, even waakzaam als hij, zagen en beantwoordden het gegeven teeken. Het licht schitterde op voorgebergten, rotsen en binnenlandsche heuvels, en het geheele distrikt werd verontrust door het alarmteeken van den inval2.
Onze oudheidkenner, het hoofd gehuld in twee dubbele slaapmutsen, genoot vreedzaam zijne rust, toen die eensklaps gestoord werd door het schreeuwen van zijne zuster, van zijne nicht en van de twee meiden.
„Wat drommel is er te doen?” vroeg hij, zich in het bed oprichtende; – „vrouwvolk in mijne kamer op dit uur van den nacht! – zijt gij allen dol?”
„De baak, oom!” riep Mary M’Intyre. [303]
„De Franschen, die ons komen vermoorden!” schreeuwde Grizelda.
„De baak, de baak! – de Franschen, de Franschen! – moord, moord – en erger dan moord!” gilden de twee meiden, als het koor in eene opera.
„De Franschen!” riep Oldbuck, opspringende, – „gaat de kamer uit, vrouwvolk daar gij zijt, tot ik mijne plunje aangedaan heb, – en, hoor je, brengt mij mijn zwaard!”
„Welk zwaard, Monkbarns?” riep zijne zuster, hem een kort Romeinsch zwaard van geel koper met de eene hand, en met de andere eene kling van Andrea Ferrara zonder gevest aanbiedende.
„Het langste, het langste!” schreeuwde Jenny Rintherout, een slagzwaard uit de twaalfde eeuw binnen slepende.
„Vrouwen!” zeide Oldbuck zelf zeer ontroerend, „blijft bedaard, en geeft u niet over aan ijdelen schrik! – Zijt gij zeker, dat zij komen?”
„Zeker! – zeker!” riep Jenny uit; – „maar al te zeker! – De zeemacht en de landmacht, de vrijwilligers en de landstorm zijn op de been en haasten zich naar Fairport, zoo hard als man en paard maar loopen kunnen, – en de oude Mucklebackit is ook meê; – hij zal veel helpen! – O! hij zal gemist worden, die arme Steven, die koning en land zoo goed zou gediend hebben!”
„Geef mij,” zeide Oldbuck, „den degen, dien mijn vader in het jaar vijfenveertig droeg; – er is geen draagband of bandelier meer aan; maar wij zullen er wat op vinden.”
Met deze woorden stak hij het wapen door de klep van zijn rokzak. Op dit oogenblik trad Hector binnen, die op de naburige hoogten was gaan onderzoeken of het alarmteeken wezenlijk gegeven was.
„Waar zijn uwe wapens, neef?” riep hem Oldbuck toe. – „Waar is uw jachtgeweer met de twee loopen, dat nooit uit uwe handen was, zoolang men diergelijke dingen niet noodig had?”
„Bah, bah, oom!” antwoordde Hector, „wie nam ooit een jachtgeweer meê in het gevecht? – Gij ziet, ik heb mijn uniform aangetrokken. – Ik hoop dat ik van meer nut zal zijn, als men mij een commando geven wil, dan ik met tien dubbele loopen zou kunnen wezen. – En gij, oom, moet naar Fairport gaan om bevelen te geven voor de inkwartiering en het onderhoud der manschappen en paarden, ten einde alle verwarring te voorkomen.”
„Gij hebt gelijk, Hector! – ik geloof, dat ik ook wel zoo veel met mijn hoofd als met mijn arm zal doen. – Maar daar komt Sir Arthur Wardour, die, onder ons gezegd, niet geschikt is, om op eenige wijze veel te verrichten.”
Sir Arthur was waarschijnlijk van een ander gevoelen, want hij was mede op weg naar Fairport, uitgedost in zijn officieel kostuum, en meldde zich, in het voorbijrijden, bij den heer Oldbuck aan, om hem af te halen, daar de gebeurtenissen der laatste dagen hem bevestigd hadden in zijne meening omtrent diens doorzicht. En, niettegenstaande het bidden der vrouwen dat de oudheidkenner tot hare bescherming op Monkbarns zou blijven, nam de heer Oldbuck, met zijn neef, het verzoek van Sir Arthur dadelijk aan.
