WeRead Powered by ReaderPub
Drie Harten cover

Drie Harten

Chapter 12: HOOFDSTUK VIII.
Open in WeRead

About This Book

The narrative unfolds as a series of brisk, film-inspired episodes that combine breathless action with romantic complication. A central male figure becomes entangled in a mistaken marriage that threatens his chance to be with the one true woman, and subsequent episodes pursue his efforts to undo the error and achieve a rightful union. Scenes emphasize cinematic set pieces, rapid plotting, and melodramatic turns, while the framing voice reflects on adaptation between screen and prose and on the commercial pressures that shape popular storytelling.

[Inhoud]

HOOFDSTUK VIII.

„’t Is alles in orde, kapitein, ’t is alles in orde,” verzekerde Henry den halfbloed-kapitein, die met hen op het strand stond en niet veel lust scheen te hebben om afscheid te nemen en terug te keeren naar de Angélique, die op een halve mijl afstand dreef in een absolute windstilte, die zich neergelegd had over Juchitan-Baai.

„Het is wat je noemt een Krijgslist,” legde Francis uit. „Dat is een aardig woord—Krijgslist. En het is nog aardiger, wanneer je er de uitwerking van ziet.”

„Maar als het zijn uitwerking mist,” protesteerde Kapitein Trefethen, „dan wordt het een ellendig woord, dat ik Catastrophe zou willen noemen.”

„Dat overkwam de Dolores, toen we haar schroef vastlegden,” lachte Henry. „Maar wij kennen de beteekenis van dat woord niet. Wij gebruiken daarvoor in de plaats Krijgslist. Het bewijs, dat het zijn uitwerking niet zal missen, is dat wij de beide zonen van Senor Solano bij u achterlaten. Alvarado en Martinez kennen het vaarwater op hun duimpje. Ze zullen je er met het eerste gunstige briesje [74]uitloodsen. De Chef heeft het niet op jou voorzien. Hij zit ons na en wanneer we de heuvels intrekken, zal hij ons achtervolgen met den laatsten man, dien hij bij zich heeft.”

„Begrijp je het dan niet!” viel Francis in. „De Angélique zit in de val. Als wij aan boord blijven, neemt hij ons gevangen en de Angélique even goed. Maar wij gaan voor afwisseling de heuvels in. Hij vervolgt ons. De Angélique komt vrij. En natuurlijk vangt hij ons niet.”

„Maar neem nu eens aan, dat ik den schoener verlies!” hield de donkergekleurde kapitein aan. „Wanneer hij op de rotsen loopt, is hij verloren en de doortocht is zeer gevaarlijk.”

„Dan zal je er voor betaald worden, zooals ik reeds gezegd heb,” zei Francis, blijk gevend van opkomende toorn.

„En dan heb ik ook nog mijn talrijke uitgaven …”

Francis haalde een bloc-note en potlood te voorschijn, krabbelde een briefje en overhandigde hem dit, zeggend:

„Geef dat aan Senor Melchor Gonzales te Bocas del Toro. Het is goed voor duizend dollars goudgeld. Hij is bankier en mijn agent, en hij zal je uitbetalen.”

Kapitein Trefethen staarde ongeloovig op het bekrabbelde stukje papier.

„O, hij is er goed voor,” zei Henry.

„Ja, mijnheer, ik weet wel, mijnheer, dat mijnheer Francis Morgan bekend staat als een rijk heer. Maar hoe rijk is hij? Is hij even rijk als ik in alle bescheidenheid ben? Ik ben eigenaar van de Angélique heelemaal vrij van schuld. Ik bezit twee aandeelen in de stad Colon. En ik bezit vier aandeelen in de waterleiding van Belen, die mij rijk zullen maken, wanneer de United Fruit Company begint met den bouw van warenhuizen …”

„Wat heeft je vader je nagelaten, Francis?” vroeg Henry spottend. „Of, beter gezegd, hoeveel?”

Francis trok zijn schouders op, toen hij vaag antwoordde: „Meer dan ik vingers en teenen heb.”

„Dollars, mijnheer?” vroeg de kapitein.

Henry schudde heftig het hoofd.

„Duizenden, mijnheer?”

Weer schudde Henry het hoofd.

„Millioenen, mijnheer?”

„Nu begint het er op te lijken,” antwoordde Henry. „Mijnheer Francis Morgan is rijk genoeg om bijna de geheele Republiek Panama te koopen en het Kanaal op den koop toe.”

