WeRead Powered by ReaderPub
De vroolijke vrouwtjes van Windsor cover

De vroolijke vrouwtjes van Windsor

Chapter 28: DERDE TOONEEL.
Open in WeRead

About This Book

A comic play set in a provincial town follows a vain, aging gallant whose attempts to court two married women trigger a cascade of domestic pranks and retaliatory schemes by those women. Parallel episodes involve young lovers, mistaken identities, disguises, and practical jokes that reveal hypocrisies and social pretensions. The action alternates broad farce and pointed wit, highlighting female resourcefulness as the wives orchestrate humiliations that restore local equilibrium while offering satirical observations on honor, marriage, and communal life.

[Inhoud]

VIJFDE BEDRIJF.

[Inhoud]

EERSTE TOONEEL.

Een vertrek in de herberg de Kouseband.

Falstaff en vrouw Haastig komen op.

Falstaff.

Kom, kom, geen praatjes meer; ga maar; ik houd woord. Dit is de derde keer; ik hoop, dat oneven getallen geluk brengen. Ga nu, ga! Het zeggen is, dat een oneven getal een heilig getal is, voor de geboorte, voor de wisselvalligheden van ’t leven, en voor den dood.—Ga nu heen.

Vrouw Haastig.

Een ketting zal ik u bezorgen en ik zal mijn uiterste best doen om u een paar horens te verschaffen.

Falstaff.

Ga heen, zeg ik; de tijd vervliegt; kin op en dribbel weg.

(Vrouw Haastig af.)

(Ford komt op.)

Gij daar, heer Beek? Mijnheer Beek, de zaak komt nu van nacht, of nimmer in orde. Kom tegen middernacht in het park, bij den eik van Hoorne, en gij zult wonderen zien. 13

Ford.

Zijt gij dan gisteren niet bij haar geweest, Sir, zooals gij mij gezegd hebt, dat de afspraak was?

Falstaff.

Ik ben naar haar toe gegaan, heer Beek, zooals gij mij hier ziet, als een arm oud man, maar van haar teruggekomen, heer Beek, [320]als een arme oude vrouw. Diezelfde schurk van een Ford, haar man, heeft den sluwsten jaloerschen duivel in zijn lijf, heer Beek, die ooit een dolkop regeerde. Ik wil het u vertellen: ik heb erbarmelijk slaag van hem gekregen, in de gedaante van een vrouw; want in mansgedaante, heer Beek, vrees ik zelfs Goliath niet met zijn weversboom, omdat ik ook weet, dat het leven een weversspoel is. Ik heb haast, ga een eind weg met mij mee; ik wil u alles vertellen, mijnheer Beek. Sinds ik aan ganzen de veeren uittrok, spijbelde en drijftollen ranselde, wist ik niet meer wat slaag krijgen is, dan nu pas. Ga mede; ik zal u vreemde dingen vertellen van dien schurk van een Ford, op wien ik mij van nacht wil wreken, en ik zal zijn vrouw in uw handen leveren.—Ga mede; ongehoorde dingen zijn er op handen, mijnheer Beek; ga mede.

(Beiden af.)

[Inhoud]

TWEEDE TOONEEL.

Het park van Windsor.

Page, Zielig en Slapperman komen op.

Page.

Komt, komt, wij willen ons in de slotgracht verbergen, tot wij de lichten van onze elfen zien. Denk nu maar, zoon Slapperman, aan mijn dochter.

Slapperman.

Ja zeker, wij hebben samen gesproken, en wij hebben een wachtwoord om elkander te herkennen. Ik kom tot haar, die in het wit is, en roep: „Pst!” en dan roept zij „Sst!” en daaraan kennen wij elkander.

Zielig.

Ook goed; maar wat behoeft uw „Pst!” of haar „Sst!”? Het witte kleed zal haar duidelijk genoeg kenbaar maken.—Het is tien geslagen.

Page.

De nacht is donker, als gemaakt voor lichten en spoken. De hemel begunstige onze grap! Niemand heeft kwaad in den zin dan de duivel, en dien zullen wij kennen aan zijn horens. Laat ons gaan; volgt mij!

(Alle drie af.)

[Inhoud]

DERDE TOONEEL.

Een straat in Windsor.

Juffrouw Page, juffrouw Ford en dokter Cajus komen op.

Juffrouw Page.

Heer dokter, mijn dochter is in het groen; als gij uw tijd gunstig ziet, neem haar dan bij de hand, voort met haar naar de kapel, en terstond de zaak beklonken! Ga maar vooruit, het park in. Wij tweeën moeten er samen naar toe gaan.

Cajus.

Ik weet, wat ik ’eb te doen. Adieu.

Juffrouw Page.

Het ga u wel, heer. (Cajus af.)—Mijn man zal zich niet half zoo verheugen in de tuchtiging van Falstaff, als hij zal razen over het huwelijk van den dokter met mijn dochter. Maar dat doet er niet toe; beter een weinig gekijf dan een groot harteleed.

Juffrouw Ford.

Waar is Anna nu, met haar elfenschaar en den Walliser duivel Hugo?

Juffrouw Page.

Zij zitten allen in een kuil vlak bij den eik van Hoorne, met gedekte lichten, die zij op het oogenblik van onze samenkomst met Falstaff allen op eens door de nacht zullen laten stralen.

Juffrouw Ford.

Dit kan niet anders dan hem schrik aanjagen.

Juffrouw Page.

En als hij ook al niet schrikt, dan wordt hij toch er door bespot; en jaagt het hem schrik aan, dan wordt hij op alle manieren bespottelijk.

Juffrouw Ford.

Zoo wordt hij wel terdeeg door ons geplaagd!

Juffrouw Page.

Op zulk een klant, die vrouwen zoo belaagt,

Zij iedere aanslag, elk bedrog gewaagd!

Juffrouw Ford.

Het uur nadert; naar den eik! naar den eik!

(Beiden af.)

[Inhoud]

VIERDE TOONEEL.

Het park van Windsor.

Sir Hugo Evans komt op met de Elfen.

Evans.

Trip, trap, elfen! komt, en onthoudt uw rollen goed. Stoutmoedig, pit ik u; folg mij in ten kuil; en als ik de wachtwoorden cheef, doet zooals ik u pefeel. Komt, Komt! trippe trap!

(Allen af.)

[Inhoud]

VIJFDE TOONEEL.

Een ander gedeelte van het park.

Falstaff komt op, vermomd, met een hertsgewei op het hoofd.

DE VROOLIJKE VROUWTJES VAN WINDSOR.

Vijfde Bedrijf, Vijfde Tooneel.

Falstaff.

De klok van Windsor heeft twaalf geslagen; het oogenblik nadert. Nu, gij goden met verhit bloed, staat mij allen bij!—Herinner [321]u, Jupiter, gij werdt voor uw Europa een stier; de liefde zette u uw horens op.—O machtige liefde! die in sommige opzichten van een dier een mensch maakt, in sommige andere een mensch tot beest!—Zoo werdt gij ook een zwaan, o Jupiter, uit liefde tot Leda;—o, almachtige liefde, wat kwam een god daar een gans in gedaante nabij! Eerst een misstap, begaan in de gedaante van een viervoetig beest; o Jupiter, een beestachtige misstap! En dan een tweede misstap in de gelijkenis van een vogel; o denk eens, Jupiter, welk een lichtvaardige misstap!—Als goden het warm onder hun baadje hebben, wat moet dan de arme menschheid doen? Wat mij betreft, ik ben hier nu een Windsorhert, en het zwaarste, denk ik, in het gansche bosch. Zend mij een koelen bronsttijd, Jupiter, of wie kan het mij euvel duiden, als ik mijn vet verwater?—Wie komt daar? mijn hinde?