Alleen zij, die dergelijke tooneelen hebben bijgewoond, kunnen zich een denkbeeld maken van de verwarring, die te Fairport heerschte. De vensters schitterden met honderden lichten, die, nu eens schijnende en dan weêr snel verdwijnende, de drukte binnen in huis aanduidden. De vrouwen der lagere volksklasse verzamelden zich schreeuwende op de straat. De mannen van den landstorm, die uit hunne verschillende woonplaatsen aankwamen snellen, [304]galoppeerden door de straten, òf alleen, òf in troepjes van vijf of zes, zoo als zij elkander op weg ontmoet hadden. De trommels en fluiten der vrijwilligers werden afgewisseld door de stemmen der officieren, den klank der horens, en het gelui der klokken van de kerktorens. De schepen in de haven waren verlicht, en de booten der gewapende vaartuigen vermeerderden de drukte door het landen van manschappen en geweren, om de plaats te helpen verdedigen. Taffril bestierde ijverig dit gedeelte der toebereidselen. Twee of drie der kleinere vaartuigen hadden reeds het anker gelicht en staken in zee, om den naderenden vijand te bespieden.
Zoodanig was de algemeene verwarring, toen Sir Arthur Wardour, Oldbuck en Hector zich met moeite een weg baanden naar het plein, waarop het stadhuis zich bevond. Het was verlicht, en de raad en vele der naburige landedellieden waren vergaderd. En ook nu, even als bij andere soortgelijke gelegenheden in Schotland, bleek ten duidelijkste, hoezeer het gezond verstand en het vaste karakter van het volk het gebrek aan ondervinding vergoedden. De regeeringsleden waren omgeven van de kwartiermeesters der onderscheidene korpsen, die biljetten voor hunne manschappen en paarden verlangden.
„Laten wij,” zei de Baljuw Littlejohn, „de paarden in onze magazijnen en de manschappen in onze huiskamers opnemen, – onzen maaltijd met de manschappen, en onze fourage met de paarden deelen. Wij zijn rijk geworden onder een vrij en vaderlijk bestuur, en nu is het tijd te toonen, dat wij het naar waarde weten te schatten.”
Luid en blijmoedig stemden alle aanwezigen hiermede in, en het vermogen der rijken, zoowel als de persoonlijke diensten van allen werden eenparig ter verdediging van het vaderland aangeboden.
Kapitein M’Intyre strekte bij deze gelegenheid het voorzittend regeeringslid tot krijgskundigen raadsman en adjudant, en legde eene tegenwoordigheid van geest en eene kennis van zaken aan den dag, waarop zijn oom volstrekt niet gerekend had, en die, zich zijne gewone insouciance en drift herinnerende, hem van tijd tot tijd met verwondering aankeek, toen hij de kalme en bedaarde wijze opmerkte, waarop zijn neef de verschillende maatregelen van voorzorg ontwikkelde, die hem zijne ondervinding aan de hand bood, terwijl hij de bevelen gaf om ze in gereedheid te brengen. Hij vond de verschillende korpsen, hunne vreemdsoortige bestanddeelen in aanmerking genomen, in goede orde, zeer talrijk, vol zelfvertrouwen en met den meesten moed bezield. En de krijgskunde had, in dit oogenblik, zoodanig het overwicht op alle andere aanspraken ter onderscheiding, dat zelfs de oude Adam, wel verre van als Diogenes te Sinope aan het rollen van zijne ton overgelaten te blijven, terwijl allen om hem heen zich ter verdediging voorbereidden, last kreeg, om het uitdeelen van de ammunitie te bestieren, wat hij ook met veel oordeel deed.
Men zag nu nog met het meeste ongeduld twee zeer gewichtige gebeurtenissen te gemoet, – namelijk het opkomen van de Glenallansche vrijwilligers, welke, uit aanmerking van het aanzien dier familie, een afzonderlijk korps uitmaakten, – en de aankomst van den aangekondigden officier, aan wien de maatregelen ter verdediging van deze kust door den opperbevelhebber waren toevertrouwd, en die alzoo bevoegd zou zijn, om het bevel over de gewapende macht op zich te nemen.
