Voor Page’s huis.
Juffrouw Page komt op, met een brief.
Juffrouw Page.
Wat! Ben ik in den feesttijd van mijn schoonheid minnebrieven ontgaan, en moet ik er nu aan blootgesteld zijn? Laat zien. (Zij leest).
„Vraag mij niet naar de reden, waarom ik u bemin; want schoon de Liefde het Verstand als haar verkenner gebruike, laat zij het toch niet als haar raadsman toe. Gij zijt niet jong meer, ik ben het [293]ook niet; welnu dan hier is sympathie;—gij zijt vroolijk, dat ben ik ook; aha dus, nog meer sympathie;—gij houdt van sek, dat doe ik ook; kunt gij beter sympathie verlangen? Laat het u dan voldoende zijn, mistress Page,—ten minste, als eens soldaats liefde voldoende kan zijn,—dat ik u bemin. Ik wil niet zeggen: heb medelijden met mij, want dit is geen krijgsmanstaal, maar ik zeg: bemin mij. Geschreven door mij, uw getrouwen ridder,
Die naar u smacht,
En meen’ge nacht
Aan u slechts dacht,
Wiens geest met macht,
Wiens arm met kracht,
Uw heil betracht:
John Falstaff.”
Welk een Herodes van Judea is dit!—O booze, booze wereld! een kerel, die van ouderdom bijna tot flarden is versleten, en die den jeugdigen galant wil spelen! Wat in ’s duivels naam heeft die Vlaamsche dikzak van een dronkaard in mijn gedrag voor onvoorzichtigs opgespoord, dat hij het wagen durft mij zoo aan boord te komen? Hij is geen driemaal met mij in gezelschap geweest.—Wat kan ik dan toch tegen hem gezegd hebben?—Ik was dan toch telkens,—God vergeev’ mij!—gematigd in mijn vroolijkheid.—Nu, ik wil een wet in het parlement brengen om de mannen af te danken. Hoe kan ik mij op hem wreken? want wreken wil ik mij, zoo waar als zijn ingewanden uit louter poddingen bestaan. 32
(Juffrouw Ford komt op.)
Juffrouw Ford.
Zie daar, juffrouw Page! ik wilde zoo waar juist naar uw huis gaan.
Juffrouw Page.
En ik kwam zoo waar juist naar u toe. Maar wat ziet gij er slecht uit!
Juffrouw Ford.
Neen, dat geloof ik nooit; ik kan u het tegendeel bewijzen.
Juffrouw Page.
Neen maar het is toch zoo, naar ik vind.
Juffrouw Ford.
Nu, het zij zoo, maar zooals ik zeg, ik heb het bewijs van het tegendeel in handen. O, juffrouw Page, geef mij raad.
Juffrouw Page.
Wat is er dan, melieve?
Juffrouw Ford.
O lieve, als er niet een klein ietsje tegen was, kon ik tot hooge eer stijgen!
Juffrouw Page.
Nu, geef dat ietsje den bons en neem de eer. Wat is het?—zet ietsjes op zij;—wat is het?
Juffrouw Ford.
Als ik maar voor een oogenblikje eeuwigheid of zoo in de hel wilde komen, kon ik geridderd worden.
Juffrouw Page.
Wat?—daar jokt gij mij voor;—Sir Alice Ford!—die ridders willen er op inhakken; en daarom moet gij van uw stand niets willen opgeven.
Juffrouw Ford.
Wij branden licht bij dag;—lees hier, lees;—zie eens, hoe ik geridderd kan worden.—Ik zal in het vervolg het ergste van dikzakken denken, zoolang ik oogen heb om den eenen man van den anderen te onderscheiden. En toch pleegde hij niet te vloeken; hij was vol lof voor de zedigheid der vrouwen, en sprak met zooveel behoorlijke en betamelijke afkeuring van alles wat onwelvoeglijk was, dat ik had willen zweren op de overeenstemming van zijn bedoelingen met zijn woorden. Maar zij hangen niet meer samen en komen niet beter overeen dan de wijs van den honderdsten psalm met die van het lied van „Juffrouw Groenmouw.” Welke stormwind, vraag ik, wierp dien walvisch, met zooveel tonnen traan in zijn buik, te Windsor op het strand? Hoe kan ik mij op hem wreken? Ik denk, dat het best is, hem met hoop aan het lijntje te houden, tot het booze vuur van den lust hem in zijn eigen vet gesmolten heeft.—Hebt gij ooit zoo iets gehoord?
Juffrouw Page.
Woord voor Woord, alleen de namen van Page en Ford verschillend!—Tot uw grooten troost bij dezen geheimzinnigen kwaden naam,—zie hier den tweelingbroer van uw brief; maar laat den uwen eerst erven, want ik zweer, de mijne zal het nimmer. Ik sta er voor in, hij heeft een duizendtal van deze brieven, met open ruimte voor verschillende namen, ja nog wel meer, en deze zijn van de tweede uitgaaf. Hij zal ze laten drukken, buiten twijfel; want hij geeft er niet om, wat hij onder de pers brengt, daar hij er ons alle twee onder zou willen brengen. Ik zou nog liever een reuzin zijn en onder den berg Pelion liggen. Waarlijk, ik wil u eer twintig ontuchtige tortelduiven opzoeken, dan één kuischen man.