(Juffrouw Ford en juffrouw Page komen op.)

Juffrouw Ford.

Sir John zijt gij daar, mijn diertje, mijn hertebok?

Falstaff.

Mijn hinde met de zwarte pluim?—Laat nu de hemel pataten regenen, laat het donderen op de zangwijze van „Juffer Groenmouw”, laat het nu geurige suikertjes hagelen en eryngiën sneeuwen; laat er een storm van liefdeprikkels losbreken, hier heb ik mijn toevluchtsoord.

(Hij omhelst haar.)

Juffrouw Ford.

Mistress Page is met mij medegekomen, mijn hartedief!

Falstaff.

Deelt mij als een gestroopt hert, elk een ham; mijn lenden wil ik voor mijzelf houden, de schouders aan den jachtopziener geven; en mijn horens vermaak ik aan uw mannen. Ben ik niet een echte Nimrod? spreek ik niet als Hoorne de jager?—Ha, nu is eindelijk Cupido een kind met een geweten; hij verleent schadeloosstelling! Zoo waar ik een eerlijk spook ben, weest welkom! 33

(Gedruisch achter het tooneel.)

Juffrouw Page.

O God, welk een gedruisch!

Juffrouw Ford.

De hemel vergeve onze zonden!

Juffrouw Page.

Wat zou dat wezen?

Juffrouw Ford en juffrouw Page.

Weg! weg!

(Zij loopen weg.)

Falstaff.

Ik geloof, dat de duivel mij niet verdoemd wil zien en bang is, dat mijn vet de hel in brand zou steken; anders zou hij mij nooit zoo dwarsboomen.

(Sir Hugo Evans komt op, als Satyr vermomd, Vrouw Haastig, als Elfenkoningin, Anna Page en anderen, als Elfen uitgedost met waskaarsen op het hoofd, daarbij een heraut, Hobgoblin.)

Elfenkoningin.

Gij, Elfen, zwart, groen, grauw of wit getooid,

Nachtschimmen, die bij ’t maanlicht rinkelrooit,

En aardsche wichten, volgens ’t lot geroofd,

Volbrengt uw elfenplichten, hoofd voor hoofd!—

Heraut Hobgoblin, roep uw „Oyez” uit!

Hobgoblin.

Stil, Elfen, zwijgt! luchtgeesten, geen geluid!

Gij, Krekel, hup naar Windsors haarden ras;

Is ’t vuur verzuimd, de haardplaat vol van asch,

Zoo knijp de meid er bont en blauw, en dien

Zoo uw vorstin, die niets onreins wil zien.

Falstaff.

’t Zijn elfen; niemand mag hun doen bespiên;

’k Val neêr, sluit de oogen, om den dood te ontvliên.

(Hij werpt zich neder, met het gelaat op den grond.)

Satyr.

Tauwtrupje, cha, en treft ge een meisje aan,

Tat triemaal knielt en pidt voor ’t slapen chaan,

Bedwing haar phantasie, die onrust mint,

Haar slaap zij soet, als van een sorgloos kind;

Maar wie sich sondig neerlegt en niet pidt,

Knijp die in arm, peen, porst, in ieder lid!

Elfenkoningin.

Op, elfen, op! van hier!

Dat thans uw schare Windsors slot doorzwier’!

Strooit goed geluk in elke heil’ge zaal,

Dat die tot de’ oordeelsdag in luister praal’;

’t Slot zij door duur en koningspracht vermaard,

Het huis den heer, de heer de huizing waard!

Schuurt de ordezetels glad, verhoogt hun pracht

Door balsemsap en fijner bloemen kracht;

Elk nieuwe ridderstoel, blazoen, helmet,

Blijve eeuwig door uw zegen vrij van smet!

Sluit, weidenelfen, nacht op nacht uw kring;

Vormt, evenals de kouseband, een ring;

Die blijve op ’t gras steeds welig, jeugdig, frisch,

Meer dan in ’t gansche veld het groen ooit is;

Dat „Honi soit qui mal y pense” er prijk’[322]

Met bloemen, purper, wit en blauw, gelijk

Saffier en parels fonk’len aan den band,

Die rijk des eed’len ridders knie omspant;

Want schrift met bloemen is der elfen trant.

Van hier! doch tot één uur na middernacht

Zij onze dans om Hoorne’s eik volbracht;

Dat nooit die oude dans vergeten zij! 80

Satyr.

Juist! hand in hand, flug! schikt u tot een rij!

Chlimwormen, twintig, spreiten bij ten tans,

Pefeel ik, als lantarens sachten chlans!

Maar stil, maar stil, ik ruik een aarteling!

Falstaff.

De hemel beware mij voor dien Walliser elf, dat hij mij niet in een stukje kaas verander’!

Hobgoblin.

Gij worm, bij uw geboort’ reeds aterling!

Elfenkoningin.

De vuurproef op zijn vingertoppen, vlug!

Want is hij rein, dan wijkt de vlam terug,

En schroomt hem leed te doen; doch toont hij smart,

Dan tuigt zijn vleesch van een verdorven hart.

Hobgoblin.

De vuurproef, kom!

Satyr.

De vuurproef, kom! Siet, of tit plok wil pranten!

(De Elfen branden Falstaff met de lichten.)

Falstaff.

O! O! O!

Elfenkoningin.

Verdorven, boos, in merg en ingewanden!

Komt, elfen, met een spotlied om hem heen,

En knijpt hem op de dansmaat een voor een.

Allen

(zingend en dansend).

Weg met snoode fantasie!

Dat aan wellust recht geschiê!

Wellust is een vuur in ’t bloed,

Eerst ontglimd in ’t wulpsch gemoed,

Dan in ’t harte staâg gevoed;

Hoog en hooger stijgt de gloed,

Door gedachten aangeblazen,

Tot de vlammen loeien, razen.

Knijpt hem, elfen, naar de rij,

Knijpt hem voor zijn schelmerij;

Knijpt hem en brandt hem en wentelt hem om.

Tot kaarsen- en sterren- en maanlicht verglom.

(Gedurende dit lied knijpen de Elfen Falstaff. Dokter Cajus, Slapperman en Fenton komen aansluiten van verschillende kanten; de eerste schaakt een groene, de tweede een witte Elf, en Fenton Anna Page.—Jachtgedruisch achter het tooneel; al de Elfen loopen weg. Falstaff werpt zijn hertsgewei van zich en rijst op. Page, Ford, juffrouw Page en juffrouw Ford komen op; Sir Hugo Evans voegt zich bij hen. Zij houden Falstaff vast.)

Page.

Neen, loop niet weg; wij hebben u betrapt;

Was nu de jager Hoorne uw laatste troost?

Juffrouw Page.

