WeRead Powered by ReaderPub
De oudheidkenner cover

De oudheidkenner

Chapter 51: Documentgeschiedenis
Open in WeRead

About This Book

The narrative follows a young traveller who, while preparing for a short journey, becomes involved with an elderly, eccentric collector of historical curiosities and the colourful local people around him. Episodes combine gentle comedy of manners, vivid local portraiture, and a developing mystery about old papers and contested property that spurs inquiries, disputes, and probes into ruins and records. A romantic strand and several reconciliations are woven through debates over authenticity, heritage, and changing tastes, and the work shifts between satirical sketches and more sincere reflections on memory, learning, and community.

[Inhoud]

Noten van den schrijver1

Noot A. Het verhaal van Grizelda Oldbuck.

De legende, door Grizelda Oldbuck verhaald, is gedeeltelijk ontleend aan de berichten van eene merkwaardige gebeurtenis, welke omstreeks zeventig jaren geleden in het zuiden van Schotland voorviel, en volgens welke zeker landeigenaar, in proces gewikkeld over het tiendrecht, ongeveer op dezelfde wijze, als in den tekst beschreven is, een gewichtig stuk terugvond, waarvan de beslissing van het rechtsgeding afhing.

Opmerkelijk is het, dat deze gebeurtenis ongelukkige gevolgen had voor den heer R–d, den persoon van wien sprake is; want hij gevoelde zich sedert dien tijd zoodanig verplicht, om altijd op zijne droomen te letten, dat zijne gezondheid en verstandelijke vermogens daardoor zeer verzwakt werden.

Noot B. Over de wijze om met de bakkers af te rekenen.

Oudtijds gebruikte men daartoe een stokje, waarop men telkens eene kleine insnijding maakte. Elke familie had een bijzonderen kerfstok, en bij de rekenkamer in Engeland werden zekere rekeningen op dezelfde wijze gehouden.

Noot C. De bezweringen van Dousterswivel.

Veel onzin van denzelfden aard als die, welke door den Hoogduitschen alchymist aan den dag gebracht werd, is te vinden bij Reginald Scott, in zijn werk Discovery of Witchcraft, 3de editie, Londen 1665.

Noot D. Over de vischrouwen.

In de visschersdorpen aan de Forth en de Tay, regeeren de vrouwen als in den tekst beschreven staat. Bij gelegenheid, dat de kusten van Schotland gedurende den laatsten oorlog met Frankrijk door de verschijning van eenige vreemde schepen verontrust werden, scheepten zich al de visschers onmiddellijk in aan boord van de kanonneersloepen, om den veronderstelden vijand tegen te gaan. De schepen bleken aan de Russen te behooren, en de schrik was onnoodig geweest; maar de landlieden van Mid-Lothian waren zoo tevreden over den ijver door de visschers aan den dag gelegd, dat zij hun een prachtigen zilveren Punch-bowl vereerden. [312]De vrouwen echter kwamen er tegen op, dat men vergeten had haar eenige eer aan te doen voor de toestemming, welke zij gegeven hadden, dat de mannen zich inschepen zouden, wat zonder hare goedkeuring niet zou gebeurd zijn. Deze eisch werd als geldig beschouwd en de dames ontvingen eene kostbare speld, om bij feestelijke gelegenheden door de koningin-vischvrouw te worden gedragen. Er heerscht ook eene strenge etikette onder deze zeenimfen, en men hoorde eene ervarene dame er onder over eene jongere klagen, „dat het een arm, onnoozel schepseltje was, dat nooit iets beters dan mossels te koop zou bieden.”

Noot E. Gevangenzetting voor schulden.

Hoe vreemd het ook klinke, is toch de theorie van Oldbuck over het gevangenzetten voor schulden juist die, welke bij het hoogste gerechtshof in Schotland in eene zaak, welke op 5 Dec. 1828 behandeld is, aangenomen werd.

Noot F. De slag bij Harlaw.

De groote slag bij Harlaw mag gezegd worden beslist te hebben, of het Gaëlische of het Saksische ras in Schotland de overhand zou behouden. De slag viel voor op 24 Julij 1411, tusschen Donald, Lord of the Isles, en zijne Hooglandsche troepen, en den graaf van Mar aan het hoofd der edellieden van Saksische en Normandische afkomst. Donald, die in de Laaglanden ingevallen was, werd genoodzaakt zich terug te trekken, en later zich aan den regent te onderwerpen.

Noot G. Over Elspeths dood.

Het sterven van een getrouwen knecht van den hertog van Roxburghe, heeft den schrijver de laatste woorden van Elspeth ingegeven. De arme man lag zieltogend aan eene leverkwaal, toen hij de bel hoorde, die hem vroeger naar de kamer van den pas overleden hertog riep. „Ik kom, ik kom!” stamelde hij, – en stierf.

Noot H. Schrik voor den inval der Franschen.

De omstandigheden van het valsch alarm, in den tekst beschreven, zijn naar daadzaken geschetst. Op den 2den Febr. 1804 viel eene dergelijke vergissing met een vuurbaak voor, en een gedeelte van het land werd in rep en roer gebracht.


1 In de eerste vertaling waren deze noten weggelaten: ik heb ze hier zeer verkort bijgevoegd, daar ze in het oorspronkelijke veel bevatten, dat van geen belang kon wezen voor den Hollandschen lezer. M. P. L. 

Colofon

De nieuwe omslagillustratie van dit eboek is hiermee aan het publieke domein verleend.

Codering

Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.

Documentgeschiedenis

  • 2026-01-06 Begonnen.