HOOFDSTUK VI.
Mariano Vercara è Hyos, Chef van Politie te San Antonio, zat achterovergeleund in zijn stoel in de gerechtszaal en rolde, met een kalmen voldanen glimlach, een cigaret. De zaak was afgeloopen, zooals van te voren besloten was. Hij had den geheelen dag den kleinen, ouden rechter van zijn mescal afgehouden en was hiervoor beloond, doordat de rechter de zaak onderzocht had en het oordeel uitgesproken overeenkomstig het programma. Hij had geen enkele fout gemaakt. De zes inlandsche agenten waren zwaar beboet teruggestuurd naar de plantage te Santos. Zij moesten de boeten aanzuiveren door een verlenging van hun contract der dienstbaarheid. En de Chef was door deze transactie tweehonderd dollars in goed Amerikaansch goudgeld rijker geworden. Deze Gringos te Santos, besloot hij glimlachend, waren menschen, die men te vriend moest houden. Zeker, ze bevorderden den bloei van het land door hun henequen-plantages. Maar wat nog beter was, ze bezaten geld in een ontelbare hoeveelheid en betaalden goed voor de kleine diensten, die hij in staat was om hun te bewijzen.
Zijn glimlach werd nog breeder toen hij Alvarez Torres begroette.
„Luister,” zei deze laatste, hem zacht iets in het oor fluisterend. „We kunnen alle twee die duivels van Morgans te pakken krijgen. Dat varken van een Henry wordt morgen gehangen. Er is geen enkele reden, waarom dat varken van een Francis vandaag niet aan zijn eind zou komen.”
De Chef zei niets, enkel door het optrekken van zijn wenkbrauwen een vraag stellend.
„Ik heb hem aangeraden om de gevangenis te bestormen. De Solanos hebben naar zijn leugens geluisterd en zijn het met hem eens. Ze zullen het vanavond beslist probeeren. Vroeger kunnen ze het onmogelijk doen. Het is uw werk om op die gebeurtenis voorbereid te zijn en er voor te zorgen, dat Francis Morgan in het gevecht in de eerste plaats wordt neergelegd en gedood.”
„Waarvoor en waarom?” vroeg de Chef ontwijkend. „’t Is enkel Henry, dien ik uit den weg geruimd wil hebben. Laat die Francis terugkeeren naar zijn beminde in New-York.”
„Hij moet vandaag aan zijn eind komen en om redenen, die [59]gij zult wettigen. Zooals gij weet, door het lezen van mijn telegrammen over de Rijks draadlooze …”
„Wat wij overeengekomen zijn, toen ik je de vergunning bezorgde om gebruik te maken van het Rijksstation,” herinnerde de Chef hem.
„En waarover ik mij niet beklaag,” verzekerde Torres hem. „Maar zooals ik zei, gij weet, dat ik in zeer vertrouwelijke en belangrijke relaties sta met den New-Yorkschen Regan.” Hij tikte met zijn hand op zijn borstzak. „Ik heb net weer een draadloos telegram ontvangen. Het is van groot belang, dat het varken van een Francis een maand lang van New-York verwijderd wordt gehouden—en als ik Senor Regan niet verkeerd begrijp, zou hij het nog beter vinden, als hij nooit terugkwam. Voor zoover ik hierin slaag, zult gij er niet slecht bij varen.”
„Maar je hebt mij niet verteld, hoeveel je daarvoor ontvangen hebt, of hoeveel je zult ontvangen,” informeerde de Chef.
„Het is een geheime overeenkomst en bedraagt niet zooveel, als gij misschien zoudt denken. Hij is een hardvochtig man, deze Senor Regan, een hardvochtig man. Maar ik zal de opbrengst van onze onderneming eerlijk met u deelen.”
De Chef knikte toestemmend, en zei toen:
„Zou het ongeveer een duizend dollars goudgeld zijn, wat je er voor krijgt?”
„Dat denk ik wel. Dat varken van een Iersche speculant kan me moeilijk minder geven en je krijgt er vijfhonderd van als dat zwijn van een Francis zijn botten in San Antonio achterlaat.”
„Zou het ook honderdduizend dollars kunnen zijn?” was de volgende vraag van den Chef.
Torres lachte alsof hij een aardige grap hoorde.
„Het is beslist meer dan duizend dollars,” hield de ander vol.
