HOOFDSTUK VII.
„En nu zijn alle twee die Gringo-zwijnen ons ontsnapt,” klaagde Alvarez Torres op het strand, toen, terwijl het briesje een weinig in kracht toenam en de zeilen zich bolden, de Angélique buiten het bereik van hun geweren kwam.
„Ik zou haast drie klokken in de kathedraal willen geven,” verklaarde Mariano Vercara è Hyos, „wanneer ik ze op een honderd meter afstand vóór mijn geweer had. En als ik mijn zin had, zouden alle Gringos zoo snel om zeep gaan, dat de duivels in de hel genoodzaakt zouden zijn om Engelsch te leeren.”
Alvarez Torres sloeg van louter onmachtige woede en teleurstelling met de hand op den zadelknop.
„De Koningin mijner Droomen,” weende hij bijna. „Zij is verdwenen, weggegaan met de beide Morgans. Ik zag haar tegen den kant der schoener opklauteren. En dan is er nog die Regan in New-York. Eenmaal buiten de Chiriqui-Lagune, kan de schoener regelrecht koers zetten naar New-York. En dat varken van een Francis is geen maand opgehouden, en Senor Regan zal geen geld geven.”
„Zij zullen de Chiriqui-Lagune niet verlaten,” zei de Chef plechtig. „Ik ben geen onredelijk dier. Ik ben een man. Ik [65]weet, dat ze er niet uit zullen komen. Heb ik hen geen eeuwige wraak gezworen. De zon gaat onder en de nacht belooft niet veel wind te zullen brengen. Dat kan iemand met een half oog aan de lucht zien. Kijk maar eens naar die langzaam voortdrijvende wolkjes. De wind, die er zijn zal, en dat zal weinig genoeg zijn, zal uit het Noordoosten komen. Het zal een toer zijn om Chorrera-Passage te bereiken. Ze zullen het niet probeeren. Die nikker-kapitein kent de lagune op zijn duimpje. Hij zal trachten er uit te komen langs Bocas del Toro, of door de Cartago-Passage. Maar al doet hij dat, dan zullen we hem toch wel krijgen. Ik heb ook hersenen, verstand. Verstand. Luister! Het is een lange rit. We zullen het klaarspelen—regelrecht langs de kust naar Las Palmas. Kapitein Rosaro ligt daar met de Dolores.”
„Die oude tweedehandsche stoomsleeper?—die niet uit de voeten kan komen?” vroeg Torres.
„Maar die in dezen windstillen nacht en morgen de Angélique zal vangen,” antwoordde de Chef. „Vooruit, kameraden! We zullen rijden! Kapitein Rosaro is mijn vriend. Er bestaat geen gunst, of ik hoef ze hem maar te vragen.”
Toen het daglicht aanbrak, strompelden de uitgeputte mannen op afgejakkerde paarden door het vervallen dorp Las Palmas en over de vervallen pier, waar een zeer vervallen stoomsleeper, die hoog noodig eens geverfd moest worden, zich aan hun oogen vertoonde. Een rookwolkje, dat uit de pijp opsteeg, bewees, dat ze onder stoom lag en de Chef was uitgelaten van vreugde.
„Goeden morgen, Senor Kapitein Rosaro, blij je te zien,” begroette hij den verweerden Spaanschen kapitein, die op een rol touw zat en zwarte koffie dronk uit een kroes, die tegen zijn tanden rinkelde.
„Het zou een nog betere morgen zijn, wanneer die vervloekte koorts mij niet te pakken had,” bromde Kapitein Rosaro gemelijk, terwijl de hand, die de kroes vasthield, zijn arm en zijn heele lichaam zoo vreeselijk bibberden, dat de heete vloeistof langs zijn kin en in het grauwe haar liep, dat zijn half-naakte borst bedekte. „Dat is voor jou, hellebeest!” riep hij, kroes en inhoud naar een jongen kleurling, blijkbaar zijn bediende, slingerend, die zijn leedvermaak niet had kunnen verbergen.
„Maar de zon zal opgaan en de koorts uitwerken en weer wegtrekken,” zei de Chef, de misnoegde uitbarsting beleefd over het hoofd ziende. „En je bent hier klaar en bestemd voor Bocas del Toro en wij zullen met je meegaan, allemaal, op een zonderling avontuur. Wij willen den schoener Angélique oppikken, die vannacht door de windstilte opgehouden werd in de lagune, en ik zal verscheidene arrestaties doen en heel Panama zal vervuld zijn van uw moed en handigheid, Kapitein, en je zult vergeten, wat de koorts je ooit mocht influisteren.”
