WeRead Powered by ReaderPub
De oudheidkenner cover

De oudheidkenner

Chapter 5: Vierde Hoofdstuk
Open in WeRead

About This Book

The narrative follows a young traveller who, while preparing for a short journey, becomes involved with an elderly, eccentric collector of historical curiosities and the colourful local people around him. Episodes combine gentle comedy of manners, vivid local portraiture, and a developing mystery about old papers and contested property that spurs inquiries, disputes, and probes into ruins and records. A romantic strand and several reconciliations are woven through debates over authenticity, heritage, and changing tastes, and the work shifts between satirical sketches and more sincere reflections on memory, learning, and community.

[Inhoud]

Vierde Hoofdstuk

De listige Karel kwam me over de weide

Met buigende groeten eerbiedig ter zijde

En sprak: beste heer! och wees toch zoo goed,

En huisvest eenen armen, ouden bloed.

De oude bedelaar.

Onze beide vrienden gingen langzaam door een kleinen boomgaard, welks oude, rijk beladen appelboomen bewezen, wat men in de nabijheid der meeste kloosters gewoonlijk opmerken kan, namelijk dat de monniken hun tijd niet altijd in ledigheid doorbrachten, maar dikwerf ook aan boom- en tuinteelt toewijdden. De heer Oldbuck verzuimde niet Lovel te doen opmerken, hoe de toenmalige planters het hedendaagsch geheim bezaten, om door het plaatsen van steenen onder den boom, hem te beletten te diep wortels in den grond te schieten, en ze dus te dwingen, een zijdelingsche richting te nemen. „Deze oude boom,” zei hij, „die verleden zomer omver woei, en nog, ofschoon half ter aarde gebogen, met vruchten bedekt is, heeft, zoo als gij ziet, zulk een steenlaag er onder. Van dezen anderen boom verhaalt men eene geschiedenis: de vrucht er van heet de abtsappel, waarin de echtgenoote van een naburigen baron zoo veel smaak vond, dat ze dikwijls Monkbarns bezocht, om het genoegen te smaken zelve van die vrucht te plukken. De baron, waarschijnlijk een ijverzuchtig man, vermoedde, dat een smaak, die zoo veel overeenkomst, had met dien van moeder Eva, ook een dergelijken val voorspelde. Maar, de eer van een adellijk geslacht is er in betrokken; en ik zal er dus niets meer van zeggen, dan dat de goederen van Lochard en Cringlecut nog jaarlijks een bepaalde schatting in gerst moeten opbrengen, om de misdaad van hun roekeloozen eigenaar te boeten, die den abt en zijn biechtdochter met zijn wereldsche vermoedens en hartstochten durfde lastig vallen. Het kleine klokkenhuisje, dat zich boven het gindsche met klimop bedekte portaal verheft, verdient uw opmerking; – er was hier een hospitium, hospitale, of hospitamentum, (want het komt in de oude geschriften en akten dus verschillend geschreven voor), waarin de monniken de pelgrims plachten op te nemen. – Ik weet wel, onze dominé zegt, in zijn „Statistiek bericht,” dat het hospitium gelegen was op de landerijen van Haltweary, of op die van Halfstarvet; maar dat is niet juist, want, – maar dit is de poort, die nog steeds de Pelgrimspoort genoemd wordt, en mijn tuinman vond, toen hij den grond voor de winterselderij omspitte, nog vele gehouwen steenen, waarvan ik eenige als proeven gezonden heb aan mijn geleerde vrienden, en aan de verschillende oudheidkundige genootschappen, van welke ik een onwaardig lid ben. Maar ik wil daar nu niet verder over uitweiden, ik bewaar iets voor een volgend bezoek, en wij naderen hier een voorwerp, dat wezenlijk belangrijk is!”

Terwijl hij dus sprak, gingen ze door een paar schoone weiden naar een open heidevlakte, en vandaar kwamen zij op den top van een geringe hoogte. „Dit,” zei hij, „mijnheer Lovel, is een waarlijk merkwaardige plek.”

„Ze levert een schoon gezicht op, antwoordde zijn makker, in het rond ziende. [21]

„Dat is zoo: maar daarom was het niet, dat ik u hier heen bracht; ziet gij niets anders opmerkingswaardigs? – Niets op de oppervlakte van den grond?”

„Wel ja! ik zie iets, dat half en half op een gracht gelijkt.”