Ik bid u, zet de grap niet verder voort.—

Sir John, wat zegt ge wel van Windsors vrouwtjes?—

Man, zie eens, staat dit fraaie hoofdsieraad

Niet beter in het woud dan in de stad?

Ford.

Wel, Sir, wie is nu de hoorndrager?—Mijnheer Beek, Falstaff is een schelm, een hoorndragende schelm; daar zijn zijn horens, mijnheer Beek; en mijnheer Beek, hij heeft niets van Ford genoten dan zijn waschmand, zijn knuppel en twintig pond in goud, die aan den heer Beek moeten terugbetaald worden; zijn paarden zijn er voor in beslag genomen, mijnheer Beek. 119

Juffrouw Ford.

Sir John, wij hebben het recht ongelukkig getroffen; wij konden maar geen samenkomst hebben. Ik zal u nooit meer tot hartelief nemen; maar mijn hert, dat blijft gij altijd.

Falstaff.

Ik begin te gelooven, dat men een ezel van mij gemaakt heeft.

Ford.

Ja, en een os ook; van beide zijn de bewijzen voorhanden.

Falstaff.

En waren dat geen elfen? Het is mij drie- of viermaal in de gedachte gekomen, dat het geen elfen waren; maar het bewustzijn van schuld, de plotselinge overrompeling van mijn geestvermogens deden mij, spijt en trots alle redelijk menschenverstand, de grofheid van deze fopperij voor vollen ernst opnemen, zoodat ik geloofde, dat het elfen waren. Nu blijkt het, hoe het verstand tot een vastenavondzot kan worden, als het op booze wegen wandelt.

Evans.

Sir John Falstaff, tien Chot, en laat af van uw pecheertens, en de elfen sullen u niet nijpen.

Ford.

Goed gezegd, elf Hugo.

Evans.

En sie gij af van uw jaloerschheden, pit ik u.

Ford.

Ik zal nooit mijn vrouw meer wantrouwen, totdat gij in staat zijt, haar in goed Engelsch het hof te maken.

Falstaff.

Heb ik dan mijn hersenen in de zon gelegd en gedroogd, dat zij te kort schieten [323]om zulk een grove beetnemerij te voorkomen? En mag nu ook nog een Walliser geit naar willekeur met mij omspringen? Moet ik een zotskap dragen van Walliser baai? ’t Wordt tijd, dat ik stik aan een stuk geroosterde kaas.

Evans.

Kaas is niet cheschikt om poter te cheven; uw pens is een en al poter.

Falstaff.

Kaas en poter! moet ik het beleven, het mikpunt te zijn van iemand, die Engelsch tot piesjes hakt? Dit is genoeg om alle wulpschheid en nachtlooperij in het geheele koninkrijk in verval te brengen.

Juffrouw Page.

Wel, Sir John, meent gij waarlijk, dat, al hadden wij ook alle deugd met het hoofd vooruit uit ons hart geworpen, en gewetenloos onze zielen gansch en al aan de hel verkocht, de duivel ooit u tot den wellust onzer oogen gemaakt zou hebben?

Ford.

Wat, zulk een brijpodding! zulk een wolbaal!

Juffrouw Page.

Zulk een opgezwollen schepsel!

Page.

Oud, koud, verwelkt en met een ontzettenden buik!

Ford.

En zoo godslasterlijk als Satan!

Page.

En zoo arm als Job!

Ford.

En zoo boos als Jobs vrouw! 165

Evans.

En ferslaafd aan ontuchten en aan herberchen, en de sek en den wijn en de mede, en aan drinken en aan floeken, en chluren en kakelen en krakeelen!

Falstaff.

Ga voort, ik ben uw zondenbok, gij hebt het mij afgewonnen. Ik ben diep verslagen; ik ben niet in staat aan het Walliser flanel een antwoord te geven. De domheid zelve ziet een kabellengte diep op mij neer. Doet met mij wat ge wilt.

Ford.

Ja, ja, Sir, wij zullen u naar Windsor brengen, bij zekeren heer Beek, wien gij geld afgetroggeld hebt, wien gij beloofd hadt voor koppelaar te zullen spelen. Bij alles wat gij geleden hebt, zal het u, denk ik, bovendien een bitter verdriet zijn, dat geld te moeten terugbetalen.

Page.

Blijf toch welgemoed, ridder; gij zult van avond een goede biersoep bij mij eten, en daar zal ik u vragen mijn vrouw uit te lachen, die nu om u lacht. Vertel haar eens, dat de heer Slapperman haar dochter getrouwd heeft.

Juffrouw Page

(ter zijde). De geleerden betwijfelen dit. Als Anna Page mijn dochter is, dan is zij op dit oogenblik de vrouw van dokter Cajus.

(Slapperman komt op.)

Slapperman.

Hé, holá, ho! vader Page.

Page.

Zoon, wat is er? wat is er, zoon? is alles in orde?

Slapperman.

In orde?—De eerste lui in Glostershire zullen het weten, ja, of ik laat mij hangen, ziedaar!

Page.

Wat dan, zoon?

Slapperman.

Ik kom daar naar Eton om met Anna Page te trouwen, en zie, daar is zij een groote lobbes van een jongen. Als het niet in de kerk geweest was, dan had ik hem door elkander geschud, ja, of hij mij. Als ik niet dacht, dat het Anna Page was, mag ik nooit een lid meer verroeren;—en het is een postmeestersjongen.

Page.

Bij mijn ziel, dan hebt gij de verkeerde genomen.

Slapperman.

Wat behoeft gij mij dat te zeggen? Dat dunkt mij ook, daar ik een jongen voor een meisje nam. Als ik met hem getrouwd was geworden, had ik met al zijn vrouweplunje, hem toch niet willen hebben.

Page.

Wel, dit is niets dan uw eigen domheid. Heb ik u niet gezegd, hoe gij mijn dochter aan haar kleeding zoudt herkennen?

Slapperman.

Ik ging tot die in het wit en zeide „Pst!” en zij zeide „Sst!” zooals Anna en ik hadden afgesproken; en toch was het Anna niet, maar een postmeestersjongen.

Juffrouw Page.

Beste George, wees niet boos; ik wist van uw plan en kleedde mijn dochter in het groen; en, om de waarheid te zeggen, zij is nu met den dokter in de kapel, en getrouwd ook.

(Dokter Cajus komt op.)

Cajus.

Waar is juffrouw Page? Pardieu, ik zij bedroog; ik ’eb ketrouwd un garçon, een jong; un paysan, pardieu, een jong; het is niet Anna Page; pardieu, ik zij bedroog. 220

Juffrouw Page.

Wat! gij naamt toch die in ’t groen?

Cajus.

Ja, bij Kod, en die is een gnaap; bij Kod, ik zal in opstand breng heel Windsor.

(Cajus af.)

Ford.

Dat is vreemd. Wie heeft de echte Anna gekregen?

Page.

Ik word ongerust; daar komt master Fenton.

[324]

(Fenton en Anna Page komen op.)

Wat, master Fenton!

Anna.

Vergeving, lieve vader! beste moeder!

Page.

Ei, ei, juffertje, waarom zijt gij niet met master Slapperman meegegaan?

Juffrouw Page.

Waarom gingt gij niet met den dokter mede, meisje?

Fenton.