„Hoeveel?” vroeg Kapitein Rosaro ronduit.
„Hoeveel?” herhaalde de Chef verwonderd. „Dit is een rijksaangelegenheid, waarde vriend. En het is juist in je weg naar Bocas del Toro. Het zal je geen extra schep kolen kosten.”
„Muchacho! Meer koffie!” bulderde de kapitein van den stoomsleeper tegen den jongen. [66]
Er ontstond een pauze, waarin Torres en de Chef en het heele uitgeputte gevolg snakte naar de gloeiend heete koffie, die de jongen bracht. Kapitein Rosaro liet den rand van de kroes tegen zijn tanden rammelen als een paar castagnetten, maar slaagde er in om zonder morsen te drinken of zijn mond te branden.
Een Zweed met een droefgeestig gezicht, in een vettige jas en een vuile muts, waarop „Machinist” te lezen stond, kwam van beneden, stak een pijp aan en scheen in een standbeeld te veranderen, toen hij op de lage verschansing ging zitten.
„Hoeveel?” herhaalde Kapitein Rosaro.
„Laten we op weg gaan, waarde vriend,” zei de Chef. „En dan, wanneer de koortsaanval voorbij is, zullen wij verstandig over de zaak spreken; we zijn toch immers redelijke wezens en geen dieren.”
„Hoeveel?” herhaalde Kapitein Rosaro weer. „Ik ben nooit een dier. Ik ben altijd een redelijk wezen, of de zon op is of niet, of wanneer die driemaal vervloekte koorts mij te pakken heeft. Hoeveel?”
„Wel, laten we vertrekken en hoeveel moet je hebben?” besloot de Chef knorrig.
„Vijftig dollars goudgeld,” was het prompte antwoord.
„Je vertrekt toch in ieder geval, nietwaar, kapitein?” vroeg Torres vriendelijk.
„Vijftig—goudgeld, zooals ik gezegd heb.”
De Chef van Politie stak met een wanhopig gebaar zijn handen omhoog en draaide zich op zijn hielen om, om heen te gaan.
„En gij hebt eeuwige wraak gezworen voor de misdaad, aan uw gevangenis gepleegd,” herinnerde Torres hem.
„Maar niet, wanneer het vijftig dollars kost,” snauwde de Chef terug, steelsgewijze den bibberenden kapitein in het oog houdend, of deze ook eenig teeken van toenadering gaf.
„Vijftig dollars goudgeld,” zei de kapitein, toen hij zijn kroes leeggedronken had en met bevende vingers een cigaret trachtte te rollen. Hij knikte met zijn hoofd in de richting van den Zweed en voegde er bij: „En vijf dollars goudgeld extra voor mijn machinist. Dat is zoo onze gewoonte.”
Torres liep op den Chef toe en fluisterde:
„Ik zal zelf de sleeper betalen en er den Gringo Regan honderd dollars voor in rekening brengen, dan deelen we samen het verschil. Wij verliezen niets. We zullen het klaarspelen. Want dit zwijn van een Regan droeg mij op om geen onkosten te sparen.”
Toen de zon haar vurig gelaat boven den horizon verhief, keerde een gendarme met de afgejakkerde paarden naar Las Palmas terug, terwijl het overige gezelschap afdaalde naar het dek van den sleeper, de Zweed wegdook in de machinekamer en Kapitein Rosaro, zich verwarmend in de weldadige zonnestralen, den matrozen beval de lijnen los te gooien en een hunner aan het wiel zette in den stuurstoel.
