Zevende Hoofdstuk
Een tijdlang schepten zij behagen
Aan d’oever van den oceaan;
De wat’ren weken, en zij zagen
Den weg verbreeden om te gaan;
Totdat het vloedgetij genaakte
En ’t pad al smal en smaller maakte.
Crabbe.
Het bericht van David Dibble, dat te Monkbarns zooveel onrust verspreid had, bleek volkomen juist te zijn. Sir Arthur en zijne dochter waren vertrokken, om, overeenkomstig hun eerste voornemen, langs den straatweg naar Knockwinnock terug te keeren; maar, aan het einde der groote laan gekomen, die eene soort van allée naar het huis van Monkbarns vormde, zagen zij Lovel vóór hen uitgaan, die zijne schreden scheen te vertragen, om hun gelegenheid te geven om hem in te halen. Isabella Wardour sloeg haren vader dadelijk voor van richting te veranderen, en daar het weder zeer fraai was, [44]langs het strand te wandelen, voorbij eene schilderachtige keten van rotsen, die bijna altijd een veel aangenamer pad tusschen Knockwinnock en Monkbarns, dan de straatweg opleverde.
Sir Arthur was dadelijk daartoe gereed. „Het zou onaangenaam zijn,” zeide hij, „door dien jongen, met wien de heer Oldbuck de vrijheid genomen heeft ons bekend te maken, aangesproken te worden.”
Zijne ouderwetsche beleefdheid had niets van het ongedwongene, waarmede men heden ten dage iemand, dien men al eene week lang kent, als geheel, vreemd onopgemerkt laat voorbijgaan, zoodra men zich in omstandigheden bevindt, of vooronderstelt, welke die onaangenaam maken, hem te herkennen. Sir Arthur bedong slechts, dat een kleine bedeljongen, wien hij een stuiver gaf, het rijtuig zou te gemoet loopen, en het naar Knockwinnock doen terug keeren.
Toen dit beschikt, en de bode vertrokken was, verlieten de Baronet en zijne dochter den straatweg, en kwamen weldra, langs een kronkelend voetpad, over zandachtige heuvels, gedeeltelijk heigrond, gedeeltelijk met lang gras begroeid, aan den oever der zee. Het getij was op verre na zoo laag niet, als zij berekend hadden; maar dit baardde geene zorg: zelden toch gebeurde het tien maal in het jaar, dat het water zoo dicht bij de rotsen kwam, dat men er niet meer voorbij kon. Bij springvloed echter, of als hevige winden de golven voortstuwden, werd ook deze weg door de zee bedolven; en men kende bij overlevering verscheidene noodlottige voorvallen, daaraan toe te schrijven. Maar dergelijke gevaren beschouwde men als lang geleden en onwaarschijnlijk, en hetgeen men elkander daarvan verhaalde, diende, even als andere oude vertelsels, eerder tot tijdkorting in het hoekje van den haard, dan om iemand af te schrikken, den weg tusschen Knockwinnock en Monkbarns langs het strand af te leggen. Terwijl nu Sir Arthur en zijne dochter de aangename wandeling over het koele, zachte, vaste zand genoten, kon Isabella niet nalaten op te merken, dat de laatste vloed boven het gewone watermerk gekomen was. Ook Sir Arthur viel dit op; maar geen van beiden kwam het in de gedachte, om daarover in het minst ongerust te worden. De zon, tot aan de kim gedaald, toonde nu hare groote schijf boven de oppervlakte der stille zee en vergulde de opeengestapelde wolken, waardoor zij den geheelen dag hare baan afgelegd had, en die thans van alle kanten verzameld waren even als de ongelukken en rampspoeden van een te grond gaand rijk en van een ongelukkigen vorst. Voor het laatst nog deelde haar verminderde glans aan de opeengehoopte massa’s eene sombere pracht mede, en tooverde uit de duistere schimmen gedaanten van burchten en rotsen, torens en pyramiden, sommigen met goud omzoomd, anderen met purper, eenigen van eene felle, donker-roode kleur. In de verte lag de zee onder dezen afwisselenden en trotschen troonhemel, in onheil voorspellende stilte, en kaatste ter zelfder tijd de schitterende en schuinsche stralen der dalende zon, en de prachtige kleuren der wolken, in welker midden zij rustte, terug. Meer van nabij ruischte de vloed met fonkelende zilveren golven, die ongevoelig maar snel op het strand inbreuk maakten.
