WeRead Powered by ReaderPub
De oudheidkenner cover

De oudheidkenner

Chapter 7: Zesde Hoofdstuk
Open in WeRead

About This Book

The narrative follows a young traveller who, while preparing for a short journey, becomes involved with an elderly, eccentric collector of historical curiosities and the colourful local people around him. Episodes combine gentle comedy of manners, vivid local portraiture, and a developing mystery about old papers and contested property that spurs inquiries, disputes, and probes into ruins and records. A romantic strand and several reconciliations are woven through debates over authenticity, heritage, and changing tastes, and the work shifts between satirical sketches and more sincere reflections on memory, learning, and community.

[Inhoud]

Zesde Hoofdstuk

Bij Wodan, bij der Saksen God,

Van waar de Woensdag komt, – dat is de Wodansdag, –

Trouw is een deugd, die ’k altijd aan zal kleven

Tot aan den laatsten dag, dat ik ten grave daal! –

Cartwright.

Onze jonge vriend Lovel, die eene dergelijke uitnoodiging ontvangen had, nam het bepaalde uur nauwkeurig in acht en kwam den 17den Juli ongeveer vijf minuten voor vier, te Monkbarns aan. Het was zeer zoel in de lucht, en van tijd tot tijd waren er groote regendruppels gevallen, ofschoon het dreigende onweder thans overgetrokken was.

De heer Oldbuck ontving hem bij de Palmerspoort, in zijne bruin lakensche kleeding, grijze zijden kousen, en eene gepoederde pruik, waaraan de oude Caxon, die het middagmaal geroken had, al zijne behendigheid had besteed, terwijl hij wel zorg gedragen had om zijne taak niet te voleindigen, eer het etensuur gekomen was. [34]

„Welkom in mijn huis, mijnheer Lovel! Laat ik u nu mijne Clogdogdo’s, zoo als Thomas Otter haar noemt, mijn ongelukkig en tot niets nuttig vrouwvolkje voorstellen, – maliae bestiae, mijnheer Lovel!”

„Ik zal zeer teleurgesteld zijn, mijnheer, als ik niet bevind, dat de dames uwe spotredenen niet verdienen.”

„Praatjes, mijnheer Lovel, praatjes zeg ik; geene beleefdheden! Gij zult haar slechts zeer alledaagsche vrouwen vinden. – Maar hier zijn zij, mijnheer Lovel! Ik stel u dus, in behoorlijken vorm, mijne zeer bescheidene zuster Grizelda voor, die de eenvoudigheid zoowel als het geduld versmaadt, welke deugden anders met den goeden naam van Grizelda gepaard gaan; en mijne zeer voortreffelijke nicht Maria, – wier moeder Mary, soms ook Molly genaamd werd.”

De oudste dame ruischte in zijden en satijnen stoffen, en droeg op het hoofd een maaksel, naar het fatsoen van het modejournaal van het jaar 1770, – een prachtstuk der bouwkunst, – niet veel kleiner dan een hedendaagsch Gothisch kasteel, terwijl de haarlokken de torens, de zwarte haarspelden de Chevaux de Frise, en de strooken de banieren voorstellen konden. Haar gezicht, even als dat van de oude Vestabeelden met torens bekroond, was breed en lang, met spitsen neus en kin, en geleek overigens zoo sterk op de gelaatstrekken van den heer Jonathan Oldbuck, dat Lovel, als zij niet even als Sebastiaan en Viola, in het laatste tooneel van Shakespeare’s „Twelfth Night” beide te gelijk verschenen waren, wellicht de gedaante, die hij zag voor zijn vriend in vrouwenkleederen zou gehouden hebben. Een ouderwetsch gebloemd zijden kleedje versierde de gestalte van het zonderling wezen, dat den hoofdtooi droeg, die, naar het gevoelen van haren broeder, eerder geschikt was tot tulband voor een Mahomedaan, dan om door een redelijk schepsel, of eene fatsoenlijke Christenvrouw gedragen te worden. Twee lange, schrale armen waren op de hoogte der ellebogen door driedubbele kanten randen omgeven, en geleken, kruislings over elkander geslagen, en met lange schitterend vermiljoenkleurige handschoenen uitgedost, eenigzins op een paar zeekreeften. Schoenen met hooge hakken, en een kort zijden manteltje, losjes, over hare schouders geslagen, voltooiden het uiterlijk van mejufvrouw Grizelda Oldbuck.

Hare nicht, dezelfde die Lovel bij zijn eerste bezoek in het voorbijgaan, gezien had, was een mooi jong meisje, bevallig naar den smaak van den dag gekleed; zij had iets schalkachtigs in den blik, dat haar zeer goed stond, en misschien zijn oorsprong ontleende aan de spotachtige luim, die het geslacht van haren oom bijzonder eigen, maar bij overgang, in haar getemperd was.