Weldra hoorde men het horenmuziek van de Glenallansche vrijwilligers, en de graaf zelf verscheen, tot groote verwondering van allen, die zijne gewoonten [305]en den staat van zijne gezondheid kenden, in uniform aan hun hoofd. Het was een zeer schoon en goed bereden eskadron, geheel samengesteld uit pachters uit de Laaglanden, en zij werden gevolgd door een bataljon van vijfhonderd man, die hij uit de valleien der Hooglanden had samengebracht, volkomen op de Bergschotsche krijgswijze uitgerust, onder het geluid hunner doedelzakken aanrukkende. De flinke en krijgshaftige houding van deze leenmannen trok de bewondering van Kapitein M’Intyre tot zich; maar zijn oom was nog meer getroffen door de wijze, waarop, in dit hachelijke oogenblik, de oude krijgsmansgeest van het huis Glenallan den graaf, hun aanvoerder, scheen te bezielen, en aan zijn verzwakt gestel nieuwe kracht te geven. Hij verzocht en verkreeg voor zich en zijne volgelingen den post, die naar alle waarschijnlijkheid het eerst bedreigd zou worden, legde eene groote vlugheid aan den dag in het nemen van de noodige beschikkingen, en betoonde geen minder doorzicht in het beramen der middelen, die nog genomen moesten worden. Onder deze krijgstoerustingen brak de morgenstond te Fairport aan, terwijl allen steeds ijverig bezig waren met de noodige voorzorgen voor de verdediging.
Eindelijk ging er een kreet onder het volk op: „Daar komt de dappere Majoor Neville aan, met nog een anderen officier!” en een reiswagen, met vier paarden bespannen, kwam het stadhuisplein oprijden te midden van de hoezee’s der vrijwilligers en inwoners. De overheidspersonen, met de assessoren, snelden naar de deur van het stadhuis, om hen te ontvangen; maar hoe groot was de verwondering van allen, en vooral van den oudheidkenner, toen zij, onder de rijke uniform en den krijgsmanshoed, den persoon en de gelaatstrekken van den vreedzamen Lovel bespeurden! Eene hartelijke omhelzing en een warme handdruk moesten hem verzekeren, dat hij zich niet vergist had. Sir Arthur was niet minder verwonderd om zijn zoon, den kapitein Wardour, te herkennen in Lovel’s of liever in Majoor Neville’s gezelschap. De eerste woorden der jonge officieren waren eene stellige verzekering aan alle aanwezigen, dat de moed en de ijver, die zij aan den dag gelegd hadden, geheel overtollig geweest waren, en dat ze slechts dienden, om een bewijs op te leveren van hunne vaderlandsliefde en waakzaamheid.
„De wachter op Halket-head,” zeide Majoor Neville, „was, zoo als wij bij nader onderzoek op onzen weg herwaarts ontdekt hebben, zeer natuurlijk misleid geweest door een vreugdevuur, dat eenige leêgloopers op den heuvel boven Glenwithershins aangestoken hadden, juist in de lijn van de baak, waarmede de zijne in verband stond.”
Oldbuck gaf Sir Arthur een verlegen wenk, welken deze met een dergelijken blik en een schouderophalen beantwoordde.
„Het moeten de werktuigen geweest zijn, die wij in onze gramschap tot de vlammen veroordeelden,” zei de oudheidkenner, moed vattende, ofschoon een weinig beschaamd, dat hij zoo veel onrust veroorzaakt had. – „De duivel hale Dousterswivel! ik geloof, dat hij ons een legaat van domme streken en onheil vermaakt heeft, en dat hij bij zijn afscheid nog een vuurwerk afgestoken heeft. – Het zal mij benieuwen, welke voetzoeker ons nu tusschen de beenen zal losgaan. – Maar daar komt de voorzichtige Caxon. – Houd het hoofd op, ezel! uwe meerderen moeten uwe schande dragen. – En hier, neem dit ding, – hoe noemt gij het?” – (hem zijn degen gevende) – „ik weet niet, wat ik gisteren zou geantwoord hebben, als mij iemand gezegd had, dat ik zoo iets zou aangorden!”
Op dit oogenblik gevoelde hij zich zacht bij den arm getrokken door Lord [306]Glenallan, die hem in een afzonderlijk vertrek bracht. „Om Gods wil! wie is die jonge man, die zoo volmaakt gelijkt, –”
„Op de ongelukkige Eveline!” viel hem Oldbuck in de rede. „Mijn hart voelde zich tot hem aangetrokken op het eerste oogenblik, en gij brengt mij nu op de ware reden.”
„Maar wie, – wie is hij?” vervolgde Lord Glenallan, den oudheidkenner krampachtig bij den arm houdende.
„Vroeger zoude ik hem Lovel genoemd hebben; maar nu komt het uit, dat hij de Majoor Neville is.”
