WeRead Powered by ReaderPub
De oudheidkenner cover

De oudheidkenner

Chapter 6: Vijfde Hoofdstuk
Open in WeRead

About This Book

The narrative follows a young traveller who, while preparing for a short journey, becomes involved with an elderly, eccentric collector of historical curiosities and the colourful local people around him. Episodes combine gentle comedy of manners, vivid local portraiture, and a developing mystery about old papers and contested property that spurs inquiries, disputes, and probes into ruins and records. A romantic strand and several reconciliations are woven through debates over authenticity, heritage, and changing tastes, and the work shifts between satirical sketches and more sincere reflections on memory, learning, and community.

[Inhoud]

Vijfde Hoofdstuk

Launcelot Gobbo. Geef acht! Nu zal ik een storm opwekken.

De koopman van Venetië.

De voorstellingen in den schouwburg te Fairport waren begonnen; maar er verscheen geen Lovel op het tooneel; ook was er eigenlijk niets in de kleeding of in het gedrag van den jongen heer van dien naam, dat den heer Oldbuck recht gaf te gissen, dat zijn reisgenoot als tooneelspeler om de volksgunst dingen wilde. De oudheidkenner ondervroeg geregeld een ouden barbier, die [27]de eenige pruiken, welke nog, in weêrwil van de belastingen1 en den heerschenden smaak, in het stadje gekruld en gepoederd werden, opmaakte, en tot dat einde zijn tijd tusschen de drie klanten verdeelde, die de mode hem overgelaten had; – geregeld, zeg ik, vroeg de heer Oldbuck dezen man, wat nieuws het tooneel van Fairport opleverde? dagelijks verwachtende, dat hij de aanstaande optreding van den heer Lovel vernemen zou, als wanneer hij besloten had, zich, ter eere van zijn jongen vriend, op onkosten te jagen, en niet alleen zelf naar den schouwburg te gaan, maar er zijn zuster en nicht ook heen te brengen. Doch de oude Jacob Caxon meldde hem niets, wat hem tot den gewichtigen stap van plaatsen te bespreken, kon verleiden.

Hij berichtte integendeel, dat er zich te Fairport een man ophield, die een raadsel was voor de gansche stad (waardoor hij de ledigloopers verstond, die, bij gebrek van eigen bezigheden, zich met die van anderen bemoeien). Hij zocht geen omgang, maar vermeed veeleer dien, welke hem, wegens zijn goede manieren, en wellicht ook uit nieuwsgierigheid, aangeboden werd.

Niets kon geregelder zijn, of geleek minder op een fortuinzoeker, dan zijn wijze van leven, die zoo eenvoudig, maar tevens zoo geregeld was, dat allen, met wie hij te doen had, hem als uit één mond prezen.

„Dit zijn geen deugden van een tooneelheld,” dacht Oldbuck bij zich zelven, en hoewel door gewoonte hardnekkig in zijn eenmaal opgevatte gevoelens, had hij ze nochtans in dit geval moeten laten varen, zoo niet Caxon, onder anderen gezegd had dat: „men soms den jongen heer in zijn eenzaamheid hardop hoorde spreken, en in zijn kamer rondstappen, juist alsof hij tot den troep behoorde.”

Deze éénige omstandigheid echter uitgezonderd, was er niets, dat den heer Oldbuck in zijn gevoelen bevestigen kon; en het bleef steeds een hoogstbelangrijke en raadselachtige vraag, wat een welopgevoed jonkman, zonder vrienden, zonder betrekkingen, en zonder eenige beroepsbezigheden, te Fairport te doen had. Hij scheen even weinig smaak te vinden in het drinken van Portwijn, als in het whist-spelen. Hij bedankte er voor, aan de tafel der afdeeling vrijwilligers, die onlangs opgericht was, te eten, en hij weigerde de feesten bij te wonen der beide partijen, die toen het stadje Fairport, gelijk andere meer voorname plaatsen, verdeelden. Hij was te weinig aristocraat, om zich bij het genootschap der Koninklijke Echtblauwen te voegen, en niet democraat genoeg, om zich met de vereeniging der zich noemende Vrienden van het Volk te verbroederen, die de stad insgelijks het geluk had in haar midden te bezitten. Van de koffijhuizen had hij een bepaalden afkeer, en, ik zeg het met leedwezen, voor de theegezelschappen gevoelde hij geen grootere sympathie. In het kort: sedert de naam van Lovel in romans en schouwspelen gebruikt werd, en dit is reeds lang, is er nooit een heer Lovel geweest, van wien men zoo weinig stelligs wist, en die zoo algemeen alleen door negatieve hoedanigheden uitmuntte.