De heer Lovel maakte zijn compliment bij de dames, en werd door de oudste beantwoord met de langdradige en statige hoffelijkheid van het jaar 1760, het rechtschapen tijdperk,

„Toen ’t volkje een half uur lang

Met bidden zich verheugde,

Eer de vrijdagsche kapoen

Vermeerderde ieders vreugde,”

door de jongste met eene buiging naar den nieuwen smaak, die, zoo tafelgebed der hedendaagsche geestelijken, veel korter duurde.

Onder dit weêrkeerig groeten, verscheen de Baronet, die zijn rijtuig weggezonden [35]had, met zijne schoone dochter onder den arm, aan de tuinpoort, en begroette de dames plechtig.

„Sir Arthur;” riep de oudheidkenner, „en gij mijne schoone vijandin, vergunt mij, dat ik u bekend make met mijn jongen vriend, den heer Lovel, een jongen heer, die bij de besmettelijke scharlakenkoorts, welke thans in ons eiland heerscht, den moed en de bescheidenheid heeft, om in een rok van deftige kleur te verschijnen. Maar de modeverw, die gij in de kleeding mist, ziet gij daarentegen op zijne wangen. Sir Arthur, vergun mij, dat ik u een jongen heer voorstelle, dien gij, bij nadere kennismaking, zult bevinden ernstig, verstandig, beleefd te zijn; een vriend der geleerdheid, zeer fatsoenlijk, door en door belezen, grondig bekend met al de verborgene geheimen der coulisses en van het tooneel, van David Lindsay’s tijden af, tot die van Dibdin; – hij bloost op nieuw, wat mijn gezegde staaft!”

„Mijn broeder,” zeide mejufvrouw Grizelda, zich tot den heer Lovel wendende, „heeft eene luimige wijze van zich uit te drukken, mijnheer! niemand gelooft iets van hetgeen Monkbarns zegt; – dus bid ik u, niet verlegen te wezen over zijne ongerijmdheden. Maar gij zult het zeer warm gehad hebben bij deze brandende zonnehitte, – zult gij niets gebruiken? – een enkel glaasje bessenwijn?”

Nog eer Lovel antwoorden kon, kwam de oudheidkenner tusschenbeide: „Pak u weg, heks! wilt gij mijne gasten vergeven met uwe helsche kooksels? Herinnert gij u niet, hoe het dien geestelijke ging, dien gij verleidde om dezen bedriegelijken drank te proeven?”

„O foei, foei, broeder! – Sir Arthur, hebt gij ooit iets dergelijks gehoord? – Alles moet naar zijn zin gaan, of hij bedenkt zulke histories! – Maar daar begint Jenny aan de oude klok te trekken, om ons te waarschuwen, dat het eten op tafel is.”

De heer Oldbuck, die zeer zuinig in zijne huishouding was, had geene mannelijke dienstboden. Dit verontschuldigde hij onder het voorwendsel, dat het mannelijke geslacht te edel was, om gebezigd te worden tot dergelijke werken van persoonlijke dienstbaarheid. „Waarom,” zeide hij gewoonlijk, „plunderde de jonge Thomas Rintherout, – dien ik, op den wijzen raad van mijne zuster, even wijs als zij zelve, op de proef nam, – waarom plunderde hij de appelboomen, en waarom haalde hij vogelnesten uit, brak hij glazen, en stal hij eindelijk mijn bril, dan omdat hij de edele eerzucht gevoelde, die in ’t hart van het mannelijk geslacht gloeit, – die hem, het geweer op schouder, naar Vlaanderen deed trekken, en buiten twijfel hem tot den roemrijken hellebaard van den sergeant, of wel aan de galg zal brengen? En waarom verricht die deerne, zijne eigene zuster, hetzelfde werk met behoedzamen en bedaarden tred, – geschoeid of barrevoets, – zacht als de stappen van eene kat, en daarbij volgzaam als een jachthond; – waarom? Alleen omdat zij hare bestemming volgt. Dat zij ons dan bediene, Sir Arthur! – Laat de vrouwen dienen, zeg ik; – het is het eenigste, waartoe zij geschikt zijn. Alle oude wetgevers, van Lycurgus af tot Mohammed, bij verbastering Mahomet genoemd, komen overeen, om haar in dien eigenaardigen en ondergeschikten rang te plaatsen, en het zijn slechts de verwarde hersens onzer ridderlijke voorvaderen geweest, die hunne Dulcinea’s tot den rang van despotieke meesteressen verhieven.”

Freule Wardour verzette zich luide tegen deze onhoffelijke leer; maar nu riep de klok tot den maaltijd.