En dezelfde dageraad vond de Angélique, na een nacht van bijna volstrekte windstilte, nog in de buurt van het vasteland, [67]vanwaar ze niet had kunnen wegkomen, ofschoon ze voldoende Noordwaarts gedreven was om halverwege San Antonio en de vaargeulen van Bocas del Toro en Cartago te zijn. Deze twee doorgangen naar het ruime sop lagen nog op vijf en twintig mijlen afstand en de schoener sliep als het ware op het spiegelgladde oppervlak der vredige lagune. Daar het beneden te benauwd was om te slapen, hier in deze gloeiend heete tropische streken, was het dek bezaaid met slapers. Boven op het smalle kajuitdak lag eenzaam Leoncia. In de nauwe doorgangen aan beide zijden lagen haar broeders en haar vader. Achter, tusschen de kajuitstrap en het roer, lagen de beide Morgans, zij aan zij, Francis met zijn arm om Henry’s schouder geslagen, alsof hij hem nog moest beschermen. Aan de eene zijde van het stuurrad, zijn armen op de knieën en zijn hoofd op de armen rustend, sliep de Neger-Indianen-kapitein, en in precies dezelfde houding, aan de andere zijde, sliep de roerganger, die niemand anders was dan Percival, de zwarte Kingston-neger. Het middenschip was bezaaid met de lichamen der matrozen van gemengd ras, terwijl voor, op de kleine voorplecht, de uitkijk, vooroverliggend, met zijn gelaat in zijn gekruiste armen verborgen, sliep.
Leoncia, op haar verheven plaats boven op het dak der hut, ontwaakte het eerst. Haar hoofd op de hand steunend, en met haar elleboog rustend op een stukje van de poncho, waarop ze lag, keek zij langs de eene zijde der kajuitstrap neer op de beide jongemannen. Zij gevoelde medelijden met hen, die zoozeer op elkander geleken, en wist, dat zij hen allebei liefhad, herinnerde zich Henry’s kussen op haar mond, huiverde tot haar eigen gedachten haar wangen deden blozen bij de herinnering van Francis’ kussen, en was verwonderd en verbaasd, dat het haar mogelijk was om twee mannen tegelijkertijd lief te hebben. Zooals zij reeds zichzelf had moeten bekennen, zou ze Henry willen volgen naar het einde der wereld en Francis zelfs nog verder. En ze kon zoo’n wispelturige liefde niet begrijpen.
Om haar eigen gedachten, die haar verschrikten, te ontvluchten, strekte zij haar arm uit en liet het uiteinde van haar zijden sjaal over Francis’ neus kriebelen, die na enkele onrustige bewegingen, nog altijd in diepe rust, met zijn hand sloeg naar hetgeen hij dacht, dat een mug of vlieg was, en Henry op zijn borst trof. Zoo kwam het, dat Henry het eerst wakker werd. Hij ging zoo plotseling overeind zitten, dat hij Francis ook wakker maakte.
„Goeden morgen, mijn vroolijke bloedverwant,” klonk Francis’ begroeting. „Waarom ben je zoo woest?”
„Morgen, morgen en nog eens morgen, kameraad,” mompelde Henry. „Je slaap was zoo verwoed, dat jij me wakker maakte met een stomp op mijn borst. Ik dacht, dat het de beul was, want dit is de morgen, waarop ze me wilden ophangen.” Hij geeuwde, rekte zich uit, keek over de verschansing naar de slapende zee en stootte Francis zachtjes aan om hem opmerkzaam te maken op den slapenden kapitein en roerganger.
Ze zagen er zoo vroolijk uit, deze twee Morgans, dacht Leoncia, en verwonderde zich er tegelijkertijd over, dat zij [68]onwillekeurig in den geest hier het Engelsche woord voor gebruikte, in plaats van een gelijkluidende Spaansche uitdrukking. Was dit, omdat haar hart zoo geheel uitging naar deze twee Gringos, dat zij in hun eigen taal aan hen moest denken, inplaats van in haar moedertaal?
Om zich aan haar verwarrende gedachten te onttrekken, liet ze de sjaal weer zakken, werd ontdekt en bekende lachend, dat zij het was, die hen zoo gewelddadig had doen ontwaken.