De Neger-Indianen-zeeman keek ongeloovig Enrico Solano aan, die antwoordde:

„Hij is een eerlijk man. Ik weet het. Ik heb een wissel van hem geïnd van duizend pesos bij Senor Melchor Gonzales te Bocas del Toro. Ze zitten daar in dien zak.”

Hij knikte met zijn hoofd in de richting van het strand, waar Leoncia midden tusschen de bagage, die met hen aan land gezet was, zich bezig hield met een Winchester-geweer te laden. De zak, die reeds lang de aandacht van den kapitein getrokken had, lag aan haar voeten in het zand.

„Ik reis niet graag kort bij kas,” legde Francis verlegen uit aan de blanke mannen, die bij de groep waren. „Je [75]weet nooit, hoe je een dollar noodig kunt hebben. Ik kreeg een gebroken machine te Smith River Corners, op weg naar New-York, terwijl ik enkel een chèque-boek in mijn zak had en weet je, ik kon in de stad zelfs geen cigaret krijgen.”

„Ik heb eens een blanke mijnheer vertrouwd in Barbadoes, die mijn boot huurde om vliegende visschen te gaan vangen …” begon de kapitein.

„Dus, tot ziens, kapitein,” sneed Henry hem den pas af. „’t Was beter als je aan boord ging, want we gaan op stap.”

En Kapitein Trefethen, die de ruggen te zien kreeg van zijn vertrekkende passagiers, kon niet anders doen dan gehoorzamen. Hij hielp de boot afduwen, klom er in, nam den stuurriem en zette koers naar de Angélique. Van tijd tot tijd achterom kijkend, zag hij hoe het gezelschap op het strand de bagage op den schouder nam en verdween in den dichten groenen plantenmuur.


Zij kwamen uit op het begin van een open gedeelte en zagen ploegen inlanders, die aan het houthakken waren en de wortels uitroeiden van het maagdelijke tropische woud, zoodat daarvoor in de plaats rubberboomen geplant konden worden voor de fabricatie van automobielbanden. Leoncia liep voorop, naast haar vader. Haar broeders, Ricardo en Alesandro, die in het midden liepen, droegen de bagage, evenals Francis en Henry, die de achterhoede vormden. En deze vreemde optocht ontmoette een slanke, rechte, hidalgo-achtige, oude heer, die zijn paard over boomwortels en kuilen liet springen om hen te bereiken. Zoodra hij Enrico zag, sprong hij van zijn paard en nam, Leoncia herkennend, zijn sombrero af, stak zijn hand uit om Enrico als een oud vriend te begroeten, terwijl zijn lippen woorden vormden en zijn oogen zijn bewondering te kennen gaven voor Enrico’s dochter.

Het gesprek had plaats in een snelvuur van Spaansche woorden en de vraag naar paarden was gedaan en reeds toegestaan, eer de beide Morgans voorgesteld werden. Het paard van den haciendado was, volgens Latijnsch gebruik, onmiddellijk ter beschikking van Leoncia en, zonder veel complimenten, kortte hij de stijgbeugels in en hielp haar schrijlings in het zadel. Een veeziekte, zoo verklaarde hij, had zijn plantage beroofd van rijdieren; maar zijn eerste opzichter bezat nog een heel goed dier, dat ter beschikking van Enrico zou zijn, zoo gauw als het gehaald kon worden.

Zijn begroeting van Henry en Francis was hartelijk, zoowel als beleefd, daar hij een paar minuten noodig had, om te beweren, dat de vrienden van zijn waarde vriend Enrico ook zijn vrienden waren. Toen Enrico den haciendado vroeg over de paden naar de Cordilleras en over olie sprak, spitste Francis zijn ooren.

„U wilt me toch niet vertellen, senor,” begon hij, „dat ze olie gevonden hebben in Panama?”

„Het is zoo,” bevestigde de haciendado ernstig. „Wij kenden de oliebron en wisten al sedert generaties, dat die bestond. Maar het was de Hermosillo-Maatschappij, die heimelijk haar Gringo-ingenieurs hierheen zond en het land [76]opkocht. Ze zeggen, dat het een uitgestrekt veld is. Maar ik ben zelf volstrekt niet op de hoogte van olie. Ze hebben verscheidene bronnen en hebben er nog meer geboord en ze krijgen zooveel olie, dat deze over het land wegloopt. Ze zeggen, dat ze het niet geheel kunnen stoppen, zoo groot is de voorraad en de drang, die er achterzit. Wat zij noodig hebben, zijn de leidingen voor het transport over den oceaan, die zij nu begonnen zijn te maken. Ondertusschen vloeit de olie weg door de ravijnen, wat een ongeloofelijk groot verlies beteekent.”