„Laat mij al de plichten der hoffelijkheid vervullen jegens zulk eene schoone [36]tegenpartij,” zei de oude heer, haar den arm aanbiedende. „Ik herinner mij, Freule Wardour, dat Mohammed (gemeenlijk Mahomet) eenigzins aarzelde omtrent de wijze, om zijne volgelingen tot het gebed op te roepen. Hij verwierp de klokken, omdat de Christenen er zich van bedienden, de trompetten, als het sein gevende aan de Perzische Guebres, en bepaalde zich eindelijk tot de menschelijke stem. Ik heb eveneens rijp nagedacht over mijne oproeping ter maaltijd. De horens, nu werkelijk in gebruik, schenen mij eene nieuwigheid en van heidensche uitvinding, en de stem van het vrouwvolkje verwierp ik, als te scherp en wanluidend; ik heb mij dus, in tegenoverstelling van gezegden Mohammed, of Mahomet, weêr tot de klok bepaald. Zij is plaatselijk eigenaardig, daar zij het kloosterteeken gaf te dekken in de spijskamer, en zij heeft dit vooruit boven de tong van den eersten minister mijner zuster, Jenny, dat het gelui, ofschoon minder schel en scherp, ophoudt, zoodra men het touw loslaat; terwijl wij bij droevige ondervinding weten, dat elke poging, om Jenny te doen zwijgen, slechts het overeenstemmend klokkenspel van Mejufvrouw Oldbuck en van Mary Mac Intyre in beweging brengt, om zich daarmede te vereenigen.”

Met deze woorden geleidde hij het gezelschap in de eetkamer, welke Lovel nog niet gezien had. Ze was met hout beschoten, en versierd door eenige zeldzame schilderijen. De tafel werd door Jenny bediend; maar eene oude huishoudster, eene soort van hofmeesteres, stond aan de schenktafel, en moest menige scherpe berisping van den heer Oldbuck, en niet minder bijtende woorden van zijne zuster verduren.

Het middagmaal was zoo als het een oudheidkenner van beroep voegde, en leverde menig hartelijk gerecht der oude Schotsche tafel op, dat thans in onbruik is bij diegenen, die op grootere weelde aanspraak maken. Men vond er de smakelijke Solangans, zoo sterkriekend, dat men die nimmer binnenshuis toebereidt. Deze werd niet eens half gaar op tafel gezet, zoodat Oldbuck dreigde, den vetten vogel naar het hoofd der nalatige huishoudster te werpen, die als bedienende priesteres optrad, om het geurige offer aan te bieden. Maar, gelukkig was de hutspot beter uitgevallen, en werd eenparig voor overheerlijk verklaard. „Hierin,” zeide Oldbuck verrukt, „wist ik, dat wij slagen zouden; want David Dibble, de tuinman (een oude vrijer even als ik), draagt zorg, dat de schelmsche vrouwen onze groenten in eer houden. En hier is visch en saus, en groenten; ik beken, dat ons vrouwvolkje in dien schotel uitmunt. Die geeft haar het vermaak van tweemaal ’s weeks een half uur lang met Maggie Mucklebackit, ons vischwijf, te kijven. – De kippenpastei, mijnheer Lovel, is naar een recept vervaardigd, dat mijne overleden grootmoeder mij naliet. – En als gij het wagen wilt, een glas wijn te nemen, zult gij dien den man waardig vinden, die den stelregel van Koning Alfonso van Kastilië naleeft: „oud hout om te branden, – oude boeken om te lezen, – oude wijn om te drinken, – en oude vrienden, Sir Arthur, – (Ei ja, mijnheer Lovel; en jonge vrienden er bij,) om meê te verkeeren!””

„En wat nieuws brengt gij mede uit Edinburg, Monkbarns?” zeide Sir Arthur, „hoe maken het de menschen in de oude stad?”

„Zij zijn dol, Sir Arthur, dol, – onherstelbaar waanzinnig; – noch zeebaden, noch kruinscheren, noch nieskruid zou hen helpen. De ergste soort van waanzin, een krijgszuchtige waanzin heeft mannen, vrouwen en kinderen aangetast.”

„En te rechter tijd, dunkt me,” zeide Isabella Wardour, „daar wij met inval van buiten en opstand van binnen bedreigd worden.” [37]

„O, daar twijfelde ik niet aan, dat gij u met de roodrokken tegen mij vereenigen zoudt. Vrouwen en kalkoenen laten zich altijd door een rood lapje vangen! – Maar wat zegt Sir Arthur, die van staande legers en Duitsche onderdrukking droomt?”