„Half en half! – Vergeef mij, mijnheer, dat moet aan uw oogen liggen, – niets kan duidelijker zijn! – een echte agger of vallum, met de gracht, of fossa. Onduidelijk! wel, mijn hemel! die deerne, mijn nicht, zulk een lichtzinnig gansje als maar alleen onder het vrouwenvolk te vinden is, heeft dadelijk de sporen der gracht herkend! Onduidelijk! Ja, de groote legerplaats te Ardoch, of die te Burnswark in Annandale kan men zonder twijfel duidelijker zien, omdat ze vaste verschansingen zijn, terwijl deze legerplaats hier slechts tijdelijk was. Onduidelijk! maar gij dient te begrijpen, dat dwazen, boeren en domkoppen het land omgeploegd, en als stomme dieren en onbeschaafde wilden twee zijden van den vierhoek verbroken, en de derde zijde voor een groot gedeelte beschadigd hebben; maar de vierde zijde, zoo als gij zelf ziet, is nog volkomen in haar geheel!”

Lovel trachtte zich te verontschuldigen en zijn eerste gezegde goed te maken, door gebrek aan ondervinding voor te wenden. Maar hij slaagde niet dadelijk. Zijn eerste antwoord was te gul en te natuurlijk geweest, om den oudheidkenner niet te verontrusten, en deze kon niet zoo spoedig den indruk vergeten, dien het op hem gemaakt had.

„Mijn waarde heer!” vervolgde hij, „uw oogen ontbreekt het niet aan ondervinding; gij kunt, veronderstel ik, een gracht wel van een vlakte onderscheiden? Onduidelijk! wel, het gemeene volk, zelfs de kleinste jongen, die een koe kan hoeden, noemt de plaats Kaim van Kinprunes, en als Kaim niet kamp beteekent, weet ik het niet.”

Daar Lovel dit toestemde, en eindelijk slaagde om de opgewekte en achterdochtige ijdelheid van den oudheidkenner in slaap te wiegen, vatte deze weder zijn taak van Cicerone op. „Onze Schotsche oudheidkundigen,” zei hij, „moet gij weten, zijn zeer verdeeld geweest omtrent de plaats van den laatsten veldslag tusschen Agricola en de Caledoniërs; – eenigen noemen Ardoch in Strathallan, eenigen Innerpeffrey, eenigen de Raedijken in Mearns, en eenigen brengen het krijgstooneel zoo ver noordwaarts als Blair, in Athole. En nu, na al dat onderzoek,” vervolgde de oude heer, terwijl hij een zijner slimste en meest zelftevreden blikken op Lovel wierp, „wat zoudt gij er van denken, mijnheer Lovel, – ik zeg, zoudt gij er van denken, – als deze gedenkwaardige slag voorgevalen ware hier, op deze zelfde plek, het kamp van Kinprunes genaamd, op de landerijen van den onbekenden, geringen persoon, die nu tot u spreekt?”

Hij zweeg een oogenblik, om zijn gast gelegenheid te geven, deze mededeeling in al haar gewicht te beseffen, en vervolgde dan, zijn stem verheffende: „Ja, mijn goede vriend, ik vergis mij zeer, als deze plaats niet overeenstemt met al de beschrijvingen van dat beroemde krijgstooneel. Het was nabij de Grampian-bergen; – eilieve! zie, hoe ze zich ginds aan den gezichteinder in de wolken verliezen! – het was in conspectu classis, in het gezicht van de Romeinsche vloot; en kon eenig vlootvoogd, Romein of Brit, een schoonere baai vinden, om er in te stevenen, dan die dáár, aan uw rechterhand? Men moet zich verwonderen, dat wij, oudheidkenners van beroep, soms zoo blind zijn. Sir Robert Sibbald, Saunders Gorden, de Generaal Roy, Dr. Stukely, wel nu, – het ontging hun allen! – Ik wilde er geen woord van reppen, vóór ik mij van den grond verzekerd had; want die behoorde [22]aan den ouden pachter Jan Howie, hier in de buurt, en het heeft lang geduurd, eer wij het eens konden worden. Eindelijk, – ik schaam mij haast het te zeggen, – besloot ik, om akker tegen akker van mijn bouwland voor zijn dorre plek te geven. Maar het was een nationaal belang; en toen het tooneel van zulk een beroemde gebeurtenis mijn eigendom werd, was ik meer dan genoeg betaald. – Wiens vaderlandsliefde, zegt de oude Johnson, zou niet blaken op de vlakte van Marathon? Ik liet aanvankelijk den grond omspitten; en den derden dag mijnheer Lovel, vonden wij een steen, dien ik naar Monkbarns heb laten overbrengen, om er in gips een afgietsel van te maken. Men ziet er een offervaas op met de letters A. D. L. L., die zonder ver te zoeken, beteekenen: Agricola Dicavit Libens Lubens.”