„Misschien is hij royaal,” antwoordde Torres. „Het kan zijn, dat hij er mij nog vijfhonderd geeft boven de duizend, waarvan dan natuurlijk, zooals ik gezegd heb, de helft voor jou is.”
„Ik zal van hier regelrecht naar de gevangenis gaan,” verkondigde de Chef. „Je kunt op mij aan, Senor Torres, even goed, als ik jou vertrouw. Kom! We zullen er nu dadelijk heengaan, jij en ik, en je kunt zelf zien, welke voorbereidingen ik zal treffen voor de ontvangst van dezen Francis Morgan. Ik weet nog wel, hoe ik met een geweer om moet gaan. En bovendien zal ik drie der gendarmes gelasten, om alleen op hem te schieten. Zoo, dus deze Gringo-hond wilde onze gevangenis bestormen, zoo? Kom! We zullen dadelijk op pad gaan.”
Hij stond op en wierp zijn cigaret met een krachtig gebaar weg. Maar halverwege de kamer gekomen, werd hij door een hijgenden en zweetenden bedeljongen aan zijn mouw getrokken, die jammerde:
„Ik heb nieuws. U zult mij er voor betalen, heel veel, senor? Ik heb den geheelen weg gehold.”
„Ik zal je naar San Juan sturen, opdat de valken je onnutte karkas op kunnen vreten,” was het antwoord.
De jongen verloor den moed bij dit dreigement, maar vermande zich toen weer, dank zij zijn leege maag, de schraalheid [60]van zijn voedsel en zijn verlangen naar het geld voor een toegangskaart voor het aanstaande stierengevecht.
„U zult bedenken, dat ik u het bericht bracht, senor. Ik heb den geheelen weg gehold, zoodat ik bijna dood ben, zooals u zelf zien kunt, senor. Ik zal het u vertellen, maar u zult bedenken, dat ik het was, die den geheelen weg gehold heb en het u het eerste vertelde.”
„Ja, ja, ondier, ik zal het bedenken. Maar wee je gebeente, als ik het al te goed bedenk. Wat is nu dat beetje nieuws? Het is misschien geen centavo waard. En als dat zoo is, zal ik maken, dat je zou wenschen, nooit de zon te hebben gezien. Om te San Juan door de valken opgevreten te worden, zou een Paradijs zijn, vergeleken bij hetgeen ik je dan doen zal.”
„De gevangenis,” huiverde de jongen. „De vreemde Gringo, die, welke gisteren opgehangen zou worden, heeft de muur van de gevangenis laten springen. Barmhartige Heiligen! Het gat is zoo groot als de toren van de kathedraal! En de andere Gringo, die zoo op hem lijkt en die morgen gehangen zou worden, is met hem door het gat ontsnapt. Hij heeft hem zelf naar buiten gesleept. Dit heb ik zelf gezien, met mijn eigen oogen en toen heb ik den geheelen weg hierheen gehold en u zult bedenken …”
Maar de Chef van Politie had zich al beleedigd omgekeerd naar Torres.
„En als deze Senor Regan vorstelijk royaal wil zijn, zal hij u en mij het milde bedrag geven, dat overeengekomen is, nietwaar? Vijfmaal of tienmaal dat bedrag zou er een beetje beter op gelijken met dezen Gringo-tijger, die de wetten en onze goede gevangenismuren omverwerpt.”
„Hoe het zij, de zaak kan niet anders zijn dan een loos alarm; enkel een aanwijzing, welke de bedoelingen zijn van dezen Francis Morgan,” mompelde Torres met een flauw glimlachje. „Bedenk, dat ik hem in het oor geblazen heb om de gevangenis te bestormen.”
„In welk geval jij en Senor Regan dus zult betalen voor dien goeden gevangenismuur?” vroeg de Chef en voegde er toen, na een oogenblik pauze, aan toe: „Niet, dat ik geloof, dat het al reeds gebeurd is. Dat is niet mogelijk. Zelfs zoo’n gekke Gringo zou dat niet aandurven.”
Rafaël, de gendarme, met zijn geweer in de hand en het bloed nog altijd uit een hoofdwond over zijn gezicht druipend, kwam de deur der gerechtszaal binnen en plaatste zich naast de nieuwsgierigen, die zich reeds rondom Torres en de Chef begonnen te verdringen.