In stille bewondering van dit schilderachtig en grootsch tooneel, of wellicht in minder kalme overpeinzingen, zette Isabella haren weg zwijgende aan de zijde van haren vader voort, wien het diep besef zijner kort te voren gekrenkte waardigheid niet toeliet, om eenig gesprek te beginnen. De kronkelingen van den oever volgende, trokken zij de eene vooruitstekende rotspunt na de andere voorbij, en bevonden zich eindelijk onder eene lange, [45]onafgebroken reeks dier steilten, welke de kust op de meeste plaatsen, als met een ijzeren gordel, verdedigen. Lange rotsketenen, zich onder het water uitstrekkende, en slechts kenbaar aan de dorre kruinen, welke zij hier en daar verhieven, of aan de branding, die over de gedeeltelijk bedekte rotsen schuimend brak, maakten de Knockwinnocks-baai bij stuurlieden en loodsen geducht. De klippen, die tusschen den oever en het vaste land, ter hoogte van twee- of driehonderd voet verrezen, boden, in hare kloven, eene schuilplaats aan een groot aantal zeevogels, daar de duizelingwekkende hoogte hen vrij goed verzekerde tegen de roofzucht der menschen. Vele dezer wilde zwermen, gedreven door het instinct, dat hen het land doet zoeken eer de storm losbreekt, vlogen nu naar hunne nesten met het schor en krassend geluid van onrust en vrees. De zonneschijf werd bijna geheel verdonkerd eer ze nog volledig onder den gezichteinder gedaald was, en eene vroegtijdige, akelige duisternis verving de helle schemering van den zomeravond. Straks begon zich de wind te verheffen; maar zijn woest en klagend gehuil werd eenigen tijd vroeger gehoord, dan men zijne uitwerking op de oppervlakte der zee bespeurde, of het waaien op het vaste land voelde. De wateren, nu duister en dreigend, begonnen in breedere golven te stijgen, en in diepere voren te zinken, en vormden baren, die hoog schuimend tegen de branding stuwden, of op het strand braken, met een geluid als dat van een onweder in de verte.
Verschrikt door deze plotselinge verandering van het weder, hield Isabella zich zoo dicht mogelijk bij haren vader en klemde zich aan zijn arm. „Ik wenschte,” zeide zij ten laatste, maar bijna fluisterend, en als schaamde zij zich haren toenemenden angst te uiten, „ik wenschte wel, dat wij onzen eersten weg vervolgd, of te Monkbarns het rijtuig afgewacht hadden.”
Sir Arthur keek rond, maar zag niet of wilde geene voorteekens van de uitbarsting van den storm erkennen. Zij zouden Knockwinnock bereiken, zeide hij, lang eer het onweder losbrak. Maar den haastigen tred, waarmede hij voortwandelde, en dien Isabella bezwaarlijk bij kon houden, toonde hoezeer hij zelf gevoelde, dat er eenige inspanning noodig was, om deze troostrijke voorzegging te vervullen. Zij bevonden zich nu nabij het middelpunt van eene diepe maar smalle baai, of inham, gevormd door twee vooruitstekende, hooge en ongenaakbare rotsen, welker uiteinden, of kapen, in zee staken, als de twee horens eener wassende maan; en geen der beide wandelaars durfde den anderen de bezorgdheid mededeelen, die zij begonnen te koesteren, dat wellicht de buitengewone vorderingen van den vloed hun de mogelijkheid benemen zouden, om rondom de kaap, die vóór hen lag, te komen, of langs den weg, welke hen derwaarts gevoerd had, terug te keeren.
Terwijl zij dus voortijlden, en verlangden om de lichte kronkeling van den weg, welke de bochten der baai hen noodzaakten te volgen, tegen een rechter en korter, hoewel minder aangenaam pad te verwisselen, bemerkte Sir Arthur eene menschelijke gedaante aan den oever, die op hen aan kwam loopen. „God dank!” riep hij uit, „wij zullen rondom Halket-head komen! Die mensch moet er voorbij gegaan zijn,” dus gaf hij lucht aan zijn gevoel van hoop, ofschoon hij dat der vrees onderdrukt had.
„Ja waarlijk, God dank!” herhaalde zijne dochter half luid, half bij zich zelve, met de uitdrukking eener diep gevoelde dankbaarheid.