Drie uur later, toen het ontbijt, bestaande uit koffie en vruchten, genuttigd was, stond zij aan het stuurrad en ontving onder leiding van Francis haar eerste les in het sturen op het kompas. De Angélique, voortgedreven door een briesje, dat vrijwel naar het Noorden geloopen was, schoot op het oogenblik door het water met een vaart van zes knoopen. Henry, die heen en weer liep op de loefzijde van het achterdek en de zee met zijn kijker onderzocht, deed zijn best om niet te letten op die les, ofschoon hij heimelijk woedend was op zichzelf, dat hij niet op het idee gekomen was om haar in te wijden in de geheimen van het wachthuisje en stuurrad. Toch waakte hij er zorgvuldig voor om rond te kijken of ook maar een blik te wagen in de richting van het tweetal. Maar Kapitein Trefethen, die de wreede nieuwsgierigheid bezat van den Indiaan en de onbeschaamdheid van den neger-onderdaan van Koning George, kende een dergelijke fijngevoeligheid niet. Hij keek hen openlijk aan en er ontging hem niets van de geheimzinnige kracht, die zijn charterer en dit mooie Spaansche meisje tot elkander trok. Wanneer ze zich over het stuurrad bogen om in het wachthuisje te kijken, leunden zij tegen elkander aan en Leoncia’s haar streek langs Francis’ wang. En het drietal, zijzelven en de kleurling-kapitein, kenden de aandoening, die een dergelijke aanraking vergezelde. Maar de man en de vrouw wisten onmiddellijk wat de kleurling-kapitein niet wist, en deze wetenschap maakte hen verlegen. In een oogwenk van stomme verbazing ontmoetten hun oogen elkander en dwaalden toen, schuldbewust, af en naar den grond. Francis sprak heel snel en hard genoeg, dat de halve schoener het kon hooren, toen hij uitlegging gaf van het kompas. Maar Kapitein Trefethen grinnikte.
Een sterker windstootje was oorzaak, dat Francis het stuurrad omdraaide. Zijn hand, die hij op de spaken legde, rustte op haar hand, die het stuurrad reeds vasthield. Weer huiverden zij en weer grinnikte de kapitein.
Leoncia’s oogen werden opgeslagen naar Francis en dwaalden toen, in verwarring, weer naar beneden. Zij trok zacht haar hand onder de zijne weg en eindigde de les door langzaam weg te loopen, alsof dit heel toevallig geschiedde en het stuurrad en het kompas haar geen belangstelling inboezemden. Maar zij liet Francis achter met het beschamend gevoel, dat hij kende als onwettig en verraderlijk, wanneer hij keek naar Henry’s schouder en profiel en hoopte, dat deze niet gezien had, wat er gebeurd was. Leoncia, die oogenschijnlijk over de lagune naar den, met jungle begroeiden oever keek, zag echter niets, terwijl zij, in gedachten verdiept, haar verlovingsring aan haar vinger om en om draaide.
Maar Henry, die zich omkeerde om hen te vertellen, dat [69]hij een rookwolkje ontdekt had aan den horizon, zag dit onwillekeurig. En de Neger-Indianen-kapitein zei, dat hij het gezien had. Dus boog de kapitein zich naar hem toe en terwijl de wreedheid van den Indiaan de overhand kreeg over de onbeschaamdheid van den neger, zei hij op zachten toon:
„O, wees niet zoo neerslachtig, mijnheer. De senorita heeft een edelmoedig hart. Er is voldoende plaats in haar hart voor allebei de heeren.”
En in het volgend onderdeel eener seconde leerde hij de onvermijdelijke en onveranderlijke les, dat men zich niet moet bemoeien met de bijzondere aangelegenheden van blanke mannen, want hij lag op zijn rug, zijn achterhoofd pijnlijk door de aanraking met het dek, de voorkant van zijn hoofd, tusschen de oogen, pijnlijk door de botsing met de knokkels van Henry Morgans rechterhand.
Maar de Indiaan in den kapitein was opgewekt en hij sprong woedend overeind, met zijn mes in de hand. Juan, de lichtgele halfbloed, sprong aan de zijde van den kapitein, een ander mes zwaaiend, terwijl verscheidene der in de buurt zijnde matrozen zich bij hen voegden en een halven cirkel om Henry vormden, die snel een stap achteruit deed en met een opwaartschen slag van zijn hand, naar een met ijzer beslagen drevel, hem lossloeg en de lucht in deed vliegen. Dezen grijpend, in zijn vlucht, was hij gereed om zich te verdedigen. Francis verliet het stuurrad en zijn automatisch pistool trekkend, terwijl hij naar hem toesprong, drong door den kring heen, zoodat hij naast Henry kwam.
„Wat heeft hij gezegd?” vroeg Francis aan zijn bloedverwant.
„Ik zal zeggen, wat ik gezegd heb,” dreigde de kleurling-kapitein, wiens negernatuur de overhand nam, nu hij de kans zag om een losgeld te bemachtigen. „Ik zei …”
„Houd je mond, stuurman,” viel Henry hem in de rede. „Het spijt me, dat ik je geslagen heb. Houd je mond. Zet een klem op je lippen. Vergeet het. Het spijt mij, dat ik je sloeg. Ik …” Henry Morgan kon er niets aan doen, dat hij een oogenblik op moest houden met spreken, eer hij de woorden kon uiten, die hij ging zeggen. En het was enkel terwille van Leoncia en omdat zij toekeek en luisterde, dat hij ze sprak: „Ik … ik vraag excuus, kapitein.”