„Gewis, mijnheer, want de Nederlandsche oudheidkenners verklaren Caligula voor den stichter van een vuurtoren, enkel op het gezag der letters C. C. P. F., welke zij uitleggen: Cajus Caligula Pharum Fecit.

„Zeer juist, en men heeft het altijd voor de juiste uitlegging gehouden. Ik zie wel dat wij iets van u zullen maken, zelfs eer ge nog een bril draagt ofschoon gij de sporen van het schoone kamp, op het eerste gezicht eenigzins onduidelijk vondt.”

„Door den tijd, mijnheer, en met goed onderricht. –”

„Zult gij leeren? – Daar twijfel ik niet aan. Bij uw eerst volgende bezoek op Monkbarns, zal ik u iets ter lezing geven; mijn kleine verhandeling „over de Kunst van Legerplaatsen aan te leggen,” met eenige bijzondere „Aanmerkingen over de sporen van oude Verschansingen, onlangs door den Schrijver ontdekt in het kamp van Kinprunes. Ik geloof den onmiskenbaren toetssteen daarin aangewezen te hebben van hetgene men voor oudheden houdt. Ik stel vooraf eenige algemeene regels over den aard, van wat men in dergelijke gevallen als beslissend kan aannemen. Gelieve intusschen, bij voorbeeld, op te merken, dat ik mij zou kunnen bedienen van den beroemden dichtregel van Claudianus.

Ille Caledoniis posuit qui castra pruinis.

Want pruinis, ofschoon uitgelegd als rijp te bedoelen, waaraan ik beken, dat wij op deze noordoostelijke zeekust eenigzins onderhevig zijn, kan eveneens een plaatselijke benaming wezen, te weten; prunes; het castra Pruinis positum zou dan zijn het kamp van Kinprunes. Maar ik laat dat daar, uit vrees, dat de woordenvitters daarin gelegenheid mochten vinden, om mijn Castra te doen neêrdalen tot den zoo veel lateren tijd van Theodosius, die eerst in 367, of daar omstreeks, door Valentinianus naar Brittanië gezonden werd. Neen, mijn lieve vriend, ik beroep mij op het oog der menschen; – is hier niet de Decumaansche poort? en daar zou, zonder de verwoesting van den noodlottigen ploeg, zoo als mijn geleerde vriend het uitdrukt, de Praetoriaansche poort zijn. – Aan uw linker hand kunt gij eenige sporen van de porta sinistra zien, en aan de rechter, één zijde van de porta dextra, bijna onverminkt! – Hier dan zullen wij ons plaatsen, op dezen tumulus, die de grondslagen bevat van verstoorde gebouwen, – het middelpunt, – zonder twijfel, het Praetorium van het kamp. Van deze plaats, nu slechts van het overige der verschansing te onderscheiden door haar geringe verhevenheid en groenere zoden, mogen wij veronderstellen, dat Agricola het onmetelijke leger der Caledoniërs heeft aanschouwd, dat de helling van genen tegenoverliggenden heuvel bezette, terwijl het voetvolk, op de hoogte verschijnende, in rijen [23]achter elkander, hun slagorde op het voordeeligste uitbreidde, volgens het terrein, en het paardevolk en de covinnarrii, waardoor ik versta die in de strijdwagens waren, een geheel andere soort van menschen dan de hedendaagsche Britsche Wagenmenners met hun vier paarden, – zich in de vlakte aan den voet van den berg bevonden.

– Zie dan, Lovel, – zie –

Zie, hoe die heerdrom ginds komt van ’t gebergte zinken!

De gulden rustingen als drakenschelpen blinken;

Hun tocht schijnt donderstorm, die alles stelt ter neêr –

Zie en aanschouw, en dan zie Rome nimmer weêr! –

„Ja, waarde vriend, van deze standplaats is het waarschijnlijk, – zelfs bijna zeker, – dat Agrippa gadesloeg, hetgeen onze Beaumont1 zoo voortreffelijk schildert! – Van dit zelfde Praetorium. –”

Een stem achter hem, brak eensklaps deze hoogdravende beschrijving af. – „Praetorium hier, Praetorium daar: mij heugt, dat men er aan werkte!”