De gedaante, die naar hen toekwam, maakte vele teekens, welke de betrokken dampkring, thans door wind en stofregen ontroerd, hen belette duidelijk [46]te onderscheiden; en het was eerst op het oogenblik, dat zij elkander zouden ontmoeten, dat Sir Arthur den ouden blauwrok, den bedelaar Adam Ochiltree herkende. Men zegt, dat zelfs de stomme dieren in het oogenblik van algemeen gevaar hunne vijandschap en afkeer vergeten. Het strand bij Halket-head, welks breedte door een alles overweldigenden springvloed en noordwesten wind schielijk afnam, werd dus een onzijdig gebied, waarop zelfs een vrederechter en een zwervende bedelaar elkander zonder gevaar naderen konden.
„Terug! Terug!” riep de oude man; „waarom keerdet gij niet om, toen ik wenkte?”
„Wij dachten,” hernam Sir Arthur in grooten angst, „wij dachten, dat wij om Halket-head komen konden!”
„Halket-head! De vloed zal er op dit oogenblik als een waterval tegen aan stormen! Ter nauwer nood kon ik er twintig minuten geleden voorbij! Drie voet hoog stuwde het op. Misschien kunnen wij nog terug langs Bally-burg Ness-kaap! God helpe ons! Het is de eenige kans. Wij moeten die wagen!”
„Mijn God! mijn kind!” „Mijn vader! mijn lieve vader!” riepen vader en dochter, terwijl de vrees hunne krachten en den spoed verdubbelde, waarmede zij terugkeerden en de kaap weder trachtten te bereiken, die den zuidelijken uithoek der baai vormde.
„Ik hoorde van den jongen, dien gij het rijtuig te gemoet zondt, dat gij hier waart,” zeide de bedelaar, terwijl hij een paar schreden achter Isabella wakker doorstapte, „en ik kon het gevaar niet vergeten, waarin zich de lieve jonge dame bevond, die altijd zoo goed is voor iedere ongelukkige ziel, die haar nadert. Dus keek ik zóó lang, naar het opkomen en de hoogte van den vloed, tot ik besloot, dat, als ik maar tijdig genoeg naar beneden kon komen om u te waarschuwen, ik u nog redden zou. Maar wie zag ooit zulk een vloed als deze? Zie, ginds de Rattons-klip; – zoo lang ik leef hield die den neus boven water; – maar nu is hij er onder geraakt!”
Sir Arthur wierp een blik in de richting, in welke de oude man wees. Eene ongemeen groote rots, die gewoonlijk, zelfs bij springvloeden, eene gestalte vertoonde als de kiel van een groot schip, was nu geheel onder water, en de plaats er van was slechts kenbaar aan de branding en het opstuwen der golven, welke op de ondergeloopene rotsen braken.
„Haast u, haast u,” vervolgde de grijsaard, „haast u, en misschien halen wij het nog. Neem mijn arm, – nu oud en zwak, maar die zich meer dan eens uit een even groot gevaar gered heeft! Ziet gij ginds eene zwarte plek tusschen de schuimende baren? Heden morgen was die zoo hoog, als de mast van een brik, – nu is ze klein genoeg; – maar, zoo lang ik slechts zoo veel zwart zie, als de kruin van mijn hoed, twijfel ik niet, of wij zullen nog om de Ballyburg-kaap komen eer de vloed zoo ver gestegen is!”
Isabella nam stilzwijgend van den ouden man de hulp aan, die Sir Arthur haar nu minder goed geven kon. De golven hadden thans reeds zoo veel van den oever bedekt, dat men het vaste en het effene voetpad, tot nu toe gehouden, tegen een ruweren weg verwisselen moest, die dicht langs den voet der rotsen ging, en zelfs op sommige plaatsen over den ondersten rand daarvan liep. Onmogelijk hadden Sir Arthur Wardour of zijne dochter den weg langs dit pad kunnen vinden zonder de leiding en aanmoediging van den bedelaar, die hier vroeger bij hooge vloeden geweest was, ofschoon nooit, zoo als hij zeide, „in zulk een verschrikkelijken nacht, als dezen!”