„Hebben ze tanks gebouwd?” vroeg Francis, wiens gedachten afgunstig dwaalden naar de Tampico-Petroleum, waarin hij het grootste gedeelte van zijn fortuin belegd had en waarvan hij, ondanks de stijgende koers, niets meer gehoord had sedert zijn vertrek uit New-York.

De haciendado schudde het hoofd.

„Het vervoer,” legde hij uit. „Het overbrengen van de zee naar de bronnen op muilezels is uitgesloten. Maar ze hebben het meeste vastgelegd. Zij hebben heele oliemeren, groote reservoirs in de laagten tusschen de heuvels, met aarden wallen afgedamd en nog kunnen zij den stroom niet keeren en nog steeds stroomt de kostbare vloeistof weg door de ravijnen.”

„Hebben ze deze reservoirs afgedekt?” vroeg Francis, die zich een noodlottige brand herinnerde in de eerste dagen der Tampico-Petroleum.

„Neen, senor.”

Francis schudde afkeurend het hoofd.

„Ze moesten afgedekt zijn,” zei hij. „Een lucifer, weggeworpen door de hand van een dronken of wraakzuchtigen inlander kon de heele boel in brand steken. ’t Is een armzalig werk, een armzalig werk.”

„Maar ik ben de Hermosillo-Maatschappij niet,” zei de haciendado.

„Ik bedoelde ook van de Hermosillo-Maatschappij, senor,” legde Francis uit. „Ik ben zelf een olie-man. Ik heb honderden en duizenden moeten betalen voor dergelijke ongelukken of misdaden. Men weet nooit precies, wat het is. Men weet alleen, dat ze gebeuren …”

Wat Francis nog meer had willen zeggen over het noodzakelijke van beschermende olie-reservoirs met het oog op stomme en kwaadwillige inlanders, zou men nooit te weten komen; want, op dat oogenblik, kwam de eerste opzichter der plantage, met een stok in de hand aanrijden, zijn belangstelling verdeeld, half over de nieuwe bezoekers en de andere helft over de groep inlanders, die vlakbij aan het werk was.

„Senor Ramirez, wilt u mij pleizier doen door af te stijgen,” sprak zijn werkgever, de haciendado, beleefd aan, tegelijkertijd hem, zoodra hij afgestegen was, aan de vreemdelingen voorstellend.

„Het paard is het uwe, vriend Enrico,” sprak de haciendado. „Mocht het sterven, zend mij dan alstublieft, wanneer het u gelegen komt, zadel en tuig terug. En als het u niet gelegen komt, herinner u dan alstublieft niet, dat er iets terug te zenden is, uitgezonderd dan altijd en immer, uw liefde voor [77]mij. Het spijt mij, dat gij en uw gezelschap nu geen gebruik kunt maken van mijn gastvrijheid. Maar ik weet, dat de Chef een bloedhond is. Wij zullen ons best doen, om hem van uw spoor af te leiden.”

Leoncia en Enrico te paard en de bagage met leeren riemen vastgemaakt aan de zadels, ging de cavalcade op pad, terwijl Alesandro en Ricardo ieder een stijgbeugel omklemden van het zadel huns vaders en meedraafden. Dit was om grooter spoed te kunnen maken, en werd nagevolgd door Francis en Henry, die zich vastklemden aan Leoncia’s stijgbeugels. Aan den knop van haar zadel was de zak met zilveren dollars bevestigd.

„Het moet een vergissing zijn,” verklaarde de haciendado aan zijn opzichter. „Enrico Solano is een achtenswaardig man. Iedere zaak, waarin hij betrokken is, is een eerlijke zaak. Hij heeft deze zaak tot de zijne gemaakt, wat het ook zijn moge en nu is Mariano Vercara è Hyos hen op het spoor. Wij zullen hem om den tuin leiden, als hij dezen kant uitkomt.”

„En daar heb je hem al,” merkte de opzichter op, „zonder tot nog toe het geluk gehad te hebben om paarden te vinden.” Als toevallig keerde hij zich naar de werkende inlanders en spoorde hen, onder verschrikkelijke bedreigingen aan, om tenminste in een dag tijd het werk van een halven dag te doen.

Tersluiks hield de haciendado de snel voortschrijdende groep mannen in het oog, in wier voorhoede Alvarez Torres liep; maar, alsof hij hen niet gezien had, besprak hij met zijn opzichter de voordeelen van het uitgraven van dien bijzonderen stomp, waarmee de inlanders juist bezig waren.