Gij brengt haar van haar stuk; verneemt nu alles.

Gij wildet haar een smaad’lijke’ echt doen sluiten,

Waar liefde nimmer wederliefde vond.

Nu staat het zoo: wij beiden, lang verbonden,

Zijn ’t nu zoo hecht, dat niets ons scheiden kan.

’t Vergrijp, dat zij gepleegd heeft, is geheiligd,

En haar misleiding heete geen bedrog,

Geen ongehoorzaamheid of plichtverzaking,

Want hierdoor meed, ontging ze een duizendtal

Godslasterlijk verwenschte heillooze uren,

Die een gedwongen echt haar brengen zou.

Ford.

Staat niet onthutst; hier valt niets aan te doen.

De hemel zelf regeert bij liefde en trouw;

Koop’ geld u land, het lot verkoopt een vrouw.

Falstaff.

Ik ben blij, dat, terwijl gij op mij gemikt hebt, uw pijl toch nog is afgeweken.

Page.

Wat nu?—’t Zij.—Fenton, zegene u de hemel!

Wat niet te ontgaan is, nu, dat moet men dragen.

Falstaff.

Hij schiet allicht een bok, die ’s nachts gaat jagen.

Juffrouw Page.

Nu, ’k wil niet langer pruilen. Master Fenton,

De hemel schenke u veel, veel blijde dagen.—

Kom, beste man, nu allen saam naar huis;

En lachen wij bij ’t haardvuur om de grappen,

Sir John en allen.

Ford.

Sir John en allen. Goed; wij gaan.—Sir John,

Toch houdt gij nog aan master Beek uw woord,

Want die, ja, slaapt van nacht bij juffrouw Ford.

(Allen af.)

[Inhoud]

AANTEEKENINGEN.

Van dit blijspel verscheen in 1602 een uitgave in quarto, welker titel er blijkbaar op berekend was om tot koopen uit te lokken: A Most pleasaunt and excellent conceited Comedie, of Syr John Falstaffe, and the merrie Wives of Windsor. Entermixed with sundrie variable and pleasing humors, of Syr Hugh the Welch Knight, Justice Shallow, and his wise Cousin M. Slender. With the swaggering vaine of Auncient Pistoll and Corporall Nym. By William Shakespeare. As it hath bene diuers times Acted by the right Honorable my Lord Chamberlaines seruants. Both before her Maiestie, and elsewhere. London Printed by T. C. for Arthur Johnson, and are to be sold at his shop in Powles Church-yard, at the signe of the Flower de Leuse and the Crowne. 1602. Deze T. C. is Thomas Creede, die verscheidene der quarto-uitgaven van Shakespeare drukte.—Op deze eerste uitgave volgde in 1619 een tweede, geheel naar deze eerste gedrukt. In 1623 bracht de folio-uitgave een anderen en veel uitgebreider tekst, die in 1630 in een derde quarto-uitgave woordelijk werd afgedrukt.

De groote onvolkomenheid der eerste quarto-uitgaven valt bij het onderzoek terstond in het oog. Wel is de volgorde der tooneelen, op een enkele uitzondering na, dezelfde als in de folio-uitgave maar alles is in de laatste veel fijner en beter uitgewerkt; en het aantal regels van het geheel is er ongeveer dubbel zoo groot. De onvolkomenheid der eerste quarto-uitgave is zoo, dat zij geenszins het eerste, niet behoorlijk afgewerkt, later verbeterd onderwerp van Shakespeare kan zijn; dit is onmogelijk, zelfs als wij onderstellen, dat zijn stukken eerst na herhaalde verbetering tot stand kwamen! Zij is geheel en al een onrechtmatige uitgave, waarvoor het onvolledig en gebrekkig materiaal, op slinksche wijze verkregen, zoo goed en zoo kwaad het ging, aaneengelapt werd; op welk een schaamtelooze wijze de ondernemers daarbij [325]vaak te werk gingen, is reeds vroeger, in dit deel, blz. 98, vermeld.

Het stuk moet geschreven zijn na de voltooiing van K. Hendrik V, dus na 1599. Het heeft ongetwijfeld zijn ontstaan te danken aan het verlangen, misschien door de toeschouwers kennelijk gemaakt, om de personen, die aan het publiek in de groote Koningsstukken zooveel genoegen verschaft hadden, nog eens, in een voor hen geschikte omgeving, in een blijspel of veeleer klucht te zien optreden; een verlangen, waaraan Sh. dan gehoor gaf1. Daartoe werd Falstaff, in K. Hendrik V reeds gestorven, weder opgewekt, werden Bardolf en Nym, welke laatste vroeger niet met Falstaff in aanraking was gekomen, en die beiden in datzelfde stuk reeds opgehangen waren, weder levend gemaakt en, zooals ook Pistool en de Page (uit het tweede deel van K. Hendrik IV), met Falstaff samengebracht, en wel te Windsor, omdat de dichter het stuk daar verkiest te laten spelen. Daarheen werd nu ook vrouw Haastig verplaatst, wel nog de oude koppelaarster, maar een vreemde voor Falstaff; zij hebben elkander niet gekend. Evenzoo is de betrekking tusschen Zielig en Falstaff een geheel andere dan vroeger. Men ziet, al treden er vele personen in op, die uit de Koningsstukken bekend zijn, het stuk hangt verder niet in het minst met de overige samen; Falstaff zelf is een geheel ander persoon dan vroeger, en laat zich op de onzinnigste wijze door de twee vroolijke burgervrouwtjes en door den verkleeden Ford beetnemen; ja, hij herkent zelfs den Walliser Elf aan zijn spraak niet. Wij zijn hier op het gebied der klucht, die ook het onwaarschijnlijkste mogelijk maakt en geschieden laat; en hiermede is volkomen in overeenstemming, dat Falstaff ten slotte door de overwinnende partij vriendelijk aan tafel genoodigd wordt. Het stuk wil vroolijk en blij-eindend zijn; strenge eischen heeft de critiek hier niet te stellen.

Enkele bijzonderheden moge de schrijver aan de eene of andere novelle ontleend hebben,—zooals dit trouwens bij onderzoek gebleken is,—wat hij ontleend heeft is zoo luttel, dat het onnoodig mag gerekend worden, hierbij stil te staan.


I. 1. 1. Sir Hugo. In het latere gedeelte der middeleeuwen en ook nog ten tijde van Shakespeare werden geestelijken, ook die van lageren rang, met den titel Sir aangesproken, een vertaling van den Latijnschen titel Dominus, in Nederland welbekend.