Het was werkelijk ontzagwekkend weder. Het huilen van den stormwind, [47]waaronder zich het geschreeuw der zeevogels mengde, klonk als een doodsklok voor de drie ongelukkigen, die ingesloten waren tusschen de twee prachtigste, maar tevens twee ontzettendste voorwerpen der natuur – een woedenden vloed en onbeklimbare hoogten; terwijl zij met veel moeite zich een weg baanden langs een moeielijk en gevaarlijk pad, en dikwijls bespat werden door het schuim der reusachtige baren, die, al hooger en hooger klimmende op den oever braken. Elk oogenblik won hun vijand zichtbaar veld op hen. In de vrees echter, om de laatste levenshoop op te geven, hielden zij de oogen steeds gevestigd op de zwarte rots, door Ochiltree aangewezen. Deze was nog duidelijk te onderscheiden in de branding, en bleef voor hen zichtbaar, tot zij op hun kronkelend pad eene wending namen, toen eene vooruitspringende rots ze aan hunne oogen onttrok. Dus verstoken van het gezicht der baak, waarop zij al hun vertrouwen stelden, ondervonden zij nu bij den zielkwellenden angst tevens de pijnlijkste onzekerheid. Zij haastten zich echter zoo veel mogelijk om verder te komen; maar toen zij de plaats bereikt hadden, van waar zij de rots hadden moeten zien, was deze niet meer zichtbaar. Het teeken hunner redding was onder duizende witte baren verdwenen, die, aan de spits van het voorgebergte, in onmetelijke hoogte het sneeuwwitte schuim tegen de donkere rotsen slingerden.
De oude man ontstelde zichtbaar. Isabella gaf een zachten gil, en het „God erbarme zich onzer!” dat hun gids plechtig uitte, herhaalde Sir Arthur weemoedig, – met de bijvoeging, „Mijn kind! mijn kind! – zulk een dood te sterven!”
„Mijn vader! mijn lieve vader!” riep zijne dochter uit, terwijl zij zich aan hem vasthield; – „en ook gij, die uw leven opoffert, om het onze te willen redden!”
„Het is niet de moeite waard, daarvan te spreken,” zei de grijsaard; „ik heb lang genoeg geleefd, om het leven moede te zijn; – en hier of ginds, – achter een dijk, in eene sneeuwvlaag, of in de golven, wat licht er aan gelegen, hoe de oude bedelaar sterft?”
„Mijn goede man!” riep Sir Arthur, „kunt gij niets bedenken? – niets, dat helpen kan? – ik zal u rijk maken; – ik zal u eene pachthoeve geven, – ik zal –”
„Onze rijkdommen,” antwoordde de bedelaar, „zullen weldra gelijk zijn,” – naar de schuimende golven ziende, – „ze zijn het ook nu reeds; want ik heb niets, en gij zoudt gaarne al uwe schoone goederen en uwe baronie daarbij geven voor één plekje kale rots, dat twaalf uren watervrij was!”
Onder deze woorden bleven zij op den hoogsten rotsrand staan, dien zij bereiken konden; want het scheen, dat elke poging, om verder te komen, slechts hun verschrikkelijk lot verhaasten moest. Hier dan bevonden zij zich ten naastebij in den toestand der martelaren uit de eerste tijden der Christen Kerk, die, door heidensche dwingelanden veroordeeld om door wilde dieren verscheurd te worden, genoodzaakt waren een tijdlang het ongeduld en de woede aan te zien, waarmede deze het teeken afwachtten ter opening der hokken, eer zij op hunne slachtoffers aanvallen konden.
Maar juist dit vreeselijk uitstel gaf Isabella den tijd, om al hare geestvermogens, die van natuur krachtig en moedig waren, te verzamelen, en in deze verschrikkelijke omstandigheden vereenigd te laten werken. „Moeten wij dan,” zeide zij, „ons leven vaarwel zeggen, zonder eenige poging, om het te redden? Is er geen pad, hoe ijselijk ook, waarlangs wij misschien de rots zouden kunnen beklimmen, of ten minste eenige hoogte boven den vloed [48]bereiken, waarop wij tot den morgen kunnen blijven, of tot er hulp opdaagt? Men moet onzen toestand raden, en de menschen zullen zich haasten, ons ter hulp te komen!”