Juffrouw Ford.
Waarachtig, geheel hetzelfde, dezelfde hand, dezelfde woorden. Wat denkt hij van ons?
[294]
Juffrouw Page.
Ja, dit weet ik niet; maar het brengt er mij bijna toe mijn eigen eerbaarheid te bekijven. Ik wil met mijzelve omgaan als met iemand, die ik nog niet ken; want zeker, als hij niet een zwak in mij gevonden heeft, dat ikzelf nog niet ken, zou hij mij nooit met zulk een woede aan boord geklampt hebben.
DE VROOLIJKE VROUWTJES VAN WINDSOR.
Tweede Bedrijf, Eerste Tooneel.
Juffrouw Ford.
Aanklampen noemt gij het? Nu, ik ben er gerust op, dat ik hem wel bovendeks zal houden.
Juffrouw Page.
En ik ook; als hij mij ooit onder de luiken komt, dan wil ik nooit meer in zee steken. Laten wij wraak op hem nemen; laten wij hem een onderhoud toestaan, hem een schijn van verhooring van zijn wenschen voorhouden, en hem met het fijne lokaas van uitstel bij den neus leiden, tot hij zelfs zijn paarden aan den waard van den Kouseband verpand heeft.
Juffrouw Ford.
Goed, ik doe mee, om hem iederen schelmschen trek te spelen, die geen vlek kan werpen op de zuiverheid van onzen goeden naam. O, als mijn man dezen brief eens te zien kreeg! dat zou een eindeloos voedsel geven aan zijn jaloerschheid.
Juffrouw Page.
Kijk, daar komt hij juist, en mijn goede man ook. Die is zoo ver van jaloerschheid, als ik er van af ben, hem er reden toe te geven, en dit is, zoo ik hoop, een onmetelijke afstand.
Juffrouw Ford.
Des te gelukkiger voor u.
Juffrouw Page.
Laat ons samen te rade gaan tegen dien smeerbuik van een ridder; kom mede.
(Beiden af, in huis.)
(Ford en Pistool, Page en Nym komen op.)
Ford.
Nu, ik hoop, het is zoo niet.
Pistool.
De hoop is vaak een kortstaart, die als jachthond
Is afgekeurd. Sir John begeert uw vrouw.
Ford.
Kom, man, mijn vrouw is de eerste jeugd voorbij.
Pistool.
O hoog en laag, en rijk en arm begeert hij,
En jong en oud, het eene en ’t andre, Ford.
Hij houdt van mengelmoesjes; Ford, bedenk dit.
Ford.
Hij mijne vrouw beminnen?
Pistool.
Met gloeiend heete lever. Stuit, o stuit hem,
Of loop voortaan, met Phyllax op de hakken,
Als Sir Actæon rond.—O haat’lijk woord!
Ford.
Welk woord, heer?
Pistool.
De horen, ja. Vaarwel, wees op uw hoede;
’s Nachts sluipen dieven rond, heb de oogen open;
Geef acht, eer ’t zomert en de koekoek roept!—
Kom mede, korporaal! vriend Nym, ga meê!
Geloof hem, Page, het is verstand, zijn spreken.
(Pistool af.)
Ford.
Ik wil kalm zijn; ik wil de zaak doorgronden. 131
Nym
(tot Page). En dit is waar; den humor van de leugen mag ik niet. Hij heeft mij in enkele humors beleedigd. Ik had haar den humorbrief moeten brengen; maar ik draag een zwaard, en dit zal bijten, als ik het noodig heb. Hij bemint uw vrouw, dat is het lange en het korte van de zaak. Mijn naam is korporaal Nym; ik spreek, en ik betuig, dat het waar is;—mijn naam is Nym, en Falstaff bemint uw vrouw.—Vaarwel; ik mag den kaas- en broodhumor niet; en dat is de humor er van. Vaarwel.
(Nym af.)
Page
(ter zijde). „De humor er van,” zegt hij; dat is een knaap om den humor uitzinnig te maken.
Ford
(ter zijde). Ik wil Falstaff opzoeken.
Page
(ter zijde). Ik heb nog nooit zulk een langdradigen, kwasterigen vlegel gehoord.
Ford
(ter zijde). Als ik de zaak zoo vind, nu, dan—
Page
(ter zijde). Ik wil zulk een Chinees niet gelooven, al gaf ook de stadsgeestelijke hem een getuigenis van waarachtigheid.
Ford
(ter zijde). Het was een recht verstandige kerel;—nu,—
(De twee Vrouwen komen weer uit het huis.)
Page.
Kijk eens, Kaatje!
Juffrouw Page.
Waar gaat gij heen, George?—Luister eens.
Juffrouw Ford.
Wat is er, beste Frank? waarom zoo bedrukt?
Ford.
Ik bedrukt? ik ben niet bedrukt.—Ga naar huis, ga!
[295]
Juffrouw Ford.
Nu, op mijn woord, gij hebt eenige grillen in het hoofd.—Gaat gij mede, juffrouw Page?
Juffrouw Page.
Tot uw dienst.—Gij komt toch eten, George? (Ter zijde tot juffrouw Ford.) Kijk eens, wie daar aankomt. Die moet onze bode zijn bij dien schavuit van een ridder.
Juffrouw Ford.