„Wel, ik zeg, mijnheer Oldbuck, dat, voor zoo ver ik in staat ben er over te oordeelen, wij ons verzetten moeten cum toto corpore regni, – zoo als het heet, als ik niet al mijn Latijn vergeten heb, – tegen een vijand, die ons eene soort van Whig-bestuur, een republikeinsch stelsel wil opdringen, en die geholpen en aangezet wordt door dweepers van den ergsten aard in ons eigen vaderland. Ik heb eenige maatregelen genomen, dat beloof ik u, zoo als die aan mijn rang in de maatschappij voegen; ik heb de dienders bevolen, den schelmschen ouden bedelaar, Adam Ochiltree aan te houden, omdat hij door de geheele gemeente misnoegen tegen kerk en staat verspreidt. Hij zeide ronduit tegen den ouden Caxon, dat de Schotsche pet van William Howie meer gezond verstand bedekte, dan de drie pruiken in de plaats, bij elkander! – Die toespeling is gemakkelijk te begrijpen! – Maar men zal den schelm betere manieren leeren.”

„O neen, lieve vader!” riep Isabella, „niet den ouden Adam, dien wij zoo lang gekend hebben! – Ik verzeker u, dat ik het den diender nooit vergeven zal, die zulk een bevel uitvoert.”

„Ei! daar hebt gij ’t,” zei de oudheidkenner: „gij, Sir Arthur, een onverzettelijke Tory, hebt eene fraaie spruit der Whigs in uw boezem opgekweekt. – Wel uwe dochter is alleen in staat, om eene geheele rechtbank werk te geven! Ja, zij is eene Boadicea, – eene Amazone – eene Zenobia!”

„En toch, met al mijn moed, mijnheer Oldbuck, ben ik blijde te vernemen, dat het volk naar de wapens grijpt.”

„Naar de wapens – de Heere zij u genadig! Hebt gij nooit de geschiedenis van zuster Margaretha gelezen, die uit een hoofd voortvloeide, dat ofschoon nu oud en grijs, meer gezond verstand en wereldkennis bevat, dan men heden ten dage in eene geheele Synode aantreft? Heugt u, uit dat uitnemend werk, de droom der min, dien zij met zulken doodsangst aan Hubble-Bubble verhaalt? – Wanneer zij in den droom een stuk linnen aanraakte, goede God! dan gaf het een slag als een kanonschot. Wanneer zij de hand aan den haspel bracht, richtte die zich tegen haar op in de gedaante van een pistool. Het ging mij te Edinburg, ten naasten bij, even zoo. – Ik liet mij bij een rechtsgeleerde aanmelden; ik vond hem in dragonders uniform, met helm en sabel, gelaarsd en gespoord, op het punt van zijn strijdros te bestijgen, dat zijn klerk (als scherpschutter gekleed) heen en weêr leidde voor de huisdeur. – Ik ging naar mijn zaakwaarnemer om hem te vragen, waarom hij mij bij een waanzinnigen rechtsgeleerde om raad gezonden had; hij had de veder, die in stillere dagen tusschen zijne vingers speelde, op den hoed gestoken en vertoonde zich als artillerie-officier. – Mijn lakenkooper stond met de piek in de hand, als moest ze hem tot el dienen. De bankiersklerk, die mij een wissel uitbetalen moest, telde het geld tot driemaal toe verkeerd, daar hij slechts om de tempo’s-tellingen van de morgenexercitie dacht. Ik werd ziek, en zond om een heelmeester:

„Hij kwam, – maar was omgord met een zoo groot rapier,

Hij zag zoo barsch, en had een’ blik zoo grimmig fier,

Dat ik den wondarts gansch vergat,

En nedrig om mijn leven bad!”

[38]

„Ik nam mijne toevlugt tot den geneesheer; maar ook deze scheen eene grootscher manier van doodslaan te willen uitoefenen, dan die waartoe zijn eigenlijk beroep hem den weg opende. En nu, sedert ik terug ben, zijn onze wijze buren te Fairport even dapper geworden. Ik haat een snaphaan, even als een aangeschoten eendvogel, en de trom als een Kwaker; – en ze donderen en ratelen ginds op de gemeenteheide, dat mij ieder schot en elke roffel aan het hart gaan.”

„Lieve broeder, spreek toch zoo niet van de heeren vrijwilligers! – De uniform, die zij dragen, staat hun zeer goed. Ik wil wedden, dat zij verleden week tweemaal tot op het lijf toe nat zijn geweest; – ik zag hen binnentrekken onder een verschrikkelijken stortregen, en er waren er onder, die een leelijken hoest hadden. – En de moeite, die zij zich geven, eischt onze dankbaarheid.”

„En ik weet zeker,” zeide Mary, „dat mijn oom twintig guinjes zond, om hen te helpen uitrusten.”

„Dat was om drop en kandijsuiker te koopen,” antwoordde de Cynicus, „om den handel van Fairport te bevorderen, en om de keelen der officieren te verfrisschen, die zich schor geschreeuwd hadden in den dienst van het vaderland.”

„Pas op, Monkbarns!” viel de Baronet hem in de rede, „dat wij u niet onder de verdachten plaatsen.”