„Wij zijn verwoest,” waren Rafaëls eerste woorden. „De gevangenis is nagenoeg vernield. Dynamiet! Wel honderd pond! Of duizend! We hebben dapper getracht de gevangenis te verdedigen. Maar ze ontploften—die duizend pond dynamiet. Ik viel bewusteloos neer, met het geweer in de hand. Toen ik weer tot mijzelf kwam, keek ik rond. Al de anderen, de dappere Pedro, de dappere Ignacio, de dappere Augustino—allemaal, allemaal lagen ze dood rondom mij!” Bijna had hij er bij kunnen zeggen „dronken”, maar, overeenkomstig zijn Latijnsch-Amerikaansche natuur, stelde hij het voorval zeer oprecht voor, zooals dit zich, dapper en tragisch, in zijn verbeelding [61]voordeed. „Ze lagen dood. ’t Kan zijn, dat ze niet dood zijn, alleen maar bedwelmd. Ik kroop vooruit. De cel van den Gringo Morgan was leeg. Er was een groot, monsterachtig gat in den muur. Ik kroop door het gat naar buiten. Daar stonden een menigte menschen. Maar de Gringo Morgan was verdwenen. Ik sprak een moso, die alles gezien had en het dus kon weten. Er stonden paarden op hun te wachten. Zij reden naar het strand. Daar is een schoener, die niet voor anker ligt. Ze zeilt heen en weer, in afwachting van hun komst. Francis Morgan heeft een zak met goudstukken aan zijn zadel hangen. De moso zag dit. Het is een groote zak.”
„En het gat?” vroeg de Chef. „Het gat in den muur?”
„Is grooter dan de zak, veel grooter,” was Rafaëls antwoord. „Maar de zak is groot. Dat zei de moso. En hij heeft hem aan het zadel hangen.”
„Mijn gevangenis!” riep de Chef uit. Hij trok een ponjaard uit de binnenzijde van zijn jas onder het linkerarmsgat en hield dezen met het gevest omhoog, zoodat dit een kruis vertoonde, waaraan een fijn gemodelleerd Christusbeeld hing. „Ik zweer bij alle Heiligen, dat ik mij zal wreken. Mijn gevangenis! Onze gerechtigheid! Onze wet!—Paarden! Paarden! Gendarme, paarden!” Hij draaide zich op zijn hielen om naar Torres, alsof deze laatste iets gezegd had en schreeuwde: „Naar den duivel met Senor Regan! Dit is mijn zaak! Men heeft mij gehoond! Mijn gevangenis is verwoest! Mijn wet—onze wet, waarde vrienden—is bespot. Paarden! Paarden! Requireer ze op straat. Snel! Snel!”
Kapitein Trefethen, eigenaar der Angélique, zoon van een Maya-Indianenmoeder en een Jamaïca-negervader, liep heen en weer op het smalle achterdek van zijn schoener, staarde strandwaarts naar San Antonio, waar hij zijn bemande sloep zag terugkeeren en dacht er over om zijn dollen Amerikaanschen charterer te ontvluchten. Terzelfdertijd dacht hij er echter over om maar te blijven om zijn overeenkomst te verbreken en een nieuwe te sluiten voor een driemaal hooger bedrag; want hij werd eigenaardig beïnvloed door zijn verschillend bloed. Het neger-gedeelte raadde hem voorzichtigheid en inachtneming der Panamasche wet. Het Indianen-gedeelte drong hem tot overtreding der wet en het vooruitzicht op een conflict.
De Indiaansche moeder besliste het pleit en deed hem den kluiver strijken, de groote schooten vieren en sneller strandwaarts gaan om de naderkomende boot op te pikken. Toen hij de geweren der Solanos en Morgans onderscheidde, had hij bijna het roer gekeerd om weg te zeilen en hen aan hun lot over te laten. Toen hij echter de vrouw zag zitten in den achtersteven, fluisterden avontuurlijkheid en winstbejag hem in, om voort te gaan en hen aan boord te nemen. Want hij wist maar al te goed, dat, wanneer vrouwen zich mengden in de aangelegenheden der mannen, gevaar en geld daarmee hand in hand gingen. En de vrouw kwam aan boord, het gevaar en het geld—Leoncia, de geweren en de zak met geld—alles klauterend; want daar de wind zwak was, durfde de kapitein de schoener niet stil te leggen. [62]
„Blij u aan boord te zien, mijnheer,” begroette Kapitein Trefethen Francis, terwijl zijn witte tanden te voorschijn kwamen tusschen zijn glimlachende lippen. „Maar wie is deze man?” Hij knikte met zijn hoofd in de richting van Henry.