Vroolijk beantwoordde hij de begroeting van Torres en vroeg beleefd, met een tikje boosaardigheid, of hij het gezelschap aanvoerde op de een of andere verkenningstocht naar olie.

„Neen, senor,” antwoordde Torres. „Wij zoeken Senor Enrico Solano, zijn dochter, zijn zoons en twee lange Gringos, die in hun gezelschap zijn. Die Gringos moeten we hebben. Kwamen ze hierlangs, senor?”

„Ja, ze zijn hierheen gekomen. Ik dacht, dat zij ook de olie-koorts te pakken hadden, zoo’n haast maakten zij, zoodat ze niet eens beleefd een praatje konden maken en zeggen, wat het doel hunner bestemming was. Hebben ze de een of andere misdaad begaan? Maar hoe kan ik dat vragen? Senor Enrico Solano is een veel te achtenswaardig man …”

„Welken kant gingen zij uit?” vroeg de Chef, ademloos zijn gendarmes vooruitloopend, die hij juist ingehaald had.

En terwijl de haciendado en zijn opzichter hen om den tuin leidden en uitvluchten zochten en een geheel verschillende richting aanwezen, merkte Torres een der inlanders op, die, op zijn schop geleund, aandachtig toeluisterde. En terwijl de Chef nog om den tuin geleid werd en bevel gaf om het valsche spoor te volgen, wierp Torres op eigen houtje den luisterenden inlander snel een zilveren dollar toe. De inlander knikte met zijn hoofd in de juiste richting, greep ongemerkt het geldstuk, en begon weer te graven aan den wortel van den reuzenstomp. [78]

Torres veranderde het bevel van den Chef.

„Wij zullen den anderen kant uitgaan,” zei Torres, met een wenk aan den Chef. „Een vogeltje heeft mij verteld, dat onze vriend zich vergist en dat ze die richting genomen hebben.”

Toen de stoet vertrokken was langs het nog warme spoor, keken de haciendado en zijn opzichter elkander verbijsterd en verwonderd aan. De opzichter maakte met zijn lippen een beweging om tot stilte aan te manen en keerde zich toen bliksemsnel tot de groep werklui. De schuldige inlander werkte verwoed en geheel in zijn werk opgaande, maar een andere inlander, wees hem, met een nauwelijks merkbaar hoofdknikje, aan den opzichter aan.

„Hier hebben we het vogeltje,” riep de opzichter, met groote stappen op den verrader toeloopend en hem verwoed door elkander schuddend.

Uit de lompen van den inlander vloog een zilveren dollar te voorschijn.

„Aha,” zei de haciendado, den staat van zaken begrijpend. „Hij is plotseling rijk geworden. Het is verschrikkelijk, dat mijn inlanders rijk zouden zijn. Ongetwijfeld heeft hij voor dat geld iemand vermoord. Geef hem de noodige stokslagen en zorg, dat hij bekent.” Het schepsel bekende, op zijn knieën gelegen en terwijl de stok van den opzichter onophoudelijk neerdaalde op zijn hoofd en rug, wat hij gedaan had, om dien dollar te verdienen.

„Sla hem, geef hem er nog wat meer, sla hem dood, dat beest, dat mijn beste vrienden verraden heeft,” spoorde de haciendado lakoniek aan. „Maar neen—voorzichtig. Sla hem niet dood, maar bijna. Wij hebben op het oogenblik een te kort aan arbeidskrachten en kunnen dus niet den vrijen loop laten aan onzen rechtmatigen toorn. Sla hem, dat hij het flink voelt, maar toch zoo, dat hij maar een paar dagen niet werken kan.”

Van hetgeen den inlander onmiddellijk hierna overkwam, zou een boekdeel geschreven kunnen worden, dat men een heldendicht van zijn leven zou kunnen noemen. Doch het is minder aangenaam om een beschouwing te houden over iemand, die doodgeslagen wordt of daar lang bij stil te staan. Laat het u genoeg zijn wanneer ik vertel, dat hij, toen hij nog slechts een gedeelte van zijn straf ondergaan had, zich losrukte, met achterlating van de helft van zijn lompen in de greep van den opzichter en als een dolle naar de jungle vluchtte, het van den opzichter winnend, die niet gewend was aan een snelle beweging, behalve wanneer hij op den rug van zijn paard zat.