Maar er was één zeer gewichtige negatieve hoedanigheid onder: niemand wist iets ten nadeele van den heer Lovel; want had er het minste bestaan, dan was het weldra ruchtbaar geworden, daar de natuurlijke zucht, om kwaad van zijn buren te spreken, in dit geval, niet zou gematigd zijn geworden door eenig medelijden met zulk een ongezellig schepsel als hij was. [28]Één omstandigheid maakte hem echter eenigzins verdacht. Bij zijn eenzame wandelingen werd zijn potlood veel gebruikt, en uit meer dan één gezichtspunt had hij de haven van Fairport met den seintoren, ja zelfs met de batterij van vier stukken er bij afgeteekend, wat van eenige kwaadwilligen het gerucht hadden doen uitgaan, dat de geheimzinnige vreemdeling zeker een Fransche spion was. De Sheriff maakte dus bij den heer Lovel zijn opwachting; maar na dit bezoek scheen deze alle vermoedens bij den overheidspersoon te hebben doen verdwijnen, daar deze hem niet alleen verder ongestoord liet, maar ook, zoo als geloofwaardige berichten meldden, tweemaal aan zijn tafel noodigde, waarvoor Lovel echter telkens beleefd bedankte. Den aard nochtans van het gehouden gesprek hield de magistraatspersoon geheim, zoowel voor het publiek in het algemeen, als voor zijn substituut, zijn klerk, zijn vrouw en zijn twee dochters, die anders zijn geheime raad uitmaakten in alle zaken, die tot zijn ambt behoorden.

Daar al deze bijzonderheden door Caxon getrouw aan zijn patroon overgebracht werden, rees Lovel in de achting van zijn voormaligen reisgenoot. „Een bescheiden, verstandig jongmensch,” zei hij bij zichzelven, „die het beneden zich acht in de dwaasheden en ongerijmdheden van het volkje van Fairport te deelen. Ik moet iets voor hem doen, – ik moet hem ten eten noodigen. – Ik zal Sir Arthur schrijven op Monkbarns te komen, om kennis met hem te maken; ik moet dit evenwel met mijn vrouwenvolk overleggen.”

Na gehouden raadsvergadering, werd er een bijzondere bode, namelijk niemand anders dan Caxon zelf besteld, om naar het Kasteel van Knockwinnock te gaan, met een brief „voor den Hoogwelgeboren Heer Arthur Wardour van Knockwinnock, Baronet.” De inhoud daarvan luidde aldus:

„Mijn waarde Sir Arthur!

„Dinsdag den 17den dezer, s. n. houd ik een Caenobitisch symposion op Monkbarns, en ik verzoek u, met klokslag van vier, daarbij tegenwoordig te wezen. Kan en wil mijn schoone vijandin, Freule Isabella, ons de eer aandoen van u te vergezellen, zoo zal mijn vrouwenvolk maar al te trotsch zijn op de hulp van zulk een bondgenoote in zaken van weêrstand tegen wettige tucht en rechtmatig oppergezag. Zoo niet, zend ik mijn vrouwen dien dag naar de pastorij. Ik heb een jongen vriend, dien ik u wenschte voor te stellen, wiens aard boven de lichtzinnigheid van dezen tijd verheven is, – die ouderen van dagen eerbiedigt, en tamelijk wel bekend is met de klassieke schrijvers. – En daar zulk een jongeling een natuurlijken afkeer van het volkje te Fairport hebben moet, wenschte ik hem in eenig niet minder verstandig dan vereerend gezelschap te brengen. Ik ben, waarde Sir Arthur; enz. enz. enz.”

„Haast u met dezen brief, Caxon!” zei de oude heer, terwijl hij hem het stuk signatum atque sigillatum voorhield; „spoed u naar Knockwinnock, en breng antwoord terug. Ga zoo snel, alsof de vergaderde Stads-Raad op den Provoost, en de Provoost op u en zijn versch gepoederde pruik zat te wachten.”

