Title: Dierenleven in de wildernis
Schetsen uit het leven der dieren hun natuurlijke aanleg en wat zij leeren moeten
Author: William J. Long
Illustrator: Charles Copeland
Translator: Cilia Stoffel
Release date: March 29, 2006 [eBook #18072]
Language: Dutch
Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
Voorkant oorspronkelijke uitgave.
Rug oorspronkelijke uitgave.
Haar staartje had zij weer rechtopgestoken, dit diende als baken, terwijl ze wegsprong.
Haar staartje had zij weer rechtopgestoken, dit diende als baken, terwijl ze wegsprong.
Zoo luidt de opdracht van deze schetsen, en ik meende er de woorden aan te mogen toevoegen, waarmee de schrijver een zijner andere boeken de wereld inzond: “Deze schetsen draag ik aan de onderwijzers op, die er naar streven hun lessen in natuurlijke historie aantrekkelijker, pittiger te maken; die hun leerlingen, buiten het eigenlijke gebied der wetenschap om, een blik gunnen in die wijde natuur, waar hun een wereld opengaat, zoo heerlijk, dat ze ver boven de wereld der wetenschappelijke feiten reikt.”
Het meerendeel der volgende schetsen ontstond in het bosch, waar de dieren die ze behandelen vlak om mijn tent heen leefden. Zij zijn alle natuurgetrouw en geven tevens een kijkje in sommige weinig bekende levensgeheimen van een massa vogels en andere dieren—schuwe, wilde wezens meestal, die zich verbergen voor het aangezicht der menschen en hun nesten of holen in het hartje der wildernis maken.
De schrijver trachtte de oorzaken op te sporen van de dingen die hij zag; de beteekenis te doorgronden van dat raadselachtige, dat vogels en andere dieren in hun doen en laten hebben. Als deze schetsen dus een geheel vormen, is dit daaraan te danken. Een poging tenminste om dat raadselachtige op te lossen kan men in de inleiding tot dit Dierenleven, het eerste hoofdstuk, vinden, waar tevens inlichtingen over doel en onderwerp van dit boek voorkomen. Evenals in mijn vorige uitgaven geef ik de dieren hier de namen die ze van de Milicete-Indianen gekregen hebben, en ik doe dit deels om de prettige herinneringen die ze bij mij opwekken, deels om het persoonlijk karakter dat elk levend wezen er door krijgt, maar toch voornamelijk omdat zoo’n naam de eigenaardigheid heeft, door den klank, door een kleine aanduiding, ons het dier zelf voor oogen te tooveren. Wie het kleine wezen dat onder het trapje van zijn huisdeur woont, dat zijn kruimeltjes eet en op een fluitje afkomt, maar gewoonweg pad noemt, hem zegt dat woord niets; maar als Simmo1 het heeft over K’dunk, den Dikkerd, dan weet ik tenminste iets van de taal die dat merkwaardige schepseltje er op nahoudt en kan ik mij zoo’n beetje voorstellen hoe het er uitziet.
Twee of drie dezer schetsen hebben al eens in verschillende tijdschriften gestaan, maar de andere komen alle zoo uit mijn oude opschrijfboekjes en uit de papieren waarin de herinneringen aan mijn verblijf in de wildernis staan opgeteekend in dit nieuwe boek. De bekwame teekenstift van mijn vriend Charles Copeland doet er de dieren weer leven, tot ze van achter oude, mossige boomstronken naar mij staan te gluren, of wegglippen in het lichte loover van hun eenzame schuilhoeken; even nog blijven ze staan luisteren en kijken onderzoekend naar mij om—net als ze in de wildernis deden.
William J. Long.
Stamford, Conn.
September, 1902.
1 Een Indiaansche metgezel van den schrijver.