„Dien mijn broeder grootbracht als zijn natuurlijken zoon, – dien hij tot zijn erfgenaam maakte. – Goede Hemel! het kind van mijne Eveline!”
„Bedaard, Milord! – bedaard!” zeide Oldbuck, „geef u niet te voorbarig aan dit vermoeden over; – welke waarschijnlijkheid is daarvoor?”
„Waarschijnlijkheid? neen! er is zekerheid! stellige zekerheid! De rentmeester, van wien ik u sprak, schreef mij de geheele geschiedenis. – Gisteren ontving ik den brief; – niet eerder. – Breng hem, om Gods wil, bij mij, opdat het oog van een vader hem zegene, eer ik deze wereld verlaat!”
„Ik zal het doen; maar om uw en zijnentwil, vergun hem eenige weinige minuten ter voorbereiding.”
En besloten, om de zaak nog nader te onderzoeken eer hij ze als zeker aannam, zocht hij den Majoor Neville op, en vond hem bezig met het nemen der noodige maatregelen, om de verzamelde krijgsmacht uiteen te doen gaan.
„Als ik u verzoeken mag, Majoor Neville, laat dit werk een oogenblik over aan kapitein Wardour en aan Hector, met wien ik hoop, dat gij geheel en al verzoend zijt,” (Neville lachte en de heeren gaven elkander de hand) „en vergun mij een oogenblik gehoor!”
„Gij hebt recht op mij, mijnheer Oldbuck, al waren mijne bezigheden nog veel dringender dan ze zijn,” antwoordde Neville, „daar ik uw huis onder een vreemden naam bezocht, en uwe gastvrijheid beloonde met uw neef te beleedigen.”
„Gij hebt hem behandeld zoo als hij verdiende,” zeide Oldbuck, „ofschoon hij heden even veel gezond verstand als moed aan den dag gelegd heeft. Wel! als hij terug wilde komen op hetgeen hij geleerd heeft, en Caesar en Polybius en de Stratagemata Polyaeni lezen, geloof ik, dat hij in den dienst vooruit zou komen, en ik zou hem zeker een handje helpen.”
„Hij verdient dat in alle opzichten,” antwoordde Neville; „en ik ben verheugd, dat gij mij vergeeft, – wat gij te gereeder zult doen, als ik u zeg, dat ik het ongeluk heb van niet meer recht te hebben op den naam van Neville, onder welken ik algemeen bekend ben, dan op dien van Lovel, waaronder gij mij leerdet kennen.”
„Inderdaad! dan vertrouw ik, dat wij er een zullen vinden, waarop gij een vast en wettig recht hebt.”
„Mijnheer, ik vertrouw, dat gij het ongeluk van mijne geboorte voor geen geschikt onderwerp –”
„Volstrekt niet,” antwoordde de oudheidkenner, hem in de rede vallende, – „ik geloof dat ik meer van uwe geboorte weet, dan gij zelf, – en, om er u van te overtuigen, gij werdt opgevoed en waart bekend als de natuurlijke zoon van Geraldin Neville van Neville’s-burg in Yorkshire, en ik veronderstel, als zijn erfgenaam?”
„Vergeef mij, – dergelijke oogmerken had men met mij niet; ik werd [307]goed opgevoed en in den dienst voortgeholpen door geld en protectie; maar ik geloof, dat mijn veronderstelde vader langen tijd het denkbeeld koesterde van te trouwen, ofschoon hij het niet ten uitvoer bracht.”
„Gij zegt uw veronderstelde vader? – Wat doet u denken, dat de heer Geraldin Neville niet uw vader was?”
„Ik weet, mijnheer Oldbuck, dat gij mij deze vragen omtrent zulk een teeder onderwerp niet doen zoudt om alleen uwe nieuwsgierigheid te voldoen; ik zal u dus ronduit vertellen, dat ik verleden jaar, toen wij in eene kleine stad van Fransch-Vlaanderen lagen, in een klooster, in welks nabijheid ik ingekwartierd was, eene vrouw vond, die tamelijk goed Engelsch sprak. – Zij was eene Spaansche, – haar naam Therese D’Acunha. Verder met haar bekend geworden, ontdekte zij mij, wie ik was, en zich zelve als de persoon, die belast was geweest met de zorg mijner eerste kindsheid. Zij gaf mij meer dan één wenk, dat ik op hoogen rang aanspraak had, en dat mij onrecht aangedaan was, en beloofde mij eene vollediger ontdekking na den dood van eene dame van aanzien in Schotland, daar zij besloten had, zoo lang deze leefde, het geheim te bewaren. Zij gaf ook te verstaan, dat de heer Geraldin Neville mijn vader niet was. Wij werden door den vijand aangevallen, uit de stad verdreven, en deze werd door de Republikeinen geplunderd. De godsdienstige orden waren in het bijzonder het voorwerp van hun haat en hunne vervolging. Het klooster werd verbrand en zeer vele nonnen kwamen om, – onder anderen Therese, en met haar ging alle hoop verloren op de beloofde geschiedenis van mijne geboorte. – Die moet tragisch geweest zijn, naar hetgeen ik er van begrijp.”