„Neen, Sir Arthur, ik doe niets dan knorren. Ik eisch alleen het recht om hier in mijn eigen hoek te kwaken, zonder mijne stem te voegen bij het groote koor der broeders in het moeras. – Ni quito Rey, ni pongo Rey. – „Ik maak, noch benadeel Koningen,” zoo als Sancho zegt, maar bid hartelijk voor onzen Souverein, betaal mijne belastingen, en knor op de commiezen. – Maar de schapenkaas komt daar juist van pas; ze is beter voor de spijsvertering, dan de staatkunde.”

Toen het eten gedaan was en de wijnflesschen op tafel geplaatst waren, stelde de heer Oldbuck voor een beker op het welzijn van den Koning te ledigen, wat èn Lovel èn de Baronet gaarne deden, – daar de oppositie van den laatste nog slechts in zijne verbeelding bestond, – en inderdaad niets meer was, dan de schim van eene schim.

Nadat de dames zich verwijderd hadden, traden de gastheer en Sir Arthur in onderscheidene hevige discussiën, – navorschingen, waaraan de jongere gast, het zij om de diepe geleerdheid, die ze vereischten, of om eenige andere reden, slechts zeer weinig deel nam, zoodat hij ten laatste als uit een diepen droom plotseling opgewekt werd door een onverwacht beroep op zijn oordeel.

„Ik laat het aan de beslissing van den heer Lovel over; hij werd in het noorden van Engeland geboren, en kent wellicht de plaats zelve.”

Sir Arthur geloofde niet, dat zulk een jong heer zich veel met dergelijke dingen zou hebben bemoeid.

„Ik ben van het tegendeel overtuigd,” zeide Oldbuck. – „Wat zegt gij er van, mijnheer Lovel? Spreek op, man, voor uw eigene eer!”

Lovel was in het moeielijk geval van te moeten bekennen, dat hij volstrekt niet wist, over welk onderwerp het gesprek en verschil liep, dat de heeren reeds een uur bezig gehouden had.

„God help den jongen! Hij heeft het hoofd vol muizennesten! – Hoe zou het ook anders kunnen zijn, als het vrouwvolkje toegelaten wordt? – Het duurt wel zes uren lang eer een jongen in staat is een verstandig woord te spreken! Wel man! er was eens een volk, genaamd de Piks –” [39]

„Juister Picten,” viel de Baronet in.

„Ik zeg de Pikar, Pihar, Piochtar, Piaghter of Peugtar,” schreeuwde Oldbuck; „zij gebruikten een Gothischen tongval.”

„Echt Celtisch,” hervatte de Baronet.

„Gothisch! Gothisch! daar wil ik op sterven!” hield Monkbarns vol.

„Ik begrijp, mijne heeren,” zei Lovel, „dat dit verschil gemakkelijk door de taalkenners te beslissen is, als er maar eenige sporen van die taal over zijn.”

„Er is slechts één woord overgebleven,” zei de Baronet; „dat echter, in weêrwil van de stijfhoofdigheid van den heer Oldbuck, het geschil beslist.”

„Ja, in mijn voordeel!” riep Oldbuck; „gij, mijnheer Lovel, zult uitspraak doen. – Ik heb den geleerden Pinkerton op mijne zijde!”

„Ik, den onvermoeiden en geleerden Chalmers, op de mijne.”

„Gordon kleeft mijn gevoelen aan!”

„Sir Robert Sibbald het mijne!”

„Innes is met mij!” schreeuwde Oldbuck.

„Ritson voelt geen twijfel!” juichte de Baronet.

„Inderdaad, mijne heeren, eer gij uwe krachten monstert, en mij met aanhalingen overlaadt, wenschte ik het betwistte woord te kennen.”

Benval,” luidde het ter zelfder tijd uit beider mond.

„Dat heet caput valli,” zei de Baronet.

„De kruin van den wal,” vertolkte Monkbarns.

Nu zweeg men stil. –

„Het is voorwaar een kleine grondslag, om er een stelsel op te bouwen!” merkte de scheidsman aan.

„Volstrekt niet,” zeide Oldbuck; „men vecht het best in een nauw strijdperk; – een van een duim breed is zoo goed als een van eene mijl, om een gezonden steek in toe te brengen!”

„Het is stellig Celtisch,” zei de Baronet; „de namen van alle heuvels in de Hooglanden beginnen met Ben.”

„Maar wat zegt gij van Val, Sir Arthur? is dat niet stellig het Saksische Wall?

„Het is het Romeinsche Vallum,” antwoordde Sir Arthur; „de Picten namen dat gedeelte van het woord over!”

„Neen, waarachtig niet! Als zij iets overnamen, moet het uw Ben geweest zijn, dat zij van hunne buren, de Britten van Strath-Cluyd, kunnen overgenomen hebben.”