„Het is een beleediging,” verklaarde Kapitein Trefethen norsch. „Het is mishandeling. Niemand mag een onderdaan van Koning George, dien God moge zegenen, mishandelen, zonder hem daarvoor geldelijk schadeloos te stellen.”
Bij deze openlijke poging tot geldafpersing, vergat Henry weer bijna zich zelf en stond op het punt om op den kerel toe te springen. Maar tegengehouden door Francis’ hand, die op zijn schouder gelegd werd, bedwong hij zich, maakte een geluid, dat veel geleek op een hartelijke lach, grabbelde in zijn zak naar twee goudstukken van tien dollar en wierp deze, alsof ze hem brandden, in de hand van Kapitein Trefethen.
„Nogal geen hooge prijs,” kon hij niet nalaten om hardop te mompelen.
„Het is een goede prijs,” bekrachtigde de kapitein. „Twintig dollars goudgeld is altijd een goede prijs voor een pijnlijk [70]hoofd. Ik ben tot uw dienst, mijnheer. Gij zijt op en top een gentleman. U mag mij voor dien prijs altijd een klap geven.”
„Mij ook, mijnheer, mij ook!” solliciteerde de Kingston-neger, genaamd Percival, met een breeden en schaamteloozen grijns van onderdanigheid. „Geef me een klap, mijnheer, voor denzelfden prijs, wanneer u wilt, nu. En u mag me zoo dikwijls slaan als u wilt …”
Maar nu zou er een einde komen aan dit tooneel, want op dat oogenblik riep een matroos midscheeps:
„Rook! De rook van een stoomboot recht achter ons!”
Na verloop van een uur ontdekten zij van welken aard en van welk belang deze rook was, want de Angélique, die door windstilte overvallen was, werd zoo snel ingehaald, dat de sleepboot Dolores door den kijker op een halve mijl afstand gezien kon worden, en haar kleine voorschip, dat als het ware overladen was met gewapende mannen. Zoowel Henry als Francis konden het gelaat herkennen van den Chef van Politie en verscheidene zijner gendarmes.
De neusgaten van den ouden Enrico Solano verwijdden zich, toen hij, met zijn vier zoons, die aan boord waren, zich op het achterschip gereed maakte voor den strijd. Leoncia, wier gevoelens verdeeld waren tusschen Henry en Francis, was heimelijk verstrooid, ofschoon ze deelde in het gelach over de armzalige kleine sleepboot en zich verheugde over een vleugje wind, dat de Angélique schuimend, met een vaart van negen mijlen door het water joeg. Maar weer en wind waren wisselvallig. De oppervlakte van de lagune werd beurtelings door windvlagen gerimpeld en lag dan weer onbeweeglijk stil.
„Het spijt me, dat ik het zeggen moet, maar er is geen kans op ontsnappen,” berichtte Kapitein Trefethen Francis. „Als de wind aanhield, dan wel, mijnheer. Maar de wind is bedriegelijk en gaat telkens liggen. Wij worden naar het vasteland gedreven. We zitten in het nauw, mijnheer, en zijn al zoo goed als gevangen.”
Henry, die door den kijker het dichtbijzijnde strand bestudeerd had, liet den kijker zakken en keek Francis aan.
„Spreek op!” riep de laatste. „Je hebt een plan. Dat is duidelijk aan je te zien. Zeg, wat het is!”
„Daar vlak voor ons liggen de beide Tijger-eilanden,” verklaarde Henry. „Zij bewaken den nauwen ingang naar Juchitan-Baai, die El Tigre genoemd wordt. Geloof me, ’t is precies de tand van een tijger. Aan weerszijden, tusschen de eilanden en het strand, is het water te ondiep om er met een sloep doorheen te komen, wanneer men de kronkelende kanalen niet kent, wat ik wel doe. Maar er tusschen in is het water diep, ofschoon de El Tigre-doorgang zoo nauw is, dat er geen ruimte is om te keeren. Een schoener kan er alleen doorheen komen, wanneer hij den wind achter of opzij heeft. Welnu, de wind is gunstig. We zullen het wel klaarspelen. Maar dit is slechts de helft van mijn plan …”
„En als de wind gaat liggen of draait, mijnheer—en het getij in de baai als een dolle in- en uitstroomt, zooals ik weet, dat gebeuren kan—dan komt mijn mooie schoener op de rotsen terecht,” protesteerde Kapitein Trefethen. [71]
„Wanneer dat gebeurt, zal ik je de volle waarde ervan uitbetalen,” verzekerde Francis kortaf en schoof hem opzij. „… En nu, Henry, wat is de andere helft van je plan?”