„Raro antecedenten scelestum, of, zoo als ik hier zeggen mag, scelestam,” zeide Oldbuck, „deseruit poena; – zelfs de Epicuristen stemden dat toe, en – wat deedt gij toen?”
„Ik schreef er over aan den heer Neville; – maar te vergeefs. Ik kreeg toen verlof, en ging mij aan zijne voeten werpen, en bezwoer hem de ontdekking te voltooien, die Therese begonnen had. Hij weigerde, en verweet mij, op mijn onafgebroken aandringen, met verontwaardiging de gunsten, die hij mij reeds bewezen had. Ik begreep, dat hij het recht van een weldoener misbruikte, nu hij genoodzaakt was te erkennen dat hij geene aanspraak had op dat van een vader, en wij scheidden van elkander, weêrkeerig misnoegd. Ik gaf den naam van Neville op, en nam dien aan, waaronder gij mij gekend hebt. – Het was in dezen tijd, dat ik, gelogeerd bij een vriend in het noorden van Engeland, die mijne naamsverandering goedkeurde, kennis maakte met Freule Wardour, en romantisch genoeg was om haar naar Schotland te volgen. Mijne gedachten wankelden omtrent verscheidene ontwerpen voor de toekomst, toen ik besloot, om mij nog eenmaal tot den heer Neville te wenden, en hem om eene verklaring van het geheim mijner geboorte te smeeken. Het duurde lang eer ik antwoord kreeg; gij waart er bij, toen het mij ter hand werd gesteld. Hij berichtte mij den slechten toestand van zijne gezondheid, en bezwoer mij, om mijn eigen wil, geen verder onderzoek te doen naar den aard van zijne betrekking tot mij, maar te berusten bij zijne verklaring. „Zij is,” schreef hij, „zoodanig en zoo nauw, dat ik voornemens ben, u tot mijn erfgenaam te benoemen.” Terwijl ik mij gereed maakte om Fairport te verlaten, bracht mij eene tweede expresse het bericht van zijn dood. Het bezit van groote rijkdommen kon het grievende leed niet verdooven, waarmede ik nu dacht aan mijn gedrag jegens mijn weldoener, en daar zich eenige wenken in zijn brief bevonden, die [308]schenen aan te duiden, dat er een grootere smet dan die van gewone onechtheid op mijne geboorte lag, herinnerde ik mij zekere vooroordeelen van Sir Arthur, –”
„En gij koesterdet sombere gedachten tot gij ziek werdt, in plaats van bij mij te komen om raad, en mij uwe geheele historie te verhalen?” zeide Oldbuck.
„Juist! daarna kwam mijn ongelukkige twist met kapitein M’Intyre, die mij noodzaakte, om Fairport en de omstreken te verlaten.”
„De liefde en de dichtkunst, – Isabella Wardour en de Caledoniade!”
„Het is maar al te waar!”
„En sedert dien tijd waart gij, veronderstel ik, bezig met ontwerpen ter redding van Sir Arthur?”
„Ja, met behulp van kapitein Wardour, te Edinburg.”
„En Adam Ochiltree hier; – gij ziet, ik weet alles. Maar hoe kwaamt gij aan dezen schat?”
„Het was een servies tafelzilver, dat mijn weldoener toebehoord had, en bij iemand te Fairport in bewaring gebleven was. Eenigen tijd vóór zijn dood had hij bevel gezonden om het op te smelten. Wellicht wilde hij niet, dat ik er het wapen van Glenallan op zou zien.”
„Wel, majoor Neville! of – laat ik liever zeggen – Lovel! want in dien naam schep ik het meeste behagen; – gij moet, geloof ik, beide verwisselen voor den naam en den titel van Willem, Lord Geraldin.”