Nu, waarlijk, ik heb al aan haar gedacht; zij is er de rechte voor.
(Vrouw Haastig komt op.)
Juffrouw Page.
Gij komt mijn dochter Anna eens opzoeken?
Vrouw Haastig.
Ja juist; en hoe maakt het de lieve juffer Anna, als ik vragen mag?
Juffrouw Page.
Kom mee naar binnen en zie het zelf. Wij hebben een uurtje met u te praten.
(Juffrouw Page, juffrouw Ford en vrouw Haastig af.)
Page.
Hoe is het, heer Ford?
Ford.
Gij hebt gehoord, wat die kerel mij verteld heeft, niet waar?
Page.
Ja, en gij ook, wat die ander mij vertelde? 176
Ford.
Gelooft gij, dat er iets aan is van wat zij zeggen?
Page.
Aan de galg met die schoften! Ik kan niet gelooven, dat de ridder zoo iets zou beginnen. Die knapen, die hem van zulk een aanslag op onze vrouwen beschuldigen, zijn een paar afgedankte bedienden van hem, echte landloopers, nu zij buiten dienst zijn.
Ford.
Hebben zij bij hem gediend?
Page.
Zeker, dat hebben zij.
Ford.
De zaak bevalt mij daarom nog niet beter.—Woont hij niet in de Kouseband?
Page.
Ja, daar woont hij. Als hij werkelijk van plan is zoo op mijn vrouw aan te stevenen, laat ik haar vrij met hem begaan; en wat hij er meer mee wint dan eenige vinnige verwijten, dat kome op mijn hoofd neer.
Ford.
Ik wantrouw mijn vrouw volstrekt niet, maar ik zou er toch voor bedanken hen samen te laten. Een man kan ook al te goed van vertrouwen wezen, en ik wil niets op mijn hoofd hebben; ik ben zoo gemakkelijk niet gerustgesteld.
Page.
Zie, daar komt onze zwetsende waard van de Kouseband aan. Die heeft òf wijn in den bol òf geld in den buidel, als hij er zoo vroolijk uitziet.—Wel, wat is er, heer waard?
(De Waard komt op, gevolgd door Zielig.)
Waard.
Wel zoo, ijzervreter! gij zijt een man van de wereld.—Cavaliero vrederechter, zeg ik.
Zielig.
Ik kom al, beste waard, ik kom al.—Goeden avond, duizendmaal goeden avond, beste heer Page. Heer Page, wilt gij met ons medegaan? Wij hebben een grap voor.
Waard.
Vertel het hem, cavaliero vrederechter; vertel het hem, ijzervreter!
Zielig.
Nu, heer, er is een tweegevecht op til tusschen Sir Hugo, den geestelijke uit Wales, en Cajus, den Franschen dokter.
Ford.
Mijn goede waard van de Kouseband, een woordje met u.
Waard.
Wat hebt gij mij te zeggen, mijn ijzervreter? (Hij gaat met Ford ter zijde.)
Zielig
(tot Page). Wilt gij met ons meegaan om het te zien? Onze vroolijke waard heeft op zich genomen hunne wapens te meten, en heeft hen, geloof ik, op verschillende plaatsen besteld, want wees verzekerd, de geestelijke hoor ik verstaat geen scherts. Luister ik zal u zeggen, wat de grap zal wezen.
(Zij spreken samen.)
Waard.
Gij hebt toch geen klacht tegen mijn ridder; mijn gast cavaliero?
Ford.
Neen, dit betuig ik; maar ik zal u een kan gebrande sek geven, om mij met hem in kennis te brengen; en gij moet hem zeggen, dat ik Beek heet, enkel voor een grap.
Waard.
Mijn hand er op, ijzerkerel; gij zult egress en regress hebben,—is dit goed gezegd?—en uw naam zal Beek wezen. Het is een lustig ridder. Wilt gij gaan, ihr Herrn?
Zielig.
Tot uw dienst, mijn waard. 229
Page.
Ik heb gehoord, dat de Franschman nog al sterk is op zijn stootrapier.
Zielig.
O heer, dan kan ik u een ander liedje zingen. Tegenwoordig staat men op een afstand, en doet zijn uitvallen, passado’s en ik weet al niet wat. Maar het hart doet het hem, vriend Page; hier zit het, hier zit het. Ik heb den tijd gekend, dat ik met mijn lang slagzwaard u vier stoere kerels kon laten huppelen als ratten.
Waard.
Komt, jongens, komt, komt! zullen wij uitsnijden?
[296]
Page.
Tot uw dienst.—Maar ik hoorde hen liever kijven, dan dat ik hen zie vechten.
(De Waard, Zielig en Page af.)
Ford.
Laat Page een zorgelooze gek zijn en ook nog zoo vast op zijn vrouws zwakte bouwen,—ik zet mijn vermoedens niet zoo gemakkelijk van mij af. Zij was met hem in gezelschap in Page’s huis, en wat zij daar deden, dat weet God. Neen, ik moet er meer van weten en ik kies een vermomming, om Falstaff te peilen. Als ik haar onschuldig vind, dan is mijn moeite niet verloren; en is het anders, dan is de moeite welbesteed.
(Ford af.)
Een kamer in de herberg de Kouseband.
Falstaff en Pistool komen op.
Falstaff.
Ik leen je zelfs geen penning.