„De Piks, of Picten,” zeide Lovel, „moeten eene zeer armoedige taal gehad hebben, daar er slechts één woord, van niet meer dan twee lettergrepen overig is, zoo als van weerskanten toegestaan wordt, en daarvan hebben zij nog ééne lettergreep uit eene andere taal moeten ontleenen. Het komt mij, mijne heeren, met eerbied gezegd, voor, dat het geschil zeer veel heeft van dat der twee ridders, die om het schild streden, waarvan de eene zijde wit, en de andere zwart was. Ieder uwer maakt aanspraak op de ééne helft van het woord, en schijnt de andere op te geven. Maar, hetgeen mij het meest bevreemdt, is de armoede van de taal, die zulke geringe sporen naliet!”

„Gij vergist u,” zeide Sir Arthur; „het was eene rijke taal, en zij waren een groot en machtig volk; – zij bouwden twee torens; één te Brechin, en één te Abernethy. De Pictische maagden uit het koninklijk geslacht werden bewaard in het Kasteel van Edinburg, van daar nog het Castrum Puellarum genaamd.”

„Eene kinderachtige uitlegging!” hernam Oldbuck, „en alleen uitgevonden, [40]om dat onnoozele vrouwvolkje eenig gewicht bij te zetten! Het droeg den naam van Maagdenkasteel, quasi lucus a non lucendo, omdat het alle aanvallen weêrstond, en de vrouwen dat nooit doen.”

„Er bestaat eene naamlijst der Pictische Koningen,” zei Sir Arthur, „die voor echt erkend is, van Chrentheminachryme, (van wiens regeering de dagteekening eenigzins onzeker is) àf, tot Drusterstone, met wiens dood het geslacht eindigt. De helft er van hebben het Celtische patronymicon Mac, voor hunne namen – Mac, – id est filius; – wat antwoordt gij hier op, mijnheer Oldbuck? Er is Drust Macmorachin, Trynel Maclachlin (de eerste van dien ouden stam, naar men gelooft,) en Gormach Macdonald, Alpin Mackmetegus, Drust Mactallargam,” – (hier overviel hem eene hoestbui,) „oegh, oegh, oegh! – Golarge Macchan, – oegh, oegh, Macchanan – oegh Macchananail – Kenneth – oegh, oegh, – Macferedith, Eachan Macfungus, – en twintig andere Celtische namen, die ik u zou kunnen opnoemen, als die verwenschte hoest het mij niet belette!”

„Neem een glas wijn, Sir Arthur, en spoel die lijst van tandenbrekende namen af, die den duivel zelven, in de keel zou blijven steken! – Wel, die laatste vent, dien gij opnoemdet, heeft den éénigen verstaanbaren naam. – Zij zijn allen van het geslacht van Macfungus – Paddestoelen! ontstaan uit den mest van bedrog, dwaasheid en valschheid, die in de hersenpan gistte van den een of anderen waanzinnigen Hooglandschen zanger!”

„Het verwondert mij, mijnheer Oldbuck, u dat te hooren zeggen! Gij weet, of dient te weten, dat de lijst van deze souvereinen afgeschreven werd door Hendrik Maule van Melgum, uit de kronijken van Loch-Leven en van St. Andrews, en geplaatst werd vóor zijne korte, maar duidelijke historie der Picten, door Robert Freebairn te Edinburg gedrukt, en verkocht in zijn winkel bij het Parlementshuis, in het jaar zeventienhonderd en vijf, of zes, – welk van beiden weet ik niet zeker; – maar ik heb er een exemplaar van te huis, dat naast mijne duodecimo uitgave der Schotsche Parlementsacten staat, en in dezelfde rij daarmede zeer goed voldoet. Wat zegt gij daarop, mijnheer Oldbuck?”

„Wel ik lach om Hendrik Maule en zijne historie,” antwoordde Oldbuck, „en voldoe daarbij aan zijn verzoek, om die naar verdiensten te behandelen.”

„Lach niet om een man, die beter is, dan gij zelf zijt!” antwoordde Sir Arthur, eenigzins minachtend.

„Ik zie niet in, dat ik dat doe, Sir Arthur, als ik om hem of zijn boek lach.”

„Hendrik Maule van Melgum was een edelman, mijnheer Oldbuck!”

„Ik begrijp, dat die omstandigheid geen voordeel op mij geeft,” hernam de oudheidkenner eenigzins bits.

„Met uw verlof, mijnheer Oldbuck! – hij was een edelman uit een zeer aanzienlijk geslacht en van oude herkomst, en dus –”

„Moet de afstammeling van een Westfaalschen boekdrukker met eerbied van hem spreken? – Dit is wellicht uw gevoelen, Sir Arthur; – maar het mijne niet. – Ik begrijp, dat mijne afkomst van dien arbeidzamen, vlijtigen boekdrukker, Wolf brand Oldenbuck, die in de maand December 1498, onder het patronaat van Sebaldus Scheyter en Sebastian Kammermeister, zoo als het slot ons meldt, den druk voltooide van de groote Neurenbergsche kronijk, – ik begrijp, zeg ik, dat mijne afkomst van dien grooten hersteller der geleerdheid voor mij, als man van letteren, veel eervoller is, dan wanneer ik op mijn stamboom al de pochende, stijfhoofdige, Oud-Gotische Barons [41]sedert de dagen van Crentheminachcryme telde, van wie er, geloof ik, geen één zijn eigen naam schrijven kon!”