De oudheidkenner doorliep nu de vreemde en treurige omstandigheden van den dood van Neville’s moeder.
„Ik twijfel geenszins,” zeide hij, „of uw oom wenschte te doen gelooven, dat het kind van dit ongelukkig huwelijk niet meer bestond; – misschien had hij zelf wel een oog op de erfenis van zijn broeder; – hij was toen een lichtzinnig, los jonkman. – Maar van alle slechte bedoelingen tegen uw persoon pleiten hem, wat ook het booze geweten van Elspeth haar deed vermoeden uit zijne ontroering, de geschiedenis van Therese en uw eigen verhaal volkomen vrij. En nu, mijn waarde heer, laat ik het genoegen smaken van een zoon bij zijn vader te brengen!”
Wij wagen het niet, om zulk eene ontmoeting te beschrijven. Alle bewijzen werden overtuigend bevonden; want de heer Neville had een duidelijk bericht van het geheele voorval aan zijn vertrouwden rentmeester nagelaten in een verzegeld pak, dat niet moest geopend worden, dan na den dood der oude Gravin: eene voorzorg, die scheen ontstaan te zijn uit vrees voor de uitwerking, welke eene ontdekking, met zoo veel schande verbonden, op haar hoogmoedig en hartstochtelijk karakter zou kunnen hebben.
In den avond van denzelfden dag dronken de manschappen van de vrijwilligers van Glenallan de gezondheid van hun jongen Landheer. Binnen eene maand daarna was Lord Geraldin in het huwelijk getreden met Freule Wardour, en de oudheidkenner bood de jonge bruid een trouwring van antiek fatsoen, met de spreuk van Aldobrand Oldenbuck „Kunst macht Gunst,” er op gegraveerd, aan.
De oude Adam, de gewichtigste blauwrok die ooit geleefd heeft, doet zijne ronde van het eene vriendenhuis naar het andere, en beroemt zich er op, dat hij nooit op weg is, dan wanneer de zon schijnt. Hij heeft, inderdaad, sedert eenigen tijd teekens gegeven van rustiger te worden, daar men hem dikwijls gevonden heeft in den hoek van een aardig boerenhuisje tusschen Monkbarns en Knockwinnock, dat Caxon na het huwelijk van zijne [309]dochter betrok, om nabij de drie pruiken van het kerspel te zijn, welke hij steeds, hoewel thans slechts uit liefhebberij, getrouw friseert. Men heeft Adam hooren zeggen „Dit is eene lieve, dichte plaats, en het is aangenaam zulk een hoek te hebben, om er bij slecht weêr in te zitten.”
Men gelooft, dat, als hem het loopen moeielijker begint te worden, hij eindigen zal met hier zijn intrek te nemen.
De welwillendheid van zulke vermogende beschermers als Lord en Lady Geraldin is onbegrensd voor jufvrouw Hadoway en de Mucklebackits. De eerste maakt er een gepast gebruik van; de laatsten verkwisten hetgeen hun geschonken wordt. Zij blijven het echter nog altijd genieten, maar onder het bestier van Adam Ochiltree; en zij ontvangen het nooit zonder te morren over het kanaal, langs hetwelk het hen bereikt.
Hector maakt snelle vorderingen in den dienst, is meer dan eens met lof vermeld geworden en klimt, naar evenredigheid, in de gunst van zijn oom. En, wat den jongen krijgsman bijna evenzeer verheugt, hij heeft daarbij twee zeehonden geschoten, en dus een einde gemaakt aan het gedurig terugkomen van den oudheidkenner op de historie van de Phoca.
Men spreekt van een huwelijk tusschen Mary M’Intyre en kapitein Wardour; maar dit gerucht eischt nadere bevestiging.
De oudheidkenner bezoekt zeer dikwijls de huizen van Knockwinnock en Glenallan, klaarblijkelijk ter voltooiing van twee verhandelingen, de eene over het harnas van den Grooten Graaf, en de andere over den linker ijzeren handschoen van Hel in ’t Harnas. Hij vraagt geregeld, of Lord Geraldin de Caledoniade begonnen heeft, en schudt het hoofd over de antwoorden, die hij ontvangt. Nochtans voltooit hij, en attendant, zijne noten, die wij gelooven dat ten dienste zullen zijn van iedereen, die ze verkiezen mocht in het licht te geven, zonder gevaar en onkosten voor DEN OUDHEIDKENNER.
EINDE.