Pistool.
Welnu, de wereld zij mijn oester dan, die ik wil oop’nen met mijn zwaard.
Falstaff.
Neen, geen penning. Ik heb het mij laten welgevallen, dat gij mijn invloed in pand hebt gegeven; ik heb driemaal aan mijne goede vrienden voor u en uw medeboef Nym een uitstel ontwrongen, of anders hadt gij beiden als tweelingapen door de tralies kunnen kijken. Ik ben ter helle verdoemd, omdat ik bij edele heeren, mijne vrienden, gezworen heb, dat gij dappere soldaten en brave kerels waart; en toen juffrouw Brigitta het handvat van haar waaier verloor, gaf ik mijn eerewoord, dat gij het niet hadt.
Pistool.
Kreegt gij uw deel niet? was ’t niet vijftien stuivers?
Falstaff.
En met recht, schurk, met recht! Denkt gij, dat ik mijne ziel gratis op het spel zou zetten? In één woord, hang mij niet meer aan ’t lijf, ik ben geen galg voor u;—ga, een zakmes en een volksgedrang, dat is uw leven; ga, naar uw ridderzetel Pickt-hatch; ga!—Gij wilt geen brief voor mij bestellen, gij schurk! gij beroept u op uw eer!—Wat, gij bodemlooze laagheid, ikzelf heb genoeg te doen met mijn eigen eer behoorlijk op te houden. Ik, ik, ikzelf moet somtijds de vreeze Gods links laten liggen en mijne eer in den mantel van mijn nooddruft hullen en moet kruipen en sluipen en loeren; en gij, schurk, wilt uwe lompen, uw boschkatblikken, uw bierhuisuitdrukkingen en uw ijzervretersvloeken achter het afdak van uw eer verschansen! gij durft weigeren, gij!
Pistool.
’k Geef toe; wat kunt gij van een mensch nog meer verlangen? 32
(Robert komt op.)
Robert.
Hier is een vrouw, Sir, die u wenscht te spreken.
Falstaff.
Zij kome hier.
(Vrouw Haastig komt op.)
Vrouw Haastig.
Ik wensch uw edele goeden morgen.
Falstaff.
Goeden morgen, goede vrouw.
Vrouw Haastig.
Dat niet, met verlof van uw edele.
Falstaff.
Dan goeden morgen, meisje.
Vrouw Haastig.
Daar wil ik op zweren; zoo zeker als mijn moeder, het uur, dat ik geboren werd.
Falstaff.
Wie zweert, dien geloof ik. Wat wilt gij van mij?
Vrouw Haastig.
Mag ik uw edele een woord of twee vergunnen?
Falstaff.
Tweeduizend, schoone vrouw, en ik zal u het luisteren vergunnen.
Vrouw Haastig.
Daar is een zekere juffrouw Ford, Sir; ik bid u, kom iets dichter bij, hierheen.—Ikzelf woon bij den heer dokter Cajus.
Falstaff.
Goed, verder; juffrouw Ford, zegt gij.—
Vrouw Haastig.
Juist, uwe edele heeft gelijk;—ik bid u, kom nog iets dichter bij.
Falstaff.
Ik verzeker u, niemand hoort ons—mijn eigen volk, mijn eigen volk.
Vrouw Haastig.
Zijn zij dat? nu, God zegen’ hen en make hen tot zijn dienaars!
Falstaff.
Nu goed; juffrouw Ford—; wat verder van haar?
Vrouw Haastig.
Ach, Sir, zij is een allerliefst schepsel. God, God, uw edele is een ondeugd; ja, ja, de hemel vergeve u en ons allen; amen!
Falstaff.
Maar juffrouw Ford,—ga voort, juffrouw Ford,—
Vrouw Haastig.
Nu, het korte en het lange van de geschiedenis is: gij hebt haar zoo van haar tarmentane gebracht, dat het verwonderlijk is. De beste van alle hovelingen, toen [297]het hof nog in Windsor was, had haar nooit zoo uit haar tarmentane kunnen brengen; en toch zijn er wel geweest, ridders en lords en edellieden, met hun koetsen; ik verzeker u, koets op koets, brief op brief, geschenk op geschenk; en zoo lekker van reuk, pure muskus, en zoo ritselend, ik verzeker het u, in zijde en goud; en in zulke alligante uitdrukkingen; zulke wijn en suiker, van het fijnste en beste, wat een vrouwehart maar verlokken kon; en ik verzeker u, zij konden geen van allen zelfs geen knipoogje van haar krijgen.—Ikzelf had nog van morgen twintig engelen kunnen krijgen; maar ik wil niets van engelen weten—van dat slag dan, om zoo te zeggen,—dan in alle eere;—en, ik verzeker u, ze konden nooit zooveel van haar gedaan krijgen, dat zij met de grootste van hen aan zijn beker den mond zette; en toch waren er graven bij, ja wat meer is, heeren van de lijfwacht; maar ik verzeker u, dat is haar alles een en hetzelfde. 80
Falstaff.
Maar wat zegt zij tot mij? wees wat kort, mijn beste wijfjes-Mercurius!
Vrouw Haastig.
Wel, zij heeft uw brief gekregen, en zij laat er u duizendmaal voor bedanken; en zij laat u zooveel zeggen, dat haar man van huis zal wezen tusschen tienen en elven.