Sir Arthur, die de vraag van zijne dochter hoorde, maar nauwelijks in staat was ze te verstaan, wendde zich nochtans onwillekeurig naar den grijsaard, alsof hun leven in zijne handen ware. Ochiltree zweeg een tijd lang, eer hij antwoordde. „Ik was,” zeide hij, „eens een stoute klimmer, en heb menig nest op deze zwarte rotsen uitgehaald; maar het is lang, lang geleden, en niemand kan ze bestijgen zonder touw, – en al had ik er een, mijne oogen, voeten en handen zijn reeds lang niet meer, wat zij waren; – en dan, hoe zou ik u helpen kunnen? – Maar er was hier eens een pad, – en toch geloof ik, als wij het zien konden, dat gij verkiezen zoudt te blijven, waar wij zijn! – God zegene hem!” riep hij eensklaps, „daar komt juist iemand de rots afklimmen!”
Daarop de stem verheffende, gaf hij den stouten waaghals schreeuwende de aanwijzingen, welke hem zijne vroegere oefening en de herinnering der plaatselijke omstandigheden oogenblikkelijk te binnen brachten. – „Goed zoo! – goed zoo! – dien weg, dien weg! – maak het touw vast om de Crummikpunt, om dien grooten zwarten steen! – leg twee slagen, – zoo, – ja zoo, – nu richt u wat oostwaarts, – nog wat meer, – naar die andere rots, wij noemden die de Kattebel; – dáár was vroeger de wortel van een ouden eik, – dat zal gaan! voorzichtig nu, jongen! – houd moed! – neem wat tijd! – God zegene u! neem wat tijd! – Zeer goed! – Nu moet gij gaan naar Lijsjes Schoot, – dat is de breede, vlakke steen, – en dan denk ik, dat wij met uwe hulp en met die van het touw, de jonge dame en Sir Arthur naar boven zullen krijgen!”
De waaghals, de aanwijzingen van den ouden Adam volgende, smeet hem het eind van het touw toe, dat deze zorgvuldig om het lijf van Isabella bond, na haar vooraf in zijn eigen blauwen rok gewikkeld te hebben, om haar zoo veel mogelijk te beveiligen. Toen, zelf het touw grijpende, dat boven vastgemaakt was, begon hij tegen de steile rots op te klouteren, – eene zeer gewaagde, duizelingwekkende onderneming, in welke hij nochtans, na twee gevaarlijke oogenblikken, slaagde, en behouden op den breeden, vlakken steen naast onzen vriend Lovel plaats nam. Hunne vereenigde krachten stelden hen ook dadelijk in staat, Isabella in veiligheid naar boven te trekken. Daarop liet Lovel zich naar beneden, om Sir Arthur bij te staan, wond het touw onder zijne schouders, en toen naar hunne wijkplaats terug klimmende, haalde hij, met den bijstand van den ouden Ochiltree, en zulke hulp als Sir Arthur zelf verleenen kon, ook dezen buiten het bereik der baren.
De bewustheid van een naderenden en oogenschijnlijk onvermijdelijken dood verlost te zijn, had de gewone uitwerking. Vader en dochter wierpen zich elkaâr in de armen, kusten elkander en weenden van vreugde, ofschoon hunne bevrijding verbonden was met het vooruitzicht van een stormachtigen nacht door te brengen op eene steile rots, nauwelijks breed genoeg voor de vier rillende wezens, die, gelijk de zeevogels om hen heen, zich daar te zamen drongen, in de hoop van eenige bescherming te vinden tegen het verslindend element, dat onder hen woedde. Het schuim der baren, die, steeds elkander vervangende, den voet der steilte bereikten, terwijl zij het strand overstroomden, waar zij nog zoo kortelings stonden, vloog tot aan hunne tegenwoordige wijkplaats; en het bedwelmend geluid, waarmede zij onder [49]tegen de rotsen sloegen, scheen nog altijd met eene donderende stem de gevluchten, als eene rechtmatige prooi terug te eischen. Het was, wel is waar een zomernacht, maar nochtans weinig waarschijnlijk, dat een gestel zoo tenger als dat van Isabella, tot aan den morgen zulk een grooten angst zou kunnen doorstaan; en de stortregens, die nu met geweld losbraken, vergezeld van lange, hevige windvlagen, vermeerderden hun nood en gevaar.
„Die lieve jonge dame, dat arme meisje!” zei de oude man; „menigen nacht van dien aard heb ik in en buiten mijn vaderland onder den blooten hemel doorgebracht; maar, God help ons, – hoe zal zij het uithouden?”
