WeRead Powered by ReaderPub
Dierenleven in de wildernis cover

Dierenleven in de wildernis

Chapter 13: De Indiaansche namen.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A collection of nature sketches based on close forest observation that presents vivid vignettes of wild animals and their young. The author shows how mothers instruct offspring in practical skills such as swimming, foraging, and avoiding danger, arguing that early teaching and practice often determine survival more than fixed instinct. Each essay concentrates on particular species or incidents, sometimes using native names to impart individuality, and blends natural-history notes with attentive, anecdotal description. Episodes range from playful lessons to quiet deaths, and are rendered with concise prose and pen illustrations that evoke animals moving through their solitary habitats.

De Indiaansche namen.

Cheokhes, kie-ok-ez’, de Amerikaansche “mink”, een ottersoort.

Cheplahgan, tsjep-la’-guan, de Canadeesche arend.

Ch’geegeelokh-sis, tsj-dsjie-dsjie’-lok-siz, de zwartkopmees: parus atricapillus.

Chigwooltz, tsjigg-woelts’, de stierkikvorsch.

Clote Scarpe, Kloot Skaarp, een fabelachtige held van de noordelijke Indianen, zooals Hiawatha.

Commoossie, kom-moe-sie’, een kleine schuilplaats of hut, van bast en takken gemaakt.

Deedeeaskh, die-die’-ask, de blauwe gaai.

Eleemos, el-ie’mos, de vos.

Hawahak, ha-wa-hek’, de havik.

Hukweem, huk-wiem’, de groote noordelijke duiker of ijsduiker.

Ismaques, is-ma-kwez’, de vischarend.

Kagax, ke’-guaks, de wezel.

Kakagos, ka-ka-guoz, de raaf.

K’dunk, k’dunk’, de pad.

Keeokuskh, kie-o-kusk’, de muskusrat.

Keeonekh, kie’-o-nek, de otter.

Killoleet, kil’-loe-liet, de witkeel-musch.

Kookooskoos, koe-koes-koes’, de groote oehoe.

Koskomenos, kos’-kom-ie-nos’, de ijsvogel.

Kupkawis, kup-kee’-wiz: syrnium nebulosum, een gestreepte uil.

Kwaseekho, kwa-ziek’o, de zaagbek.

Lhoks, loks, de panter.

Malsun, mel’-sun, de wolf.

Meeko, mie’-ko, de roode eekhoorn.

Megaleep, meg’-a-liep, de caribou of ’t N.-Amerikaansche rendier.

Milicete, mil’-i-siet, de naam van een Indiaanschen stam, ook Malicete geschreven.

Mitches, mit’-sjes, het gekraagde hazelhoen, een soort “grouse”: bonasia umbellis of Amerikaansche “patrijs”.

Moktaques, mok-ta’-kwes, de haas.

Mooween, moe-wien’, de zwarte beer.

Musquash, mus’kwosj, de muskusrat.

Nemox, nem’-moks, Pekquam, pek-wem, de vischmarter uit N.-Amer.

Quoskh, kwosk, de blauwe reiger.

Seksagadagee, sek’-sa-guee-da’-guie, het Canadeesche hazelhoen, ook een soort “grouse”.

Skooktum, skoek’-tum, de forel.

Tookhees, tok’-ies, de boschmuis.

Umquenawis, um-kwie-na’-wiz, de eland.

Unk-Wunk, unk’-wunk, het stekelvarken.

Upweekis, up-wiek’-is, de Canadeesche lynx.

Whitooweek, wit’-oe-wiek, de houtsnip.

Van William J. Long verschijnen in de vertaling van Cilia Stoffel met teekeningen van Charles Copeland:

  • 1 Dierenleven in de Wildernis (3de druk)
  • 2 Kijkjes in het Dierenleven (2de druk)
  • 3 Het Boschvolkje
  • 4 Op Eenzame Zwerftochten
  • 5 Boschgeheimen
  • 6 Een Broertje van den Beer
  • 7 Op Herten Uit
  • 8 Zonder Geweer op Jacht
  • 9 De Witte Wolf
  • 10 Langs Dierenpaden in het Hooge Noorden