Falstaff.
Tusschen tienen en elven?
Vrouw Haastig.
Ja zeker, en dan kunt gij komen en de schilderij zien, zegt ze, waar gij van weet; mijnheer Ford, haar man, is dan van huis. Ach God! de lieve vrouw heeft een kwaad leven met hem, hij is zoo jaloersch als iets; zij heeft een recht sikkeneurig leven bij hem, de goede ziel.
Falstaff.
Tusschen tienen en elven. Nu, vrouwtje, doe haar mijn groeten; ik zal er wezen.
Vrouw Haastig.
Wel, dat is goed. Maar ik heb nog een andere boodschap aan uw edele. Ook juffrouw Page laat u hartelijk groeten;—en hoor eens, een woordje in ’t oor, zij is zulk een fatsoendelijke, eerzame en zedige vrouw, en een vrouw, die,—verzeker ik u,—haar morgen- en haar avondgebed niet verzuimt,—als er maar een is in Windsor, de anderen niet te na gesproken; en zij verzocht mij uw edele te vertellen, dat haar man zelden van huis is, maar zij hoopt toch, dat er wel eens een tijd komt. Ik heb van mijn leven geen vrouw zoo dol op een man gezien; op mijn woord, gij moet tooverkunsten hebben, ja; ja zeker.
Falstaff.
Ik, neen, dat verzeker ik je; behalve de aantrekkelijkheid van mijn persoon en mijn eigenschappen, heb ik geen andere toovermiddelen.
Vrouw Haastig.
Daarvoor zegene u de hemel!
Falstaff.
Maar zeg mij nog, bid ik u,—hebben de vrouw van Ford en van Page elkaâr meegedeeld, dat zij op mij verliefd zijn?
Vrouw Haastig.
Nu, dat zou wat moois wezen, waarachtig!—neen, zoo dwaas heeft onze lieve Heer ze niet gemaakt, hoop ik,—dat zou een gekke streek wezen, waarachtig! Neen, maar juffrouw Page laat u bij al wat lief is bidden, dat gij haar toch uw kleinen page stuurt; haar man heeft een verwonderlijke infectie voor dien kleinen page, en mijnheer Page is een beste man, waarachtig. Geen vrouw in heel Windsor heeft een beter leventje dan zij: zij doet wat zij wil, zegt wat zij wil, koopt alles, betaalt alles, gaat naar bed als zij lust heeft, staat op als zij lust heeft, en alles gaat zooals zij wil; en waarachtig, zij verdient het, want als er één lieve vrouw is in Windsor, dan is zij het. Gij moet haar uw page zenden, daar helpt niets aan.
Falstaff.
Goed, het zal gebeuren. 128
Vrouw Haastig.
Neen, maar doe het zeker; en zie, dan kan hij tusschen u beiden heen en weer gaan; en in allen gevalle moet gij een afgesproken woord hebben, waardoor gij elkander begrijpt, zonder dat de jongen er nooit niets van kan maken; want het is niet goed, dat kinderen iets van slechtigheden te weten komen; oudere menschen, weet ge, zijn verstandig, om zoo te zeggen, en weten, wat er in de wereld te koop is.
Falstaff.
Nu, goeden dag, groet beiden van mij. Daar is mijn beurs; en ik blijf nog bij u in de schuld.—Jongen, ga met die vrouw mede. (Vrouw Haastig af, met Robert.) Dit nieuws doet mij versteld staan.
Pistool.
Die pink is postboot van Cupido! Meer zeilen bij; haar na, het schanskleed op! Vuur! mij die prijs, of de oceaan slokke alles!
(Pistool af.)
Falstaff.
Nu, oude Hans, wat zegt gij? ga uw gang; ik zal nu meer van uw oud karkas maken, dan ik nog ooit gedaan heb. Kijkt [298]men nog naar u om? Komt gij, na zooveel geld gekost te hebben, nu aan het winnen? Mijn goed karkas, ik dank u; laat men zeggen, dat het een sterk stuk is; als het maar een fraai stuk is, wat doet het er toe?
(Bardolf komt op.)
Bardolf.
Sir John, daar is een zekere heer Beek beneden, die u gaarne zou willen spreken en met u kennis maken; en hij zendt daartoe uw edele een morgendronk sek ter begroeting.
Falstaff.
Hij heet Beek?
Bardolf.
Ja, Sir.
Falstaff.
Breng hem binnen. (Bardolf af.) Dat zijn mij welkome Beken, die zulk een vocht doen stroomen. Aha! Juffrouw Ford en juffrouw Page, heb ik u omsingeld? Vooruit! via!
(Bardolf komt terug, met Ford die vermomd is.)
Ford.
God zegen’ u, Sir.
Falstaff.
U desgelijks, Sir. Gij wenscht mij te spreken?
Ford.
Ik neem de vrijheid van u zoo met weinig plichtplegingen aan boord te komen.
Falstaff.
Gij zijt welkom. Wat is uw verlangen?—Laat ons alleen, tapper.
(Bardolf af.)
Ford.
Sir, ik ben een gentleman, die al heel wat verteerd heb. Mijn naam is Beek.
Falstaff.
Beste heer Beek, ik hoop nader met u bekend te worden.
Ford.