„Och, mijnheer,” antwoordde de bode, met een diepen zucht, „die tijden zijn lang voorbij. Geen Provoost van Fairport heeft een pruik gedragen na den tijd van den ouden Provoost Jervie, – en die had nog een heks van een meid, die de pruik opmaakte met behulp van een eindje kaars en wat meel. Maar mij heugen de dagen, Monkbarns, dat de Stedelijke-Raad van Fairport veel liever hun stadsschrijver, of hun slokje brandewijn na de [29]zittingen zou gemist hebben, dan elk hunner een bepoederde, goed gekrulde eerbiedwaardige pruik op zijn hoofd! Och, mijnheer, geen wonder, dat de gemeente ontevreden is en zich tegen de wet verzet, als men de Raadslieden de Baljuwen, de Dekens en de Rechters zelven, met hoofden ziet, zoo naakt en kaal als mijn pruikebol.”

„En van binnen even goed voorzien, Caxon! Maar pak je weg; – gij doorziet de openbare aangelegenheden zeer goed, en hebt zeker de oorzaak van onze volksonlusten even juist gevat als de Provoost zelf het zou kunnen doen. Maar pak je nu weg, Caxon!”

En Caxon vertrok, en begon zijn tocht van ongeveer een uur gaans.

„Hij hompelde – maar ’t hart was koen:

Hij deed zijn best, – kon hij meer doen?”

Terwijl hij den heen- en terugtocht aflegt, zal het niet ongepast zijn, dat wij den lezer eenigzins bekend maken met den voornamen heer, bij wien hij als afgezant geaccrediteerd was.

Wij hebben reeds vroeger gezegd, dat de heer Oldbuck weinig omging met de edellieden uit den omtrek, één enkel slechts uitgezonderd. Deze was Sir Artur Wardour, een Baronet van zeer oude afkomst, en van een groot, maar bezwaard vermogen. Zijn vader, Sir Anthonius, was den huize Stuart toegedaan, anders gezegd, een Jacobiet geweest, en had de meeste geestdrift voor die partij aan den dag gelegd, zoo lang deze maar met woorden te dienen was. Niemand kon een Oranjeappel met zulke veelbeteekenende gebaren uitpersen,2 of behendiger een gevaarlijken toast instellen, zonder vat op zich te geven voor een openlijke aanklacht, en vooral dronk er niemand met langer en smakelijker teugen op het welgelukken van de goede zaak. Maar, bij het naderen van het Hooglandsche leger, in het jaar 1715, scheen het, dat de ijver van den waardigen Baronet eenigzins begon te bedaren, juist toen zijn vuur zijn partij het meest te baat zou zijn gekomen. Hij sprak inderdaad zeer veel van te veld te trekken voor de rechten van Schotland en van Karel Stuart; maar zijn ruiters zadel paste slechts op één zijner paarden, en dat paard was bij geen mogelijkheid in het vuur te krijgen. Wellicht deelde zijn edele meester den angst van het sluwe ros, en begon hij te bedenken, dat hetgeen het paard zóó afschrikte, den ruiter zeer slecht zou kunnen bekomen. Hoe het zij, terwijl Sir Anthonius Wardour pochte, dronk en aarzelde, trok de dappere Provoost van Fairport, (die, zoo als wij reeds vermeld hebben, de vader van onzen oudheidkenner was,) aan het hoofd eener bende Whigsgezinde burgers, uit het oude stadje op het onverwachts op, en maakte zich eensklaps, in naam van Koning George II, meester van het Kasteel van Knockwinnock, van de zich aldaar bevindende vier koetspaarden en van den eigenaar zelven. Sir Anthonius werd kort daarop, benevens zijn zoon Arthur, toen nog een jongeling, op schriftelijk bevel van het ministerie, naar den Tower te Londen vervoerd. Vader en zoon herkregen nochtans weldra hun vrijheid, want niets deed zich tegen hen voor, dat naar een openlijke daad [30]van hoogverraad geleek, en beiden keerden naar hun Kasteel van Knockwinnock terug, waar ze op nieuw toasten met volle bekers dronken, en verder den mond vol hadden van hun lijden voor de koninklijke zaak. Dit werd zulk een stokpaard van Sir Arthur, dat zelfs, na den dood van zijn vader, de onbeëedigde3 huiskapelaan geregeld placht te bidden voor het herstel van den rechtmatigen souverein, voor den val van den overweldiger, en voor de verlossing van hun wreede en bloeddorstige vijanden, hoewel zelfs het denkbeeld van eenig verzet tegen het Huis van Hannover reeds lang verdwenen was, en dit verraderlijke formulier eerder uit gewoonte gebezigd werd, dan dat men er eenig bepaald denkbeeld aan hechtte. Dit was zoo stellig het geval, dat de edele ridder, omstreeks het jaar 1770, ter gelegenheid van een betwiste verkiezing in het graafschap, plechtig den eed van getrouwheid aan de nieuwe dynastie aflegde, om een vriend, waarvoor hij zich in de bres stelde, te dienen; – verzakende dus den vorst, wiens herstelling hij wekelijks van den Hemel vroeg, en den overweldiger erkennende, om wiens onttrooning hij nooit nagelaten had eveneens te smeeken. En om ons dit droevig voorbeeld van menschelijke omstandigheid nog treffender te maken, ging Sir Arthur voort met voor het huis van Stuart te bidden, zelfs nadat het geslacht uitgestorven was, en terwijl hij, hoezeer hij het in zijn theoretische koningstrouw als nog aanwezig beschouwde, zich overigens in al zijn daden en bedrijven wezenlijk een allerijverigst en toegenegen onderdaan van George III betoonde.