I. 1. 2. Een Sterrekamerzaak. De Sterrekamer, camera stellata,—zoo genoemd omdat de zoldering der zittingszaal in Westminster met sterren was versierd,—was het hooge gerechtshof, dat over oproer, hoogverraad en dergelijke vergrijpen had te oordeelen. De wijze van procedure was de volgende: de delinquenten werden voor den Geheimen Raad, the council, gedaagd en ontvingen daar het bevel, zich dagelijks bij dezen raad aan te melden en zich niet zonder verlof te verwijderen; na eenigen tijd werden zij op onderdanige bede van deze verplichting wel ontslagen, maar moesten bij de volgende zitting der Sterrekamer zich op een bepaalden dag bij dit hooge gerechtshof vervoegen. De Geheime Raad was het voorbereidend, de Sterrekamer het rechtsprekend lichaam. Daarom spreekt Zielig, I. 1. 35, ook van den Geheimen Raad. Er was een nauw verband tusschen dezen en de Sterrekamer, want verscheidene leden van den eersten waren leden van de tweede. De Sterrekamer, door Hendrik VII ingesteld, was meermalen een werktuig om vorstenwillekeur over het gewone recht te doen zegevieren en werd daarom in 1641 opgeheven.—Blijkbaar wordt hier de ijdelheid en opgeblazenheid van Zielig bespot, daar hij een jachtvergrijp voor het hoogste gerechtshof brengen wil. Misschien kreeg ook de Sterrekamer zelf een veeg uit de pan, want volgens Collier—in zijn History of English Dramatic poetry, III, 295,—werden er twee edellieden voor haar gedaagd, die in een park van Sir John Stanhope, vice-kamerheer der koningin, gejaagd, d.i. gestroopt, hadden, zoodat het rechtshof zich ter wille van een groot heer met zulk een gering vergrijp had ingelaten. Er is geen reden, om hier de juistheid van Collier’s mededeelingen te betwijfelen.

I. 1. 6. Coram, custalorum, ratolorum, armigero. Zielig (Shallow) heeft zich even te voren reeds esquire genoemd, wat hier met „zijn edelgeboren” vertaald is;—[326]de rang van esquire is één graad lager dan die van ridder,—en nu wedijvert hij met zijn neef om zijn titels voluit op te geven.—Als vrederechter onderteekende Zielig de getuigenverhooren met de woorden: Jurat coram me, Roberto Shallow armigero; „hij zweert in tegenwoordigheid van (coram) mij, Robert Shallow, esquire.” Zielig blijkt ook custos rotulorum, bewaarder der archieven van het graafschap, geweest te zijn; alsdan kon de formule worden: jurat coram me, custode rotulorum, R. S., armigero. Als verkorting kon wel geschreven worden cust-ulorum, wat door Zielig voor één woord wordt gehouden en eenigszins verkeerd uitgesproken. Zijn neef vat coram als een titel op, daarom brengt Zielig zijn waardigheid van „custalorum” in herinnering, en Slapperman meent dien te moeten aanvullen met ratolorum, waarvan hij toch ook wel eens gehoord heeft.—Met zeer weinige trekken zijn aldus Zielig en zijn neef Slapperman (Slender) geteekend.

I. 1. 16. Hun dozijn zilveren pietermannen. The dozen white luces. De luce is de snoek, the pike, in het Latijn Esox lucius. Allerduidelijkst wordt hier gezinspeeld op het wapenschild der familie Lucy, die drie zilveren opgerichte snoeken op een veld van keel voerde. In Ferne’s „Blazon of Gentry”, 1586, staat te lezen: „Signs of the coat should something agree with the name. It is the coat of Geffray Lord Lucy. He did bear gules, three lucies hariant (hauriant) argent.” („Hauriant” is in de wapenkunde de uitdrukking voor het opgericht zijn van visschen, alsof zij uit het water willen springen, wat bij leeuwen enz. saltant of saliant heet.) De familie der Lucy’s bewoonde den riddermatigen zetel Charlecote, aan den Avon, nabij Stratford, de stad, waar Shakespeare geboren werd en ten minste tot zijn twintigste jaar bleef. Hij kende natuurlijk het wapen der Lucy’s, zooals ieder kind destijds de wapens der in zijn buurt wonende edellieden kende. Het dozijn snoeken is geen overdrijving, want het schild werd ook wel in vieren gedeeld en ieder kwartier vertoonde het drietal; zoo heeft ook Dugdale, die de oudheden van Warwickshire beschreef, het in de kerk van Stratford gezien.—Een oogenblik later is Zielig er over ontevreden, dat zijn wapen versche, niet zoute visschen voert; een oud geslacht moest gezouten visschen in zijn wapen hebben. Men gaat hieruit al licht denken, dat er aan de oudheid of den adel van het geslacht Lucy wat haperde. En ziet: in Dugdale’s Antiquities of Warwickshire wordt vermeld, dat de stamboom der Lucy’s tot den tijd van Richard I reikt, maar dat zij den naam eerst onder Hendrik III hebben aangenomen: van Hendrik III tot Elizabeth zijn de driehonderd jaar verloopen, waarvan Zielig spreekt; in Camden’s Britannia,—Camden was een tijdgenoot van Sh., goed bekend met de voornaamste geslachten,—staat in de beschrijving van Warwickshire: „Plenior hinc Avona defertur per Charlecott, nobilis et equestris familiæ Luciorum habitationem, quæ a Charlecottis jam olim ad illos hæreditario quasi transmigravit.” Charlecott en Charlecottis zijn bij Camden door den druk onderscheiden, en in zijn lijst der „Barones et illustriores familiæ” ontbreekt het huis Lucy. Dus een edel en riddermatig huis, doch slechts quasi-erfgenaam der Charlecotes, misschien door huwelijk of vorstengunst in het bezit van hun zetel gekomen. Met het oog hierop, kan men in Sh.’s woorden een bitteren hoon ontdekken: „Zij hebben de luces in hun coat (riddermantel) en beweren, dat het een oude coat is; doch zij hebben zich in Charlecote genesteld als louses in an old coat; hun visschen hebben zij tot een dozijn vermeerderd om vertooning te maken, maar het zijn en blijven versche visschen,—hun adel is nieuwbakken,—zij voeren niet the old coat, niet het echte, oude wapen van Charlecotte.”

Nicholas Rowe, de eerste, die na de vier folio-uitgaven van 1623, 1632, 1664 en 1685, een critische uitgave van Sh.’s dramatische werken in 1709 ondernam, voegde bij deze eenige aanteekeningen omtrent Sh.’s leven. Hij was ze grootendeels verschuldigd aan den tooneelspeler Betterton (geboren in 1635), die in Warwickshire berichten omtrent Sh. ingewonnen had. Hij vermeldt, dat Sh. zich aan stroopen in de bosschen van Sir Thomas Lucy had schuldig gemaakt, daarvoor door dezen streng bestraft werd, zich wreekte door een scherp hekeldicht op dien edelman en eindelijk, om vervolgingen te ontgaan, uit Stratford week en in Londen zijn fortuin ging zoeken.—Richard Davies, Rector te Sapperton in Glocestershire, gestorven 1708, spreekt ook van Sh.’s wilddieverij, waarvoor hij door Lucy streng gestraft werd, zoodat hij zijn vaderstad ontweek en, hoewel hier fortuin door makend, zeer verbitterd bleef [327]op genoemden edelman, dien hij tot zijn vrederechter Clotpole (Dwaashoofd) maakte, en wien hij, met zinspeling op zijn naam, drie luizen tot wapen gaf.

Men ziet, dat door deze mededeelingen, hoe weinig gewicht men er ook aan hechte en hoe laat deze berichten ook verzameld mogen zijn, de boven gegeven verklaring, die op de onderzoekingen van Herman Kurz steunt, niet weinig bevestigd wordt. Men heeft inderdaad alle recht om te vermoeden, dat de eerste letter van Shallow’s (Zieligs) naam is: Sir Thomas Lucy.—Ook in 1. K. Hendrik VI, IV. 7, 61 laat Sh. een Lucy geweldig met titels schermen.