Met halve woorden gaf hij zijne bezorgdheid aan Lovel te kennen; want met die eigenaardige vlugheid, waarmede stoute en moedige zielen elkander in oogenblikken van gevaar dadelijk verstaan en herkennen, bestond er reeds een onderling vertrouwen tusschen hen. – „Ik zal de rots weêr opklimmen,” zeide Lovel; „er is eene schemering genoeg, om te zien waar ik den voet zet; ik zal weêr naar boven klimmen en hulp halen.”
„Doe dat, doe dat, om ’s Hemels wil!” riep Sir Arthur gretig.
„Zijt gij razend?” zei de bedelaar. „Frans van Fowlsheugh (en hij was de stoutste en beste klimmer, die ooit geleefd heeft; – hij brak dan ook den hals op de Dunbuyrotsen,) zou het op de Halket-head klippen na zonsondergang niet gewaagd hebben. – Het is door Gods goedheid alleen, en een groot wonder er bij, dat gij niet in ’t midden van de holle zee daar onder ons ligt, na hetgeen gij reeds gedaan hebt! Ik dacht niet, dat er één man leefde, die de klippen zou kunnen afkomen, zoo als gij dat gedaan hebt. Ik zelf, geloof ik, zou het niet klaar gespeeld hebben op dit uur en in dit weêr, toen ik nog jong en sterk was. Maar om het nog eens te wagen – dat is te veel, dat is de Voorzienigheid tarten!”
„Ik heb dienaangaande geene vrees,” zeide Lovel; „ik nam alles goed op, toen ik naar beneden kwam, en het is nog licht genoeg, om alles te onderscheiden; – ik ben zeker, dat ik het zonder gevaar doen kan. Blijf hier, mijn goede vriend, bij Sir Arthur en de jonge dame!”
„Dan zal mij de duivel terughouden,” antwoordde de bedelaar kortaf; „als gij gaat, ga ik meê; want zijn we met ons beiden, dan zal het ons toch zwaar genoeg vallen om den top der hoogte te bereiken!”
„Neen, neen! – blijf hier, en pas op de jonge dame; – gij ziet, dat Sir Arthur bijna uitgeput is!”
„Blijf gij zelf dan, en ik zal gaan,” hernam de oude man; „laat de dood het groene koren sparen en het rijpe nemen.”
„Blijft beiden hier, ik beveel het u!” sprak Isabella met zwakke stem. „Ik ben wèl, en kan den nacht zeer goed hier doorbrengen; – ik gevoel mij geheel hersteld” en met deze woorden begaf haar de stem; zij zeeg neêr, en zou van de klip gevallen zijn, als Lovel en Ochiltree haar niet ondersteund hadden. Zij plaatsten haar half zittende, half achterover liggende, naast haar vader, die, uitgeput door de overgroote en ongewone inspanning van geest en lichaam, zich reeds in een half wezenloozen toestand neêrgezet had op den steen.
„Wij kunnen hen onmogelijk aan zich zelven overlaten,” zeide Lovel; – „Wat nu te doen? – Maar stil! stil! ik hoor roepen?”
„Het geschreeuw van een zeevogel!” antwoordde Ochiltree, „ik ken het geluid zeer goed.”
„Neen, bij den hemel!” hernam Lovel, „het was eene menschelijke stem!” Het roepen werd in de verte herhaald, en het geluid was duidelijk te [50]onderscheiden van dat der twistende elementen, en der in de nabijheid krijschende zeemeeuwen. De bedelaar en Lovel verhieven nu hunne stemmen terwijl de eerste den zakdoek van Isabella aan het einde van zijn stok zwaaide, om van boven de aandacht te trekken. Ofschoon het roepen herhaald werd, duurde het echter eenigen tijd, eer het in antwoord op hunne stemmen was, en de ongelukkige lijders bleven zoolang in het onzekere, of zij, bij de duistere schemering en bij het toenemen van den storm, de lieden, die waarschijnlijk de toppen der steilten overtrokken om hun hulp toe te brengen, de plaats zouden kunnen kenbaar maken, waar zij eene toevlucht gevonden hadden. Eindelijk werden hunne „Holla’s!” geregeld en duidelijk beantwoord, en hun moed werd gesterkt door de zekerheid, dat zij zich binnen het gehoor, zoo al niet binnen het bereik van menschlijken bijstand bevonden.