In andere opzichten leefde Sir Arthur, zoo als de meeste landedellieden in Schotland; – hij jaagde en vischte, – gaf en bezocht maaltijden, – woonde wedrennen en kiesverzamelingen bij, – was vice-gouverneur van de graafschap en koninklijke commissaris voor de straatwegen. Maar toen hij, bij toenemende jaren, te traag of te onbehendig werd voor de jacht en andere dergelijke vermaken, verving hij die door nu en dan in de Schotsche geschiedenis te lezen, en na langzamerhand eenigen smaak voor oudheden verkregen te hebben, die echter niet zeer gevormd, noch zeer fijn was, werd hij gemeenzaam met den heer Oldbuck van Monkbarns, en diens medehelper in zijn oudheidkundige navorschingen.

Er bestonden nochtans tusschen deze twee zonderlingen eenige punten van verschil die soms aanleiding gaven tot oneenigheden. Het geloof van Sir Arthur, als oudheidkundige, was onbegrensd, terwijl de heer Oldbuck (in weêrwil van het geval het Praetorium in het kamp van Kinprunes), veel huiveriger was om oude overleveringen voor echte, gangbare munt aan te nemen. Sir Arthur zou zich schuldig gevoeld hebben aan de misdaad van hoogverraad, als hij het bestaan wezenlijk betwijfeld had van één der honderd en vier koningen van Schotland, wier beeltenissen noch steeds in de galerij van Holyrood grimmig van de muren staren en welke de geduchte lijst vullen, (door Boethius aangenomen en door Buchanan klassiek gemaakt,) waarop Jacobus VI de aanspraak grondde, om over zijn aloud koningrijk te heerschen. Oldbuck echter, een slim en achterdochtig man, en geenzins een eerbiediger van het goddelijke erfrecht, was geneigd om op die gewijde lijst te vitten, en te verzekeren, dat de optocht van het nageslacht van Fergus in de Schotsche geschiedrol [31]even onecht en verdicht was, als de reeks van Banquo’s nakomelingen, die in den heksenspelonk, in Macbeth optreden.

Een ander teeder punt was de goede naam van Maria Stuart welken de baronet op het ridderlijkst handhaafde, terwijl de heer Oldbuck dien, in weêrwil van Maria’s schoonheid en wederwaardigheden, hevig bestreed. En kwamen ze ongelukkig op de gebeurtenissen van nog latere tijden, dan leverde bijna elk blad der geschiedenis stof op tot oneenigheid. Oldbuck was, uit grondbeginsel, een echte Presbyteriaan, een ouderling van de kerk, de beginselen der omwenteling en der protestantsche erfopvolging genegen; Sir Arthur, daarentegen, juist het tegenovergestelde. Zij stemden, wel is waar, overeen, in plichtmatige liefde en trouw voor den souverein, die nu den troon bekleedde; maar dit was ook het eenige punt van overeenstemming. Er ontstond dus dikwijls een woordenstrijd tusschen de heeren, en dan kon Oldbuck niet altijd zijn scherpen, spotachtigen luim bedwingen; terwijl het den baronet soms toescheen, dat de afstammeling van een Duitschen boekdrukker, wiens voorouders verachtelijken omgang met geringe burgers hadden, te ver ging, en zich te veel vrijheid in het redetwisten veroorloofde tegenover iemand van zijn rang en van zijne afkomst. Dit en de vroeger gepleegde vijandelijkheden met de koetspaarden, en het gewelddadig innemen van zijne residentie en burg, door den vader van den heer Oldbuck kwamen wel eens bij hem op, en deden ter zelfder tijd zijne wangen en sluitredenen gloeien. De heer Oldbuck eindelijk, beschouwde zijn waardigen vriend en makker, in sommige opzichten, als niet veel beter dan een dwaas, en gaf hem deze ongunstige gedachte wel eens duidelijker te kennen, dan de regels der hedendaagsche beleefdheid gedoogen. Bij zulke gelegenheden, scheidden zij dikwijls hevig verbitterd, en met het besluit, om voortaan elkanders omgang te mijden:

„Maar de morgendauw bracht kalmte in de ziel;”

en daar beiden gevoelden, dat het gezelschap van den andere, door gewoonte hem onmisbaar was geworden, herstelde zich de vrede weldra. In zulke gevallen toonde Oldbuck, die de ontevredenheid van den Baronet even als het pruttelen van een kind opnam, gewoonlijk zijn meerder gezond verstand, en deed mededoogend de eerste stappen ter verzoening. Maar een paar maal was het gebeurd, dat de aristocratische trots van den oudadellijken ridder het eergevoel van des boekdrukkers naneef diep beleedigd had; en toen zou misschien de vredebreuk tusschen deze twee zonderlingen onherstelbaar geworden zijn, zonder de vriendelijke pogingen en de tusschenkomst van des Baronets dochter, Isabella Wardour, die, benevens een zoon, thans buitenslands in krijgsdienst, de eenige overblijvende spruiten van zijn geslacht waren. Zij wist zeer goed, hoe onmisbaar de heer Oldbuck voor haren vader was, en zelden mislukten hare pogingen, als hare tusschenkomst noodzakelijk geworden was door de spottende schalkachtigheid van den een, en de aangematigde meerderheid van den andere. Onder Isabella’s zachten invloed, werd het onrecht Koningin Maria aangedaan, door haren vader vergeten, en de heer Oldbuck vergat de lastertaal, die de nagedachtenis van Koning Willem beleedigde. Maar daar zij bij dergelijke geschillen steeds lachende de partij van haren vader nam, placht de heer Oldbuck Isabella zijne „schoone vijandin” te noemen; ofschoon hij inderdaad meer werk van haar maakte, dan van iemand anders van hare sekse, die, zoo als wij zagen, hij niet uitermate vereerde. [32]

Nog eene andere betrekking vereenigde en verwijderde beurtelings de vrienden. Sir Arthur wenschte altijd geld op te nemen; de heer Oldbuck was niet altijd geneigd te leen te geven. De heer Oldbuck, daarentegen, wenschte steeds geregeld betaald te worden; Sir Arthur was niet altijd, en zelfs niet dikwijls, in staat, om aan dit rechtmatig verlangen te voldoen; en bij het regelen van zulke verschillende belangen, ontstonden er nu en dan kleine twisten. Over het geheel nochtans, heerschte er tusschen hen een geest van onderlinge verdraagzaamheid, en zij gingen hun weg, even als gekoppelde honden, eenigzins lastig, soms knorrende, maar zonder tot een bepaalden stilstand te komen, of elkander te worgen.

Een klein misverstand van dezen aard, aan geldzaken of staatkundige twisten toe te schrijven, had juist tusschen de geslachten van Knockwinnock en Monkbarns plaats gehad, toen de bode van den laatstgemelde aankwam, om zijn last op Knockwinnock te volbrengen. Hier, in zijne oude Gothische huiskamer, welker vensters aan den eenen kant op den golvenden oceaan, en aan den anderen op de lange, rechte laan van het kasteel uitzagen, zat de Baronet, nu eens in een foliant te bladeren, en dan eens droevig de zonnestralen waar te nemen, schitterende op het loof en de stammen der breedgetakte lindebomen, waarmede de weg bepoot was; toen hij eindelijk, tot zijne vreugde, een levend wezen ontdekte, dat tot de gewone vragen noopte „Wie is dat? en wat mag hij te doen hebben?” – De oude, witachtig grijze rok, de strompelende gang, de half in de oogen gedrukte schuinstaande hoed, kondigden den eenigen pruikmaker aan, en liet slechts de tweede vraag ter beantwoording over. Deze werd dan ook weldra opgelost door een knecht, die de kamer binnentrad met de woorden: „Een brief van Monkbarns, mijnheer!”

Sir Arthur nam den brief met gemaakte deftigheid aan.

„Breng den ouden man in de keuken en geef hem eenige verfrissching,” zei Isabella, wier deelnemend oog reeds het grijze haar en den vermoeiden gang opgemerkt had.