I. 1. 19. Die dozijn silveren pieten. The dozen white louses. Hugo Evans is een Walliser; het Engelsch is hem een vreemde taal, die hij verbazend radbraakt, zoowel door wonderlijken zinsbouw als door taalfouten en harde uitspraak. Zoo zegt hij hier, in plaats van lice, louses. Toch spreekt hij het Engelsch met het grootste zelfvertrouwen, evenals zijn landgenoot Fluellen, over wien men dit deel blz. 52 nazie.

I. 1. 59. Heeft haar grootvader enz. De folio-uitgave kent deze woorden aan Slapperman toe; de gissing van Capell, dat Zielig ze spreken moet, is echter zeer waarschijnlijk; tot dezen, als Slapperman’s voogd, zal zich Evans met zijn mededeeling gewend hebben.

I. 1. 92. Bij Cotswold. Cotswold, in den volksmond Cotsall, is een heuvelachtige grasrijke streek in Glostershire, waar vaak volksvermakelijkheden plaats vonden.

I. 1. 116. De dochter van uw wachter niet gekust. Ongetwijfeld een aanhaling uit een thans onbekend volksliedje of een toespeling er op.

I. 1. 130. Gij Banbury-kaas. Banbury, een stadje in Oxfordshire, was, behalve om zijn puriteinschgezindheid, bekend om zijn bijzonder dunne kaas. In Jack Drum’s Entertainment (1601) vindt men evenzoo: „You are like a Banburycheese,—nothing but paring”; niets dan korst. Wordt hiermede Slapperman’s magerheid aangewezen, evenals door het flentertje of dun schijfje van Nym. Pistool’s Mephostophilus doelt op zijn afschuwelijke leelijkheid, zooals het voorkomen was van den boozen geest in Marlowe’s Faust.

I. 1. 158. Een halve kroon in scheepjesschellingen. In ’t Engelsch mill-sixpences, munten op den muntmolen in 1561 voor het eerst geslagen; de stempel werd later veranderd. Een kroon gelieve men hier twee gulden waard te denken; het Engelsch heeft hier zeven grooten, seven groats, wat samen 28 pence is; hoe het mogelijk is, zeven grooten in zesstuiversstukken (of ƒ 1.— in schellingen) te verliezen, moge Slapperman zelf uitleggen.—„Schuifbordschellingen”, Edward shovel-boards zijn groote zware, onder Edward VI geslagen schellingen, die voor het spelen op het shovel-board of shove-groat gebezigd werden. Op dit schuifbord, den voorlooper als het ware van het biljart, werden zulke munten, maar ook wel steentjes van een pond gewicht en meer, met de hand voortgeschoven en moesten dan bepaalde punten of lijnen bereiken.

I. 1. 164. Vreemd’ling van ’t gebergt. Omdat Evans een Walliser is.—Labras, dat volgt, is Spaansch voor „lippen”; er waren in Sh.’s tijd veel Spaansche woorden in gebruik.—Voor het „grijpschaar” staat in ’t Engelsch nuthook, een lange staak met een haak aan ’t eind, om noten van de boomen te halen; het woord is een spotnaam te rekenen voor politiemannen en slaat tevens nog op Slapperman’s magerheid.—„Scharlaken en Hans” zijn de namen van twee volgelingen van Robin Hood, die nu vereenigd op Bardolf worden toegepast, om hem te gelijk als spitsboef en drinkebroer te kenschetsen.

I. 1. 200. Met uw verlof, lieve juffrouw! Kussen was in oud-Engeland een zeer gewone begroeting.

I. 1. 209. Het raadselboek. In 1600 werd „The booke of merry riddles” uitgegeven, dat grooten aftrek vond en verscheidene malen herdrukt werd. Met het liedekens- en klinkdichtenboek kunnen de liederen en sonnetten van den graaf van Surrey bedoeld zijn, die zeer in aanzien waren en in het jaar 1557, waarin zij het licht zagen, driemaal gedrukt werden, verder in 1559, 1565, 1567, 1574, 1585 en 1587.

I. 1. 211. Met de laatste Allerheiligen, veertien dagen voor Sinte Michiel. Evenals zijn meester een eigen rekenmanier, houdt Simpel er zijn eigen kalender op na, want Allerheiligen valt ruim vier weken na Michaëlis.

I. 1. 282. Bedien mijn neef Zielig. Ook als men te gast was, liet men zich toen door zijn eigen knecht bedienen.

I. 1. 307. Sackerson. Honden met [328]beren te laten vechten was toen een zeer geliefd volksvermaak. Sackerson was een sterke beer in Parisgarden, Southwark, Londen.

I. 2. 13. Pippelingen en kaas. Als echt Walliser hield Evans bijzonder veel van kaas.

I. 3. 15. Schuimen en kalken. Men schaafde, volgens Steevens, zeep op den bodem van een bierkan, om het bier te laten schuimen; met sek werd kalk gemengd, om die te klaren; vergelijk 1 K. Hendrik IV, II. 4. 136.

I. 3. 23. O snood Gongarisch wicht. De regel ziet er uit als een gewijzigde versregel uit een oud drama; Gongarian staat voor Hungarian; door deze Hongaren zijn de Zigeuners of Heidens te verstaan, evenals men bij den Boheemschen Tartaar van den Waard (IV. 5. 21) aan dezen te denken heeft. Bisschop Hall zegt in zijn „Satires”:

„So sharp and meagre that who should them see

Would swear they lately came from Hungary.”

En zoo kan Hongaar ook de bijbeteekenis hebben van „hongerlijder”.—In het volgend zeggen van Nym staan de laatste woorden van Nym: „Zijn aard is” enz. niet in de folio-, maar zijn aan de quarto-uitgave ontleend.

I. 3. 30. Een figo. Een teeken van verachting; zie 2 K. Hendrik IV, V. 3. 124 (Deel I, blz. 632).

I. 3. 36. Gaan stroopen. Er staat eigenlijk „konijnen vangen”.

I. 3. 49. Zij lacht toe. In ’t Engelsch staat letterlijk: she carves. To carve is eigenlijk „voorsnijden”, „trancheeren”, een kunst, die een welopgevoed mensch, man en vrouw, moest verstaan. Als een vrouw aan een man voorsneed, hem bediende, kon dit een teeken van welwillendheid of gunst gerekend worden, en dat Falstaff, die van zijn buik een afgod maakte, het zoo opvatte, kan niet verwonderen. Men kan hier het woord dus opvatten in letterlijken zin, maar ook eenvoudig als voorkomend zijn; evenzoo is het in „Veel gemin, geen gewin”, V. 2. 323.—Een andere verklaring geeft Grant White; hij zegt, dat het is, „bij het drinken met den vinger een geheim teeken van verstandhouding geven” en haalt daarvoor uit Sir Thomas Overbury’s A very woman het zeggen aan: her lightness gets her to swim at top of the table, where her wry little finger bewrays carving.—In het volgend zeggen van Pistool heeft de folio-uitgave, min verkieslijk, tweemaal will; ’t eerste moet well zijn.