Beiden keken te gelijk om, Lovel niet zonder verwondering, en Oldbuck met een mengeling van verrassing en verontwaardiging over zulk een onbeleefde stoornis. Een toehoorder was, ongezien en ongehoord, genaderd, terwijl de oudheidkenner in het midden zijner vurige beschrijving was, en Lovel beleefd en oplettend toeluisterde. Hij had het uiterlijk van een bedelaar; – een in de oogen gedrukten hoed met breeden rand; een langen witten baard, die zich met zijn grijze haren vereenigde; door den ouderdom sterk geteekende, maar krachtige en sprekende gelaatstrekken, die door weêr en wind donker bruin geverwd waren; een langen blauwen rok, met een blikken plaatje op den rechter arm; een paar zakken, dwars over den schouder geslagen, om de onderscheidene etenswaren te bergen, als hij liefdegiften ontving van hen, die weinig rijker dan hij zelf waren, – dit alles kondigde dadelijk den bedelaar van beroep aan, en een van die bevoorrechte klasse, welke men in Schotland „’s Konings genadelieden,” of wel eens Blauwrokken noemt.

„Wat zegt gij; Adam?” vroeg Oldbuck, in de hoop dat hem zijn ooren bedrogen hadden: „waar spreekt gij van?”

„Van dit werk, mijnheer!” antwoordde de onverschrokken Adam; „mij heugt, dat het aangelegd werd.”

„Dat het aangelegd werd? Oude gek! het was al klaar eer gij geboren waart, en het zal er wezen nadat gij gehangen zijt, man!”

„Gehangen of verzopen, hier of daar, levend of dood, – mij heugt, dat het aangelegd werd.”

„Gij, – gij,” – stamelde de oudheidkenner, even verlegen als vergramd, „gij zwervende landlooper, wat duivel weet gij er van?”

„Wel, ik weet er dit van, Monkbarns; en waarom zou ik u een leugen vertellen? – Ik weet er juist dit van, dat voor ongeveer twintig jaren, ik en een paar andere vlugge kerels en de metselaarsknechts, die den langen dijk dáár aanlegden, en een stuk of wat koeherders, ons aan het werk zetten, en dat kleine ding hier maakten, dat gij het, – het Praetorium noemt, en wel voor een feest bij de bruiloft van den ouden Aiken Drum, – en een lief werkje was het bij guur en regenachtig weêr! En ik weet er nog dit van; [24]als gij den omtrek opgraaft, zoo als het schijnt, dat gij reeds begonnen zijt te doen, zult gij een steen vinden, als gij hem niet al gevonden hebt, waarop een der metselaarsgezellen een lepel sneed, en om den ouden bruidegom te plagen, zette hij er vier letters op: A. D. L. L., dat is Aiken Drum’s Lange Lepel, want Aiken kwam uit Fife en was een baas in het eten.”

Lovel waagde het heimelijk een blik op onzen oudheidkenner te werpen; maar wendde dien snel af, met een gevoel van diep medelijden. Want, zoo iemand onzer lezers ooit een jong meisje van zestien jaren gadesloeg, wier droomen van trouwe liefde, bij een onverwachte ontdekking, in duigen vallen, of een knaapje, dat zijn kaartenhuisje door een kwaadwilligen makker ziet omver blazen, – wij kunnen hem gerust verzekeren, dat Jonathan Oldbuck van Monkbarns, zich even onnoozel voordeed, en niet minder verslagen daar stond.

„Er heeft hier een misverstand plaats,” zei hij, terwijl hij zich ijlings van den bedelaar afwendde.

„Volstrekt niet van mijn kant,” antwoordde de stugge bedelaar; „ik handel nooit in misverstanden; want die geven misrekeningen. – Nu, Monkbarns, deze jonge heer, – met uw verlof, bekommert zich weinig om een kerel als ik, en evenwel wed ik, dat ik hem zeggen zal, waar hij gisteren avond tusschen licht en donker geweest is, of hij moest liever niet hebben, dat ik in gezelschap van anderen daar over spreek.”

Het bloed vloog Lovel naar het gezicht, en hij bloosde als een jongeling van twee en twintig jaren.