„De heer Oldbuck, mijne lieve, verzoekt ons te eten, op Dinsdag den 17den,” zei de Baronet na een kort stilzwijgen; – „waarlijk! hij schijnt te vergeten, dat hij zich laatst niet zoo beleefd jegens mij gedragen heeft, als men wel zou hebben mogen verwachten.”

„Gij hebt, lieve vader,” antwoordde zijne dochter, „zoo veel vooruit op den goeden heer Oldbuck, dat het niet te verwonderen is, zoo het hem tusschenbeiden eenigzins verdrietig maakt; maar ik weet, dat hij uw persoon en uw omgang zeer hoog schat; niets zou hem meer grieven, dan wanneer hij in wezenlijke beleefdheid ten uwen opzichte te kort schoot.”

„Dat is waar, Isabella, en men moet toegeeflijk zijn wegens zijne afkomst. Er stroomt nog steeds in zijn bloed iets van de Duitsche lompheid; iets van van de Whigsche, stijfhoofdige tegenkanting tegen erfelijken stand en voorrechten. Gij zult opgemerkt hebben, dat hij, in onze twisten, nooit eenig voordeel op mij behaalt, dan wanneer hij zich bedient van zijne nietsbeduidende kennis van dagteekeningen, namen en beuzelachtige daadzaken; een vervelend, ijdel, kleingeestig en werktuigelijk geheugenwerk, enkel de vrucht van zijne gemeene afkomst!”

„Hij moet ze toch zeker nuttig vinden in zijne historische navorschingen, vader!”

„Het brengt hem tot eene onbeleefde en beslissende wijze van redetwisten, en niets komt mij onredelijker voor, dan hem zelfs Bellenden’s kostelijke overzetting van Hector Boecius, die ik bezit, – een foliant met Gothische [33]letter van zeer groote waarde, te hooren afkeuren, op het gezag van een oud perkament, dat hij onttrok aan zijne bestemming, toen het tot een kleêrmakers maat stukgesneden zou worden. En, buitendien, die lastige nauwkeurigheid in kleinigheden geeft hem de gewoonte, om alle zaken op zijn koopmans te behandelen, wat beneden de waardigheid is van een landeigenaar, wiens familie reeds sedert twee of drie geslachten hier gevestigd is. – Ik twijfel zeer, of er wel één winkelier te Fairport is, die beter eene interestrekening kan opmaken, dan Monkbarns.”

„Maar gij zult zijne uitnoodiging toch aannemen, vader?”

„Wel ja – ja! wij hebben toch nergens anders ons woord gegeven, voor zoo ver ik weet. Maar wie kan die jonkman zijn, van wien hij spreekt? Hij maakt zelden nieuwe kennissen: en ik hoorde nooit, dat hij eenige bloedverwanten had.”

„Waarschijnlijk een naastbestaande van zijn zwager, kapitein Mac Intyre.”

„Zeer mogelijk! Ja, wij zullen de uitnoodiging aannemen; de Mac Intyres zijn van een zeer oud Hooglandsch geslacht. Gij kunt de uitnoodiging aannemen, Isabella! Ik zelf heb geen tijd, om „waarde vriend enz.” te schrijven.”

Deze gewichtige zaak dus geregeld zijnde, berichtte Freule Wardour, met hare eigene en Sir Arthurs groeten, dat zij de eer zouden hebben den heer Oldbuck volgens zijne uitnoodiging te bezoeken. Zij voegde er schertsende, bij, dat zij zich van deze gelegenheid zou bedienen, om hare vijandelijkheden met den heer Oldbuck te hervatten, uithoofde zijner lange afwezigheid van Knockwinnock, waar zijne bezoeken zoo aangenaam waren. Met dit placebo besloot zij haar briefje, en de oude Caxon, thans uitgerust en verkwikt, begon daarmede zijn terugtocht naar het Hospitium van den oudheidkenner.


1 Onder de meest impopulaire belastingen van dien tijd in Engeland, was die op het haarpoeder. M. P. L. 

2 Een wijze van hun afkeer voor de dynastie van Oranje uit te drukken, welke de aanhangers der Stuarts bij alle gelegenheden zochten aan den dag te leggen. M. P. L. 

3 De Jacobieten, of aanhangers van den in 1688 verdreven Koning Jacob III, weigerden den eed aan de nieuwe Koningen, en zonderden zich af, ten einde niet voor hen te bidden, tot aan den dood van den laatsten Pretendent in 1788.