Beste Sir John, ik wensch dit als gunst van u; niet om u lastig te vallen, want ik moet u doen opmerken, dat ik mijzelven beter in staat acht om geld uit te leenen dan gij het zijt; en dit heeft mij ook eenigszins moed gegeven tot dit ontijdig binnendringen, want waar geld vooruitgaat, zegt men, staan alle wegen open.
Falstaff.
Geld is een goed soldaat, heer, en dringt door. 176
Ford.
Zoo is het; en ik heb hier een buidel met geld, die mij bezwaart; als gij mij dien wilt helpen dragen, Sir John, zoo neem hem, heel of half, om mij den last te verlichten.
Falstaff.
Ik weet niet, heer, waarmee ik verdiend heb, uw lastdrager te zijn.
Ford.
Ik wil het u zeggen, Sir, als gij mijn gehoor wilt schenken.
Falstaff.
Spreek, waarde heer Beek; het zal mij een genoegen wezen, u van dienst te zijn.
Ford.
Sir, ik hoor, dat gij een geleerde zijt,—ik wil kort zijn,—en gij zijt reeds lang bij mij bekend, hoewel de gelegenheid nooit met mijn verlangen, om met u kennis te maken, gelijken tred hield. Ik heb u een zaak mede te deelen, waarin ik maar al te zeer mijn eigen zwakte u moet blootleggen; maar, goede Sir John, terwijl gij het eene oog op mijne dwaasheden richt, die ik u ontvouwen zal, moet gij het andere slaan in het register van uw eigene, opdat ik te gemakkelijker vrij kom met een berisping, daar gijzelf weet, hoe licht men in zulk een zonde vervalt.
Falstaff.
Zeer goed, heer; ga voort.
Ford.
Er is hier in de stad een vrouw, haar man heet Ford.
Falstaff.
Jawel, heer.
Ford.
Ik heb haar reeds lang bemind en, dit kan ik u verzekeren, veel aan haar te koste gelegd, haar met smachtende hulde vervolgd, iedere gelegenheid aangegrepen om haar te ontmoeten, ook het minste toeval in pacht genomen, dat mij maar den vluchtigsten blik op haar kon doen werpen, niet alleen vele geschenken voor haar gekocht, maar ook rijkelijke fooien aan menigeen gegeven, om te weten te komen, welke geschenken haar welgevallig zouden zijn. Kortom, ik heb haar vervolgd, zooals de liefde mij vervolgde, namelijk met de wieken van iedere gelegenheid. Maar wat ik ook voor mijn standvastigheid of voor mijn opoffering moge verdiend hebben, loon, dit is zeker, is mij niet geworden, tenzij ondervinding een kleinood te rekenen zij, want die heb ik voor een ongehoorden prijs gekocht, en zij heeft mij geleerd te zeggen:
Gelijk een schim vliedt liefde, als rijkdom haar vervolgt,
Vervolgt wat haar ontvliedt, ontvliedt wat haar vervolgt.
Falstaff.
Hebt gij geen belofte van verhooring van haar ontvangen?
Ford.
Nooit.
Falstaff.
Hebt gij daarop bij haar aangedrongen?
Ford.
Nooit.
Falstaff.
Van welk een aard was dan uw liefde?
Ford.
Zij geleek een schoon huis, op eens andermans grond gebouwd; zoodat ik mijn [299]gebouw verspeelde, door een verkeerd erf te kiezen om het te stichten.
Falstaff.
Met welk deel hebt gij mij dit meegedeeld? 228
Ford.
Als ik u dit gezegd heb, weet gij alles. Er zijn er, die zeggen, dat, al doet zij zich aan mij ook nog zoo eerbaar voor, zij elders wel eens zoo aan haar dartelheid den teugel viert, dat zij er erg van in opspraak komt. En nu, Sir John, kom ik tot de kern van mijn plan: gij zijt een gentleman van fijne beschaving, bewonderenswaardig talent van praten, in de hoogste kringen gezien, invloedrijk door rang en persoon, algemeen geschat wegens uwe hoedanigheid als soldaat, als hoveling en als geleerde,—
Falstaff.
O, Sir!
Ford.
Geloof dit, want gij weet het zelf.—Hier is geld; verbruik het, verbruik het; verbruik meer; verbruik al wat ik heb; alleen geef er mij in ruil zooveel van uw tijd voor, voor een verliefden aanslag tegen de deugd van Fords vrouw noodig is. Stel uw verleidingskunsten in het werk: win haar, dat zij u haar gunsten schenkt; als iemand dit vermag, dan kunt gij het zoo goed als iemand.
Falstaff.
Zou het met de heftigheid van uw hartstocht strooken, als ik won, wat gij wenscht te erlangen? Mij dunkt, gij schrijft uzelven zeer verkeerde middelen voor.
Ford.
O, begrijp mijn bedoeling. Zij woont zoo ongenaakbaar in de uitnemendheid harer deugd, dat de dwaasheid mijner ziel zich niet durft vertoonen; zij is te schitterend om tot haar op te blikken. Maar zie, als ik eens met een ontdekking in de hand voor haar kon treden, dan hadden mijn wenschen steun en grond om zich te doen gelden; dan kon ik haar drijven uit het bolwerk van haar kuischheid, haar goeden naam, haar huwelijksgelofte en die duizend verdedigingswerken meer, die nu veel te sterk tegen mij bevestigd zijn. Wat zegt gij hierop, Sir John?