„Een vriend, kapitein, mijn gast en eigenlijk een bloedverwant.”
„En, mijnheer, wanneer ik zoo vrij mag zijn, wie zijn die heeren, die daar zoo snel over den oever rijden?”
Henry keek snel naar de groep ruiters, die over het zand galoppeerden, nam zonder veel plichtplegingen den kijker uit de handen van den stuurman en keek er door.
„De Chef zelf rijdt in de voorhoede,” verkondigde hij aan Leoncia en haar mannelijke verwanten, „en een troep gendarmes.” Hij slaakte een scherpen kreet, keek aandachtig door het glas en schudde toen het hoofd: „Ik dacht haast, dat ik onzen vriend Torres herkende.”
„Bij onze vijanden,” riep Leoncia ongeloovig uit, zich Torres’ huwelijksaanzoek herinnerend en de aanbieding van zijn diensten en zijn eer, die hij haar dienzelfden dag op de veranda der haciënda gedaan had.
„Ik moet me vergist hebben,” bekende Francis. „Ze rijden zoo dicht op elkander. Maar de Chef is het beslist, twee sprongen voor de troep uit.”
„Wie is die eend van een Torres?” vroeg Henry barsch. „Hij stond me van het begin af al niet aan, toch schijnt hij altijd welkom te zijn onder je dak, Leoncia.”
„Ik vraag excuus, mijnheer, zeer tevreden en zeer onderdanig,” viel Kapitein Trefethen hem vriendelijk in de rede. „Maar ik moet uw aandacht vragen voor mijn vroegere vraag, mijnheer, en wel: wie en wat is die cavalcade, die zoo gewichtig over het strand rijdt?”
„Die wilden mij gisteren ophangen,” lachte Francis. „En morgen zouden zij mijn bloedverwant, hier, ophangen. Maar we zijn hen te glad af geweest. En hier zijn we nu. Welnu, mijnheer de kapitein, ik roep je aandacht in voor je groote schooten, die in den wind fladderen. Je staat stil. Hoelang denk je nog hier in de buurt te blijven?”
„Mijnheer Morgan,” was het antwoord, „met den onderdanigsten eerbied wil ik u dienen als charterer van het schip. Maar toch moet ik er u op wijzen, dat ik Britsch onderdaan ben. Koning George is mijn koning, mijnheer, en ik ben in de eerste plaats gehoorzaamheid verschuldigd aan hem en aan zijn maritieme wetten, mijnheer. Ik begrijp heel goed, dat u aan wal de wetten overtreden hebt, want anders zouden die ambtenaren daar op den wal u niet zoo hardnekkig vervolgen, mijnheer. En het is even duidelijk, dat u nu verlangt, dat ik de maritieme wetten zal overtreden, door u te helpen om te ontsnappen. Dus ben ik, door mijn eer, verplicht, om hier te blijven tot deze kleine aangelegenheid, waarin u aan wal betrokken is, tot ieders genoegen geregeld is, mijnheer, en tot genoegen van mijn wettigen souverein.”
„Hijsch de zeilen en maak, dat je hier vandaan komt, stuurman,” viel Henry hem toornig in de rede.
„Mijnheer, met uw welnemen, moet ik u, tot mijn spijt, op twee dingen wijzen. Gij hebt deze boot niet gecharterd en evenmin [63]zijt gij de edele Koning George, aan wien ik met hart en ziel verknocht ben.”
„Welnu, ik heb deze boot gecharterd, kapitein,” zei Francis opgewekt, want hij had geleerd, dat hij den man, met zijn gemengde woorden en gemengd bloed, niet moest prikkelen. „Wees dus zoo goed om je roer te wenden en ons buiten deze Chiriqui-Lagune te brengen, zoo snel als God en deze onbetrouwbare wind toelaten.”
„Het staat niet in onze overeenkomst, mijnheer, dat mijn Angélique de wetten van Panama en Koning George zal overtreden.”
„Ik zal je er goed voor betalen,” antwoordde Francis, die zijn geduld begon te verliezen. „Ga aan het werk.”
„U wilt dus opnieuw charteren, mijnheer, voor driemaal het tegenwoordige bedrag?”
Francis knikte kortaf.