I. 3. 59. Hij heeft een legioen engelen. Gouden munten van 10 shilling.

I. 3. 83. Sir Pandarus van Troje. De oude koppelaar; zie Sh’s Troilus en Cressida.

I. 3. 95. Valsche steenen. In ’t Engelsch worden soorten van valsche dobbelsteenen opgenoemd: gourd, fullam, high en low; misschien waren de eerste met een holte, de tweede met lood vervalscht, en gaven de twee andere altijd hooge of altijd lage oogen.

I. 4. 28. Met een konijnenmelker. In ’t Engelsch warrener, eigenlijk niet een konijnfokker, maar een opzichter in een konijnenperk, die wel niet hooger begaafd behoeft te zijn dan een ganzenhoeder. Moed is zeker niet het eerste vereischte voor deze betrekking.

I. 4. 79. Phlegmatiek. Zij wil natuurlijk choleriek zeggen, maar is met die vreemde woorden telkens in de war.

II. 1. 5. Schoon de Liefde het Verstand wel als haar verkenner gebruike, laat zij het toch niet als haar raadsman toe. Arts zou de vertaling zijn van physician, zooals door de meeste uitgevers, Dyce, Staunton, Clark en Wright, Delius hier gelezen wordt. Maar de arts is in de eerste plaats een raadgever, en de redeneering sluit dus niet. Dit physician is Johnson’s gissing voor precisian, dat in de folio-uitgave gelezen wordt. Het komt mij voor, dat precisian behouden moet blijven en een goeden zin geeft. Een precisian moet beteekenen: iemand, die heel precies is, een nauwlettend mensch, die alles goed opneemt, het voor en tegen overweegt, een berekenaar, een opmerker, een pluizer, een overweger is. Zoo wordt in het vervolg van den brief nageplozen en overwogen, dat er sympathie tusschen Falstaff en zijn aangebedene bestaat: in leeftijd, in vroolijkheid, in smaak voor sek; maar dit alles is niet de reden van zijn liefde, deze vloeit niet voort uit den aard van zijn rede. Hij bemint, omdat hij het moet, door den drang des harten; de reden is niet op te geven, maar hij bemint, hij bemint smachtend, vurig, trouw, en vraagt wederliefde2. [329]

II. 1. 23. Die Vlaamsche dikzak van een dronkaard. In ’t Engelsch alleen: this Flemish drunkard, maar de Engelschman dacht bij den Duitschen dronk vanzelf aan een grooten lichaamsomvang; vergelijk „Othello”, II. 3. 80.

II. 1. 52. Die ridders willen er op inhakken. Engelsch: These knights will hack. De juiste beteekenis is nog raadselachtig; hack beteekent „hakken”, „houwen”.

II. 1. 64. Het lied van „Juffrouw Groenmouw”. Een lichtzinnig liedje uit dien tijd; het is verloren gegaan, maar de melodie is bewaard gebleven. Wereldsche wijsjes, die opgang maakten, werden toen niet zelden voor geestelijke liederen gebruikt.

II. 2. 19. Pickt-hatch. Een beruchte buurt in Londen.

II. 2. 28. Bierhuis-uitdrukkingen. Engelsch: redlattice phrases. De venstertralies van kroegen en publieke huizen waren roodgeverfd.

II. 2. 157. Welkome Beken. De aangenomen naam van Ford is in de folio Broom, in de quarto-uitgave Brook; het laatste is, blijkens deze woordspeling, juist. De eerste naam, Brook, is waarschijnlijk, om de eene of andere reden, in Broom veranderd, zonder dat men op deze plaats acht sloeg.—Dat iemand ter kennismaking aan een gast in een herberg een kan wijn zond, was in Sh.’s tijd niet vreemd en bleef nog lang daarna in zwang.—De uitroep via! is Italiaansch en beteekent: voort! vooruit! zij was in Engeland zeer gebruikelijk.

II. 2. 311. Amaimon enz. De duivelnamen heeft Sh. ontleend aan het boek van Reginald Scot: Inventarie of the Names, Shapes, Powers, Government and Effects of Devils and Sprites etc. 1584.

III. 1. 17. Aan helt’re peekjes enz. In zijn angst mengt Evans in het lied van Marlowe: The Passionate Shepherd to his Love, dat ook in „De Verliefde Pelgrim” (aan het einde van het derde deel te vinden) is opgenomen een vers uit den 137sten Psalm: „Aan Babels waat’ren zaten wij”. Het oorspronkelijke luidt: By shallow rivers, by whose falls Melodious birds sing madrigals. There will I make thee a bed of roses, With a thousand fragant posies.

III. 3. 15. Datchetwei. Een als bleek gebruikte weide tusschen het noorderterras van het kasteel te Windsor en de Theems, met een sloot, die in de rivier uitloopt.

III. 3. 44. Van kraaien. From jays. Jay is de Vlaamsche gaai of meerkol, Corvus glandarius; het woord wordt ook tot aanwijzing van lichte vrouwen gebezigd, zie „Cymbeline” III. 4. 51.

III. 3. 45.Is nu mijn hemelsch kleinood mijn?Have I caught thee, my heavenly jewel? Zoo begint het tweede lied uit Sidney’s Astrophel and Stella. Alleen is in de folio-uitgave het woord thee ingevoegd.

III. 3. 79. De apothekersstraat in den kruidentijd. In ’t Engelsch wordt de straat, waarin vele apotheken waren, door den naam, Bucklersbury, aangewezen; de „kruidentijd” is natuurlijk de tijd, waarin de meeste kruiden, simples, verzameld en gedroogd werden.

III. 3. 96. Verschuilen achter het wandtapijt. Zie 1 K. Hendrik IV, II. 4. 549 en „Hamlet”, II. 2. 163 en III. 4. 7.

III. 4. 47. Wat er ook gebeure. Er staat eigenlijk „kome kort- en langstaart”; hij voegt er bij, dat hij zich niet zoo hoog als een landjonker, squire, wil verheffen, misschien uit respect voor Zielig, die een „squire” is.

IV. 1. 4. Echt separaat dol. In ’t Engelsch zegt vrouw Haastig very courageous mad, „courageous” voor outrageous; in ’t Nederlandsch staat natuurlijk separaat dol voor „desperaat dol”.

IV. 1. 41. De artikels worden ontleend van het pronomen. In het Latijn zijn, zooals bekend is, geen lidwoorden. Maar ook de ouden, zelfs Varro reeds, die ten tijde van Caesar leefde, bezigden de aanwijzende voornaamwoorden, om de geslachten der naamwoorden te onderscheiden; zoo zegt Varro („De lingua latina”, X. 2. 161): „In virili genre est lepus, ex neutro nemus; dicitur enim hic lepus et hoc nemus”. Zoo heeft langzamerhand de [330]Grammatica der middeleeuwen van het demonstrativum als het ware een artikel gemaakt, en in de Latijnsch-Engelsche woordenlijsten der 15de eeuw, die nog lang in gebruik bleven, vindt men voor ieder substantivum, naar gelang van zijn geslacht, een hic, een hec of een hoc, of ook verkort i, e, o.