„Als gij met uwe aanmerking den spot wilt drijven met mijne voorouders,” zei de Baronet op een toon van deftige waardigheid en meerderheid, „zoo heb ik het genoegen u te berichten, dat de naam van mijn voorvader, Gamelyn de Guardover, Miles, wel degelijk met zijne eigene hand in het eerste afschrift van de Ragmanrol geschreven staat.”

„Wat slechts dient, om aan te toonen, dat hij een van de eersten was, die het verachtelijke voorbeeld gaf van zich aan Koning Eduard I te onderwerpen. Wat hebt gij in te brengen ten voordeele der vlekkelooze koningstrouw van uw geslacht, Sir Arthur, na zulk een afval als deze?”

„Genoeg, mijnheer!” zei Sir Arthur, terwijl hij woedend opsprong, en zijn stoel terugschoof, „ik zal in het vervolg wel vermijden iemand met mijn gezelschap te vereeren, die zich zoo ondankbaar voor mijne vriendelijkheid betoont.”

„Hierin moogt gij te werk gaan naar uwe eigene verkiezing, Sir Arthur! Ik hoop, dat, daar ik niet bekend was met de verplichting, die gij mij oplegdet door mijn gering huis te bezoeken, die gij verschoonen zult, dat ik mijne dankbaarheid niet op eene slaafsche wijze heb geuit!”

„Allerbest! – Allerbest, mijnheer Oldbuck! – ik wensch u goeden avond; – mijnheer a–a–a–Schovel! – ik wensch u goeden avond!”

En zoo stoof de vergramde Sir Arthur de eetzaal uit, alsof de geest van de geheele Tafel Ronde hem ontvlamde, en doorkruiste met groote stappen den doolhof van gangen, die naar de huiskamer voerde.

„Zaagt gij ooit zulk een kwaadaardigen ouden ezel?” zeide Oldbuck, het woord tot Lovel richtende; „maar ik moet hem toch in deze dolle stemming niet laten heen gaan.” Dit zeggende, liep hij den Baronet na, wiens spoor hij volgde op het geluid van het toeslaan van onderscheidene deuren, die deze opende, om naar de huiskamer te zoeken, en die hij bij elke mistasting met geweld achter zich toesloeg.

„Gij zult een ongeluk krijgen!” schreeuwde de oudheidkenner; „qui ambulat in tenebris nescit quo vadit: – die in het duister wandelt, weet niet, waarheen hij gaat; – gij valt nog van den achtertrap!”

De duisternis zelve, welker bedarende kracht op eigenzinnige kinderen, maar al te bekend is, had intusschen de schreden van den vertoornden Baronet doen bedaren, zoo ze al niet zijne gramschap verminderde, en de heer Oldbuck, beter bekend met de plaats, haalde in, juist toen hij de kruk van de deur der huiskamer in de hand had. „Wacht een oogenblik, Sir Arthur!” zeide Oldbuck, terwijl hij hem tegenhield; „niet zoo driftig, mijn goede, oude vriend! – ik tastte u, in onzen strijd, over Sir Gamelyn wat hard aan; – wel, man, hij is een mijner oude kennissen, en mijn lieveling; – hij was de wapenbroeder van Bruce en Wallace; – ik geloof, en wil het op een Bijbel met Gotische letters gedrukt, bezweren, dat hij de Ragmanrol, alleen onderteekende met het eerlijke en prijzenswaardige oogmerk, om den valschen Engelschman in zijne strikken te lokken. Het was eene opoffering, – eene echt Schotsche list, mijn waarde Baronet! – honderden deden hetzelfde! kom, kom, vergeet en vergeef! – Niet waar? wij gaven dien jongen heer daar het recht, om ons voor een paar knorrige oude dwazen te houden!”

„Spreek voor u zelven, mijnheer Jonathan Oldbuck!” zeide Sir Arthur met groote deftigheid. [42]

„Wel, wel – den eigenzinnigen man moet men zijn zin geven!”

En dit zeggende opende hij de kamerdeur en de lange magere gestalte van Sir Arthur trad binnen, gevolgd door Lovel en den heer Oldbuck, alle drie een weinig onthutst.

„Ik heb op u gewacht, lieve vader!” zeide Isabella Wardour, „om u voor te slaan, het rijtuig te gemoet te wandelen, daar het zulk een mooie avond is.”