„Een oogenblikje, mijnheer, alstublieft. Ik moet een pen en papier uit de hut halen en het stuk opstellen.”
„Hemeltje,” kreunde Francis. „Schiet op en breng ons eerst op gang. We kunnen het stuk even goed gereedmaken, terwijl we varen als nu we stilliggen. Kijk! Ze beginnen al te schieten.”
De kleurling-kapitein hoorde den knal en, het opgezette zeil onderzoekend, ontdekte hij het gat van den kogel boven bij den top van het grootzeil.
„Heel goed, mijnheer,” besloot hij. „U is een gentleman en een achtenswaardig mensch. Ik vertrouw, dat u uw handteekening zult zetten onder het stuk, zooals wij overeengekomen zijn.—Hé, neger! Wend het stuur! Vlug! Vooruit, zwarte schavuiten, vier de groote schooten! Help eens een handje, Percival, daar aan de laadboom!”
Allen gehoorzaamden, zoowel Percival, een grijnzende, waggelende Kingston-neger, die even zwart was als zijn naam blank, als een ander, die met meer eerbied werd aangesproken als Juan, die meer Spaansch en Indiaansch, dan negerbloed in zijn aderen had, zooals zijn lichtgele huid getuigde en wiens vingers, die den fokkeschoot vierden, even handig en teer waren als van een meisje.
„Sla dien nikker op zijn kop, als hij niet wat beter opschiet,” bromde Henry zachtjes tegen Francis. „Voor twee cent doe ik het onmiddellijk.”
Maar Francis schudde het hoofd.
„Hij heeft gelijk, maar hij is een Jamaïca-neger en je weet, wat dat zeggen wil. En hij is even goed een Indiaan. We doen het beste door hem in een goed humeur te houden, dat is nu eenmaal de aard van het beestje. Hij bedoelt het goed, maar hij heeft geld noodig, waagt zijn schoener er aan om in beslag genomen te worden en hij is behept met vocabularitis. Hij moet nu eenmaal zoo lang van stijl zijn of hij wil of niet.”
Op dit oogenblik naderde Enrico Solano, met trillende neusvleugels en de vingers aan zijn geweer, terwijl hij met een half oog de, in het wilde afgeschoten kogels volgde, die op het strand afgevuurd werden, Henry en strekte zijn hand uit.
„Ik heb een ernstige vergissing begaan, Senor Morgan,” zei hij. „In de eerste droefheid over den dood van mijn geliefden [64]broeder, Alfaro, dacht ik, dat gij schuldig waart aan den moord.” Bij deze woorden flikkerden de oogen van den ouden Enrico met een verterend, onuitdoofbaar vuur. „Want een moord was het, een laaghartige, laffe moord, een steek in den rug in het duister. Ik had het beter moeten weten. Maar ik was overstelpt en de bewijzen waren allemaal tegen je. Ik dacht er geen oogenblik aan, dat mijn teer beminde, eenige dochter je verloofde was; dacht er geen oogenblik aan, dat ik je niet anders had leeren kennen, dan als oprecht, mannelijk en moedig, als iemand, die nooit in het donker in hinderlaag zal gaan liggen. Ik heb er berouw over. Het spijt mij. En ik ben er trots op, je nogmaals in onze familie welkom te heeten als de aanstaande echtgenoot van mijn Leoncia.”
En terwijl Henry Morgan van ganscher harte weer in de familie Solano opgenomen werd, ergerde het Leoncia, dat haar vader, op Latijnsch-Amerikaansche wijze, zooveel mooie woorden en zinnen moest gebruiken, waar één enkele zin, één handdruk en één oprechten blik in de oogen alleen al voldoende zouden zijn geweest en was overtuigd, dat noch Henry, noch Francis zooveel woorden verspild zouden hebben, wanneer de situatie juist andersom geweest was. Waarom toch, vroeg zij zich af, waarom toch, moest haar Spaansche familie, in zoo’n overvloed van woorden, een dergelijke buitensporigheid van den Jamaïca-neger navolgen?
Terwijl deze vernieuwing der verloving tusschen Henry en Leoncia plaats had, merkte Francis, die zijn best deed om een onverschillig gezicht te zetten, op, dat de bleekgele matroos, Juan genaamd, in gesprek met de andere leden der bemanning, veelbeteekenend zijn schouders optrok en druk met zijn handen gesticuleerde.