IV. 2. 77. Het dikke wijf van Brentford. Gillian (Juliana) of Jyl was een om haar grappige invallen zeer bekende waardin uit Brentford,—een stadje, ongeveer zeven mijlen westelijk van Londen, naar Windsor toe, gelegen,—en ging bij velen voor een heks door.—Er werden toen doeken gedragen, mufflers, om de kin en den mond te omhullen.

IV. 2. 110. Neem eer voor stille waat’ren u in acht. In het Engelsch staat hier het spreekwoord: „Stille varkens eten alle draf.” Ons spreekwoord is: „Stille waters hebben diepe gronden”.

IV. 3. 1. De Duitschers verlangen. In de folio-uitgave staat hier het enkelvoud, en dit wisselt later af met het meervoud, als om aan te duiden, dat een van de drie hoofdpersoon is.—Hoogstwaarschijnlijk was de in dit stuk optredende waard een aan de toeschouwers bekende persoonlijkheid en is hij werkelijk door Duitsche groote heeren bedrogen, aan wie hij paarden had geleverd zonder er betaling voor te kunnen krijgen. Dit nader aan te toonen, waarvoor bronnen genoeg voorhanden zijn, zou hier te veel ruimte vorderen en de zaak is er niet belangrijk genoeg voor.

IV. 4. 28. Er loopt een sprookje van den jager Hoorne. Halliwell zegt aan het slot zijner inleiding bij een herdruk der oude quarto-uitgave: „In a manuscript of the time of Henri VIII, in the British Museum, I find: „Rycharde Horne, yeoman”, among „the names of the hunters which be examyned and have confessed for hunting in his majesty’s forest”. Volgens de oude overlevering zou Horne, die opzichter was van het koninklijk park, uit angst voor zijn ontslag, zich opgehangen hebben aan den naar hem genoemden eik. Men heeft zich veel moeite gegeven, om de plaats, die de dichter zich voor dit tooneel voorstelt, aan te wijzen, maar het mag overbodig heeten daarover uit te wijden, en na te gaan, welke der eiken, dien men als „eik van Horne” heeft aangewezen, door Sh. bedoeld zou zijn. Slechts dit: de plaats lag zeker vrij dicht bij het kasteel, want daar vond men vroeger eiken, zaagkuil (een timmerplaats) en een droge gracht, die bij de slotgracht behoorde, bij elkander.—In de oude quarto-uitgave is de naam des jagers, evenals in bovenstaand document, Horne, en niet Herne, zooals in de folio-uitgaaf. De eerste naam zal wel de juiste zijn en is in dit stuk eigenaardiger; zie ook V. 5. 115.

IV. 5. 7. Veldbed. Trucklebed, een laag bed, op rollen, dat onder het groote bed, dat op pooten stond, kon geborgen worden en meest voor een bediende bestemd was.

IV. 5. 19. Ephesiër. Een vroolijke, levenslustige klant, ook wel Corinthiër geheeten, zie 2 K. Hendrik IV, II. 2. 164 en 1 K. Hendrik IV, II. 4. 13.—Over Boheemsche Tartaar, zie boven, blz. 328, bij I. 3. 23.

IV. 5. 66. Kerlino. Evenzoo maakt in ’t oorspronkelijke de waard van het Engelsche varlet, „knecht”, „kerel”, het Italiaansch klinkend varletto.

IV. 5. 104. Primero. Een kaartspel, thans onbekend, ook in K. Hendrik VIII, V. 1. 7. vermeld.

V. 1. 1. Kom kom, enz. Dit eerste tooneel zou eigenlijk beter bij het vorige bedrijf gevoegd zijn.

V. 5. 21. Pataten regenen, eryngiën, sneeuwen. De pas bekend geworden aardappels en de kruisdistels werden geacht een tot mingenot opwekkende kracht te bezitten.

V. 5. 43. Aardsche wichten, volgens ’t lot geroofd. You orphan heirs of fixed destiny. Waarschijnlijk: kinderen van aardsche ouders, die volgens eeuwig besluit van het noodlot door de elfen geroofd en door deze als kinderen aangenomen waren.—Met oyez, hoort (in het Engelsch oyes, rijmend op toys), begon een heraut steeds tot stilte te vermanen.—Voor deze woorden der Elfenkoningin staat in de folio-uitgaaf Qui., d.i. Quickly (de naam van vrouw Haastig), voor de volgende van Hobgoblin, de naam Pistool, wat niet anders aanduidt,—daar het voor den druk gebezigde handschrift blijkbaar bij de vertooning van het stuk gebezigd was,—dan dat dezelfde spelers, die vrouw Haastig en Pistool hadden voorgesteld, nu als Feeënkoningin en Hobgoblin optraden.—Mogelijk ondertusschen is Qui. een drukfout voor Qu., d.i. Queen, koningin, Elfenkoningin. [331]

V. 5. 53. Tauwtrupje. In ’t Engelsch staat Bede, d.i. Bead, in de quarto-uitgave, om Evans’ Walliser uitspraak, Pead. Bead is een knopje, bolletje b.v. van een rozenkrans, kraal, ook droppel, of wel alles wat zeer klein is.

V. 5. 60. Windsors slot. Malone heeft vermoed, dat de regels, die op de orde van den Kouseband doelen en in de quarto-uitgave van 1602 ontbreken, later bijgevoegd zijn en op het door koning Jacobus I in 1603 te Windsor gehouden feest der orde betrekking hebben. Dit vermoeden is zeer waarschijnlijk juist. In reg. 67 wordt gesproken van installatie van nieuwe ridders,—each fair instalment,—en in de laatste jaren van Elizabeths regeering was er van installatie van nieuwe ridders zoo geen sprake; daarentegen was in 1603 Sh.’s begunstiger en vriend, graaf Southampton, onder hen, wien deze eer ten deel viel. Kort te voren was hij nog een gevangene wegens hoogverraad en had bijna het lot van zijn vriend Essex gedeeld; na Elizabeths dood werd hij weder in zijn rang en zijn waardigheden hersteld en mocht naar het gebruik der orde zijn insignia: schild, helm en banier, met zijn voor rein verklaard wapen, boven zijn zetel in de kapel der orde ophangen. De toevoeging with loyal blazon, reg. 68, kan zeer wel hierop doelen.

V. 5. 107. Neen, loop niet weg. De speelaanwijzing, die aan deze woorden van Page voorafgaat, ontbreekt in de folio-uitgaaf geheel, en is reeds door een der oudste uitgevers, Theobald, aan de eerste quarto-uitgave met eenige wijzigingen ontleend. Dat de inhoud moet zijn als hier gegeven is, valt niet te betwijfelen.


1 Een eeuw later is er een overlevering geboekt, dat koningin Elizabeth zelf gewenscht zou hebben, Falstaff nog eens, en wel verliefd, te zien optreden. 

2 Het woord verkennen beveelt zich aan, omdat het een krijgsman is, die schrijft; voor [329]„verstand” zou men „rede” willen kiezen, om de gelijkheid in klank met reden, maar ’t woord is vrouwelijk.—Op godsdienstig gebied zou a precisian een streng puritein kunnen zijn, maar van de Rede hier een „verdammender Inquisitor”, een „Prediger”, een „Proselytenmacher” of een „Sittenlehrer” te maken, zooals Duitsche vertalers gedaan hebben, gaat, dunkt mij, in het geheel niet aan.