„Stoor u niet aan den ouden schelm,” zei Oldbuck; „geloof niet, dat ik slechte gedachten van u heb, uithoofde van uw beroep; het zijn alleen vooringenomene dwazen en lafbekken, die daaraan onderhevig zijn. Gij herinnert u wat de oude Cicero, in zijn redevoering pro Archia poeta, van een uwer broederschap zeide. „Quis nostrum tam animo agresti acduro fuit, – ut – ut –” het latijn is mij ontschoten, ziehier, waar het op neêrkomt „wie onzer was zoo woest en onbeschaafd, dat hij niet aangedaan werd bij den dood van den grooten Roscius, wiens gevorderde leeftijd, ver van ons op zijn afsterven voor te bereiden, veeleer deed hopen, dat een zoo bevallige, zoo voortreffelijke man in zijn kunst van het algemeene lot der sterfelijken bevrijd zou blijven.” Dus sprak de Vorst der Redenaren van het tooneel en van hen, die het beoefenen.”

De woorden van den ouden heer troffen Lovels oor zonder eenigen bepaalden indruk op zijn geest te maken, daar hem de gedachte bezig hield, hoe of de oude bedelaar, die hem steeds met een tergende houding en een doordringend oog bleef aanzien, iets van hetgeen hem betrof, was te weten gekomen. Hij stak de hand in den zak, als het gereedste middel, om hem zijn verlangen te kennen te geven dat hij zwijgen moest, en terwijl hij hem een aalmoes gaf, eerder afgeperst door vrees dan door liefdadigheid, keek hij hem nadrukkelijk aan; hetgeen de bedelaar, die van beroep een gelaatkundige was, zeer goed scheen te verstaan.

„Zijt onbezorgd, mijnheer! ik ben geen praatjesmaker; maar er zijn meer oogen in de wereld, dan de mijne,” zei hij, terwijl hij Lovels gift in den zak stak, met zulk een zachte stem dat hij alleen het hooren kon, en met een blik die duidelijk te kennen gaf wat hij verder verzweeg. Toen zich naar Oldbuck wendende: – „Ik ga naar de pastorij, mijnheer. Heeft mijnheer daar iets te bestellen, of aan sir Arthur, want ik ga ook tegen den avond naar het kasteel van Knockwinnock?” [25]

Oldbuck ontwaakte als uit een droom, en zei, terwijl hij zijn aalmoes in Adams slappen, smerigen en gehavenden hoed legde, op een toon waarin hij zijn misnoegen trachtte te verbergen: „Ga, ga naar Monkbarns – laat men u daar iets te eten geven, – of wacht, – als gij naar de pastorij, of naar Knockwinnock gaat, behoeft gij niet te spreken van uw malle historie!”

„Hoe, ik? – God beware mij daarvoor, mijnheer! niemand zal daarvan iets uit mijn mond hooren, niet meer, dan of de kleine wal daar sedert Noachs zondvloed gestaan had. Maar, mijnheer, men zegt, dat gij aan Jan Howie akker tegen akker van uw best bouwland voor dit lapje heigrond gegeven hebt! Nu, als hij u wezenlijk het walletje voor een oud werk aangepraat heeft, dan geloof ik nooit, dat de koop gehandhaafd zal worden, als gij het voor den rechter wilt brengen, en zeggen dat hij u om den tuin geleid heeft.”

„Tergende schurk!” mompelde de verontwaardigde oudheidkenner in zich zelven, „ik wilde, dat ge onder beulshanden waart, dat uw rug er voor boette!” – en dan op zachteren toon, – „praat er niet meer van, Adam! – het is alles een misverstand!”

„Waarlijk, dat geloof ik ook,” vervolgde zijn plaaggeest, die vermaak scheen te scheppen om de smartelijke wonde meer en meer te vergrooten, „waarlijk, dat geloof ik ook, en niet lang geleden nog zei ik tegen de oude Gemmels: geloof nooit, vrouwtje, zei ik, dat Monkbarns zulk een domme streek zou begaan hebben, om een grond, die wel vijftig shillings den bunder waard is, voor iets te geven, dat geen halve shilling gelden zou. Neen, neen, zei ik, reken er op, dat de heer van Monkbarns gefopt is door dien schelm van een Jan Howie. „Maar, goede hemel, hoe kan dat wezen,” zei zij, „daar de heer van Monkbarns zoo geleerd in de boeken is, dat hij zijns gelijken niet in den omtrek heeft, en Jan Howie nauwelijks verstand genoeg heeft, om zijn koeien uit zijn moestuin te houden?” – Wel, zei ik, gij zult zien, dat hij misleid is door het een of ander van zijn oude vertelsels; – want gij weet wel, mijnheer, verleden nog met dat koperen Schotsche muntje, dat ge voor een ouden penning hieldt. –”

„Loop naar den duivel!” riep Oldbuck; maar voegde er toen, als iemand, die bewust is dat hij zich in de macht van zijn vijand bevindt, vriendelijk bij: „pak je weg naar Monkbarns; en als ik terug kom, zal ik u een flesch bier in de keuken zenden.”