Falstaff.
Mijnheer Beek, vooreerst ben ik zoo vrij uw geld te aanvaarden; ten tweede, geef mij de hand; en ten laatste, zoowaar ik een edelman ben, gij zult, als dit uw wil is, de vrouw van Ford de uwe noemen.
Ford.
O beste Sir!
Falstaff.
Ik zeg, gij zult.
Ford.
Geen zorg om geld, Sir John, daaraan zal het u niet mangelen.
Falstaff.
Geen zorg om juffrouw Ford, mijnheer Beek, het zal u aan juffrouw Ford niet mangelen. Ik ga zoo dadelijk naar haar toe, en wel,—u kan ik dit wel zeggen,—heeft zijzelf mij besteld; juist toen gij bij mij binnenkwaamt, ging haar helpster of tusschenpersoon van mij heen. Zooals ik zeg, zal ik tusschen tienen en elven bij haar zijn, want op dien tijd zal die jaloersche ellendige kerel, haar man, uit zijn. Kom van avond maar bij mij aan, dan zult gij hooren, hoe ik slaag. 278
Ford.
Het is een waar geluk voor mij, dat ik met u heb kennis gemaakt? Kent gij Ford, Sir?
Falstaff.
Naar den duivel met dien armen sukkel van een hoorndrager; ik ken hem niet.—Maar ik doe hem daar te kort door hem arm te noemen, want de jaloersche kroondragende schelm heeft, zeggen ze, een massa geld, en dat is het juist, wat zijn vrouw voor mij zoo bekoorlijk maakt. Ik wil haar gebruiken als sleutel voor de geldkist van dien gehorenden schavuit en in zijn huis mijn oogstfeest vieren.
Ford.
Ik wenschte wel, dat gij Ford kendet, Sir, opdat gij hem uit den weg kondt loopen, als gij hem ziet.
Falstaff.
Naar den duivel met dien kleinburgerlijken zouteboterslokker! Ik wil hem aanstaren, dat hij er gek van wordt; ik wil hem in ontzag houden met mijn knuppel, die als een meteoor over de horens van den sukkel zal zweven. Vriend Beek, gij zult zien, hoe ik den kinkel de baas word en gij zult bij zijn vrouw slapen.—Kom van avond maar vroeg bij mij.—Ford is een sukkel en ik wil zijn titel nog verfraaien; gij, vriend Beek, zult hem als een hoorndragenden sukkel leeren kennen. Kom van avond maar vroeg bij mij.
(Falstaff af.)
Ford.
Wat is dat voor een vervloekte Epicurische schurk!—Mijn hart is op het punt van nijdigheid te barsten!—Wie kan nu nog zeggen, dat het blinde jaloezie is? Mijn vrouw heeft hem een boodschap gestuurd, het uur is bepaald, de koop is gesloten. Zou eenig mensch dit gedacht hebben?—O welk een hel, een ontrouw wijf te hebben! Mijn bed moet onteerd, mijn geldkist geplunderd, mijn goede naam vertreden worden; en ik moet niet alleen dezen gruwelijken smaad verdragen, maar mij ook de afschuwelijkste bijnamen laten welgevallen, en dat wel van hem, die mij [300]dezen smaad aandoet! En welke titels, welke namen!—Amaimon klinkt goed, Lucifer goed, Barbason goed; en toch dat zijn duivelentitels, namen van booze geesten; maar hoorndrager! horenbeest! de duivel zelf heeft zulk een naam niet!—Page is een ezel, een onnoozele ezel; hij wil zijn vrouw vertrouwen! hij wil niet jaloersch wezen! Ik wil eer een Vlaming bij mijn boter, den eerwaarden Walliser Hugo bij mijn kaas, een Ier bij mijn brandewijnflesch of een dief voor het afrijden van mijn vosruin, dan mijn vrouw aan haarzelf vertrouwen; want dan wordt er dadelijk beraamd en overlegd en uitgevonden; en wat zij in haar hart hebben voorgenomen, dat moet uitgevoerd worden, al zou haar hart er van bersten!—Den hemel zij dank voor mijn ijverzucht!—Elf uur is de tijd; ik zal dit voorkomen, mijn vrouw ontmaskeren, mij op Falstaff wreken, en Page uitlachen. Dadelijk er op af! beter drie uren te vroeg dan één minuut te laat!—Foei, foei, foei! Horen-, horen-, hoorndrager!
(Ford af.)
In het park van Windsor.
Cajus en Rugby komen op.
Cajus.
’Ans Rugby!
Rugby.
Heer dokter!
Cajus.
Wat is de uur, ’Ans?
Rugby.
’t Is over ’t uur, heer, dat Sir Hugo beloofd had hier te zijn.
Cajus.
Bij Kot, ’ij heeft kered zijn ziel, dat ’ij niet is koom; ’ij ’eeft zijn bijbel wel kebid, dat ’ij niet is koom. Bij Kot; ’Ans Rugby, ’ij is al dood, als ’ij is koom.
Rugby.
Hij is verstandig, heer; hij wist, dat uwe edele hem dooden zou, als hij kwam.
Cajus.