Sir Arthur stemde gereedelijk in een voorslag toe, die zoo zeer strookte met de knorrige stemming, waarin hij zich bevond; en na beleefd voor de thee en koffij bedankt te hebben, volgens zijne aangenomen gewoonte, als hij driftig was, nam hij zijne dochter onder den arm, waarna hij, met een plechtig afscheid van de dames, en een zeer droog woordje tegen den heer Oldbuck, vertrok.

„Ik geloof,” zeide jufvrouw Oldbuck, „dat Sir Arthur weêr kwaad is!”

„Kwaad! – de drommel! hij is nog gekker dan het vrouwvolk! – Wat zegt gij, Lovel? – Hoe? de jongen is ook weg?”

„Hij nam afscheid, oom, terwijl Isabella Wardour zich gereed maakte; maar ik geloof niet, dat gij het gemerkt hebt.”

„De duivel steekt in het volk! Dat is alles, wat men wint met zich af te tobben en zich van stuk te brengen, met maaltijden te geven, – zonder van de kosten te spreken. – O Seged, Keizer van Ethiopië!” riep hij, met de eene hand een kop thee en met de andere een deel van The Rambler1 opnemende; want het was zijne vaste gewoonte, onder het eten of drinken, in tegenwoordigheid van zijne zuster te lezen, waardoor hij terzelfder tijd zijne minachting te kennen gaf voor vrouwelijk gezelschap, en zijn besluit volvoerde, om geen oogenblik ongebruikt te laten voorbij gaan; – „o Seged, Keizer van Ethiopië! hoe waar zijn uwe woorden: – „Niemand wage het te zeggen: dit zal een gelukkige dag zijn!””

Oldbuck zette zijne studiën bijna een uur voort, zonder door de dames gestoord te worden, die, in diep stilzwijgen, eenig vrouwelijk handwerk verrichtten. Eindelijk hoorde men een zachten, zedigen tik aan de kamerdeur. „Zijt gij het, Caxon: kom binnen!”

De oude man opende eventjes de deur; en zijn mager gezicht, omringd door eenige dunne grijze haarlokken, benevens eene der mouwen van zijn grijze jas in de kamer stekende, zeide hij op onderdanigen en geheimzinnigen toon: „ik wilde u eventjes spreken, mijnheer!”

„Kom binnen dan, oude gek! en zeg wat gij te zeggen hebt.”

„Ik ben bang, dat de dames schrikken zullen.”

„Schrikken! wat zou dat? – bekommer u niet om de dames. Hebt gij weêr een spook gezien?”

„Neen, mijnheer, ditmaal is het geen spook; – maar ik heb geen rust.”

„Hebt gij ooit van iemand gehoord die rust had?” antwoordde Oldbuck; „waarom zou een oude versleten poederkwast als gij, meer rust hebben, dan alle overige menschen?”

„Het is niet om mij zelven, mijnheer, maar ik vrees, dat het een verschrikkelijk weêr zal worden, en Sir Arthur en Freule Wardour, dat arme meisje –” [43]

„Wel, man! die moeten het rijtuig aan het einde der laan, of daar omstreeks, ontmoet hebben, en reeds lang te huis zijn!”

„Neen, mijnheer, zij zijn niet door het hek gegaan, maar sloegen den weg in naar het strand.”

Dit woord was een donderslag in de ooren van Oldbuck. „Naar het strand! onmogelijk!”

„Ja, mijnheer, dat zei ik ook tegen den tuinman; maar hij zeide, dat hij hen bij de Mosselklip had zien omkeeren – ja, zei ik tegen hem, als dat zoo is, David, dan vrees ik –”

„Een almanak! een almanak!” riep Oldbuck, in groote verwarring opstaande. – „Neen, dat ding niet!” een kleinen zakalmanak, dien hem zijne nicht aanbood, wegwerpende. – „Groote God! mijne arme, lieve Isabella! – haal mij dadelijk een grooten almanak!” Deze werd gebracht, geraadpleegd, en vermeerderde zeer zijne ontroering. „Ik zal zelf gaan; – roep den tuinman en zijn knecht; – laat hen touwen en ladders brengen; – en onderweg meer hulp zoeken; – klimt op de toppen der rotsen en roept hun toe; – ik zal zelf gaan!”

„Wat is er te doen?” vroegen zijne zuster en nicht.

„De vloed! de vloed!” antwoordde de verschrikte oudheidkenner.

„Was het niet beter, dat Jenny – maar neen, ik zal zelve gaan,” zei de jongste der dames, even verschrikt als haar oom; – „ik zal zelve naar Saunders Mucklebackit loopen, en hem de boot doen uitzetten.”

„Dank, mijne lieve! dat is het verstandigste woord, dat er nog gesproken is; – loop! loop! – Langs het strand te gaan!” terwijl hij zijn hoed en stok greep; „heeft men ooit iets dollers gehoord!”


1 Een Tijdschrift 1750–52 te Londen uitgegeven.