„De Hemel beloone u, edele heer!” antwoordde Adam met de echte, nederige, klagende stem van een bedelaar, en terwijl hij zijn stok weder opnam, sloeg hij den weg in naar Monkbarns, maar zich omkeerende, zei hij: „Hebt gij ooit het geld weêrgekregen, dat gij den marskramer voor dat driestuiversstukje gaaft?”

„Verwenschte kerel! pak je weg!”

„Wel, wel, heer! God zegen ons! – Ik hoop, dat gij het ook van Jan Howie winnen zult, en dat ik het nog beleven en zien mag!” Met deze woorden verwijderde zich de oude bedelaar, den heer Oldbuck van herinneringen bevrijdende, die hem niets minder dan aangenaam waren.

„Wie is die praatzieke oude?” vroeg Lovel, zoodra de bedelaar hen niet meer hooren kon.

„O, een der plagen van het land. – Ik ben altijd tegen armgestichten en werkhuizen geweest; – ik geloof echter, dat ik er nu vóór zal stemmen, om dezen schurk opgesloten te krijgen. O, zulk een oude bedelaar leert u even goed kennen, als zijn tafel, – wordt zoo gemeenzaam als zeker beestje, [26]dat, volgens Shakespeare, liefde beteekent2, – waarmede zijn beroep hem wel eens in aanraking brengt. Wie hij is? – wel, hij is overal te huis; – hij is soldaat, liedjeszanger, en reizende ketellapper geweest, en nu is hij bedelaar. Ons dwaas volkje in de buurt bedierf hem, door om zijn grappen te lachen en steeds de kwinkslagen van Adam Ochiltree in den mond te hebben.”

„Hij is zonder twijfel zeer vrijmoedig, en dat is toch de ziel van de geestigheid.”

„O ja, vrijmoedig genoeg; hij bedenkt altijd de een of ander verwenschte, onwaarschijnlijke leugen, om iemand te sarren, zoo als die wartaal, welke hij zoo even uitsloeg; – niet, dat ik mijn verhandeling in het licht zal geven, eer ik de zaak grondig onderzocht heb.”

„In Engeland,” zei Lovel, „zou men zulk een bedelaar weldra den mond stoppen.”

„Ja, uw diakens en dienders met hun geesel, zouden weinig toegeeflijkheid voor zijn luimen toonen. Maar hier, waarachtig, is hij een soort van bevoorrechte kwelgeest; een der laatste staaltjes van den voormaligen Schotschen bedelaar, die zich tot een bepaalde streek beperkte, en de nieuwskramer, de liedjeszanger, en soms de geschiedkundige van het land was. Die schelm daar, kent meer oude balladen en overleveringen, dan eenig ander mensch in dit of de vier omliggende gemeenten. En, alles samengenomen,” vervolgde hij, bedarende, bij de opsomming van Adams goede eigenschappen, „de kerel heeft toch ook iets goeds. Hij droeg zijn hard lot steeds met frisschen moed, en het zou wreed zijn hem den troost te misgunnen van zich over zijn meer gelukkige medemenschen vroolijk te maken. Het genoegen om mij voor het lapje gehouden te hebben, zoo als gij jonge heeren het noemen zoudt, zal voor hem een paar dagen lang zoo goed als spijs en drank zijn. Maar ik moet terugkeeren, om hem op te zoeken, of hij zal zijn vervloekte praatjes het halve land door verspreiden.”

Met dit gezegde namen de twee vrienden afscheid van elkander; de heer Oldbuck ging naar zijn hospitium te Monkbarns, en Lovel vervolgde zijn weg naar Fairport, waar hij, zonder eenige verdere ontmoeting, aankwam.


1 Een Engelsch Tooneeldichter (geb. 1585, gest. 1615). Vert. 

2 Zie „Merry Wives of Windsor,” 1ste tooneel.