Bij Kot, de ’arink is niet zoo dood, als ik hem wil dood maak. Neem uw rapier, ’Ans, ik u wil demonstreer, ’oe ik ’em wil dood maak.
Rugby.
Ach, heer, ik kan niet schermen.
Cajus.
Skurkerij, neem uw rapier.
Rugby.
Stil, daar komen menschen.
(De waard, Zielig, Slapperman en Page komen op.)
Waard.
God zegen’ u, ijzerdokter!
Zielig.
Gegroet, heer dokter Cajus!
Page.
Zoo, beste heer dokter!
Slapperman.
Goeden morgen, heer!
Cajus.
Waar zijt gij saam, één, twee, drie, vier, voor koom?
Waard.
Om u te zien vechten, te zien uitvallen, te zien traverseeren, u hier te zien en daar te zien, uw punto’s, uw stoccado’s, uw reserven en uw distanties, uw montanten te zien. Is hij al dood, mijn Ethiopiër? is hij dood, mijn Francisco? ha, ijzervreter! Wat zegt mijn Esculaap? mijn Galeen? mijn vlierboom-hart? Ha, is hij dood, mijn waterkijk-ijzervreter, is hij dood?
Cajus.
Bij Kod, ’ij is de meest lafaard priest van de wereld, ’ij zijn facie niet vertoon.
Waard.
Gij zijt een Kastiljaan, een koning Urinaal; een Hector van Griekenland zijt gij, mijn jongen!
Cajus.
Ik u bid, getuig, dat ik ’eb gewakt zes of zeven, twee, drie uur op ’em, en ’ij niet is koom.
Zielig.
Hij is er wijzer om, heer dokter; hij is een geneesmeester van de ziel en gij een geneesmeester van het lichaam; als gij vecht, gaat dat tegen het haar in van uw beroepen. Is het zoo niet, heer Page?
Page.
Gij zijt zelf, heer Zielig, een groot vechter geweest, al zijt gij nu een man van den vrede. 45
Zielig.
Sacrament, heer Page, al ben ik nu oud en van den vrede, als ik een zwaard getrokken zie, dan jeuken mij de vingers om eens te trekken. Al zijn wij vrederechters en dokters en mannen van de kerk, heer Page, wij hebben toch nog iets van het zout onzer jeugd in ons; wij zijn allen van vrouwen geboren, heer Page.
Page.
Het is waar, heer Zielig.
Zielig.
Het zal zoo bevonden worden, heer Page. Heer dokter Cajus, ik ben gekomen om u naar huis te brengen. Ik ben voor den vrede beëedigd; gij hebt u een wijs geneesheer betoond en Sir Hugo heeft zich een wijs en verdraagzaam geestelijke betoond. Gij moet met mij gaan, heer dokter.
Waard.
Met uw verlof, gast-vrederechter;—een woord, Monsieur Zwetswater!
Cajus.
Zwetsewater? wat is dat?
Waard.
Zwetswater is in het Engelsch zooveel als dapperheid, ijzervreter.
[301]
Cajus.
Bij Kod, dan ik ’eb evenveel zwetsewater als de Engelschman.—Die schurftige ’Ans ’ond van een geestelijk! Bij Kod, ik wil ’em afsnijd zijn oor.
Waard.
Hij zal u terdeeg toetakelen, ijzervreter!
Cajus.
Toetertakel? wat is dat?
Waard.
Dat is, hij zal u satisfactie geven.
Cajus.
Bij Kod, ik wil zork, dat ’ij mij zal toetertakel; want, bij Kod, ik dat wil ’eb.
Waard.
En ik wil hem daartoe aanporren of hij mag opdrossen.
Cajus.
Ik u dank voor dat.
Waard.
En behalve dat, ijzervreter,—(Ter zijde tot de Anderen.) maar eerst, gas-ijzervreter, en heer Page, en gij ook Cavaliero Slapperman, gaat allen door de stad naar Frogmore.
Page
(ter zijde tot den Waard). Daar is Sir Hugo, niet waar?
Waard.
Daar is hij; ziet eens, hoe hij gestemd is; ik zal intusschen den dokter over ’t veld er heen brengen. Is het zoo goed?
Zielig.
Goed, dat zullen wij doen.
Page, Zielig en Slapperman.
Goeden dag, beste heer dokter!
(Alle drie af.)
Cajus.
Bij Kod, ik die geestelijk wil slaan dood, want hij spreekt voor een ’Ans aap bij Anna Page.
Waard.
Hij moet sterven. Maar steek nu uw boosheid in de schede; werp koud water op uw gal, en ga met mij over ’t veld naar Frogmore. Ik wil u brengen waar Anna Page is, op een pachthoeve, bij een feest, en daar kunt gij haar het hof maken. Heb ik raak geschoten? Heb ik goed gezegd?
Cajus.
Bij Kod, ik u dank voor dat; bij Kod, ik u lief ’eb, en ik zal u bezorg veel koed kast, de graven en de ridders, de lords en de gentilhommes, mijn patiënten.
Waard.
En daarvoor wil ik uw weerpartij zijn bij Anna Page; kan ik meer zeggen?
Cajus.
Bij Kod, ’t is koed, koed gezeg.
Waard.
Laat ons dan opdrossen.
Cajus.
Treed op mijn ’ielen, ’Ans Rugby.
(Alle drie af.)