„Ik schaam me om het je te vertellen,” lachte Henry. „Maar het zal meer Spaansche vloeken uitlokken, dan de Chiriqui-Lagune gehoord heeft sedert de oude Sir Henry San Antonio en Bocas del Toro plunderde. Let maar eens op.”
Leoncia klapte in haar handen en riep met schitterende oogen uit:
„Het moet een goed plan zijn, Henry. Dat kan ik aan je gezicht zien. Je moet het mij vertellen.”
En een beetje terzijde gaande, zijn arm om haar heen geslagen, om haar staande te houden op het slingerend dek, fluisterde Henry haar iets in het oor, terwijl Francis, om zijn ontroering te verbergen, door den kijker de gezichten op de vervolgende sleepboot bestudeerde. Kapitein Trefethen grinnikte boosaardig en wisselde veelbeteekenende blikken met den vaal-gelen matroos.
„Welnu, stuurman,” zei Henry, terugkomend. „We liggen net tegenover El Tigre. Wend je roer en loop op den doorgang aan. Ook heb ik, en wel op staanden voet, een rol halfduims, oud, zacht manilatros noodig, een massa kabelgaren en zeilgaren, die kist met bier uit het lazaret, die vijf gallons oliebus, die gisterenavond leeggekomen is en de koffiekan uit de kombuis.”
„Maar ik ben zoo vrij, er uw aandacht op te vestigen, dat die tros goed geld waard is, mijnheer,” klaagde Kapitein Trefethen, toen Henry aan het werk ging met de verschillende bestanddeelen.
„Je zult er voor betaald worden,” stelde Francis hem gerust.
„En de koffiekan—die is bijna nieuw.”
„Je zult er voor betaald worden.”
De kapitein zuchtte en berustte erin, ofschoon hij weer zuchtte bij de volgende handeling van Henry, die bestond in het ontkurken der flesschen en het laten wegloopen van het bier door de spuigaten.
„Alsjeblieft, mijnheer,” smeekte Percival. „Als u het bier moet weggooien, gooi het dan in mijn keel.”
Er werd verder geen bier meer verspild en de bemanning zorgde, dat de leege flesschen spoedig naast Henry kwamen te liggen. Met tusschenruimten van zes voet bevestigde hij de weer gekurkte flesschen aan het halfduims koord. Ook sneed hij stukken er af van twee vadem lengte en bevestigde deze als wimpels tusschen de bierflesschen. De koffiekan en twee leege koffiebussen werden eveneens tusschen de flesschen vastgemaakt. Aan het eene einde der groote lijn maakte hij het olieblik vast, aan het andere de leege kist van het bier, en keek Francis aan, die antwoordde:
„O, sedert vijf minuten ben ik er achter, wat je wilt. El Tigre moet smal zijn of anders vaart de sleeper langs dat zaakje heen.”
„El Tigre is precies zoo breed,” was het antwoord. „Er is een plek, waar het kanaal tusschen de beide zandbanken geen veertig voet breed is. Als de kapitein onze val misloopt, [72]raakt hij altijd ergens aan den grond. Zeg, ze kunnen naar den kant waden, als dat mocht gebeuren.—Kom nu mee, we zullen dat zaakje naar het achterschip brengen en ons gereed maken om het uit te gooien. Je gaat aan stuurboord staan en ik aan bakboord en wanneer ik het sein geef, werp je die kist zoo ver mogelijk naar den kant.”
Ofschoon de wind verminderde, slaagde de Angélique, die recht voor den wind liep, erin om vijf knoopen te maken, terwijl de Dolores, die er zes maakte, haar langzaam inhaalde. Toen de geweren begonnen te spreken op de Dolores, maakte de kapitein, onder leiding van Henry en Francis, op den achtersteven van den schoener een lage barricade van zakken aardappelen en uien, oude zeilen en kabeltouw. Laag neergehurkt achter deze beschutting, kon de roerganger aan het roer blijven. Leoncia weigerde om naar beneden te gaan, toen het geweervuur in hevigheid toenam, maar stemde er in toe om achter de hut te gaan liggen. De overige schepelingen zochten eveneens beschutting in hoeken en gaten, terwijl de heeren Solano, die op het achterschip lagen, het vuur van de sleepboot beantwoordden.