Zóó snel vluchtte de ongelukkige kerel, voortgedreven door de pijn van zijn verwondingen en de vrees voor den opzichter, dat hij, blindelings voorthollend, het Solano-gezelschap inhaalde, de jungle uitstormde en, juist toen zij een ondiepe rivier overstaken, op zijn knieën en om genade smeekend, tusschen hen neerviel. Hij jammerde omdat hij hen verraden had. Maar dit wisten zij niet en Francis, die zijn ellendigen toestand zag, bleef lang genoeg achter om de metalen schroef van een veldflesch los te maken en hem met de helft van [79]den inhoud te verkwikken. Toen spoedde Francis zich voort, den armen duivel achterlatend, die onverstaanbare dankbetuigingen uitstiet, eer hij wegdook in een andere richting in de beschuttende jungle. Maar, ondervoed, overwerkt als hij was, bezweek zijn kracht en hij zonk onmachtig in het dichte groen neer.

Het volgende oogenblik bereikten de vervolgers de rivier, Alvarez Torres vooraan en als een hond speurend, de gendarmes vlak achter hem aan en de Chef hijgend en kortademig in de achterhoede. De natte voetstappen van den inlander, die zich afteekenden op de droge steenen langs den zoom der rivier, trokken Torres aandacht. In een oogwenk werd de inlander, bij het beetje kleeren, dat hem nog overgebleven was, te voorschijn gesleept. Op zijn knieën, welke lichaamsdeelen hij dezen dag het meest scheen te moeten gebruiken, smeekte hij om genade en werd ondervraagd. En hij zei, dat hij niets wist van het gezelschap Solano. Hij, die een verrader geweest was en geslagen werd, maar die enkel hulp had ontvangen van hen, die hij verraden had, voelde in zich een spoor van dankbaarheid en betere gevoelens opwellen. Hij ontkende, dat hij de Solanos gezien zou hebben sedert het oogenblik, waarop hij hen verkocht had voor een zilveren dollar. Torres’ stok daalde neer op zijn hoofd, vijfmaal, tienmaal, en bleef neerdalen met de zekerheid, dat dit zonder ophouden zou voortduren tot hij de waarheid vertelde. En ten slotte was hij toch maar een ellendig, ongelukkig schepsel, zijn geestkracht gebroken door de slagen, die hij van kindsbeen af had ontvangen en de pijn van Torres’ stok, die dreigde neer te dalen tot de dood intrad, die zijn eigen meester, de haciendado, niet wilde voltrekken, hem deed toegeven en den weg ter vervolging aanwijzen. Maar het was nog slechts een begin van zijn wederwaardigheden. Nauwelijks had hij de Solanos voor de tweede maal verraden en nog altijd lag hij op zijn knieën, of de haciendado, met het gezelschap naburige haciendados en opzichters, die hij te hulp geroepen had, verscheen, op dampende paarden gezeten, ten tooneele.

„Mijn inlander, senors,” kondigde de haciendado aan, naar hem toesnellend. „Gij mishandelt hem.”

„En waarom niet?” vroeg de Chef.

„Omdat ik het recht heb om hem te mishandelen en dit zelf verkies te doen.”

De inlander kroop kermend naar de voeten van den Chef en bedelde en smeekte om niet uitgeleverd te worden. Maar hij smeekte om genade, waar geen genade te vinden was.

„Zeker, senor,” zei de Chef tot den haciendado. „We zullen hem u teruggeven. Wij moeten de wet handhaven en hij is uw eigendom. Bovendien hebben we hem niet meer noodig. Toch is hij een uitstekend inlander, senor. Hij heeft gedaan, wat geen inlander ooit deed in de geschiedenis van Panama. Hij heeft tweemaal op één dag de waarheid verteld.”

Met de handen vóór hem samengebonden en door een koord vastgemaakt aan het zadel van den opzichter, werd de inlander weggeleid met de vaste overtuiging, dat het ergste pak slaag, dat hem dien dag beschoren was, hem nog wachtte. En hij vergiste zich niet. Teruggekomen op de plantage, werd [80]hij als een dier aan een paal van een prikkeldraad-heining gebonden, terwijl zijn meester en de vrienden van zijn meester, die met de jacht geholpen hadden, in de haciënda hun twaalfuurtje gingen gebruiken. Hij wist wat hem te wachten stond als dat afgeloopen was. Maar het prikkeldraad der heining en de kreupele merrie in de paddock daarachter, deden een idee oprijzen in het wanhopige brein van den inlander. Ofschoon de scherpe haken telkens weer zijn polsen wondden, zaagde hij snel zijn banden door, zoodat hij vrij was, behalve voor de wet, kroop onder de heining door, leidde de merrie het hek uit, sprong op de bloote rug van het paard en terwijl zijn naakte hielen tegen haar ribben trommelden, galoppeerde hij weg naar de veilige Cordilleras.