Henry en Francis, die op hun, zelf gekozen, plaats stonden te wachten tot de engte van El Tigre bereikt was, hielpen een handje in den strijd.
„Mijn compliment, mijnheer,” zei Kapitein Trefethen, wiens Indianennatuur hem dwong om het hoofd op te beuren en over de verschansing te gluren, terwijl de neger in hem, hem noodzaakte zijn lichaam zoo plat op het dek uit te strekken alsof hij zich er doorheen zou drukken, tegen Francis. „Dat was Kapitein Rosaro zelf, die aan het stuur stond en de wijze, waarop hij opsprong en naar zijn hand greep zou iemand doen denken, dat u er zeer handig een kogel doorheen gejaagd hebt. Die Kapitein Rosaro is een zeer heetgebakerd hombre, mijnheer. Mij dunkt, ik hoor hem nu vloeken.”
„Houd je gereed, Francis,” zei Henry, zijn geweer neerleggend en aandachtig de lage oevers der eilanden van El Tigre aan weerszijden bestudeerend. „We zijn er bijna. Let op als ik het sein geef, en bij „drie” laat je los.”
De sleepboot was nog op tweehonderd meter afstand en haalde hen snel in, toen Henry het sein gaf. Hij en Francis rezen overeind en bij „drie” lieten ze los. Blik en kist vlogen naar weerszijden, en sleepten door de lucht achter zich aan het met potten, kannen, flesschen en touw-wimpels versierde koord.
Door nieuwsgierigheid gedreven, bleven Henry en Francis overeind staan om te zien hoe hun val met de veelsoortige voorwerpen zich uitspreidde over de oppervlakte van hun kielzog. Een fusillade van de sleepboot deed hen weer plat op het dek neervallen; maar, over de verschansing kijkend, zagen zij, hoe de voorsteven van de sleepboot de drijvende lijn omlaag en onder water drukte. Een oogenblik later zagen zij de sleeper vaart minderen, zoodat ze bijna stillag.
„Er zit wat om de schroef,” juichte Francis. „Henry, m’n compliment!”
„Nu, als de wind aanhoudt …” sprak Henry bescheiden. [73]
De Angélique zeilde door, terwijl de beweginglooze sleepboot al kleiner voor hen werd, maar toch niet zoo klein of ze konden zien, hoe ze hulpeloos op de zandbank dreef en de mannen overboord sprongen en door het water waadden.
„Laten we nu eerst ons lijfdeuntje eens zingen,” riep Henry opgetogen uit, en zette in: „Rug aan rug, door den grootmast gescheiden.”
„Dat is nu allemaal heel mooi en wel, mijnheer,” viel Kapitein Trefethen hem in de rede toen het eerste refrein gezongen was, terwijl zijn oogen glinsterden en zijn schouders nog heen en weer bewogen op het rhythme van het lied. „Maar de wind is gaan liggen, mijnheer. We drijven in een windstilte. Hoe zullen we zonder wind uit Juchitan-Baai komen? De Dolores is niet verongelukt. Ze wordt enkel opgehouden. De een of andere nikker zal duiken en de schroef schoonmaken en dan heeft ze ons net, waar ze ons wil hebben.”
„We zijn niet zoo heel ver van den wal,” schatte Henry zoo op het oog, terwijl hij zich tot Enrico wendde.
„Wat voor een soort strand is dat hier, Senor Solano?” vroeg hij. „Maya-Indianen en haciendados—wat is het?”
„Haciendados en Mayas, allebei,” antwoordde Enrico. „Maar ik ken het land wel. Wanneer de schoener niet veilig is, op het strand zijn we het wel. We kunnen paarden krijgen en zadels, vleesch en koren. Verderop zijn de Cordilleras. Wat kunnen we nog meer wenschen?”
„Maar Leoncia?” vroeg Francis bezorgd.
„Werd in het zadel geboren en er zijn weinig Amerikanen, die zij niet dood zou rijden,” was Enrico’s antwoord. „Wanneer ge het goedvindt, zou het ’t beste zijn, om de groote sloep te water te laten, voor het geval de Dolores ons weer op de hielen zit.”